De nachtmerrietwijfelaar

‘Hé, Tam, nog wakker?’ Nina vroeg het op het moment dat ik geeuwde. Het was kwart voor twee in de nacht, we hadden vanaf halftien zitten gamen. En borrelnootjes gegeten. Als een van ons nu een scheet liet zou de ander bedwelmd raken.
‘Ik val om,’ zei ik.
‘En je moet nog naar huis fietsen.’
‘Kan ik hier crashen?’
‘Tuurlijk. Maar moet je je moeder dan niet bellen? Die zal wel slapen, toch?’
‘M’n moeder weet het al.’
‘Ineens helderziend geworden?’
‘Ik had gezegd dat ik bij je zou blijven slapen.’
‘Fijn dat je het mij ook laat weten.’
‘Vind je het niet goed?’
‘Ik dol je maar. Ga het veldbed even voor je uit de gangkast halen.’ Ze verliet haar kamer en kwam even later terug met het veldbed en een dekbed dat ze uit de logeerkamer gehaald had.
‘Snurken mag,’ zei ze, ‘maar liever geen ruften laten. En als het een kwestie van overmacht is: niet met het dekbed wapperen!’
‘Ik heb nog nooit een scheet gelaten,’ zei ik.
‘Nee hoor. Weet je nog, paar jaar geleden, op het kinderkamp bij Nunspeet.’
‘O ja.’
‘Dat stapelbed.’
‘Ja.’
‘Ik lag onder.’
‘Ha ha ha.’
‘Ik werd er wakker van. Het was net of er een vliegtuig laag overkwam. Dat was jij.’
‘Ik droomde van de TT van Assen.’
Het was twee uur geworden, we gingen slapen. We lagen nog een uur wakker omdat ik over het Kringloopbed vertelde. Sinds ik er met mijn vader voor een bankje was wezen kijken was ik verslaafd aan Kringloopwinkelen. Voor bijna nop kan je er gave sieraadjes kopen, oude tijdschriften en elpees. Ik kocht er een keer een prachtige prinsessenjurk, waarschijnlijk van een prinses die ermee opgehouden was, geen zin meer had prinses te zijn. Voornamelijk rood was-ie, en bewerkt. Toen ik ’m thuis aangetrokken had en aan Nina ging laten zien deed ik er een zwart topje onder want ik had geen zin met een decolleté over straat te gaan.
‘Wow, ik ga een foto van je maken!’ zei Nina.
‘Neem mijn mobieltje dan maar,’ zei ik.
‘Bang dat ik rare dingen met die foto ga doen?’
‘Zeer rare dingen.’
‘Aan Alfons mailen?’
Bijvoorbeeld. Alfons zat bij Nederlands en Engels achter me, mega eng.
‘Wat is er nou mis met Alfons?’ zei Nina. ‘Hij vindt je leuk. Hij is van adel.’
‘Van adel en van gatgatgatver.’
‘Volgens mij doet hij je wel wat.’
‘Ja. Kokhalzen.’
Ik moest van Nina in de tuin op het bankje dat daar staat gaan zitten.
‘Opzij kijken,’ commandeerde ze. ‘En een beetje omhoog. Niet lachen. Armen op je benen leggen. Je rechterhand op je rechterknie, je linkerarm over je schoot heen onder je rechterarm door. Gotcha! Kijk eens.’
Ze toonde de foto. Ik stond er redelijk op, het viel mee.
‘Je zou je bij een modellenbureau moeten inschrijven,’ zei ze. ‘Echt waar.’
‘Ben ik nou echt een tiep voor, fotomodel.’
‘Met de klemtoon op de laatste lettergreep, ha ha ha! Je hebt in elk geval een goeie modellennaam: Tamara. Tammi. The Tam.’
‘Goed hoor, La Nina.’
Oké, dat dus over die prinsessenjurk waar ik het eigenlijk niet over wilde hebben maar die ik bij de Kringloop kocht waar ik het wel over wilde hebben. Ik zag er een bed staan, een erg oud bed, mooi donker hout. Dat bed moest ik hebben. Ik ging gauw naar huis en sleepte mijn moeder mee naar de winkel.
‘Je hebt toch een bed?’ zei ze.
‘Mam!’ zei ik. ‘Je ziet toch wel wat een geweldig bed het is!’
‘Een twijfelaar,’ zei ze.
‘Een twijfelgeval?’ Mooi, dan kreeg ik het bed. Want als ik vroeger om iets zeurde en ma dan ‘misschien’ zei, dan werd het ‘ja’.
‘Een twijfelaar,’ herhaalde ze. ‘Breder dan een eenpersoonsbed, smaller dan een tweepersoonsbed. Daar kan je geen matras voor krijgen, die maat bestaat niet meer.’
‘Er ligt toch al een matras op?’
‘Je gaat toch niet op iemand anders z’n matras liggen. Dat is niet hygiënisch.’
‘Wat maakt mij dat nou uit,’ zei ik. Als ik de bezwaren kon weerleggen zou ma overstag gaan. Overstag moeten gaan.
‘Je zou er een tweepersoons dekbed op kunnen leggen,’ zei ze.
‘Wel ja,’ zei ik.
‘Dan hangt het wel aan over beide zijkanten heen, tot zowat op de grond.’
‘Gaaf.’
‘Als jij je zin wilt hebben vind je alles gaaf.’
Ik denk dat ik het bed uiteindelijk kreeg omdat pa en ma uit elkaar zijn. Ma heeft een nieuwe vriend die oneindig eng is. Ze probeert me te paaien en hoopt dat ik die eikel aardig ga vinden. Eerst maar eens dat bed voor me kopen, ma. Ze deed het.
Twee mannen van de Kringloopwinkel droegen het bed mijn slaapkamer in en het bed dat er stond eruit. Dat wil zeggen: eerst het oude bed eruit en toen het stokoude nieuwe bed erin. Het verhuisde naar zolder. ’s Avonds ging ik zo vroeg mogelijk slapen en toen ik sliep had ik een nachtmerrie.
‘En de volgende nacht weer een,’ zei ik tegen Nina, toen ik naast haar bed op het veldbed onder het dekbed lag. ‘En de nacht daarna –’
‘Weer een. Wanneer was dat?’
‘De derde nachtmerrie? Gisteren.’
‘Aha. Vandaar dat je hier wilde crashen.’
‘Right.’
‘Wat waren het voor nachtmerries?’
‘De eerste keer droomde ik dat ik in bed lag, de twijfelaar, aan de linkerkant. Ineens zag ik een licht in het donker. Er kwam een trein op me af, met zo’n ouderwetse locomotief ervoor. Levensgroot, raasde gewoon met een heleboel lawaai over het bed, aan de rechterkant, en verdween in de muur.’
‘Was het een seksdroom?’ vroeg Nina.
‘Wat nou een seksdroom.’
‘Een trein die een tunnel in gaat, wat denk je dat dat betekent.’
‘Er was helemaal geen tunnel. Ik lag aan de linkerkant van het bed en aan de rechterkant kwam er een trein voorbij. Doodeng.’
‘En de tweede nachtmerrie?’
‘Ik lag weer in dat bed,’ zei ik en kreeg het koud toen ik eraan terugdacht. ‘Het lampje dat aan het hoofdeinde zit brandde, alsof ik aan het lezen was. Maar ik was niet aan het lezen, ik lag voor me uit te kijken. Het was stil, ik voelde dat er wat ging gebeuren. Ineens zag ik een hand die onder het bed vandaan gekomen was, aan een lange arm. De hand met de lange arm eraan kwam langs het bed omhoog en ging over me heen. Tegelijkertijd kwam er van de andere kant ook een hand met een lange arm eraan op me af, ik kon me niet bewegen. De twee handen pakten elkaar vast, ze lagen op mijn buik, ik werd tegen de matras gedrukt. De handen gleden omlaag over mijn benen tot aan mijn knieën en weer terug. Een paar keer. Net of er recht onder me onder het bed iemand met heel lange armen lag.’
‘Is dat een seksdroom of is dat geen seksdroom?’ zei Nina.
‘Helemaal geen seksdroom,’ zei ik. ‘Het was alleen maar om bang van te worden.’
‘Misschien droomde je van de armen en de handen van Alfons op je buik. Dan was het zeker weten een seksdroom.’
Ze had het bijna goed geraden, de derde nachtmerrie ging over Alfons.
‘En de derde enge droom, die van gisteren?’ vroeg Nina.
‘Weet ik niet meer,’ loog ik. Het was de engste van de drie dromen. Alfons was een akelige stalker die overal opdook. Ik zag hem niet aankomen maar merkte ik dat hij ergens vlak achter me was. Ik draaide me kwaad naar hem om, ik zei: ‘Ik voelde je ogen in m’n rug, zak.’ Hij zei: ‘In werkelijkheid was het lager, Tammetje.’
Op school stond hij stond een keer vlak voor me met zijn gruwelijke grijns.
‘Kan ik iets voor je doen, Tamara?’
Je zak scheren en laten tatoeëren.
‘Het moet door het bed komen, die nachtmerries,’ zei ik.
Het was midden in de nacht, alleen het lampje op Nina’s bureau brandde. Logisch dat ook Nina geloofde dat ik van dat bed die nachtmerries gekregen had.
‘Weet je van wie het bed geweest is?’ vroeg ze.
‘Hoe moet ik dat nou weten,’ zei ik.
‘Gaan we morgen bij de Kringloop vragen,’ zei ze. ‘Trusten.’
‘Trusten.’
Ik viel in slaap en sliep zonder eng te dromen. We werden na tienen wakker, het was zaterdagochtend, de zomerzon deed pijn aan je ogen. De nachtmerries. Dat ik me daar zo druk om gemaakt had. Maar Nina wilde met alle geweld naar de Kringloop. Bij daglicht keek je dan wel nuchterder tegen de dingen aan, ik had toch maar mooi die nachtmerries gehad, waar of niet?
De man die achter de kassa stond had er ook gestaan toen m’n moeder en ik er waren voor de twijfelaar. ‘Ik kocht hier van de week een bed,’ zei ik. ‘Ik vroeg me af van wie het geweest was.’
‘Waarom?’
Goeie vraag.
‘We vonden onder het matras een portefeuille,’ zei Nina. ‘Er zaten een paar bankbiljetten in. Van vijfentwintig gulden.’
‘Daar heb je niets meer aan,’ zei de verkoper.
‘Er zat ook een foto bij. Van een jong meisje in een mooie jurk.’
Ik zeker.
‘Zo,’ zei de man.
‘Die foto heeft voor de vorige eigenaar van het bed misschien emotionele waarde.’
Net als voor Alfons, als hij er beslag op wist te leggen.
‘Als je het zo bekijkt,’ zei de man. ‘Momentje.’ Hij bladerde een map die naast de kassa lag door. ‘Hebbes. Nou, ik moet jullie teleurstellen. Het bed hoorde bij een complete inboedel die we kregen. Was van een oude dame die was overleden.’
Kut. Een oud lijk. Ik sliep in het bed waar een oud lijk in gelegen had. Geen wonder, die nachtmerries.
‘Misschien kunnen we de nabestaanden blij maken met de foto.’ Nina gaf niet gauw op.
De man haalde z’n schouders op en noteerde het adres op een notitieblokblaadje. ‘Succes ermee.’
We liepen naar het adres dat een kleine kilometer bij de Kringloop vandaan was.
‘Het zou me niks verbazen als blijkt dat dat ouwe mens in jouw bed vermoord is,’ zei Nina.
‘Vast.’
‘Een afrekening in het criminele circuit. Daardoor kon haar ziel geen rust vinden.’
Dat was te waanzinnig voor woorden.
‘Misschien heeft ze gewoon een hartaanval gekregen en dood in het bed gelegen,’ zei ik.
‘Maanden en maanden,’ meende Nina. ‘Zaten er vlekken op het matras?’
‘Vlekken?’
‘Vlekken van het lekken. Als je dood bent laat je alles lopen. Pis en kak, loopt er zo uit. Daarom stoppen ze als je afgelegd wordt een dot watten in je reet.’
‘Hou eens even lekker op, zeg.’
‘En lekken is nog maar het begin,’ zei Nina. ‘Stel dat ze twee, drie maanden dood in dat bed van jou gelegen heeft. Op een gegeven moment gaat ze rotten, dan komt het vlees van de botten los, het maagzuur brandt door de huid heen en het lichaam wordt een geweldig stinkende brij. En dan komen de maden.’
‘Fuck eens een eind off met die praatjes.’ Maar als Nina eenmaal aan het doordraven is breng je haar niet zo makkelijk tot bedaren.
‘Een lekkend lijk trekt vliegen aan. Ze leggen eitjes die in het rottende vlees wegzakken en als die uitkomen zitten er duizenden vliegjes in en op het lijk. Weet je hoe dat in Afrika gaat?’
‘Nee. En ik wil het niet weten ook.’ Ik had net zo goed kunnen zeggen dat ik razend benieuwd was.
‘Nou, die eitjes zakken dus weg in het rottende vlees. Niet alleen eitjes van vliegen, ook van allerlei insecten. Als die uit het ei zijn gekomen werken ze net als mieren samen. Dan gaan ze gewoon met z’n tienduizenden met zo’n ontbindend lijk aan de wandel.’
Ik zei maar niets meer, dat leek me het beste. We bereikten het opgegeven adres. Het was een benedenhuis. De ramen waren zeer vuil. Nina zag het ook.
‘Een goed teken,’ zei ze.
‘Hoezo?’ zei ik.
‘Als het een drive by shooting geweest was zouden ze vanwege de kogelgaten het glas vervangen hebben. Even naar binnen kijken of er bloed aan de muren zit.’
‘Zoeken jullie iets?’ Er was achter ons een vrouw opgedoken, van een jaar of veertig.
‘Staat het huis leeg?’ vroeg Nina.
‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Waarom wil je dat weten?’
‘Haar ouders zijn uit elkaar,’ zei Nina, mijn kant op knikkend. Ze zei zowaar iets wat waar was. ‘Haar vader is dringend op zoek naar een huis.’
‘Dan moet hij op internet kijken,’ zei de vrouw. ‘Dit huis is van een woningcorporatie. Ik woon in het benedenhuis hiernaast. Heb je een aardige vader?’
Ik knikte.
‘Hij heeft al een nieuwe vriendin,’ zei Nina. Het kostte me moeite niet in de lach te schieten. ‘Staat het al lang leeg?’
‘Vorige week heeft de Kringloop alles weggehaald,’ zei de vrouw. ‘Het was zo tragisch, die oude vrouw.’
Tragisch? Dus toch vermoord? Maandenlang dood op bed gelegen?
‘Ze liep tegen de negentig maar ze redde zich nog zonder hulp. Ging met de rollator boodschappen doen. Maar ja, op die leeftijd… Ik denk dat ze niet meer goed hoorde of haar gehoorapparaat niet in had toen het gebeurde. Of niet goed uitkeek. Liep met de rollator tussen twee auto’s door de weg op en werd geschept door een taxi.’
‘Wat erg,’ zei Nina. ‘We zullen tegen haar vader zeggen dat hij op internet moet kijken.’
‘Doe dat.’
Nina trok me achter zich aan. Toen we de hoek om waren zei ze: ‘Ze is niet in bed gestorven, ze heeft niet dood op je bed gelegen, ze is door een taxi aangereden.’
‘Yes!’ zei ik. ‘Yes! Yes! Yes!’ En we wisselden een high five uit.
Ik was in een uitgelaten stemming totdat Nina zei: ‘Hebben we nog wel een probleempje.’
‘Wat dan?’
‘Die nachtmerries kwamen door het bed, daar zijn we het over eens. Maar als er geen lijk in gelegen heeft, wat is er dan met dan bed aan de hand?
‘Kan ik vannacht nog blijven slapen?’
‘Sure.’
‘Zal m’n moeder bellen.’
Ik belde haar op met een smoes die bij me opgekomen was.
‘Als ik het niet dacht,’ zei ze. ‘Mijn dochter is de prinses op de erwt.’
‘Mam! Ik word elke ochtend met rugpijn wakker!’
‘Oké, ik laat het wel weghalen door de Kringloop, hopelijk hebben ze zin je eigen bed van zolder te halen.’
En hopelijk ook was het nu gedaan met de nachtmerries.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.