Avonturen met Anthos

Om wonderlandse avonturen mee te maken moest Alice afdalen in een rabbit hole en through the looking-glass gaan, ik tekende argeloos een contract met Ambo|Anthos uitgevers.

In de loop van 2000 was ik in communicatie geraakt met een redacteur van deze uitgeverij. Nadat zij daar toestemming voor gegeven had zond ik haar een aantal manuscripten ter beoordeling. Op 4 januari 2001 beraadslaagden we er in Amsterdam tijdens een lunch over. Zij vertelde bij die gelegenheid dat Anthos het manuscript Hartslagen (zoals Zoute griotten toen nog heette) wilde uitgeven.
Ik was niet meteen ondersteboven van dit goede nieuws. In het verleden had ik op weg naar publicatie van een boek wel vaker wind mee gehad maar die was op den duur altijd gedraaid.
Het leek Anthos echter ernst te zijn. De redacteur (hierna mijn redacteur genoemd) kwam (tot tweemaal toe) naar Den Haag voor overleg en ze vroeg me zelfs een keer of ik ervoor voelde om mee te werken aan promotieactiviteiten rond het boek. Dat leek me wel lollig om te doen.
Haar deskundigheid leidde ertoe dat het manuscript een aantal verbeteringen onderging. Zo kwam er meer vaart in de dialogen en werd ik ertoe aangezet duidelijker te maken wat nu precies de periode was waarin de gebeurtenissen plaatsvonden. Ik ben dan ook waarschijnlijk wereldwijd de enige schrijver die na voltooiing van een roman er een schema voor maakte.

Bij al deze creatieve en recreatieve (tosti’s op Kijkduin!) activiteiten werd de zakelijke component van de samenwerking natuurlijk niet uit het oog verloren: de goede onderlinge verstandhouding diende door middel van een contract een juridisch kader te krijgen. Ik ontving van Anthos een 12 februari 2001 gedagtekend auteurscontract. En omdat ik een rare ben ging ik dat lezen.
In Artikel 9 stond: ‘indien bij een eventuele herdruk de auteur mocht zijn overleden, is de uitgever bevoegd het werk door één of meer deskundige(n) te laten bewerken’. Als dit de gebruikelijke gang van zaken was zou Van Oorschot in een herdruk van Oblomov de luie held van deze roman kunnen laten meedoen aan de Marathon van Rotterdam, om het verhaal wat meer vaart te geven.
Artikel 15 begon met ‘De auteur zijn bevoegd’, dus dat sloeg ik verder maar over, en bij artikel 16 rezen de wenkbrauwen wederom: ‘De rechten en verplichtingen van de auteur gaat na hun dood over op hun erfgenamen’.
We maken allemaal wel eens een tikfout maar omdat we helaas in een rechtsstaat leven schijnt het voor te komen dat de rechter de zaak al seponeert als er op de dagvaarding een verkeerde postcode staat – kortom: dat contract tekende ik maar niet.
Mijn redacteur liet op 19 maart weten dat ik een nieuw contract zou ontvangen. Omdat daarin veel minder de nadruk werd gelegd op mijn overlijden, stuurde ik het ondertekend terug.

Het waren spannende tijden. De eminente striptekenaar Erik Kriek (wie eenmaal een Gutsman van hem gelezen heeft is verkocht) was aangezocht om het omslag te ontwerpen, de niet minder eminente fotograaf Chris van Houts verschoot vier rolletjes om mijn kop passabel in zwart-wit op het omslag te krijgen – dan moet je wat in je mars hebben.

De laatste verbeteringen waren in het manuscript aangebracht, ik had met mijn redacteur overlegd over een tekst die in de aanbiedingsfolder zou komen – en toen kondigde ze aan dat ze de uitgeverij ging verlaten. Ze moest zich bij Anthos te veel met organisatorische zaken bezighouden en kwam daardoor te weinig toe aan het eigenlijke redigeer-werk waar ze zo van hield.
Ik werd overgedragen aan de goede zorgen van een bureauredacteur en die van promotiemedewerker Wendy, die ik omdat het een kleine wereld is tweemaal eerder bij prettige gelegenheden op mijn pad had gehad. Het werd nu menens, want bij een bezoek aan de uitgeverij kreeg ik de aanbiedingsfolder in handen. Daarin werd over een lengte van maar liefst drie pagina’s aandacht voor Zoute griotten gevraagd. Hallo dan.
De uitgever, die ik in de voorafgaande maanden nog niet had gesproken (en nu maar heel even sprak) stelde voor om er geen al te dolle presentatie van te maken maar iets eenvoudigs te organiseren, met ‘mensen van de boekhandel’ erbij.

Op 10 augustus ontving ik de eerste proef. Ik had voldoende tijd om die te corrigeren en dat was zoals het hoorde want een roman is geen auteurscontract waarin je maar raak kunt schrijven en spellen. Binnen een week zond ik de bureauredacteur een e-mail.
Ik merkte bij het corrigeren van de eerste proef dat er ten opzichte van de door mij gefiatteerde tekst een paar wijzigingen waren aangebracht. Zo was van ‘bovenop’ (p. 21) ‘boven op’ gemaakt, terwijl op p. 133 ‘bovenop’ is blijven staan, een onnodige inconsequentie. Het is (zeker met deze hitte) al een hele opgaaf om in één moeite door de tekst inhoudelijk kritisch te bekijken, zetfouten in de gaten te hebben en te letten op lelijke/foute afbrekingen. Als ik dan ook nog bedacht moet zijn op buiten mijn weten aangebrachte wijzigingen…

Een collega (hierna mijn collega genoemd) zette zich destijds tijdens, voor en na kantooruren enorm voor de literatuur in, onder veel meer door het zes dagen per week vullen van de LiTTerair geheten NOS Teletekstpagina’s 430 en 431. Daarmee bracht hij levende, stervende en dode schrijvers en hun werk onder de aandacht – en deed dat zo bezeten, dat er al een uitvoerig in memoriam te lezen was als de lijkschouwer nog bezig was met het tellen van de kogelgaten en de gaten veroorzaakt door messteken, en de naaste familie nog niet van het vredig inslapen van de auteur op de hoogte was gebracht.
Soms kwamen zelfs debutanten aan bod. Ik gaf mijn collega een drukproef, die hij onderweg naar de Buchmesse in de trein zou lezen, om te kijken of het wat voor LiTTerair was: dat mijn collega mijn collega was kon dus wel een gunstige omstandigheid genoemd worden.

Intussen waren de voorbereidingen voor de publicatie van het boek in volle gang. Tenminste, die indruk had ik nog. Ik had in de twee dagen tijd die me daarvoor gegund waren de tweede proef gecorrigeerd, op woensdag 29 augustus noteerde ik in mijn dagboek: ‘Maandag gaat de handel naar de drukker.’
Die gang van zaken was naar mijn zin, want als het boek eind september verscheen zat ik nog voor de grote najaarsgolf van belangwekkende uitgaven en had je kans dat het debuut de aandacht trok van recensenten. Maar op 6 september liet de uitgever per mail weten dat dan al verschijnen geen zin had, omdat nog niet alle boekhandelaren in de gelegenheid waren geweest om op de beurzen exemplaren te bestellen. Zouden we het maar op half oktober houden?
Ik zat ervoor in de startblokken, al sinds het bericht van de bureauredacteur van 13 september dat een van de twee promotiemedewerkers (er was een nieuwe in dienst gekomen, een van wie ik op den duur ging vermoeden dat zij dat werk nog niet eerder gedaan had) contact zou opnemen over presentatie en publiciteit.

Het boek zou op 15 oktober van de drukker komen. Die dag belde ik Anthos op en vroeg naar de uitgever, want ik wilde hem een vraag stellen. Dat was goed getimed want hij kwam net binnen. De man die de telefoon aangenomen had wilde weten waar ik voor belde. Ik zei dat ik de schrijver was van een boek dat op het punt stond bij Anthos te verschijnen. De man verzocht om een ogenblik geduld en voerde onhoorbaar overleg met de uitgever. Deze bleek op het punt te staan in bespreking te gaan (het onhoorbare overleg tussen telefonist en uitgever duurde ongeveer zo lang als ik nodig zou hebben om mijn vraag te stellen en die beantwoord te krijgen). Hij zou me ’s middags terugbellen maar deed dat niet.
Twee dagen later arriveerde ik volgens afspraak rond lunchtijd bij de uitgeverij om de auteursexemplaren in ontvangst te nemen. Boeken werden er gelijkvloers in de postkamer op voorraad gehouden. Een enkele medewerker daalde van zijn bovenliggende werkplek af om me te feliciteren met het boek en ging vervolgens weer aan de arbeid.
Wendy kwam ook feliciteren. Ik vroeg wanneer het boek in de winkel zou liggen, dan kon mijn collega zijn Teletekstpagina’s die dag op tv brengen. Volgens Wendy lag een boek een week à tien dagen na desbetreffende opdracht aan het Centraal Boekhuis in de winkel – en ze ging nu het Centraal Boekhuis opdracht geven het boek te verspreiden!
De Anthosmedewerkers die ik het pand zag verlaten hadden vermoedelijk een lunchafspraak die zij niet konden annuleren om met mij feestelijk wat te gaan eten, dus ik ging maar weer op huis aan met mijn boeken. Nog hooguit tien dagen, dan lag Zoute griotten in de winkel en al over een week was er de presentatie met ‘mensen van de boekhandel’!

Behalve de drie dierbaren die ik de 24ste oktober zelf zou meebrengen nodigde ik Irene en Maarten uit (die er belangeloos voor gezorgd hadden dat Buisdorp.com in de lucht was gekomen), en ook Chris van Houts (die niet kon), mijn vertrokken redacteur (die niet kon), mijn collega (die niet kon) en Erik Kriek.
Van de op het feest aanwezige medewerkers van de uitgeverij kende ik alleen de bureauredacteur en Wendy. Ik weet niet of de anderen speciaal voor de gelegenheid waren opgetrommeld of gewoon na hun werk nog een glaasje sap kwamen drinken omdat ze anders toch maar in de file zouden komen te staan.
Ik werd voorgesteld aan de nieuwe promotiemedewerker en ook aan een mannetje dat mijn redacteur was opgevolgd. Hij zei: ‘Een belangrijke vraag: hoe zit het met je volgende boek?’
Het was behalve de eerste keer ook de laatste keer dat hij het woord tot me richtte, ondanks dat hij mijn redacteur geworden was. Nooit meer wat gehoord van dat mannetje – wel zag ik hem jaren later bij de presentatie van een verhalenbundel bij een andere uitgeverij want men wisselt in die sector nogal eens van werkgever omdat men toe is aan een nieuwe uitdaging, en het kan zelfs gebeuren dat men na verloop van tijd dan weer in het nest gevallen blijkt te zijn, per abuis of met opzet – wat doet denken aan de anekdote over de onophoudelijk verhuizende grootvader Bomans, die eens gezegd moet hebben: ‘Ik heb de indruk dat ik hier al eens eerder heb gewoond.’
Het was aangenaam om kennis te maken met Erik Kriek en de kans te krijgen hem te complimenteren met het omslag. Het boek zag hij voor het eerst. Dat was raar, vond de bureauredacteur, er was Kriek een exemplaar gestuurd.
De uitgever kon helaas niet bij de presentatie aanwezig zijn. Hij was ook niet in de gelegenheid om vanaf de locatie waar hij zich dringend bevond mij telefonisch geluk te wensen met het verschijnen van mijn boek. Althans, dat deed hij niet.
Omdat ik graag in boekhandels kom had ik erg uitgezien naar de ‘mensen van de boekhandel’ maar die waren er niet. De bureauredacteur sprak publiekelijk een paar hartelijke woorden over het boek, ik gaf zelf ook voor mijn vuist weg wat woorden ten beste en maakte vervolgens met deze en gene een praatje en ging toen met mijn dierbaren uit eten. Een gezellig avondje werd het zo nog, met als enige smet dat ik verzuimd had ook Irene en Maarten ervoor uit te nodigen.

De volgende dag was opnieuw een hoogtijdag. Ik zette in de vroegte de tv aan: die vertoonde onafgebroken de aan Zoute griotten gewijde Teletekstpagina’s. Om kwart voor zes in de middag werd ik opgebeld door de bureauredacteur, die een recensie uit het Eindhovens Dagblad voordroeg (waarschijnlijk geschreven op basis van een drukproef), waarin ongelooflijk maar waar stond: ‘U hield al van Ronald Giphart. Hou nu ook van Martin de Jong.’ Ik kreeg een waas voor mijn ogen toen ik bedacht hoevelen er potentieel van mij zouden gaan houden want ik had (en heb) veel liefde nodig.
Een doortastende uitgever had die quote in een kleine dagbladadvertentie geplakt, vooral als dat gelijktijdig kon gebeuren met het in de winkel opduiken van het boek. Wat zou het gekost hebben? Toch niet veel meer dan de 3000 gulden die ze me niet hadden hoeven betalen omdat ik besloten had af te zien van een voorschot bij ondertekening van het contract.

In de dagen die volgden ging ik zo nu en dan een boekhandel binnen, in geen enkele was Zoute griotten te bekennen. Op 30 oktober belde ik de nieuwe promotiemede-werker op, die navraag ging doen en toen zij navraag gedaan had liet weten dat pas op de dag van de presentatie opdracht tot verspreiding was gegeven. Ze hadden me dus niet laten weten dat ze besloten hadden af te wijken van de met mij gemaakte afspraak (Wendy ging nu het Centraal Boekhuis opdracht geven het boek te verspreiden!) – en die Teletekstpagina’s waren daardoor als mosterd voor de maaltijd in het water gevallen.
Op de laatste dag van oktober las de nieuwe promotie-medewerker door de telefoon een overzicht voor van kranten en magazines die een recensie-exemplaar zouden ontvangen. Terwijl het boek al twee weken in huis was en dus al twee weken eerder verzonden had kunnen worden. Terwijl door de grote najaarsgolf van belangwekkende uitgaven de kans vrijwel nihil geworden was dat het boek nu nog besproken werd. Terwijl het toen mijn redacteur zich nog met de zaak bemoeide de bedoeling was het boek in september op de markt te brengen.
Pas op 1 november zag ik het in een boekhandel liggen en had daar geen bijzondere gevoelens bij.

De nieuwe promotiemedewerker (die het van groot belang vond dat haar achternaam gespeld werd met dt als laatste twee letters – zoals een De Jongh zal hechten aan die opschepperige h) zat intussen te zweten op een aanbiedingsbrief voor bij de recensie-exemplaren. Ik zei dat ze daar die quote uit het Eindhovens Dagblad in moest zetten. Dat vond ze een goed idee dat ze kennelijk zelf nog niet had gehad. Die aanbiedingsbrief heb ik nooit gezien, ook niet was de inhoud ervan aan me voorgelegd, zoals netjes gebeurd was bij de tekst van de aanbiedingsfolder die tot stand kwam in overleg met mijn redacteur.
Soms ontdekte ik bij toeval ergens een korte bespreking of een signalering van het boek. Op 18 december mailde ik aan de nieuwe promotiemedewerker: ‘In de Elle staat een leuk stukje over ZG.’ Ze mailde terug: ‘Heb ik gezien. Leuk inderdaad!’ (Het was dus in feite niet nodig geweest dat ik haar op het leuke stukje attendeerde, maar als auteur beschouwde ik het als mijn plicht de uitgeverij op de hoogte te houden van de ontwikkelingen rond het boek.)
Het is fijn als mensen geïnteresseerd zijn in wat je doet en hoe het met je gaat, al had ik het op den duur liever niet meer. Want wat moet je antwoorden op de vraag: ‘Hoe gaat het met je boek?’ als je geen idee hebt hoe het ermee gaat? En wat kan je desgevraagd zeggen over de oplage ervan, als je daarover van de uitgever niets vernomen hebt?

Mijn redacteur was aan de slag gegaan bij De Bezige Bij. Eind januari 2002 ontving ik van haar het nieuwjaarsgeschenk van die uitgeverij en wat voor een: een facsimile-uitgave behelzende schoolopstellen van Gerard Reve uit de periode 1939-1940!

Ik had van een collega (een andere collega dan mijn collega) een uitnodiging ontvangen voor het bijwonen van de viering van de negentigste verjaardag van Marten Toonder, op 2 mei 2002 in het Bibliotheektheater van de Bibliotheek Rotterdam. Bij die gelegenheid werd tevens, kwam ik pas te weten toen ik het op de uitnodiging zag staan, de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste debuut van 2001 uitgereikt.
Het was weer een belevenis om meneer Toonder een hand te kunnen geven. (Dat was eerder gebeurd bij de presentatie van een aan hem gewijde cd-rom, toen was ik zo zenuwachtig geweest dat ik aanvankelijk niets kon uitbrengen en alleen maar dwaas glimlachend naar hem knikte, pas aan het einde van de bijeenkomst kwam het tot een paar onbeholpen woorden mijnerzijds.)
Op een tafel op het podium lagen de iets meer dan dertig voor de prijs ingezonden boeken. Behalve het bekroonde boek werden er negen in de lucht gehouden en kort getypeerd door juryvoorzitter en bibliotheekdirecteur Frans Meijer. Jammer dat mijn boek niet een van die negen was, vooral wegens het bijzijn van idool Marten Toonder.
Nadat de jarige onder aanvoering van Hans Matla was toegezongen verplaatste het feest zich naar de foyer, waar ik bovengenoemde hand ging geven. Daarna liep ik de lege zaal in, betrad het podium en bekeek het tafeltje met ingezonden boeken. Zoute griotten lag er niet bij, wat raar.
Een paar dagen nadien belde ik Frans Meijer hierover op, als redacteur van Bibliotheekblad kon ik hem gemakkelijk aan de lijn krijgen. Hij raadpleegde de lijst – nee, het boek was niet ingezonden. ‘Volgend jaar beter!’ – maar voor een debuutprijs kom je maar eenmaal in aanmerking, tenzij je het nog een keer onder een andere naam probeert, maar die grap was al een keer uitgehaald.

Terzijde: op 17 april 2003 zocht ik Toonder op in het Rosa Spier Huis om hem een essaybundel aan te bieden met daarin een bijdrage die ik over zijn werk geschreven had. Ik vertelde hem over mijn avonturen met Anthos en hij zei daarover invoelend: ‘Wat een klonten!’ Die konden ze in hun zak steken, wat mij betrof.

Door weer met het prijzenfestival. Mijn collega, die naast zijn inzet voor LiTTerair als penningmeester betrokken was bij de Libris Literatuur Prijs, mailde op 21 mei dat Zoute griotten ook daarvoor niet was ingezonden.
‘Ik heb hier de complete lijst voor me met alle 148 boeken die zijn ingezonden voor de Libris Literatuur Prijs 2002 (de editie 2002 is voor boeken die in 2001 zijn verschenen). Daarbij is geen enkele titel van Anthos, dus ook niet jouw debuut.’
Gauw de uitgever hierover gemaild. (Opbellen had ook gekund maar ik had geen zin om weer te moeten uitleggen wie ik was en wat ik wilde, een gang van zaken die naar ik vermoedde Harry Mulisch bespaard bleef als hij bij De Bezige Bij Robbert Ammerlaan te spreken wilde krijgen of telefonisch het staatshoofd benaderde, wier doorkiesnummer hij waarschijnlijk op zak had.) De uitgever mailde op 28 mei terug dat Zoute griotten wél was ingezonden.
Omdat ik van niemand iets hoorde kwam ik op het idee de uitgever te strikken voor een lunch, die zich op 27 juni afspeelde. Ik begon nog maar een keer over het inzenden voor de Libris Literatuur Prijs. De uitgever zou er om aan alle onduidelijkheid een einde te maken navraag naar doen. Toen ik op kantoor aan mijn collega verslag uitbracht van de geslaagde lunch (ik hoefde die niet te betalen) en de mogelijkheid opperde dat Anthos wel degelijk had ingezonden, raakte hij op het vertoornde af in een ‘wat zullen we nou beleven’-stemming en haalde de officiële lijst met inzendingen erbij. Die was alfabetisch gerangschikt op uitgever, te beginnen met De Arbeiderspers.

Het boek werd intussen aardig uitgeleend door de bibliotheken, en daar had ik baat bij, want ik ontving een leenrechtvergoeding van Lira. Dat ging niet meteen zoals het hoorde. De hoogte van de vergoeding hing onder meer af van de winkelprijs van het boek, en die bedroeg aanvankelijk 25 gulden. Niet lang na verschijning werd de euro ingevoerd, waarbij de prijs 11,34 euro werd, een mooi rond bedrag dat je kreeg als je 25 deelde door 2,20371. En als je vervolgens 11,34 door 2,20371 deelde kreeg je 5,15 euro – het bedrag dat om de een of andere reden op de specificatie van Lira vermeld stond als winkelprijs. Welk genie had dit nu weer voor elkaar gekregen.
Ik ging hiertegen uiteraard in beroep, en niet voor niets, want er volgde een nabetaling van 11,45 euro. Het is niet meer te achterhalen wat ik daarmee deed, in mijn dagboek schreef ik op 27 juni 2003: ‘daar gaan we wat leuks van doen, maar ik kan het ook op rente zetten’.

Eerder dat jaar was ik in een aanmerkelijk minder grollige stemming geweest. Op 21 januari trof ik op de website van Boekblad een fotoverslag aan van de Anthosnieuwjaars-receptie. Ik had daarvoor geen uitnodiging ontvangen, er was evenmin een nieuwjaarsgeschenk bezorgd (ze hielden er later ook mee op me aanbiedingsbrochures te sturen).
Als je op een website feestfoto’s ziet heb je weliswaar een beetje het gevoel dat je erbij bent, toch is dat wat anders dan daadwerkelijk meelopen in een door je uitgever geleide polonaise die van etage naar etage voert en misschien nog wel een eindje over de gracht ook.
Waarom weet ik niet maar ik werd er een beetje onvrolijk van.

Het werd op die manier wel een lekker jaar, 2003. Dat beaamde mijn bij De Bezige Bij asiel gevonden hebbende redacteur, met wie ik op 14 mei een lunchafspraak had om gezellig bij te praten. Zij had nog altijd geen Zoute griotten in huis, Anthos had haar niet eens een exemplaar gezonden. Of misschien hadden ze het wel gedaan maar naar een verkeerd adres of zo of weet ik veel. Ik kon wel navraag doen, maar wat schoot je ermee op? Ik kocht voor 11,34 euro een exemplaar en stuurde het haar.
(Het is niet zo dat men bij Anthos permanent onattent was: ik had maar liefst twee kaartjes van ze ontvangen voor het Boekenbal 2002 maar liet die onbenut omdat ik het risico niet wilde lopen dat ik daar mensen van de uitgeverij tegenkwam en ermee zou moeten dansen. Nog geen halfjaar na het verschijnen van het boek voelde ik al een zo hevige weerzin tegen ze.)

Het nadeel van het auteurscontract was dat ik er door de royaltyafrekening eenmaal per jaar aan herinnerd werd dat ik aan Anthos verbonden was. En bijna elk jaar riep die afrekening vragen op.
Wendy (de nieuwe promotiemedewerker liet niet meer van zich horen, een zorg minder) mailde me op 15 mei 2002 dat er in 2001 652 exemplaren verkocht waren, en in 2002 tot dan toe 360, in totaal dus 1012 exemplaren. Ik vroeg per kerende mail of dat wel klopte, want op de royaltyafrekening over 2001 was geen sprake van 652 maar van 570 verkochte exemplaren.
Het jaar erna, op 3 mei 2003, moest ik naar aanleiding van de royaltyafrekening weer mailcontact met de uitgever zoeken: ‘Volgens een opgaaf die ik van haar ontving heeft de Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD Biblion) in maart vorig jaar 291 exemplaren van Zoute griotten besteld. Desondanks is er bij de “specificatie royaltyberekening” sprake van (in totaal) 253 verkochte exemplaren in 2002. Daarentegen staat er bij de “specificatie voorraad”: 355 verkopen. Graag hoor ik van je hoe dat mogelijk is.’
Ik weet nog steeds niet hoe het mogelijk was.

Met de royaltyafrekening werd het elk jaar gekker.
Op 17 april 2004 ontving ik die over 2003, waarin stond dat er ‘-28’ (min achtentwintig) boeken verkocht waren en dat ik nu een voorschot van 27,62 euro had. Bovendien bedroeg de voorraad nul. Niet omdat er een run op het boek was geweest maar omdat er 1008 exemplaren ‘vernietigd’ waren. Wel alle donders!
Grimmig maakte ik de 27,62 euro over, in de hoop dat ze ervan in verwarring zouden raken. Inderdaad kwam er op 6 mei een brief van een redactieassistent. Er stond boven ‘beste meneer de Jong’ – en als er zo’n toon aangeslagen wordt weet je dat de verhoudingen ongeneeslijk verziekt zijn. Ze was er door de ‘royaltyadministrateurs’ op geattendeerd dat ik 27,62 euro overgemaakt had. Dat had ik niet hoeven doen, het geld werd teruggestort. Ze gaf toe dat de term ‘te verrekenen’ verwarrend was, er waren meer vragen over gekomen.
Ik had er ineens genoeg van. Het was tijd geworden voor… een brief. Deze:

Hartelijk dank voor uw raadselachtige brief van 4 mei. U schrijft daarin dat het onder het kopje ‘te verrekenen’ genoemde bedrag van 27,62 euro wil zeggen dat ‘het voorschot dat bij ondertekening van het auteurscontract aan u is betaald, nog niet helemaal is terugverdiend met de verkoop van uw boek’, en dat ik het betreffende bedrag niet had hoeven over te maken, vanwege uw ‘vertrouwen in de auteur’.
Ik ben u zeer erkentelijk voor dat vertrouwen – een voorschot bij ondertekening van het contract heb ik echter nimmer ontvangen. In het door mij medeondertekende, 17 april 2001 gedagtekende contract is geen sprake van een voorschot. Indien u nog in het bezit bent van uw kopie van het contract kunt u dit controleren; zo niet, dan ben ik uiteraard graag bereid u een kopie van mijn kopie toe te zenden.
Afgezien van het raadsel van het ‘te verrekenen’ bedrag van 27,62 euro bevat de royaltyafrekening 2003 nog een aantal onduidelijkheden. Vanwege ervaringen in het verleden leek het mij verspilde moeite daarover aan de bel te trekken, maar nu u er zelf over begonnen bent kan ik het net zo goed alsnog doen.
Het lijkt mij beter dat ik mij daarbij tot u in plaats van tot de uitgever richt. Vorig jaar bevatte de afrekening eveneens onduidelijkheden. Ik mailde de uitgever daarover, die op 4 mei 2003, ook per mail, liet weten: ‘Ik laat het uitzoeken en laat het je berichten’. Vervolgens niets meer vernomen. Het jaar daarvoor, op 27 juni 2002, had ik een lunch met de uitgever. Er was toen een andere kwestie aan de orde; bij die gelegenheid zegde de uitgever mondeling toe het te laten uitzoeken, en ook in dat geval nooit meer wat gehoord.
Een verzachtende omstandigheid is uiteraard dat hij als uitgever omkomt in de verplichtingen. Ik las vorig jaar bijvoorbeeld op de website van Boekblad in het Buchmessedagboek van een uwer redacteuren, dat de barkeeper van het Frankfurter Hof zich de uitgever nog goed kon herinneren van diens bezoek het jaar ervoor. Als je er moeite voor doet om bij de barkeeper van het Frankfurter Hof een indruk achter te laten, dan is het logisch dat de zorg om je auteurs erbij inschiet.
 Een andere omstandigheid die maakt dat ik me mijns inziens het beste tot u kan richten, is dat ik het sterke vermoeden heb dat de kennis van zaken bij medewerkers van Anthos toeneemt naarmate zij een bescheidener plaats in de hiërarchie innemen.
Zo was ik op 17 oktober 2001 in het pand om de auteursexemplaren van mijn zojuist gedrukte roman Zoute griotten in ontvangst te nemen. Hoewel men het te druk had om mij een kop koffie aan te bieden, was het toch een zeer feestelijke gebeurtenis, want de uitgever kwam persoonlijk voor een minuutje van zijn afdeling naar de postkamer afgedaald. Tegen de postkamermedewerker zei hij dat ik als auteur acht exemplaren van de roman kon meekrijgen. De postkamermedewerker was gelukkig beter op de hoogte van het bepaalde in Artikel 7 van het contract, zodat ik van hem de tien exemplaren ontving waar ik recht op had.
Maar nu die royaltyafrekening 2003.
Afgezien van dat ‘te verrekenen’ bedrag van 27,62: hoe is de boekhandel erin geslaagd -28 (min achtentwintig) exemplaren te verkopen?
Bij ‘Specificatie verkoopprijzen’ staat: 15-03-2002 EUR 12,90. Blijkens de fondslijst op uw website (gecontroleerd 3 mei 2004) is de kostprijs van het boek momenteel EUR 14,95. Heeft die prijsverhoging in 2003 plaatsgevonden? Waarom staat dat dan niet vermeld op de royaltyafrekening (ingevolge Artikel 11, lid 1c van het contract)? Indien de prijsverhoging heeft plaatsgevonden na 31 december 2003, dan wordt het helemaal vreemd, want de royaltyafrekening geeft als ‘Eindvoorraad 31-12-2003’ aan: 0 (nul).
 (NB. Over uw website gesproken. Daarop ontdekte ik bij toeval: ‘Meer informatie over onze auteurs is te vinden op de volgende (buitenlandse) sites’. Zolang ik nog aan Anthos verbonden ben, stel ik er prijs op dat in dat overzicht ook mijn website Buisdorp.com wordt opgenomen. Contractueel is Anthos weliswaar niet gehouden zulks te doen, uit oogpunt van hoffelijkheid is het wellicht te overwegen.)
 Gaan we verder met de royaltyafrekening.
Daarop staat vermeld bij het onderdeel ‘Vernietigingen’: 1008 exemplaren (zijnde de resterende voorraad).
Ik heb geen idee wanneer genoemde ‘Vernietigingen’ hebben plaatsgevonden, zodat het voor mij niet mogelijk is te handelen ingevolge het bepaalde in Artikel 14, lid 1: ‘Indien het werk gedurende een jaar niet meer leverbaar is bij de uitgever, zal de uitgever binnen drie maanden na een schriftelijk daartoe strekkend verzoek van de auteur schriftelijk verklaren of hij voornemens is een herdruk in enige vorm van het werk uit te geven’.
Met andere woorden: zolang ik niet weet wanneer de ‘Vernietiging’ (die ertoe geleid heeft dat het boek ‘niet meer leverbaar is bij de uitgever’) heeft plaatsgevonden, weet ik ook niet wanneer ik een verzoek als hierboven bedoeld kan indienen.
 (Ik waarschuw maar even dat het nu aanmerkelijk minder vrolijk wordt. U moet het zich maar niet persoonlijk aantrekken. Ook al verkondigt de uitgever nog zo gretig dat hij het ‘laat uitzoeken’ en auteurs dingen ‘laat berichten’ – zijn delegeerdrift leidt er niet toe dat zijn ondergeschikten ook verantwoording dragen voor misstanden: dat blijft de uitgever doen.)
 Met het ‘Vernietigen’ heeft Anthos voor de tweede keer gehandeld in strijd met het contract. (Eerder gebeurde dat met betrekking tot het bepaalde in Artikel 3, lid 1: ‘De uitgever bepaalt de omvang van de oplage en de verkoopprijs. Hij verplicht zich deze omvang en prijs uiterlijk binnen twee maanden na de dag van uitgave schriftelijk aan de auteur mede te delen.’ Ik heb nimmer een schriftelijke (of mondelinge) opgave van de omvang van de oplage ontvangen.)
In Artikel 16, lid 2 wordt gesproken van ‘het restant van de oplage in de vorm van een partij ineens aan een opkoper of in de vorm van oud papier of anderszins van de hand te doen’.
In Artikel 16, lid 3 wordt hieraan toegevoegd: ‘In beide voormelde gevallen is de uitgever verplicht de auteur van zijn voornemen op de hoogte te brengen en hem gedurende een termijn van vier weken in de gelegenheid te stellen in het geval van lid 1 een door de auteur te bepalen aantal exemplaren van het werk tegen de in lid 1 bedoelde verlaagde prijs te kopen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, of in het geval van lid 2 het restant van de voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen’.
Ik heb van de uitgever geen bericht ontvangen over diens voornemen de voorraad te ‘Vernietigen’ (wat in Artikel 16, lid 2 omschreven wordt als ‘anderszins van de hand te doen’); evenmin is mij vier weken de tijd gegund de ‘voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen’.
 Indien de uitgever zich wil houden aan de door hemzelf onderschreven bepalingen in het contract, dan dient hij:

  1. 1008 exemplaren van de roman Zoute griotten (zijnde het aantal ‘Vernietigde’ exemplaren) te laten bijdrukken.
  2. De auteur ervan in kennis te stellen dat (en wanneer) hij voornemens is deze exemplaren te laten ‘Vernietigen’.
  3. De auteur gedurende een periode van vier weken in de gelegenheid te stellen de voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen.

Daarbij vestig ik de aandacht op Artikel 13, dat betrekking heeft op het herdrukken van het werk (als er 1008 exemplaren bijgedrukt worden, dan is er sprake van een zogenoemde ‘herdruk’). In dat geval namelijk, dient de uitgever (Artikel 13, lid 2) ‘de auteur de gelegenheid te bieden in zijn werk verbeteringen aan te brengen, binnen een nader overeen te komen redelijke termijn’.
Wellicht ten overvloede (maar bij Anthos weet je het nooit) zij erop gewezen dat de auteur bij een herdruk 2 (twee) exemplaren gratis ontvangt.

Tot zover mijn brief van 7 mei. Ik vond het een aardige brief, de redactieassistent ook. Ze dankte me er hartelijk voor in haar antwoord van 13 mei. Daarin voorts excuses voor haar vorige brief, want ze wist niet dat ik geen voorschot ontvangen had. De prijs van 14,95 euro die ik op de fondslijst had gezien klopte niet, het kon zijn dat die lijst ‘hard aan vernieuwing’ toe was. Ook was volgens haar een excuus op zijn plaats voor de gang van zaken rond de vernietiging. Als goedmakertje werden de laatste (twaalf) in het pand aanwezige Zoute griotten mij gestuurd.
Opgeruimd staat netjes, moet de uitgever daarbij gedacht hebben.
Omdat de redactieassistent zo in haar sas was geweest met mijn brief, stuurde ik haar er op 21 mei nog een. Deze:

Hartelijk dank voor uw brief van 13 mei. Kennelijk maakt u er een gewoonte van stellige beweringen te doen zonder vooraf na te gaan of ze wel waar zijn. De prijs van 14,95 euro op de fondslijst, die volgens u niet klopt, is de prijs die de kassa van twee boekhandels aansloeg na het scannen van de barcode, toen ik onlangs op zoek ging naar niet-vernietigde exemplaren. 14,95 euro (exclusief verzendkosten) is de prijs die gevoerd wordt door een aantal internetboekhandels. 14,95 euro is de prijs die vermeld wordt op de website Literatuurplein.nl – men heeft deze prijs opgekregen van het Centraal Boekhuis. 14,95 euro is kortom de prijs die op de royaltyafrekening had moeten voorkomen.
De kwestie van de -28 verkochte boeken blijft raadselachtig. Ik ontvang royalty’s over door de boekhandel verkochte boeken, en niet over aan de boekhandel verkochte boeken. Als de boekhandel exemplaren retourneert, zou dat dus niet tot een negatief royaltybedrag moeten leiden.
Ik heb nog steeds niet vernomen wanneer de vernietiging van de voorraad Zoute griotten heeft plaatsgevonden.
Uw uiteenzetting over de gang van zaken rond het vernietigen van de boeken is interessant, maar niet relevant. Het enige wat in dezen telt, is het bepaalde in Artikel 16 van het contract. Indien u daarmee in strijd handelt, pleegt u contractbreuk. Daar kunt u zich niet van af maken met een voornemen voortaan zorgvuldiger te zullen handelen – temeer daar Ambo|Anthos niet in aanmerking komt om toekomstig werk van mij uit te geven.
Als u zo lichtvaardig omgaat met contractbepalingen, lijkt het mij verstandig dat wij overeenkomen af te wijken van het bepaalde in Artikel 14 en Artikel 15 (betrekking hebbend op respectievelijk het herdrukvoornemen van de uitgever en de beëindiging van de overeenkomst) en dat onze wegen zich per onmiddellijk scheiden.
Graag ontvang ik daartoe van u een contractwijziging als bedoeld in Artikel 18.

Op 2 juni 2004 raakte ik in een uitgelaten stemming – bij de post zat een 24 mei gedagtekende verklaring ter beëindiging van de contractuele afspraken. Ik was weer vrij man en heb dat nog diezelfde dag gevierd met een hazelnootgebakje van Maison Kelder.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.