Het dagboek

Ria staarde naar het bord muesli en dacht aan Tjeerd. Niet omdat hij haar aan een bord muesli deed denken maar omdat ze sinds een aantal weken aan niets anders dan aan Tjeerd dacht. Vanaf het moment dat ze wakker werd tot aan het moment dat ze in slaap probeerde te komen en dan nog urenlang – want in slaap komen lukte niet. Tjeerd zat sinds het schooljaar een maand daarvoor begonnen was bij haar in de klas; de ene les hopeloos ver van haar vandaan, de andere les maar een paar banken verwijderd en bij een les zelfs pal achter haar. Ze kon hem dan niet zien maar ze voelde zijn nabije aanwezigheid die het haar onmogelijk maakte zich op de les te concentreren en ze hoopte dat niemand de bloosbuien in de gaten had die daarmee gepaard gingen.
‘Eet je die muesli nog op?’ vroeg haar moeder.
‘Ik heb niet zoveel trek,’ zei Ria. ‘Mam? Jij hebt toch bij pap in de klas gezeten?’
Haar moeder schonk een kop koffie in en nam aan de keukentafel plaats. ‘Niet in de klas, hij zat een klas hoger. Ik was zestien, net zo oud als jij nu. Je vader kwam na een verhuizing halverwege het jaar op school, bij mijn broertje in de klas.’
‘Oom Richard.’
‘Ze werden vrienden, je vader kwam bij ons thuis over de vloer. Ik geloof dat ik de eerste keer dat ik hem zag meteen verliefd op hem was.’
‘Hij ook op jou?’
‘Ja. Maar hij was te verlegen om er werk van te maken.’
‘En jij?’
‘Ik was nog veel verlegener.’
‘Hoe is het dan wat geworden?’
‘Het heeft maanden geduurd,’ zei haar moeder en nam een slok koffie. ‘Een martelgang was het. Had hij maar bij me in de klas gezeten, dan was het misschien vlugger gegaan. Maar hij zat een klas hoger en ik zag hem op school zelden. Ik herinner me dat hij een keer met Richard was gaan voetballen, het was er eigenlijk veel te warm voor. Eind mei, een vroege zomer. Ze kwamen allebei bezweet thuis, in een voetbalbroek. Het was een uur of twaalf. M’n moeder had de tafel gedekt, ze vroeg of je vader die nog lang je vader niet was bleef eten. Tegen Richard zei ze: je moet wel even wat anders aantrekken, ik wil je zo niet aan tafel hebben. Ze haalde een schoon T-shirt voor hem en had er ook een voor je vader meegenomen. Ze zei dat ze het shirt dat hij aanhad wel in de was zou doen. Ik zat aan tafel, je vader trok z’n T-shirt uit. Wat had hij een mooi lichaam!’
‘Echt?’
‘Echt. Na het eten ben ik naar de badkamer gegaan en viste zijn doorzwete T-shirt uit de wasmand en hield het minutenlang tegen m’n neus.’
‘Gatver.’
‘Nu doe ik dat natuurlijk niet meer.’
‘Wat gebeurde er toen?’
‘Een hele tijd niets, behalve veel zuchten en niet kunnen slapen. Van hem dromen. En hij ook van mij – als we dat meteen van elkaar in de gaten hadden gehad zou ons een hoop ellende bespaard zijn gebleven.’
‘Hoezo ellende?’
‘Het was de laatste schooldag. Om dat te vieren zou Richard met je vader en nog een vriend ’s avonds naar de film gaan. Maar die vriend belde ’s middags af en toen je vader een paar uur te vroeg aangebeld had vroeg Richard of ik zin had om mee te gaan. Ik was er zo overstuur van dat ik een halfuur onder de douche heb gestaan. Ik had gelukkig niet veel kleren, anders zou ik nog veel langer voor de kleerkast hebben gestaan. Goed, we komen met z’n drieën in de zaal en aan het begin van de rij laat Richard me voorgaan. Ik ga zitten, denkend dat je vader naast me zal gaan zitten. Maar hij liet Richard voorgaan en die zat dus tussen ons in.’
‘Wat een eikel!’
‘Zoiets dacht ik ook en nog wel erger. De film was een waardeloze zombiefilm, o wat voelde ik me beroerd. Na afloop zouden we met z’n allen wat gaan drinken maar je vader had gezegd dat hij hoofdpijn had en was zonder me gedag te zeggen verdwenen. Ik heb een paar uur met Richard in de kroeg gezeten, gedesillusioneerd. Het ergste moest nog komen. Toen ik thuiskwam was ik aangeschoten maar ik was meteen nuchter toen ik zag dat er iemand aan mijn dagboek had gezeten. Het lag op ongeveer dezelfde plek op m’n bureau maar niet exact waar het anders lag.’
‘Liet je je dagboek gewoon op je bureau liggen?’
‘Bij ons thuis hadden we respect voor elkaars privacy. Maar je vader had dat niet. Want hij moet het geweest zijn, hij zal op onderzoek uitgegaan zijn toen ik onder de douche stond, misschien nadat hij naar de wc was geweest. Snuffelen in de kamer van het meisje waar hij verliefd op was. Dat hij in het dagboek gelezen had verklaarde zijn gedrag in de bioscoop.’
‘Wat stond er dan in?’
‘Wat denk je? Ik was stapel op je vader, het ging pagina’s lang over wat ik voor hem voelde, dat ik ernaar hunkerde bij hem te zijn, noem maar op.’
‘Dat moet hij toch geweldig gevonden hebben als hij verliefd op je was!’
‘Nou nee, want ik beschreef wat ik allemaal voor Peter voelde.’
‘Maar papa heet Kees! Wie was die Peter?’
‘Peter was natuurlijk je vader. Maar ik was zo rare troela… Mijn eerste grote liefde was Peter Pan, toen ik een jaar of zes was. Mijn eerste vriendje, mijn geheime vriendje waar niemand van af mocht weten. Toen de verliefdheid op je vader begon leek het me wel een grappig idee om hem in mijn dagboek Peter te noemen.’
‘Hoe kwam het goed?’
‘Eerst was er die verschrikkelijke grote vakantie waarin ik eindeloos veel zakdoeken nat huilde en we elkaar wekenlang niet zagen – want hij kwam niet meer langs om met Richard te gaan voetballen. We zagen elkaar pas weer op school.’
‘Toen heb je tegen hem gezegd dat het een vergissing was. Dat hij die Peter was.’
‘Dat was ik heel even van plan geweest. Maar dat was onmogelijk.’
‘Waarom?’
‘Dan zou ik moeten zeggen dat ik wist dat hij mijn dagboek gelezen had. Dat leek me geen goeie manier om het ijs te breken. Grote kans dat hij zou ontkennen dat hij dat gedaan had en dan was er misschien grote ruzie gekomen en had hij me voor paranoïde uitgemaakt. Nee, ik pakte het slimmer aan. Kennelijk was hij in de vakantieweken wat bijgekomen van de schok, want hij begon weer over de vloer te komen. Hij belde op een zaterdagmiddag aan. Ik deed open. Hij keek niet erg vrolijk, het maakte me verliefder dan ooit. Richard was een boodschap gaan doen, hij kon elk moment verwacht worden. Ik vroeg je vader of hij op hem wilde wachten en trek had in koffie. We zaten zwijgend tegenover elkaar, m’n ouders waren ook niet thuis. Goddank vroeg hij na een tijdje hoe het ermee ging en daardoor kon ik mijn ingestudeerde toneeltekst opzeggen. Ik zei dat het nu wel weer ging, maar dat ik een paar moeilijke weken achter de rug had omdat mijn vriendje het uitgemaakt had.’
‘Je vriendje Peter!’
‘Mijn vriendje Peter. Nou, voor ik er erg in had, had hij zijn verlegenheid overwonnen.’
‘Wat zei hij toen je hem vertelde hoe je hem voor de gek had gehouden met die Peter?’
‘Niks. Ik heb het ’m nooit verteld.’
‘Wow.’
‘Inderdaad, wow.’ Haar moeder stond op. ‘Kom, jongedame, tijd voor school. Ben je nog wat van plan met die muesli?’
‘Nee, geen trek,’ zei Ria en dacht aan Tjeerd. Had zij maar een broer gehad met wie hij bevriend was. Ze kookte over van Tjeerd – misschien een goed idee om haar gevoelens voor hem in een dagboek te noteren.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.