Nina’s paranormale pa

‘Wat kut voor je,’ zei Nina.
‘Als die lul nou gewoon niks gezegd had,’ zei Tamara, die eerst alleen maar had kunnen huilen maar nu vooral kwaad was. ‘Maar nee, hij moest het zo nodig opbiechten. Ma werd natuurlijk bloedlink. Het was het hele weekend de ene schreeuwpartij na de andere. Gisteravond heeft ze ’m eruit gezet. Hij zal wel bij haar ingetrokken zijn. Nou, dan kan je raden hoe het verdergaat.’
‘Hoe dan?’
‘Ze gaan scheiden en voor mij komt er een omgangsregeling. Dan moet ik verdomme elk weekend bij pa en dat mens gaan logeren. In Grooterwaal! Zij is ook gescheiden en ze heeft twee kinderen. Klotezooi!’
Ze zaten op het bed van Nina, die een arm om haar vriendin heen geslagen had. ‘Komt wel goed, joh,’ zei ze en drukte een troostende kus op haar wang.
‘Wees maar blij dat jouw ouders nog bij elkaar zijn,’ zei Tamara, met een zakdoek een nagekomen traan wegvegend.
‘Die krijg je met geen mogelijkheid uit elkaar,’ zei Nina. ‘Ze hebben elkaar leren kennen doordat pa helderziende was. Heb ik je dat nooit verteld? Een knettergek verhaal is dat.’

Nina had gelijk, het was een knettergek verhaal. De vader van Nina, Herman, was inderdaad helderziende maar helderziende zijn is wat anders dan helderziend zijn. Iemand die helderziend is kan dingen zien die mensen die niet helderziend zijn niet kunnen zien. Bijvoorbeeld wat er in de toekomst gaat gebeuren. Een helderziende is iemand die beweert dat hij helderziend is, paranormaal begaafd. Je kunt bij een helderziende langsgaan en dan vertelt hij of zij je tegen betaling dingen over de toekomst. Dat zijn bijna altijd gunstige dingen, zodat er veel mensen zijn die een helderziende raadplegen.
Toen hij Ans leerde kennen was Herman vierentwintig jaar. Hij studeerde Nederlands en had een kamer in een studentenhuis. Tijdens de eerste maanden van zijn studie werkte hij op zaterdag in een boekwinkel. Maar omdat hij meestal van vrijdagavond laat tot halverwege vrijdagnacht met andere studenten in de kroeg zat, viel het niet mee om zaterdags vroeg op te staan en naar die boekwinkel te fietsen. Hij ging daarom op zoek naar een ander bijbaantje.
Na het zien van een tv-documentaire waarin een helderziende als oplichter was ontmaskerd vroeg Herman zich af of zulk werk niet iets voor hem was. Het enige wat je als helderziende hoefde te doen was mensen vertellen wat ze wilden horen, zo bleek uit de documentaire. Als de zogenaamde voorspellingen na een paar maanden nog niet uitgekomen waren gaf dat niet want dan kwam de klant nog een keer op het spreekuur, om te horen of er inmiddels wat naders te vertellen was over de aangename vooruitzichten op het gebied van de liefde, de gezondheid of de huisvesting.
De praktijkruimte van helderziende Herman was zijn studentenkamer. Hij kreeg z’n eerste klant kort nadat hij bij de supermarkt aan de overkant een kaartje had opgehangen waarop hij zijn diensten als toekomstvoorspeller aanbood, met zijn telefoonnummer erbij. De klant was een man van middelbare leeftijd die zich zorgen maakte over zijn gezondheid. Hij scheen het niet vreemd te vinden dat Herman zo jong was en dat hij in een studentenkamer praktijk hield.
Herman merkte dat het voorspellen van de toekomst hem gemakkelijk afging. De klant deed namelijk het meeste werk: die vertelde uit zichzelf wat de gezondheidsklachten waren, dat hij soms pijn in zijn maagstreek had. Herman hoefde er dus niet naar te raden. Hij zat met gesloten ogen tegenover de man en wreef om beelden uit de toekomst door te krijgen over het horloge dat deze hem aangereikt had. ‘U hoeft zich geen zorgen te maken over uw gezondheid,’ zei hij.
‘Maar toch zou ik voor de zekerheid naar de huisarts gaan.’
Herman verdiende met het voorspellen van de toekomst veel meer dan met werken in de boekwinkel en hij kon op zaterdag uitslapen zo lang als hij wilde. Op de dag dat hij in contact kwam met Ans, de liefde van zijn leven, deed hij het voorspellende werk al twee jaar.
‘Verdomme!’ zei hij die middag, toen hij de telefoon neergelegd had. Het was zijn moeder die vertelde dat zijn vader met hartklachten in het ziekenhuis was opgenomen. Herman moest er onmiddellijk naartoe, maar over een halfuur verwachtte hij een nieuwe klant. Hij had haar telefoonnummer niet en kon dus niet afbellen. Helaas, niets aan te doen: zijn zieke vader ging voor.
Toen hij zijn kamer verliet om naar het ziekenhuis te gaan zag hij rechtenstudent Johan in de keuken staan, bezig met koffiezetten. Waarom ook niet, dacht hij. Het is te proberen.
‘Johan, kan jij wat voor me doen?’
‘Wat?’
‘Ik moet dringend even weg, maar zo meteen komt er een klant voor me. Zou jij het van me over kunnen nemen?’
‘Ik? Maar ik ben toch niet helderziend!’
‘Dat maakt voor een keer niet uit. Het is een vrouw, ze zal dus wel problemen met de liefde hebben. Laat haar een kaart trekken, zeg dat je een nieuwe liefde op haar pad ziet komen. We delen het geld, oké? Jij vijftien gulden en ik tien, lijkt me een mooie deal. Ik zal je een paar tips geven, dan kan er niks misgaan.’
Twintig minuten later zat Johan aan Hermans eettafel waarop een brandende kaars stond en keek naar de kaart die Ans getrokken had. Een hartenkoning. Wat zou hij daar eens over zeggen.
‘Zoiets maak ik niet vaak mee,’ zei hij. ‘Harten én koning.’
‘Wat betekent dat?’ vroeg Ans, die een kleur gekregen had. Ze was een maand daarvoor door haar vriend gedumpt en had de hoop op een nieuwe liefde opgegeven. Een vriendin had haar aangeraden naar een helderziende te gaan, wie weet was de toekomst rooskleuriger dan ze dacht.
‘Dat kan maar een ding betekenen,’ zei Johan. ‘Een nieuwe liefde.’
‘O ja? Wanneer? Gauw?’
‘Heel gauw,’ zei Johan, die van Herman had begrepen dat je het zo zonnig mogelijk moest voorstellen. ‘Echt heel gauw. Ik denk dat je ervan achterover slaat als het zover is.’
‘Hoe ziet-ie eruit?’ wilde Ans weten.
Johan sloot zijn ogen om zich beter te kunnen concentreren op de romantische dingen die komen gingen en hield daarbij met beide handen haar rechterhand vast.
Hij wreef erover en kneep erin. Aangenaam werk: de hand van een mooie jonge vrouw tussen de zijne houden en er nog geld voor krijgen ook. Hoe haar nieuwe liefde eruitzag… Het uiterlijk van Herman schoot hem te binnen – wat maakte het uit wat hij zei?
‘Hij is ongeveer 1 meter 70. Ik zie sluik donkerblond haar, bijna tot op zijn schouders. Hij draagt een bril… Wat is dat voor een bril… Een bril zonder montuur… Ja, een ziekenfondsbrilletje. Hij rijdt op een oude fiets zonder spatborden. En hij rookt een pijp.’
Ans betaalde de vijfentwintig gulden en nam blozend afscheid. Johan haalde opgelucht een flesje bier uit de koelkast van Herman, dronk het leeg en vond dat hij nog wel een tweede biertje verdiend had ook.

‘Nou,’ besloot Nina, ‘op het moment dat mijn moeder het studentenhuis verliet stak mijn vader de sleutel in het slot. Hij had een lekke band gekregen en was maar weer teruggegaan naar huis. Toen de voordeur openzwaaide kreeg ze zijn pijprook in haar gezicht geblazen en het voorwiel waar geen spatbord op zat tussen haar benen geduwd, waardoor ze achterover viel. Hij zei sorry en hielp haar overeind. Zij hakkelde wat terug en vijf jaar later werd ik geboren. De eerste dagen dat ze met elkaar omgingen moet het een volkomen krankzinnige toestand geweest zijn, in dat studentenhuis. Hij kon haar niet meenemen naar zijn kamer want dat was de kamer waar ze tegenover helderziende Johan gezeten had. Pa was zo knetter van verliefdheid dat hij met Johan van kamer ruilde. Het was zomer en warm en ze hadden allebei geen zin om met al hun meubels te gaan lopen slepen, dus ze ruilden niet alleen van kamer, ze namen elkaars complete inboedel over. Die Johan was waarschijnlijk ook niet helemaal lekker. Pa deed z’n praktijk aan hem over, zelf ging hij weer in de boekwinkel werken.’
Tamara dacht aan haar eigen ouders, die het niet zo goed met elkaar getroffen hadden. ‘Stel je voor dat ik het hele pinksterweekend bij pa en dat mens en haar kinderen moet zitten. Drie dagen lang in dat klote Grooterwaal!’
‘Grooterwaal valt vast wel mee. Trouwens, ik ben toch je beste vriendin? Dan kan ik komen logeren als je daar zit.’
‘Dat zou wel gaaf zijn.’
‘Er zit een kroeg waar we wel eens geweest zijn, Het Wapen van Grooterwaal,’ zei Nina.
‘O ja,’ zei Tamara, al wat opgewekter.
‘Wie weet kom je een leuke Grooterwaalse jongen tegen.’
‘Ik zal aan ma vragen of we de hele zomervakantie in Grooterwaal mogen logeren!’

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.