Het meisje dat niet kon boeren

Nog niet zo lang geleden was er een meisje dat niet kon boeren. Ze heette Lobke. Haar ouders maakten zich vanaf Lobkes geboorte grote zorgen om haar. Als ze gevoed was met een flesje hield haar moeder haar over haar schouder en klopte op haar ruggetje en wachtte op een boertje. Maar dat boertje kwam niet. De ouders van Lobke namen haar mee naar de huisarts. De huisarts meende dat het geen kwaad kon dat Lobke niet boerde maar dat goede nieuws luchtte de ouders niet op.
Lobke mocht dan wel gezond zijn, in gezelschap zouden de ouders voor gek staan als hun dochter niet bleek te kunnen boeren. In Japan en in grote delen van China was het een teken van beleefdheid als je na het eten een boertje liet. Daarmee gaf je te kennen dat het eten je gesmaakt had.
Lobke werd een tiener die nog nooit geboerd had. Ze zat in de klas met kinderen die de ene boer na de andere lieten, als de leerkracht zich naar het bord gekeerd had. De kinderen kregen al snel door dat Lobke anders was en zij meden haar. Lobke vond dat niet erg want ze was een in zichzelf gekeerd meisje, dat meer belangstelling had voor de boeken die ze las dan voor de kinderen in haar klas.
Nadat ze van school gekomen was, ging Lobke werken in de bloemenwinkel van haar moeder. Van bloemen hield ze net zoveel als van boeken. Ze wist van alle bloemen de Latijnse namen. Dat was iets waar ze in haar werk niet veel aan had want de klanten noemden de bloemen die ze wilden kopen gewoon bij hun Nederlandse namen. Tulpen, rozen, chrysanten. Soms wezen ze alleen maar.
Op een dag, toen Lobke zeventien jaar was, kwam er een jongen van ongeveer haar leeftijd in de winkel. Het was een erg knappe jongen, veel knapper dan de jongens die er bij haar in de klas hadden gezeten. Dat waren jongens die haar niet geïnteresseerd hadden – en zij moesten ook niets van Lobke hebben omdat ze niet kon boeren.
Lobke keek de jongen aan en deed dat kennelijk iets te lang want hij bloosde en toen hij sprak stotterde hij. Als Lobke een normaal meisje geweest was zou ze misschien ook gebloosd en gestotterd hebben. Maar Lobke was geen normaal meisje. Ze zag de jongen om haar blozen, ze hoorde hem stotteren. Ze raakte in grote verwarring door de verwarring die ze teweeg had gebracht.
En ze liet een keiharde boer.
De jongen heette Edward en toen hij uitgestotterd was vroeg hij nog altijd blozend of Lobke zin had die avond met hem naar de film te gaan. De bos rode rozen die hij gekocht had gaf hij toen hij ’s avonds bij de bioscoop arriveerde aan Lobke, die daar zo beduusd van was dat ze midden in Edwards gezicht een enorme boer liet.
Enfin, ze trouwden natuurlijk, dat zat er dik in.
Een jaar of vijf later werd Rens geboren, een kerngezonde baby die de ogen van Edward had en de lach van Lobke. Lobke was een bijzondere baby geweest, Rens was het ook. Want pas toen hij vier jaar was begon hij te praten.
De eerste jaren had hij alleen maar geboerd.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.