Livia’s begin

[Aanvankelijk was Livia een ander verhaal, een novelle in drie delen – Rens, Mark, Geer – waarvan het oudst bewaarde recente Wordbestand van 2005 dateert (zie de subpagina Livia’s tijden). Het bestand werd op 27 mei 2005 als Word 97-2003 op de oude pc opgeslagen en op 6 mei 2014 het laatst op de nieuwe pc. De afzonderlijke hoofdstukken werden het laatst opgeslagen op 27 mei 2008 (oude pc) en 17 december 2006 (nieuwe) – het is niet meer te achterhalen waarom dat op de nieuwe eerder gebeurde. Omdat het aantal woorden van beide complete versies gelijk is (20.620) zullen ze niet van elkaar verschillen, wat ook voor de afzonderlijk opgeslagen hoofdstukken zal gelden.

De uiteindelijk gepubliceerde versie werd van de grond af opgebouwd, hieronder is die uit 2005 (en dus 2014) te lezen: het is niet een tekst waar ik nog achter kan staan maar het is voor wie niets beters te doen heeft wellicht interessant om te zien hoe het begon en wat het was voordat het wat werd (zelf kon ik het niet opbrengen het aandachtiger dan vluchtig te lezen).

Tot de vele veranderingen behoren namen van personages: Geer leek me niet langer bruikbaar doordat het in de tussentijd de roepnaam van een hoempazanger geworden was. Marnix alias Marnix heette nog Mark en was niet de huidige humorist maar de schrijver Mark Tonneur. Ondergaande tekst heeft op basis van rode onderstrepingen in het Wordbestand een aantal spellingsverbeteringen ondergaan en is ontdaan van inspringingen maar verder intact gelaten. Veiligheidsgordels vast. daar gaan we:]

Rens
Nadat ik de twee volle boodschappentassen in de keuken had neergezet liep ik napuffend van het warmweergesjouw (27 graden!) de kamer in, waar Chira net de telefoon neerlegde. Ze keek bezorgd,
‘Dat was Livia,’ zei ze. ‘Totaal overstuur. Ik heb haar zowat een uur moeten aanhoren. Ze heeft ontdekt dat Wim er een vriendinnetje op na houdt. Nog een studente van hem ook. Het moet al maanden aan de gang zijn. Wat een schoft. Hij leek zo’n goeiige gozer. Was zogenaamd stapelgek op haar. Livia heeft wat spullen gepakt en ze zit nu bij haar broer.’
‘Erg lullig,’ zei ik. ‘Maar wat kunnen wij er hiervandaan aan doen? De problemen van anderen zijn de onze niet.’ Onbegonnen werk ook. Livia was half temmes.
Ik trok Chira tegen me aan, m’n handen gleden over haar rug en kwamen op haar billen tot stilstand. Niemand had zulke ogen als Chira.
‘Het is vandaag een bijzondere dag,’ zei ik.
‘Alweer?’
‘We zijn precies vier maanden en zes dagen samen.’
‘Volgens mij was dat gisteren.’
‘Wat gaat het hard. Ik raak met de dag onderstebovener van je.’
‘Dus ik blijf voorlopig wel de enige vrouw in je harem?’
‘Als ik drie wensen mocht doen – ’
‘Dat mag.’
‘Dan zou de eerste wens zijn dat je nooit meer van me af kwam.’
‘En als die wens in vervulling ging?’
‘Dan zou ik de andere wensen waarschijnlijk doorverkopen.’

Ze kwam met de lente en ik had haar in het begin niet eens in de gaten. Aan het einde van het kwartaal is het op kantoor altijd een heksenketel, en eind maart was geen uitzondering. In krap anderhalve week tijd moet voor deze boekperiode de totale overstag geheveld worden – en dat voor een bedrijf met vijfendertig medewerkers.
Er gaan al gauw vier werkdagen zitten in het afknotten van de doorschotten en het graneren van de bulk, en als het heel erg druk is neem ik op vrijdagmiddag meestal een stapeltje lambrijen mee naar huis om er in het weekend de onderstand van door te schuffelen.
Kortom: een geweldige werkhectiek en dus geen tijd om op personeelsmutaties te letten. Maar die laatste maandag van de maand liepen we elkaar voor de ingang van de kamer van chef bijna omver.
‘Ben jij een nieuwe aanwinst?’ vroeg ik.
‘Al ruim een week,’ zei ze. ‘Livia.’
‘Rens.’ Ik schudde haar hand. ‘Vaste dienst?’
‘Nee, uitzendkracht. Tot half april. Ik help chef bij het vlimmen van de verschering. En ik moet ’s middags assisteren bij het graneren van de bulk.’
‘Voor het hele bedrijf?’ vroeg ik verbaasd, want dat zou aan het bovenmenselijke grenzen.
‘Alleen de afdeling van chef.’

Livia had een prettige glimlach, maar dat was nog niets vergeleken bij wat er gebeurde als ze voluit lachte, zo merkte ik bij onze tweede ontmoeting. Het was opnieuw ter hoogte van de kamer van chef, die zij verliet op het moment dat ik er met een bekertje koffie passeerde. De opengaande deur raakte de hand waarin ik het bekertje hield. Ik wist het vast te houden, maar de koffie belandde goeddeels op de grond.
Livia liet een lach horen die alles sloeg. Haar ogen lachten mee, zag ik. Met een schoen probeerde ik de gemorste koffie in het donkere tapijt te doezelen – maar vooral wilde ik de indruk van onhandigheid wegnonchaleren.

De dag na de koffiemorsing kwam ik haar tegen toen ze ’s morgens met haar jas nog aan uit de lift stapte. Ze lachte naar me, en het voelde alsof ik zelf in een lift pijlsnel omhoog geschoten werd.
’s Middags troffen we elkaar bij het kopieerapparaat. Ze had een strak zittend zwart T-shirt aan. Achterop stond in witte letters: Star Trek.
Toen ze zich bij mijn naderen naar mij toe keerde, zag ik dat er aan de voorkant van het T-shirt een ruimteschip was afgebeeld, dat een benijdenswaardige baan om haar borsten beschreef.
Star Trek,’ zei ik.
Ze glimlachte.
First contact!

Na het werk ging ik de stad in en kocht vlak voor sluitingstijd bij een in Amerikaanse en Engelse import gespecialiseerde boekhandel de lijvige en prijzige Star Trek Encyclopedia.
Het hele weekend was ik verdiept in de ruim achthonderd pagina’s door Michael en Denise Okuda vergaarde feiten. De ondertitel A Reference Guide to the Future had me in de winkel toepasselijk geleken, maar ik begon me al snel af te vragen of ik het wel voor elkaar zou krijgen Livia de komende maandagochtend te overweldigen met mijn encyclopedische kennis van intergalactische ditjes en datjes.
Probeer het als niet-ingewijde in het Star Trek-universum maar eens tot je door te laten dringen. Benzocyatizine, bijvoorbeeld, was ‘medication used to adjust the levels of isoboramine in joined Trill’. O ja? En wat was isoboramine dan wel? En Trill?

Normale hormonale bronst is te behappen, verliefdheid maakt sprakeloos. Je kan er zo erg aan toe zijn, dat de vertrouwde lustgevoelens naar de achtergrond verdrongen worden – een kwalijke zaak. Naar het romantische neigende sentimenten gaan je gedachten bepalen, en dat is al even funest. En daarbij: tergende stress, hopeloos hartzeer, gebrekkige nachtrust.
Het beschamendst waren de nutteloze schoolverliefdheden, die na een paar weken even plotseling weer voorbij konden zijn als ze waren komen opzetten – ook als het wederzijds was geweest. Achteraf bleek altijd weer dat de eigenschappen die je haar tijdens je bevlieging toedichtte aan je puberale creatieve geest ontsproten waren. En bij nader inzien oogde ze maar zeer gewoontjes – geen wonder dat andere jongens in de klas je voor gek verklaard hadden.

Omdat ik dat zo uitkiende kwam ik Livia op kantoor te pas en te onpas tegen. Als we bij de lift of het kopieerapparaat een praatje maakten, ging dat gepaard met veel geglimlach harerzijds, zodat zowat niets van wat ze zei tot me doordrong.
Ik zag haar ook buiten kantooruren: bij de bakker, de visboer en in de supermarkt, waar dan iemand stond of liep in wie ik haar herkende, en dan had ik het even niet meer.

‘Au! Godverjumeze au!’
De pijnkreten kwamen uit de kamer van chef en Livia. Ik ging er op af en zag chef op de rand van zijn bureau zitten, Livia stond geschrokken kijkend naast hem. Chef had zijn rechterschoen uitgetrokken. Door de sok heen zag ik dat de enkel giganteus gezwollen was.
‘Hij is gestruikeld over een Tribble,’ zei Livia.
‘Auwauwauwauw!’ kermde chef. ‘Ik moet naar het ziekenhuis! Gaan jullie alsjeblieft mee, dan kan ik op jullie steunen. Au! Kolereze au!’

Toen de receptioniste doorgebeld had dat er een taxi was voorgereden, pakten Livia en ik chef vast. Hij sloeg zijn armen om onze schouders, wij een arm om hem heen – als ik mijn rechterarm wat zou laten zakken zou die de linkerarm van Livia raken.
Wij schuifelden, hij hinkte en voetje voor voetje bereikten we de taxi. Chef werd in de stoel naast de chauffeur geholpen, Livia en ik namen achterin plaats. Omdat we dringend op weg waren naar het ziekenhuis trok de chauffeur zich niet veel aan van de maximumsnelheid; als we met vaart een bocht namen viel ik tegen Livia aan – zij soms zelfs tegen mij.
In het ziekenhuis hielpen we chef in een rolstoel. Ik duwde de geblesseerde naar de afdeling Spoedeisende Hulp. Een verpleegster nam hem van ons over en verzocht ons in de wachtruimte plaats te nemen.
Ik had voor Livia en mezelf zonder te morsen een bekertje automaatkoffie gehaald en ging naast haar zitten. Ik nam een slok en overdacht de toepasselijkheid van het bord Spoedeisende Hulp. Ze zat naast me en ik kon zo een arm om haar heen slaan en zeggen dat ik omdat zij doordat ik nu al bijna zowat meer dan een week en dat zij en dat ik en dat hoog tijd eindelijk godzammezenuwe mensen komt er alsjeblieft nog wat van nu wij samen. Genoeg nu – ik ging er wat van zeggen!
Maar ze was me voor.

Chef had gelukkig niets gebroken of een andersoortig mankement opgelopen dat het aanbrengen van gips noodzakelijk maakte. Er was een stevig verband om de enkel gewikkeld. Toen hij in de wachtruimte verscheen steunde hij op twee krukken.
‘Daar ben ik mooi klaar mee, jongens.’
Ik maakte mijn gedachten los van Livia. ‘Ga je weer aan het werk?’
‘Natuurlijk niet. Ik ben zeker voor een maand uitgeschakeld.’

En daar zaten we weer in een taxi, die chef naar huis bracht en Livia en mij vervolgens naar kantoor. Deze chauffeur had wegens het ontbreken van urgentie een bedaagder rijstijl, dus we werden bij bochten niet tegen elkaar aan geslingerd.
Wel hield ik gedurende de hele rit met mijn linkerhand haar rechter vast.

‘Want op dinsdagavond ga ik volleyballen,’ zei ze.
Het was geen bijster bijzondere sport (een bal over een net hengsten, meer stelde het eigenlijk niet voor) maar de beachvariant voor jonge vrouwen in minibikini leverde fascinerende televisie op. Zelf was ik geen fanatiek sporter, maar ik ging weleens een eind skaten, vertelde ik. De laatste keer was ik onderweg een wieltje kwijtgeraakt en onderuit gegaan. Dat was zeker anderhalf jaar geleden. De resterende wieltjes zouden in de vochtige fietsenberging wel vastgeroest zijn. Ik en sporten!
‘Gaaf!’ zei ze, alsof mijn skaten van Olympische allure was. We zaten in Cafetaria Kneiter, die een paar straten verwijderd was van kantoor. Toen de taxi ons had afgeleverd hadden we besloten meteen te gaan lunchen om op adem te komen van de gebleken wederzijdsheid van gevoelens – het leek ons niet verstandig in de kantoorkantine opzichtig in elkaar op te gaan.

Ze was twintig, twee jaar jonger dan ik. Ze zat tegenover me en ze zag wat in me! Ik keek naar haar ogen en naar haar haar, dat een onbestemde kleur had, zo tussen licht en donker. Nabij haar neus bevonden zich piepkleine sproetjes. Leuk klein linkeroortje ook, zag ik toen ze haar haar erachter veegde. Ik begon gevaarlijk klef te worden.
Livia boog zich onder het spreken naar me toe, haar aanzienlijke borsten kwamen mee naar voren. In het weekend ging ze vaak dansen in de Hinkstapsprong, vertelde ze. Geen wonder dat ik haar nooit in het uitgaansleven was tegengekomen. Op vrijdagavond zat ik meestal in de Krakkemik. Daar stond sinds een aantal maanden Nica achter de bar. Als de tent gesloten werd ging ik met haar mee naar huis, of zij met mij. Zaterdags bleven we tot aan de middag in bed. Het leven was simpel en overzichtelijk, er kwamen geen gevoelens aan ons samenzijn te pas.

‘Enig kind,’ zei ik.
‘Ik heb een broertje, anderhalf jaar jonger,’ zei ze. Haar ouders hadden een hond die uit het asiel afkomstig was en die een oog kwijtgeraakt was.
‘Dat vinden ze wel weer,’ zei ik.
Livia hield zo van lezen dat ze er zelfs na de middelbare school mee doorgegaan was. Ik probeerde de titels van haar favoriete boeken te onthouden, want die moest ik, liefst deze week nog, allemaal gaan lezen. (Tot mijn opluchting bracht ze Star Trek niet ter sprake – zelf begon ik er voor geen geld over.) Ze las snel, per avond een middeldik boek. Maar nooit op dinsdagavond.
‘Want op dinsdagavond ga ik volleyballen.’
En zo kwam ik in een halfuur tijd een hoop van haar te weten, onder meer dat ze een vriend had met wie ze samenwoonde.
Gatverdammezepokketyfuskolereneetvriend!
‘Daarom wilde ik niet eerder tegen je zeggen dat ik vanaf het moment dat ik je zag vlinders had,’ zei ze. ‘Ik kan er niet van slapen. Wim is zo’n lieve jongen, ik kan toch niet zomaar – ’
Ik zag nu ook de zenuwvlekjes in haar gezicht – het waren niet alleen sproetjes die er blonken.
Wim! Wie heet er in godsnaam nou Wim, dacht ik onredelijk. Inwendig vervloekte ik de dag dat zijn moeder besloten had af te zien van abortus.
‘Zijn jullie al lang samen?’
‘Bijna twee jaar,’ zei ze. ‘Wim is vijf jaar ouder. Hij was al afgestudeerd toen ik ging studeren. Ik heb zelf maar een jaar Rechten gedaan, na de propedeuse had ik er geen zin meer in.’
Ik probeerde me Wim voor te stellen. Hij was afgestudeerd en dus geen sportscholende vakkenvuller met tatoeages, piercings en hersendeficiëntie. Een lieve jongen, had ze hem genoemd. Het zou wel een nerd wezen die niet gekwetst mocht worden. Een ieceeteewatje.

‘Hij houdt honderd keer meer van mij dan ik van hem,’ zei ze. ‘Al een maand nadat we elkaar ontmoet hadden gingen we samenwonen. Voor mij was het een grote stap, het huis uit. Wim had net een relatie achter de rug. Die meid had hem heel lullig behandeld, dat vond ik zo zielig.’
Net zo zielig als dat hondje met het ene oog, dacht ik.
Ze konden gaan samenwonen omdat hij voor de klas stond en goed verdiende en zij bovendien een studietoelage had.
‘Ik weet niet wat ik moet doen, Rens,’ zei ze en pakte mijn hand vast. Ik wist het ook niet. Dat we hier tegenover elkaar zaten en met elkaar in gesprek waren was iets dat ik me een dag eerder nauwelijks had kunnen voorstellen – met een complicatie als Wim had ik al helemaal geen rekening gehouden.
Wim hing tussen ons in als chef met zijn gekwetste enkel.

Er brak een ingewikkelde periode aan. Dat we meer dan collegiaal met elkaar omgingen moest voor de rest van het kantoor nog maar even verborgen gehouden worden – en het was ook al niet iets om buiten de muren van het pand van de daken te schreeuwen, want Wim waarde rond.
Voordat ik haar bijna had liep ik me dol te prakkizeren hoe ik haar zou kunnen krijgen, nu moest ik me gaan richten op het elimineren van Wim.
Ik had niet het idee dat Livia hem zomaar aan de kant wilde schuiven. ‘Trap die zak er toch uit!’ kon ik dus maar beter niet adviseren. Het was evenmin een goed idee me met hem begaan te tonen – stel je voor dat Livia daardoor besloot dat het beter was als we elkaar maar niet meer zagen. En elkaar zien was toch al een probleem.

Een week voordien kon ik haar in het voorbijgaan nog vrijblijvendheden toeroepen in de trant van ‘het lijkt wel of het maar blijft regenen’ – nu werd ik zo naar haar toe gezogen dat ik me moest beheersen om haar niet tegen me aan te trekken of over het kopieerapparaat te duwen, haar rok omhoog te schuiven en dan gewoon maar even vooroorlogs dropdrindruitdraf, no questions asked.
Dat was ook zoiets. Ik had de beschikking over een een-kamer-plus-keuken-woninkje waar we na kantoortijd ongestoord en ongezien onze gang zouden kunnen gaan. Ik had haar nog niet gepolst over deze buitenkans, want ik had er wel zin maar geen trek in. Als je daaraan begint moet je in de gelegenheid zijn het driemaal daags te doen, zeker de eerste maanden.
En trouwens: als ik stiekem met haar naar bed ging had je kans dat ze uit schuldgevoel fanatieker met Wim zou gaan vrijen. Hij zou niet weten wat hem overkwam en dan werd het helemaal onbegonnen werk hem van Livia los te weken.
(Het lullige was dat er de laatste tijd niets gekomen was van een bezoek aan de Krakkemik en de aansluitende weekendvrijpartij met Nica. Ze zou wel denken.)

Begin april was er een personeelsuitje. Op de laatste maartdag waren we erin geslaagd de totale overstag geheveld te krijgen, en chef had vanaf zijn ziekbed laten weten dat we een gezamenlijk museumbezoek plus diner verdiend hadden.
Meestal drukte ik me als zich zoiets voordeed – op mijn tweeëntwintigste had ik geen zin meer in schoolreisjes – maar nu ging Livia mee en was er geen houden aan.
’s Morgens werkten we, om halfeen reed er een touringcar voor. Chef, die nog op krukken steunde, was met een taxi gekomen om het uitje mee te kunnen maken. Hij nam op de voorste stoel rechts van de chauffeur plaats, en gaf zijn nog altijd verbonden enkel in het gangpad de vrijheid.
Het viel nog niet mee om tijdens het korte ritje door de stad het lunchpakket weggewerkt te krijgen. Ik had nauwelijks eetlust, omdat Livia buiten mijn bereik twee stoelen voor me aan de andere kant van het gangpad zat.
Een kans uit duizenden om bij elkaar op schoot te kruipen, zo’n uitje, maar ze was nog altijd panisch voor het uitlekken van onze verbondenheid. Haar gedrag begon me tegen te staan, en daar kwam nog bij dat het regende.

In de eerste grote expositieruimte die we betraden vergaapten de collega’s zich aan een gebruikleende Rubens waar ik geen reet aan vond, al zag ik natuurlijk ook wel dat het geweldig grote tieten waren.
De collega’s zwierven uit. Ik belandde in een zaal vol etsen van lukraak door elkaar aangebrachte krassen, waarmee de kunstenaar zo te zien getracht had uiting te geven aan zijn destructieve inborst.
Waar was Livia verdomme toch gebleven?

Ik vond haar in een zaal die niet toegankelijk was voor bezoekers jonger dan zestien jaar. Ze stond voor een schilderij dat Liggend naakt met komkommer heette en waarop slechts het deel van de komkommer te zien was dat uit het liggende naakt stak.
‘Ben je hier, lieverd,’ zei ik, en sloeg een arm om haar heen. ‘Ik liep me rot te zoeken.’
‘Sst!’ zei ze, en maakte zich van me los. Ik keek of ik misschien de suppoost had doen opschrikken, maar het gevaar bleek te schuilen in een clubje naderende collega’s.
Ik had een lollige opmerking over dat liggende naakt en die komkommer willen maken, maar Livia’s vuurspuwende ogen trokken een grauwsluier over mijn humeur.
De waanzin dat we niet eens in aanwezigheid van anderen een praatje konden maken! ‘Alles van waarde is weerloos’, luidde het citaat boven de ingang van het museum. Alles van waarde kon de rotzenuwen krijgen. Ik had zin om mezelf van kant te maken. Of iemand anders.

Het diner was een lopend buffet in een Chinees restaurant. We zaten aan lange tafels – Livia niet naast of tegenover me, maar twee tafels van me verwijderd, onze ruggen naar elkaar toe. Dat was dan het uitje waar ik niet van had kunnen slapen. En toen ging chef nog redevoeren ook.
‘Vrienden!’ zei hij, zijn stem verheffend. Hij was gaan staan en het kon niet anders of hij zou weer een halfuur nodig hebben om een verhaal van vijf minuten te vertellen. Toen hij begon te praten kreeg ik hoofdpijn, en na tien minuten begon zelfs de hoofdpijn pijn te doen.
‘Ik wil jullie graag hartelijk danken voor jullie aanwezigheid en ik wil tevens blijk geven van mijn erkentelijkheid voor jullie inzet de afgelopen weken. Het is daaraan te danken dat de Nederlandse divisie van Tribble International erin geslaagd is de totale overstag te hevelen, nota bene terwijl er in het afgelopen kwartaal sprake was van meer dan zeventien lambrijen waarvan de onderstand doorgeschuffeld diende te worden. Ik kreeg gisteravond laat een telefoontje van het hoofdkantoor in New York, en ze zijn daar meer dan tevreden over onze prestaties. Jullie hebben je beste beentje voor gezet. Dat heb ik zelf ook willen doen, maar dat pakte zoals jullie weten helaas verkeerd uit!’
Met een woeste zwaai deponeerde hij zijn verbonden enkel pal naast iemands bord foe yong hai en er werd gierend gelachen.
‘Ouwehoer,’ mompelde iemand. Ik geloof dat ik het was.

Nog anderhalve week, dan zou er een einde komen aan Livia’s aanwezigheid op kantoor. Geen gezeur meer over gezien worden door collega’s, als je het met alle geweld positief wilde bekijken.
Dagelijks stond de krant vol verkeersongelukken, meningsverschillen die in steekpartijen ontaardden, tropische ziektes waardoor het lichaam van de geïnfecteerde in luttele uren uiteen viel en dan nog een tijdje stinkend narookte – maar nooit kwamen de initialen van het slachtoffer overeen met die van de vriend van Livia.
Toen zij aan het begin van haar laatste werkweek zei dat ze me iets te vertellen had, bleek het dan ook niet om Wims uitvaartplechtigheid te gaan.

We zaten weer tegenover elkaar in Cafetaria Kneiter, die we ieder op eigen gelegenheid bereikt hadden. Om niet van buitenaf als een item gesignaleerd te worden, kozen we een tafeltje ver van het raam vandaan.
‘Ik kwam Chira zaterdagmiddag tegen,’ zei ze. Ze was met Wim – met hem wel! – gaan winkelen en had de vriendin van de middelbare school ontmoet. ‘Ik had haar een paar jaar niet gezien. Hartstikke leuke meid. Vond Wim ook.’
Laten we het nog eens over Wim hebben.
‘Dus daarom dacht ik,’ zei ze.
‘Dacht je wat?’
‘Als Wim voor Chira zou vallen zouden onze problemen opgelost zijn.’
Voor mijn gevoel was onze gedoemde ‘relatie’ in een napruttelfase beland, maar ze was zowaar op zoek gegaan naar een oplossing. Wim hoefde alleen maar op Chira te vallen. Het zou een makkie zijn dat te ensceneren, als je buiten beschouwing liet dat hij stapelgek was op Livia.
‘Hoe wou je dat aanleggen?’ vroeg ik.
‘Misschien kunnen we met z’n vieren uit eten gaan.’
‘Vieren?’
‘Jij, ik, Wim en Chira. Zij omdat ik haar lang niet gezien heb zodat we kunnen bijkletsen, jij omdat je een collega bent en omdat ik wegga bij kantoor.’
Ik nam een slok van de nagenoeg koud geworden koffie.
‘Wat is die Chira er voor een?’
‘Ze is donker, pikzwart haar. Daar houdt Wim wel van. Chira komt uit Hyderabad, India.’
‘Economisch gevlucht?’
‘Humanitair geadopteerd. Toen ze een paar maanden oud was. Op school was het een schatje. Jammer dat ze altijd zo ongelukkig in de liefde was. Steeds verliefd op de verkeerde. Ze droeg indertijd een brilletje dat nergens naar leek. Als je haar nu ziet – een prachtige meid. Hopelijk is ze nog steeds ongelukkig in de liefde.’

We zouden gevieren gaan eten bij De Smikkelaar, en daarna –
‘Ergens wat gaan drinken, lijkt me,’ zei Livia.
O nee, niet naar de Krakkemik. Dan zou Nica vragen waar ik al die tijd uitgehangen had of me aanhankelijk om de nek vallen of allerlei ongunstige dingen zeggen. Ze had drie keer mijn antwoordapparaat ingesproken en ik was zo hufterig geweest niets van me laten horen.
Voordat ik iets beters kon opperen kwam Livia zelf met een alternatief.
‘Nee, dansen!’
Ze leek er steeds meer zin in te krijgen. Ze wilde na het eten naar de Hinkstapsprong, dan zou Wim met Chira gaan dansen, en zij met mij, zodat – nou ja.

Misschien verschilden die beschamende schoolverliefdheden niet van de verliefdheden waar je op latere leeftijd last van kon krijgen. Het was nog maar een paar weken geleden dat ik in de ban raakte van Livia. Toen het wederzijds bleek te zijn raakte ik nog meer van de kaart, maar haar paranoïde gedrag ontnuchterde me. Van dat onzalige plan om Wim aan Chira te koppelen kon alleen maar gigantisch gelazer komen. Het was een faal-faalsituatie.
Wim zou met Chira aan de haal gaan omdat ze donker haar had. Hij had niet meer nodig dan een etentje met een adoptiemeisje uit Hyderabad om Livia aan de kant te zetten.
Het kan niet het kan niet het kan niet en het kan niet!

Voor Chira en Wim onder het mom van ex-collega die Livia nog eens wilde bedanken voor het assisteren bij het graneren van de bulk, ging ik De Smikkelaar binnen.
Het leek me nog steeds een nodeloos ingewikkelde constructie – waarom moest ik erbij zijn? Livia had toch ook alleen met Wim en Chira uit eten kunnen gaan? Misschien was ik opgetrommeld om kletspraat met Livia uit te wisselen, zodat Wim vrij spel had met Chira. Hoe doortrapt was Livia in haar koppelgedrag?
Ze had ’s middags op kantoor afscheid genomen. Als het me te gek werd was het etentje meteen ook de laatste keer dat ik haar zag.

Wim viel me honderd procent mee – of eigenlijk tegen. Omdat hij de nacht met Livia doorbracht was ik hem vijandig gezind, maar het bleek een erg sympathieke gozer te zijn. Hij stond voor de klas, en daar zag hij ook wel naar uit. Meer een bal dan een nerd, vooral door die lullige manchester broek en dito Downsyndroomtrui.
Hij zat met Livia aan een tafeltje toen ik arriveerde, en stond op om me een hand te geven.
‘Wim.’
‘Rens.’
Chira was er nog niet. Ik vertelde Wim over de formidabele arbeidsprestatie van uitzendkracht Livia. ‘Het vlimmen van de schering is een heel precies werk,’ zei ik, steels op mijn horloge kijkend.
‘Dat vertelde Livia me,’ zei Wim, die een goedmoedige sulligheid in zijn glimlach wist te leggen.
Ik wil naar huis, dacht ik.

Kort nadat de ober voor Livia, Wim en mij wat te drinken had gebracht, arriveerde Chira. Ze gaf Livia drie zoenen en Wim een hand.
Livia had me verteld over Chira’s pikzwarte haar en het voormalige brilletje, maar ze had niets gezegd over de ogen die er achter dat brilletje gezeten hadden.
‘Ik ben Chira,’ zei ze.
‘Ik ben Rens,’ zei ik. Haar hand was in de mijne – ik voelde meteen dat ik die hand nooit meer los zou laten.
O wat een ogen.

Mark
Als je zo bekend bent als ik moet je ermee leren leven dat je op straat constant door onbekenden aangeklampt wordt. Ik heb er al een paar jaar last van maar kan er nog steeds niet aan wennen. Ik ben nu eenmaal niet zo’n (meestal ten onrechte) bekende figuur die incognito een tafel in een duur restaurant reserveert maar er wel een plek blieft waar het publiek hem duidelijk kan zien zitten.
Wanneer ik de deur uitga heb ik meestal de walkman aan. De handen in de jaszakken en de blik omlaag gericht begeef ik me in de massa. Dat ik me van de buitenwereld tracht af te sluiten weerhoudt de buitenwereld er natuurlijk niet van zich aan mij op te dringen. Hoe hard ik de muziek ook zet, ik word altijd wel afgeleid door een opgestoken hand of een door de herkenning tot een manische glimlach vertrokken mond van iemand die denkt dat ik er prijs op stel opgemerkt te worden.
Soms heb ik geen zin in muziek en ga ik zonder walkman de straat op. Dan ben ik helemaal aan de bewonderaars en nieuwsgierigen overgeleverd. Niet alleen zwaaien en lachen, ook aanspreken wordt als de gewoonste zaak van de wereld beschouwd. Omdat ze me weliswaar van gezicht en gedrag kennen, soms zelfs een boek van me gelezen hebben, maar verder in geen enkele verhouding tot mij kunnen staan, is het voor de meeste mensen een te grote stap om zomaar een praatje met me te beginnen – goddank.
En toch willen ze op de een of andere manier in contact treden. Lachen en zwaaien zijn reflexen die optreden bij het zien van een beroemdheid; sommige mensen hebben bovendien verbale reflexen. Die roepen dan bijvoorbeeld: ‘Alles goed?’ Op zo’n malle vraag geef ik al niet graag antwoord als een bekende ’m stelt, laat staan wanneer een onbekende het van me wil weten. Even stupide en betekenisloos als een door de caissière gewenste prettige dag.

Ik wilde dan ook nors doorlopen toen de vrouw die ik niet kende ‘Hee, Mark!’ zei – ik had de walkman helaas thuisgelaten. Ze blokkeerde min of meer de doorgang, want ze was voor me gaan staan.
‘Je kent met toch nog wel? Livia!’
‘Ja, natuurlijk ken ik je,’ zei ik. ‘Maar dat is wat anders dan herkennen. Ik heb je zeker vijftien jaar geleden voor het laatst gezien!’ Over toeval gesproken, dacht ik.
‘Jou zie ik zowat elke week,’ zei ze.

Het kwam door de televisie. En de televisie kwam door de film. En de film kwam door het boek. Een paar jaar geleden tekende ik een contract en dat leidde ertoe dat mijn derde roman, een romantische tragedie, verfilmd werd.
Het is raar dat je daar als schrijver toestemming voor moet geven, want de film die er naar je boek gemaakt wordt heeft nauwelijks wat met dat boek te maken. Een boek is een interpretatie van het beeld dat mij van de gebeurtenissen erin voor ogen stond. De film is de interpretatie van het boek, maar niet van het beeld dat ik oorspronkelijk had.
Het is te vergelijken met een uitvoering van een muziekstuk dat honderden jaren geleden gecomponeerd werd. Komt wat de hedendaagse luisteraar te horen krijgt overeen met wat de componist hoorde toen hij het componeerde? Onmogelijk. De componist bedacht melodieën, noten, tempi, orkestratie. Wat hij daarvan op papier zette was een interpretatie. De kopiist die de partituren maakte gaf daar weer een interpretatie van, de dirigent die er een paar honderd jaar later het stof af blaast heeft zo zijn eigen visie op de genoteerde noten.
Zo ongeveer zie ik de verhouding tussen boek en film. Je weet van tevoren dat de verfilming zo weinig uit te staan zal hebben met wat je schreef, dat je er eigenlijk liever niet aan zou meewerken. Maar juist omdat het resultaat zo ver van mijn boek af staat, kon het me niet schelen wat ze ervan bakten en besloot ik toestemming te geven. En natuurlijk vanwege de indrukwekkende zak munten die het me opleverde.

Het vervelende van zo’n contract is dat er allerlei bepalingen in staan die je er niet uit onderhandeld krijgt – althans niet zonder dat het invloed heeft op het volume van de zak munten.
Het contract stipuleerde dat ik medewerking zou gaan verlenen aan de publiciteit voor, tijdens en na de verfilming, en zelfs dat ik in rokkostuum op de première zou verschijnen. Er was gespecificeerd dat onder ‘publiciteit’ verstaan werd ‘het op een positieve, enthousiasmerende wijze zich in de geschreven en andersoortige media uitlaten over de verfilming, met inbegrip van het vellen van een oordeel ten gunste van genoemde verfilming in geval van een aan de auteur gevraagd oordeel over de kwaliteit daarvan gerelateerd aan het door de auteur geschreven boek’.
Nou, het werd inderdaad een juweel van een film, werkelijk stukken beter dan het boek – ik kan niet anders zeggen. Onbegrijpelijk dat-ie door de recensenten zo finaal werd afgekraakt dat zelfs een nominatie voor een nationale filmprijs uitbleef. Al na twee weken ging de film uit de roulatie – gelukkig bleek de zak munten onterugvorderbaar te zijn.

Het boek zelf was overigens een succes. Mijn eerdere romans waren politiek getint en verkochten dan ook niet denderend, hierin had ik nogal wat liefdesleed gestopt waar de lezers van smulden. Ook voor de critici had ik er wat in gestopt: ik verwerkte de Orfeusmythe in de roman. Critici die gestudeerd hadden zullen gedacht hebben: fantastisch dat ik dat eruit haalde, daar moet ik melding van maken in de recensie! De schrijver verwijst naar de Orfeusmythe!
En dat terwijl het hergebruik van mythen erg goedkoop is. Een schrijver hoort zijn eigen mythen te verzinnen en niet die van een voorganger te herkauwen. Het is in feite postuum plagiaat, maar de literatuurwetenschap is er verzot op.
(Critici zijn al een ramp, literatuurwetenschap is helemaal de waanzin ten top. Literatuur is het domein van de vrijheid, wetenschap is indelen in hokjes en het verzinnen van regeltjes. Die twee zijn niet te verenigen.)
Zoals ik het eens in een explosief essay uiteenzette: door het uitspreken van een oordeel geven critici blijk van bemoeizucht. Het merkwaardige is dat je dat alleen in de literatuur ziet, en bijvoorbeeld niet in de schilderkunst. Stel je voor dat een kunstcriticus indertijd het atelier was binnengestapt en had gezegd: ‘Op zichzelf vind ik het geen onaardig schilderij, maar die trommelaar daar rechts vooraan kijkt zo chagrijnig, daar moet je een feestneus overheen schilderen. Een likkie verf en je haalt er het hele schilderij mee op.’
En dat een meegekomen collega-bemoeial dan gezegd had: ‘Wat mij betreft heeft het schilderij best wel wat, maar kijk nou nog eens naar die man in het midden, met dat zwaard. Die heeft u een ondeugende blik gegeven. De mensen zullen zich afvragen: waarom kijkt die man zo ondeugend uit zijn ogen? Het is uw schilderij, maar persoonlijk zou ik die man nog even een peniskoker geven.’
Als Rembrandt zich wat van dat soort adviezen zou hebben aangetrokken zou de Nachtwacht een lachertje geworden zijn.

Wanneer je zulke fantastisch goede boeken schrijft als ik word je af en toe gek van de complimenten die je te incasseren krijgt. Men kan soms niet uit zijn woorden komen van bewondering, maar voor mij is er eigenlijk geen kunst aan.
Goed kunnen schrijven is in zekere zin een gave, en die heb ik nu eenmaal. Daar heb ik niets voor hoeven doen. Een verhaal bedenken gaat me makkelijk af, en als stilist ben ik objectief beschouwd onovertroffen – daar hoef ik het verder niet over te hebben. Wat een onzin om iemand daarom te bewonderen! Bewonderenswaardig is dat ik de moeite heb willen nemen het allemaal op te schrijven, want er gaat een hoop tijd en energie in zitten. Bovendien ondermijn ik mijn gezondheid ermee.
Tijdens het schrijven kettingrook ik sigaretten, dus als ik longkanker krijg komt het door het schrijven. Mijn schrijfhouding is niet altijd een goede houding, en als ik me onder behandeling van een fysiotherapeut moet laten stellen, is het vanwege het schrijven.
Er zijn schrijvers die te kampen hebben met onrustbarende gewichtstoename doordat de droppot en de borrelnootjesbak binnen handbereik staan. Velen eten en drinken zonder maat te houden, ik ken er die het snuiven niet kunnen laten. De druk om een boek te voltooien kan bij collega’s die niet zo getalenteerd zijn als ik tot psychosomatische aandoeningen lijden. Menigeen moet zich neerleggen bij een zeer beperkte levensverwachting.
En dat allemaal om het publiek een paar uurtjes leesgenot te bezorgen. Handen af dus van mijn minderbedeelde collega’s!

Vanwege de promotie van de film verscheen ik in een aantal televisieprogramma’s. Presentatoren zitten liever twee uur bij de grime om zich toonbaar te laten maken dan dat ze die tijd besteden aan het lezen van een boek. Daarom willen ze altijd weten waar je volgende boek over gaat, en wanneer het zal verschijnen. Ook zijn ze zeer benieuwd of het boek dat ze niet of nauwelijks gelezen hebben autobiografisch is.
‘Ik begrijp de vraag niet,’ heb ik een keer geantwoord.
‘U weet toch wel wat er met autobiografisch bedoeld wordt?’
‘Zeker, en daarom begrijp ik de vraag niet.’
Meestal volstaat het om te zeggen: dat is een veel te gecompliceerde materie om te bespreken met iemand als u, die bovendien meer geïnteresseerd is in het stellen van vragen dan in het luisteren naar antwoorden. Of: ik ben een itempje van tien minuten in een oppervlakkig praatjesprogramma, u denkt toch niet dat ik zo’n korte tijd een geleerd betoog ga houden? U zult het moeten doen met een paar adremme oneliners en wisecracks.
Als ik het idee heb dat de gesprekspartner het aankan en mij afdoende spreektijd is gegund, ben ik niet te beroerd om het uit te leggen. Autobiografisch, zeg ik dan, betekent niet dat ik de gebeurtenissen die ik beschrijf zelf heb meegemaakt. Als ik iets heb meegemaakt ga ik het niet ook nog eens een keer iemand in een boek laten meemaken.
Wel is een roman – elke roman – autobiografisch in die zin dat de personages – alle personages – afsplitsingen van de auteur zijn. Als er in een roman een onsympathiek personage voorkomt, dan is dat personage voortgekomen uit een onsympathiek aspect van het karakter van de auteur: een aspect dat in de roman een eigen leven gaat leiden en geweldige proporties kan krijgen. Als ik dus voor zes procent een rotzak ben, dan kunnen die zes procent in een roman uitgroeien tot een rotzak van formaat. Dat personage bezit niet de vierennegentig procent goedheid die er in mij is. Die bewaar ik weer voor een sympathiek personage, maar dan zwak ik de goedheid wel af, want een voor vierennegentig procent goed personage is niet geloofwaardig.

Met dergelijke bespiegelingen hoef je in de meeste praatjesprogramma’s niet aan te komen. Liever hoort men daar de adremme oneliners en wisecracks. Ik zat een keer in een middagprogramma om reclame te maken voor die fantastische verfilming van mijn romantische tragedie, en toen bleek de tweede helft van het programma gewijd te zijn aan de problematiek van de man-vrouwverhouding.
‘Mark, hoe behandel jij vrouwen?’ vroeg de presentatrice plompverloren.
‘Hangt ervan af wat de klachten zijn,’ zei ik.
Dat vonden ze ongelooflijk geestig, en nog voor de uitzending afgelopen was werd ik via mijn manager uitgenodigd om diezelfde avond in een ander programma mijn mening te komen geven.
‘Wat is het onderwerp?’ had mijn manager gevraagd.
‘Dat staat nog niet vast,’ kreeg hij te horen. Maar omdat er voor al dat soort evenementen geld wordt neergeteld, waar de manager een paar procenten van opstrijkt, werd ik geboekt.
Ik belandde tussen twee geleerden die academisch verstand hadden van talen en dialecten, en die hun oordeel gaven over het Fries. De een beweerde dat het maar een dialect was, de ander dat het om een volwaardige taal ging. Volgens mij was het gewoon een kwestie van het lukraak omzetten van klinkers en medeklinkers ten opzichte van het algemeen beschaafd Nederlands, uit Friese koppigheid.
De professoren hadden er hoogdravende theorieën over, en ik zat me tussen hen in af te vragen wat ik daar zat te doen.
‘Mark, het Fries een taal of een dialect – hoe denk jij daar als schrijver over?’
‘Als schrijver denk ik daar nooit over. Maar het klinkt in elk geval als een spraakgebrek.’

Vijftien jaar geleden was Livia een prachtige meid geweest – dat herinnerde ik me niet alleen toen ze voor me stond, dat herinnerde ik me regelmatig. Haar gezicht was veranderd. Geen wonder – het meisje van zestien was vrouw van dertig geworden. Ze had indertijd duidelijk zichtbare jukbeenderen gehad, haar haar hing er toen nog niet zo onverzorgd bij.
Het was rond het middaguur.
‘Heb je zin om te gaan lunchen?’ vroeg ik.
‘Gezellig,’ zei ze. Haar lach was gelukkig nog de lach van toen.

Ze was veruit het knapste meisje van de klas geweest – in deze door politieke correctheid vergalde tijden moet je uitleggen dat je daarmee niet wilt zeggen dat ze zo goed kon leren. Iedere jongen in de klas deelde die opvatting, de jongens uit andere klassen ook. Het was niet iets exclusiefs: er waren nog veel meer meisjes die onze begeerte opwekten, maar zij voerde de seksuele verlanglijst aan.
Livia had niet alleen zo’n effect op ons vanwege die jukbeenderen – ze had tieten die ontzag inboezemden. Vijftien jaar geleden was een dergelijk volume een pre, nu leek het eerder een last te zijn, zag ik toen ze haar verschoten jasje over de stoelleuning gehangen had. Het was niet alleen het jasje dat hing.
Ze was ook na haar zestiende blijven uitdijen. Om met haar postuur in balans te blijven zou je een rugzak met stenen moeten dragen, bedacht ik. Maar je kon natuurlijk ook – zoals Livia gedaan had – je achterwerk onthutsend in omvang laten toenemen.
Haar glimlach leidde mijn aandacht af van haar veranderde verschijning. ‘Wat zullen we bestellen?’
‘Zeg het maar,’ zei ik.
‘Jij hebt meer verstand van eten. Ik heb je laatst nog zien koken.’
Inderdaad. Een week daarvoor was ik te gast geweest in een programma waarin bekende personen zich een cholesteroloverdosis vraten.

Ik vraag me soms af hoe ze op het idee komen – voor de meest dwaze programma’s krijg ik een uitnodiging. Ik ben bereid om aan alles een keer mee te doen, als het maar geen spelletjes zijn. Ik ben dus nooit te zien in dat programma waarin je een woord of begrip moet raden of uitbeelden aan de hand van bekkentrekkerij of spastische gebaren. Een gezegde als lekker neuken, niet betalen zou me qua uitbeelden nog wel lukken, ingewikkelder is me te ingewikkeld.
Bovendien zou ik de concentratie voor het raden van een gezegde niet kunnen opbrengen als op de bank van het andere team een bekende babe in een kort rokje van opwinding haar benen over elkaar slaat.
Sommige collega’s is niets te dol. Ik herinner me een weerzinwekkend Boekenbal waarop de festiviteiten rond het Boekenweekthema ‘drank’ culmineerden in een dichters-prozaschrijverstweekamp kurkentrekken. Dat hebben de organisatoren geweten.
Voor dergelijke gein bedank ik uiteraard. Wel heb ik een keer in de jury van een Miss String-verkiezing gezeten, maar dat kwam toevallig goed uit omdat ik daardoor niet naar de verjaardag van mijn moeder hoefde.
En o ja, ik zou Jongensjacht haast vergeten. Dat was een reeks van dertien waarin negen meisjes, die door andere meisjes daarvoor opgegeven waren, publiekelijk aan een jongen gekoppeld moesten worden.
Halverwege de opname van de eerste aflevering dacht ik ineens: ik lijk wel niet goed wijs dat ik deze waanzin zit te jureren – hoe kom ik hier weg? Dertien afleveringen!
Het bleek betrekkelijk eenvoudig te zijn me aan mijn verplichtingen te onttrekken: de producent wilde na afloop van de eerste aflevering liever niet hebben dat ik ook aan de volgende mijn medewerking verleende, vanwege mijn zijns inziens onheuse bejegening van kandidate Loes, die ik inderdaad aan het huilen had weten te krijgen.

‘De jongen waar jij op jaagt moet aan heel wat voorwaarden voldoen,’ had ik tegen haar gezegd.
‘Best wel,’ glunderde ze blond.
Waar haalde men de arrogantie vandaan voorwaarden te stellen aan potentiële partners! Alsof het niet al buitengewoon bijzonder was dat iemand überhaupt belang in je stelde.
Ik las haar verlanglijstje voor. Haar droomjongen diende spontaan te zijn, sportief en lief, hij moest van dansen houden en van samen gezellig leuke dingen doen, en niet te vergeten een lekker kontje hebben.
‘Dat lekkere kontje kan helaas niet,’ zei ik.
‘Nee?’ zei ze onzeker.
‘Zou net zoiets zijn als wanneer een jongen van een meisje zou eisen dat ze lekkere tieten had. Dat is seksisme. Stel je voor dat het algemeen bekend zou raken dat meisjes onder elkaar dezelfde genitaalgerichte gedachten jegens jongens koesteren als jongens jegens meisjes.’
‘Huh?’
Naar meisjes toe,’ verduidelijkte ik. ‘En als ik je van spel- en stijlfouten wemelende zelfportretje erbij pak, dan lees ik dat je van jezelf vindt dat je spontaan bent, en best wel een gekke meid. Je hobby’s zijn uitgaan, chatten, sms’en, shoppen en soaps. Maar Loes, hoe haal je het in je domme hoofd te denken dat een jongen die de door jou gewenste eigenschappen bezit geïnteresseerd zal zijn in een gepiercte bimbo die nog nooit een boek gelezen heeft?’
En toen begon ze te huilen.

Dat kookprogramma was heel andere koek, maar eveneens een eenmalige grap voor wat betreft mijn medewerking.
Persoonlijk vind ik het niet erg smakelijk om op de televisie mensen te zien die volkomen in beslag genomen worden door een enkele gedachte: hoe krijg ik ook vandaag weer zoveel mogelijk vreten weggestouwd? En die daar uitbundig over vertellen, een nepkok assisteren bij de bereiding van God weet wat voor vetrijk gerecht en dat publiekelijk in hun muil schuiven.
(Hun muil? Je zou ze de kost moeten geven die hun voer het liefst rectaal ingebracht zouden krijgen. Dan ging er geen kostbare tijd verloren aan kauwen. Benieuwd wat voor effect deze methodiek op de kijkcijfers zou hebben.)
Tijdens dat soort uitzendingen wordt er ingewikkeld gedaan over de afdronk en het boeket of hoe heet dat van de geserveerde wijn, die uit die of die streek afkomstig is en in dat of dat jaar geoogst, terwijl het al onzinnig is om onderscheid te maken tussen rood en wit. Als je bek maar niet samentrekt als je een slok neemt.
Enfin, mijn manager had gezegd: doe het nou maar.

Ik vond het wel aardig om van nabij te kunnen constateren dat de mensen die zo’n kookprogramma maken volkomen gestoord zijn. Ze wilden vooraf precies weten wat ik zou gaan klaarmaken, maar ik zei pesterig dat ik er nog niet helemaal uit was.
Ze zijn gewend dat hun gastkokers de meest uitheemse ingrediënten gebruiken, want daardoor wek je de indruk dat je gastronomisch je mannetje staat. (Ze hebben er ook altijd veel te veel pannen op het vuur staan, nergens voor nodig.)
‘Breng drie tiende van een deciliter azijn langzaam aan de kook,’ wordt er gedicteerd aan de kijkers, die het recept kwijlend overnemen.
Daar moet je bij mij niet mee aankomen. Sinds de aanschaf van een magnetron is het begrip ‘koken’ bij mij zeer in onbruik geraakt, maar ten behoeve van het kookprogramma wilde ik voor een keertje wel teruggrijpen op oude gebruiken.

Ik arriveerde een kwartier voor de rechtstreekse uitzending begon, liet wat poeder op mijn gezicht aanbrengen, en meldde me bij de zeer zenuwachtige presentatrice. Andere gasten waren twee uur van tevoren al aanwezig om met de nepkok de receptuur te bespreken en een keuze te maken uit het assortiment pannen en potten, wokken en mokken. Maar dat was bij mij niet nodig.
‘Mark, wat ga je vanmiddag voor ons koken?’ vroeg ze, met een onstuitbaar knipperend linkeroog.
‘Macaroni met ham en kaas.’
Uit de meegebrachte plastic zak nam ik een pak van 500 gram macaroni, 150 gram verpakte achterham en een zakje met 150 gram gemalen oude kaas.
‘Weet je wat? We gaan gewoon maar ouderwets smullen,’ zei ik tegen de verbijsterde presentatrice. De nepkok, die zijn muts scheef op zijn hoofd had gezet omdat hem verteld was dat het met mij weleens lachen zou kunnen worden, hing met de armen over elkaar geslagen tegen het woonboulevardaanrecht en keek zeer onvrolijk.
Ik liet een pan vollopen met water, bracht dit in tien minuten tijd aan de kook, voegde er macaroni en ham aan toe, en roerde zo nu en dan. Thuis deed ik dat nooit, maar op de televisie moet je de dingen altijd mooier voorstellen dan ze zijn, dan kunnen de kijkers zwijmelen. (In zachtjes kokende macaroni roeren is net zoiets als ovenpatat na tien minuten omdraaien – dat doet ook geen mens.)

Terwijl het kookproces gaande was vertelde ik dat ik zeker vijfentwintig jaar geleden voor het eerst macaroni met ham en kaas had gegeten, bij mijn oma.
‘Het recept is dus bij wijze van spreken van grootmoeder op kleinzoon overgegaan,’ zei ik.
Ook haalde ik een herinnering op aan de keer dat ik bij mijn zieke moeder macaroni was gaan klaarmaken. Terwijl zij weerloos met griep op bed lag, stond ik in de keuken wild te kokkerellen. Na de vereiste kooktijd moest de macaroni afgegoten worden. Ik kon zo gauw geen ovenwanten vinden en wilde mijn moeder niet in haar ijlen storen, dus ik pakte een theedoek. Tilde ik de pan op, bleef de theedoek aan het fornuis haken, lazerde die pan vol kokend water en macaroni op de grond!
‘Mijn moeder had destijds tapijttegels in de keuken liggen,’ zei ik. ‘Nooit meer voor haar hoeven koken. Zelfs niet toen ze laatst op sterven lag.’

De macaroni moest tien minuten aan de kook blijven. ‘Houd negen minuten aan voor wat steviger, al dente, macaroni,’ las ik voor van het pak. ‘Dat zullen we maar niet doen, dan is er helemaal geen ruk aan.’
Het kookprogramma duurde een uur. Het eerste halfuur werd doorgaans door de presentatrice gebruikt om met de gastkoker de snufje-dit-snufje-dat-zaken te bespreken, maar nu zaten we met nog veertig minuten uitzending te gaan al met een bord macaroni voor ons.
Ik begon onverstoorbaar de pasta naar binnen te lepelen, de presentatrice wisselde waanzinnige blikken met de floormanager; ze was te ijdel om haar bril op te zetten en kon de tekst op het opgehouden bord met gespreksonderwerpsuggesties niet lezen.
‘Kut! De Maggi vergeten!’ riep ik na een paar happen. En al tijdens de uitzending regende het klachten bij de omroep.

Het is een aspect van het schrijverschap dat meestal onbelicht blijft – toch is het een geweldig genot om als schrijver lezers op de kast te krijgen. Waardering voor je werk is leuk, lezers aan het lachen krijgen is ook leuk, maar ze tot razernij drijven is het leukst. Te weten dat zich van lezers een machteloze woede meester maakt: iets hogers kun je eigenlijk niet bereiken.
Het geeft ook veel voldoening wanneer critici zich kwaad maken. Die beleven daar zelf trouwens ook plezier aan, want een boek prijzen – nou ja, dan kun je schrijven dat de karakters goed getroffen waren, het verhaal ontroerde, de ontknoping verrassend was. Maar als je er niks aan vond, dan kun je voor je afkeur je creativiteit aanspreken. Scheldkritieken zijn vaak zeer amusant om te lezen, ze moeten ook prettig om te schrijven zijn.
Ik moet elke keer weer lachen als een criticus een passage in een roman als flauw bestempelt. Dat heeft meestal de toon van: ik, criticus, ben van mening dat die passage flauw is, en dat zal ik jou, schrijver, eens eventjes inwrijven.
Alsof ik mezelf er niet van bewust was dat die passage flauw was. Alsof ik niet elke zin honderd keer tegen het licht houd voordat ik tot publicatie overga.
En het is toch zo simpel: als er in een boek van mij een flauwe passage voorkomt, dan was het mijn bedoeling om op die plaats een flauwe passage in te lassen. Zoals je ernst en humor afwisselt om het effect van beide te vergroten, zo kun je ook subtiele en minder subtiele vormen van humor hanteren. Het is een kwestie van ritme. Dat is zo ongeveer de bedoeling ervan – plus als het even kan bij de criticus een woedekoeliek opwekken.

Lunchen met Livia – dat zou vijftien jaar geleden ondenkbaar geweest zijn. Ondenkbaar dat ik haar zou durven uitnodigen, ondenkbaar dat zij de uitnodiging zou aannemen.
Als ik niet op de televisie was verschenen, als ze mijn naam niet toevallig had weten te plaatsen, zou ze na dat jaar dat we bij elkaar in de klas hadden gezeten geen seconde meer aan me gedacht hebben. (Gedurende het jaar zal ik haar gedachten trouwens evenmin beheerst hebben.)
Bij economie zat ze voor me. Soms dorst ik onderuit te zakken en mijn benen te strekken, zodat mijn voeten onder haar stoel staken. Als ze rechtop ging zitten en haar voeten naar achteren schoof, raakten mijn schoenen de hare en wist ik niet wat me overkwam – waarschijnlijk had ze niet eens in de gaten wat ze teweegbracht.
En dan dat schoolfeest, tegen het eind van het schooljaar – vlak voordat ik verhuisde en naar een andere school zou gaan en ze voorgoed uit mijn leven zou verdwijnen, zoals ik verwachtte.
Ik arriveerde kort na of gelijktijdig met haar. Ze had net haar jas in de garderobe gehangen. Ze hurkte om een losgeraakte schoenveter te knopen. Haar korte jurkje had een decolleté om een blaasontsteking van te krijgen.
Toen ze overeind kwam keek ze me aan. Ze zei iets, ik dacht even dat het tegen mij was en mijn hart sloeg over – maar achter me was iemand opgedoken die wel de moeite waard was. Chiel was de zanger van ons schoolbandje Tolkien Hats. Livia kraaide haar enthousiasme uit over zijn lijpe Gandalfmijter, en ik bestond niet meer – als ik al bestaan had.

Er kon gedanst worden, maar het grootste deel van de avond stond ik met Tom aan de bar. Hij maakte grappen over ongehuwde lerares Duits Letty Scheurdoos, van wie gezegd werd dat ze geen schaamlippen had maar poffertjes. Ze danste met gymnastiekleraar Wies DuPleur op een slap nummer van de Tolkien Hats.
Livia danste ook – ik wilde niet zien met wie en probeerde Tom bij te houden, die in hoog tempo het bier naar binnen liet lopen. Tegen middernacht kwam brilletje Chira bedeesd vragen of ik zin had om met haar te dansen, maar ik had te veel bier op om nog op een galante manier te bedanken voor het aanbod – ik draaide me nors om.
Het eerste biertje had me niet gesmaakt, het zoveelste was smaakloos, en op den duur raakte ik net als Tom laveloos.
Nadat hij om kwart voor twee in een portiek tegenover de school had overgegeven gingen we verbroederd op weg naar huis. Ik althans – hij had geroepen dat hij nog naar de hoeren wilde. Zeker om daar ook de boel onder de kotsen.
Ik zag Livia bij Chiel achterop de brommer stappen. Ze hield zijn mijter vast – de staf zou ze straks ook wel weten te vinden. In sombere dronkenschap liep ik naast Tom. De lucht was wolkenloos, de maan was duidelijk te zien.
‘De maan!’ riep Tom.
‘De maan,’ beaamde ik dof.
‘Vollemaan!’
Ik keek – gelul, het was geen vollemaan.
‘Niet? Wat dan?’ vroeg Tom.
‘Weet ik veel hoe dat heet,’ zei ik.
‘Als ’t geen vollemaan is is het wassende of krimpende maan.’
‘Wat kan mij het nou verrotten of het wassend of krimpend is,’ zei ik geïrriteerd. ‘Het is gewoon maan.’
‘Het is maan!’ riep Tom, en sloeg op het dak van een geparkeerde auto. ‘Het is godverdomme maan!’ In de verte begon een hond te blaffen – kan ook een kat geweest zijn.
Het is helemaal geen maan, dacht ik. Het is kut met zwemvliezen.
En toen was het mijn beurt om over te geven.

‘Vanavond kijk ik natuurlijk ook weer naar je,’ zei ze.
Groot gelijk – op donderdagavond was ik te gast in De dagelijkse bijpraat, het actuelegebeurtenissenprogramma dat op werkdagen van zes tot zeven werd uitgezonden. Ik mocht eenmaal per week de stoorzender komen uithangen. Het was dankbaar werk om op dat tijdstip een tegendraads geluid te laten horen, want de kijkers zaten dan met een bord eten op schoot. Hoevelen zullen zich verslikt hebben na een uitspraakje van mij? Ouders die zich lam schrokken om wat hun kinderen hadden moeten aanhoren, want zoals bekend is één verkeerd woord genoeg om het jarenlange bijbrengen van normen en waarden weer ongedaan te maken. (‘Ik zal niet zeggen dat de premier een incompetente snikkel is – dat laat ik over aan mensen die hem beter kennen.’)
Ik heb prettige herinneringen aan de confrontatie met Tup Lipschade, de leider van een confessionele driemansfractie in de Tweede Kamer, die meer dan een dagtaak had aan het definiëren en aan anderen opleggen van zotte fatsoensnormen.
Lipschade kwam in De dagelijkse bijpraat ageren tegen fatsoensarme hedendaagse schrijvers en hun losgeslagen taalgebruik.
‘Geen wonder dat we in volle vaart op de ondergang van de beschaving af ijlen,’ zei hij evangelisch, en bette met een zakdoek zijn vochtig geworden lippen.
‘Dat komt goed uit,’ zei hoofdpresentator Dick van Poeieren. ‘We hebben zo’n hedendaagse schrijver aan tafel zitten. Mark, voel jij je aangesproken door de woorden van Lipschade?’
‘Dat niet,’ zei ik. ‘Maar ik moet er wel om lachen.’
Het Kamerlid had zijn bril afgezet en poetste met zijn zakdoek de glazen. Hij zag er niet bepaald uit als iemand die het denken had uitgevonden.
‘Ik vind het zeer raadselachtig dat gestudeerde mensen zo’n primitieve en bijgelovige kijk op de dingen hebben,’ zei ik. ‘Dat ze denken dat woorden een verwoestende uitwerking kunnen hebben. Neem nou een woord als – ’ Ik zag de ogen van Lipschade groter worden. Met de zakdoek wiste hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd. Uit compassie besloot ik het verschrikkelijke woord niet uit te spreken.
‘Neem nou een woord dat ik hier niet zal noemen,’ zei ik. ‘Mensen als meneer Lipschade schieten in een stuip als ze het horen, maar waarom? Is het de klank van het woord die rampzalige gevolgen heeft voor degene die het hoort? Dat zou dan ook voor het woord keuken moeten gelden. Is het de betekenis ervan? Dan zou het begrip vleselijke gemeenschap evenmin door de beugel kunnen.’
Terwijl de volksvertegenwoordiger met bevende hand een glas water naar de lippen bracht, sneed Van Poeieren een andere kwestie aan.
‘Lipschade is van mening dat de politiek wat moet doen tegen het geweld dat op de televisie te zien is. Mee eens?’
‘Daar ben ik het mee eens,’ zei ik.
De hoofdpresentator keek zorgelijk, want als de gasten het eens zijn, kan het met de discussie niks worden.
‘Ik bedoel niet het geweld in amuserende televisieseries of in leerzame natuurprogramma’s waarin leeuwen als ode aan de schoonheid van Gods schepping hulpeloos spartelende antilopen levend verscheuren,’ zei ik. ‘Ik bedoel het Journaal. Al het oorlogsgeweld dat je daarop te zien krijgt. Het is de taak van u als politicus, meneer Lipschade, om ervoor te zorgen dat we op het Journaal geen geweld meer te zien krijgen. Er hangt trouwens een enorme pulk in uw linkerneusgat.’
En daar kwam de zakdoek weer te voorschijn.

Livia vroeg of ik een vriendin had.
‘Is dat een vraag of een aanbod?’
Ze schaterde. Zo had ze in de klas ook geschaterd. Maar nooit als ik iets leuks zei.
‘Ik moest vroeger ook altijd zo om je lachen,’ zei ze.
Was het me destijds maar gelukt haar te laten lachen – dat ze nu om me moest lachen interesseerde me niet. In vijftien jaar tijd was ze van een natte droom in een gevulde koek veranderd.
‘Nee, ik heb geen vaste relatie,’ zei ik. ‘Maar ik ga natuurlijk weleens uit logeren, als het zo uitkomt.’
‘Dat geloof ik best.’

Het is voor een schrijver niet verstandig om er een levenspartner op na te houden – voor die levenspartner zou het in elk geval geen pretje zijn. Op momenten dat je niet schrijft en min of meer deelneemt aan het dagelijkse leven, leef je voor negentig procent in de werkelijkheid. Maar zodra je opgaat in het schrijven begint de werkelijkheid te verschrompelen, en op den duur heb je geen oog of oor meer voor wat zich op dat gebied afspeelt.
Niet aangenaam voor degene die je leven deelt en haar rol geleidelijk aan gemarginaliseerd ziet.
Dat neemt niet weg dat ook een schrijver gebaat is bij gezelschap – al was het alleen maar om ervaringen en indrukken op te doen, want die vormen een belangrijk aspect van het schrijverschap.
En daarom geven schrijvers lezingen.

Je stapt ’s middags in een trein die je naar de andere kant van het land brengt, eet er een hapje op kosten van het organiserend comité, begint om halfnegen met het voordragen van teksten, gaat er na de pauze mee door en biedt de aanwezigen ‘omdat het een bijzondere en zeldzame ervaring is om zo’n aandachtig publiek te treffen’ als dank ruimhartig de mogelijkheid vragen te stellen.
Na afloop komen er mensen naar je toe die wat met je willen gaan drinken. Als het ze alleen om een drankje te doen is wimpel je ze af, als het ernaar uitziet dat het drankje kan leiden tot logies met ontbijt, hap je toe: Wang dang doodle, all night long – met minder hoeft een schrijver geen genoegen te nemen.
Het is daarbij een voordeel dat je met het openbaar vervoer gekomen bent, want voor je er erg in had bleek de laatste trein naar de bewoonde wereld vertrokken te zijn. In het kader van bezuinigingsmaatregelen worden er rigoureus lijnen opgeheven; de verplaatsingsmogelijkheden over de rails nemen met de dag af – je kunt het als schrijver niet beter treffen.

Ik ben niet kieskeurig als ik uit logeren ga – als de avond gevorderd is en je een paar pilsjes op hebt ben je geneigd je normen en waarden wat lakser te hanteren. Ik ga zelfs weleens met een vrouw van tegen de veertig mee naar huis. Bij jonge vrouwen zijn het de ogen die me verleiden, bij rijpe vrouwen gaat het me om de dankbaarheid die ik in hun ogen lees. Al bijna veertig en dan toch een schrijver mee naar huis weten te krijgen!
De volgende ochtend, aan het ontbijt, kan de ontnuchtering ontluisterend zijn. Vooral als de gordijnen opengeschoven worden en het volle daglicht zich meester maakt van wat bij lamplicht nog in acceptabele staat leek te verkeren.
‘Laat de gordijnen maar dicht, lieverd, ik heb wat hoofdpijn van de drank.’
En dan snel een kop koffie, gauw een boek gesigneerd en als de wiedeweerga naar het station. Ook iets om in de gaten te houden: zorg er als schrijver in hemelsnaam voor dat je je lezingen zo ver mogelijk van je woonplaats vandaan houdt. Dat maakt de kans klein dat je degene bij wie je was blijven logeren later tegenkomt. In bed wil je nog weleens dolle dingen beweren, en het kan dus gebeuren dat je een bedgenote in een onbewaakt moment een prominente plaats in je leven in het vooruitzicht stelt.
Daar kan natuurlijk geen sprake van zijn.

Ik krijg van bemoeials soms het verwijt dat ik me in dezen vrouwonvriendelijk gedraag, maar dat is een misverstand. Als ik met zo’n vrouw mee naar huis ga ben ik de hoffelijkheid zelve – ik ben tot in het absurde beleefd en houd zelfs de deur van de slaapkamer voor haar open. Met een grap breng ik haar aan het lachen, ik complimenteer haar met de inrichting van haar woning, hoe afzichtelijk ook, laat het haar seksueel aan niets ontbreken, en verkondig na afloop dat ik haar zeer erkentelijk ben voor het doorstane evenement. Dus me dunkt.
Vandaag de dag zijn er zoveel schrijversmarkten en braderieën waarop lezers hun boek kunnen laten signeren, dat het pas bijzonder is als je een ongesigneerd boek in de kast hebt staan. Behalve natuurlijk als de schrijver bij je heeft gelogeerd en voorin het boek schreef: ‘Ter herinnering aan een onvergetelijke nacht’. Of: ‘Nu pas weet ik hoe het is om met een volkomen vrouw het bed te delen’. De romantische waanzin ligt voor het oprapen.

Met mij zit het wat dat betreft wel goed, maar het is helaas een feit dat er talloze schrijvers zijn die na het houden van een lezing onbemind naar huis moeten. Daarmee is de literatuur geen dienst bewezen, want een seksueel bevredigde schrijver is een schrijver die wat heeft om over te schrijven.
(Voordat we daar weer gelazer over krijgen: ik doel op ongebonden heteroseksuele schrijvers van het mannelijk geslacht. Ik weet dat er daarnaast gebonden heteroseksuele schrijvers bestaan, benevens al dan niet gebonden homo- en biseksuele schrijvers, plus niet te vergeten volksstammen vrouwelijke auteurs in alle genoemde categorieën, maar ik acht mijzelf onvoldoende ervaringsdeskundig om uitspraken te doen over hun specifieke wensen en noden op seksueel terrein. Trouwens, misschien zetten die na hun lezing liever in de trein een breiwerkje op, wie zal het zeggen.)

Het zou een goede zaak zijn als alle auteurs logies met ontbijt aangeboden kregen. Talrijk zijn de schrijvers waar geen weldenkende vrouw zich aan zal wagen – in dergelijke gevallen zou het organiserend comité kunnen overwegen een vrouw in de arm te nemen die beroepsmatig seksuele omgang heeft, en die dus niet gauw zal schrikken van een afstotelijke kop en navenant lichaam.
Discretie is vereist, want het zou een gevoelige klap voor het toch al broze ego van de onappetijtelijke schrijver zijn als hij doorhad dat de dame in kwestie alleen dankzij betaling bereid was zijn naar drank en rook riekende adem in haar gezicht en elders te tolereren.
Er is overigens, naast de aantrekkelijke en onaantrekkelijke schrijvers, een derde categorie: die van de successchrijvers, bij wie het uiterlijk ondergeschikt is aan de oplage van hun boeken. Zulke schrijvers zijn bij vrouwen zeer gewild. Dat komt doordat vrouwen onbewust op zoek zijn naar goede genen voor hun nakomelingen. Ze willen hun eitje bevrucht hebben door topzaad. Een schrijver mag nog zo’n afstoteling zijn, het feit dat hij bestsellers op zijn naam heeft staan, geeft aan dat zijn genen de moeite waard zijn. Kortom: vrouwen zoeken kwaliteit, mannen zijn meer geïnteresseerd in kwantiteit. (Vrouwen zitten anders in elkaar dan mannen – het is erg vervelend dat vrouwen daar niet goed tegen kunnen.)

Intussen, ergens op het platteland.
‘Wa dank jaai, Geesje, zolde um da allemoal mienen?’
Wa um doar skrieft? Wie habban wol markt da skrievers roar’n figuurn’n binn’n, da wie jaai zalf oek wol, Elsemientje!’
‘Iek ziet zoe te danken, als wie noe veur de lieskrieng n’n skriever uutnoidig’n…’
‘Joa?’
‘Stel da um noa de liezing wiel nuik’n!’
‘As um wiel nuik’n, da moe den moar, wat?’
‘Moar wie gaet miet um nuik’n?’
‘La mie um moar nuik’n.’
‘Moar as um noe wiel baff’n?’
‘Da moe um moar bie Liesewiesje dun, die hab da wol geern. Ken zie um gelaik piep’n.’
‘Loat mie um moar piep’n. Den doek mien kuunstkebiet oit, da piept prattig veur de skriever.’

Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik weleens uit logeren ga – maar dat wil niet zeggen dat ik de betreffende ervaringen ook te boek stel. Het is me tot nu toe nog niet overkomen dat iemand bij wie ik uit logeren was me verzocht verslag uit te brengen van ons nachtelijk samenzijn – en zelf vind ik het niet sjiek om uit het bed te klappen. (En bovendien: als bekend wordt dat je dat doet, kan de kans afnemen dat je te logeren gevraagd wordt.)
Interviewers denken dat je omdat je een paar boeken gepubliceerd hebt ook van plan bent je privéleven te publiceren.
‘Hoe denkt u over vreemdgaan?’ vroeg een onbeschofteling me eens.
‘Ik heb niks te maken met wat andere mensen doen,’ zei ik.
‘En wat uzelf betreft?’
‘Daar hebben andere mensen weer niks meer te maken.’
En zo is het ook.

‘En jij?’ vroeg ik.
Livia zat aan haar tweede glas thee, ik aan mijn tweede kop puccino.
‘Ik woon samen. Twee jaar alweer.’
‘Naar wens?’ vroeg ik, en probeerde mijn lachen in te houden.
Ze deed geen moeite het gebrek aan enthousiasme te verhullen, toen ze ‘gaat wel’ zei.
Ik wist er toevallig alles van.

Mijn vader woog op zijn zestigste meer dan negentig kilo. Behalve schrijfvaardigheid heb ik van hem ook de aanleg om dik te worden meegekregen.
Tweemaal per week ga ik naar de sportschool – de schrijfvaardigheid is een zegen, de zwaarlijvigheid is dat niet. Als ik de boel op z’n beloop zou laten weeg ik op mijn vijfendertigste dik tachtig kilo, en zie dan maar eens na een lezing een logeerpartij te versieren. En zie dan maar eens als het niet lukte op een drafje de laatste trein naar de bewoonde wereld te halen.
Tweemaal in de week naar de sportschool – niet voor het pumpen van de bi- en triceps, maar om de buikspieren te sterken. Een aantal weken geleden zat ik na een halfuurtje buikspiertraining in de sauna en werd aangesproken door een gewichtheffer van ongeveer mijn leeftijd, die zich voorstelde als Rolf.
‘Mijn vriendin kent jou,’ zei hij.
Ik keek naar zijn gewichthefferslichaam en moest slikken – kon het zijn dat ik bij zijn vriendin uit logeren was geweest en dat hij na loslippigheid harerzijds duidelijk kwam maken dat ik dat maar beter niet meer kon doen?

‘Ze heeft bij je in de klas gezeten,’ zei Rolf. ‘Livia.’
‘Livia, dat is lang geleden,’ zei ik. ‘Wat grappig. Doe haar maar de groeten van me.’
‘Dat gaat niet, ze heeft het uitgemaakt. Ze is nou weer met een andere collega aan het rotzooien. Wat heeft die meid me belazerd!’
Het was een ingewikkelde ontboezeming. Het kwam erop neer dat Rolf wat met Livia had gehad – terwijl zij met iemand samenwoonde – en dat Rolf onlangs verruild was voor een collega. Degene met wie ze samenwoonde was voorzover Rolf wist nog dezelfde. Aldus kort samengevat.

Toen Rolf een keer met Livia in bed lag zette zij de televisie aan en daar was ik dan.
‘Je had het over een dikke lul,’ zei Rolf.
Ik wist waar hij op doelde. Het was een aflevering van De dagelijkse bijpraat waarin de discussie zo verhit raakte, dat ik tegen de zo te zien voor tachtig procent uit haargroei bestaande vertegenwoordiger van de lokale belangenpartij uitviel: ‘Een ander zou in mijn plaats zeggen dat u een dikke lul kunt krijgen, maar die gun ik u niet.’ Politici beweren graag dat ze zeggen waar het op staat, maar als een burger hun zegt waar het op staat lopen ze beledigd de studio uit. Exit lokaalpolitiek haarmonster.
(Of misschien doelde hij op die keer dat ik tegen een zich actrice noemend soaptutje zei dat ze een dikke lul kon krijgen – maar niet de mijne.)
‘Ik zei dat ik je soms op de sportschool zag,’ zei Rolf. ‘Ze zei dat ze bij je in de klas had gezeten. Maar dat mocht ik niet tegen je zeggen.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat ze niet goed wijs is. Als jij wist dat ik haar kende zou je misschien die gozer waar ze mee samenwoont tegenkomen en aan hem doorvertellen dat ze wat met mij heeft.’

Rolf was huismeester bij het bedrijf waar Livia uitzendkracht was. Haar vriend werkte als portier – nu eens hier, dan weer daar; nu eens overdag, dan weer ’s nachts. Livia begon in te zien dat hij geen goede keus was geweest, Rolf viel als verzetje wel bij haar in de smaak.
‘Die meid is helemaal maf,’ zei Rolf. ‘Ik lag een tijdje terug bij haar thuis met haar in bed. Ik zeg: wanneer komt die vriend van jou eigenlijk thuis? Ze zegt: geen idee.’ Hij keek of hij nog steeds niet van de verbazing bekomen was. ‘Stel je voor dat die vriend ineens opduikt!’
‘Is hij ook zo gespierd?’ vroeg ik.
‘Dat heeft toch niks met gespierd te maken! Als je in je blote reet uit bed stapt en hij geeft je een trap voor je kloten, dan heb je niet veel aan je spieren.’

De relatie met Livia was heftig maar eigenaardig. Het was van tevoren niet te zeggen of haar vriend in het weekend zou werken of niet – dat deed ze althans voorkomen – en dus zat Rolf vaak van vrijdagavond tot zondagavond bij de telefoon te wachten tot ze zou bellen om te zeggen dat hij langs kon komen. Het gebeurde vaak dat ze hem midden in de nacht opbelde en hem urenlang met haar probleempjes wakker hield. (Ze kon al in paniek raken als ze alleen thuis was en het onweerde.)
Ik beklaagde Rolf niet al te zeer, want het scheen ook voor te zijn gekomen dat hij thuis onder de douche stond en dat Livia, aan wie hij de huissleutel afgestaan had, hem daaronder vandaan trok omdat ze hoognodig gedekt moest worden. Er zijn ergere dingen in het leven, al duurde het op den duur lang voordat zijn tijdens het wippie opengehaalde rug geheeld was.
‘Ze had het er steeds over dat ze met die vriend wilde kappen en met mij verdergaan,’ zei Rolf verbitterd. ‘Ze had allerlei ideetjes over hoe ze de boel bij mij anders ging inrichten als ze eenmaal bij me ingetrokken was.’
‘Ging zeker niet door,’ zei ik.
‘Welnee, allemaal komedie. Ik ben maar een simpele huismeester, dus toen er bij ons een holle bolle accountmanager kwam werken was die meteen interessanter. Snelle auto, vlotte babbel. Ze passen goed bij elkaar, ik hoorde dat hij er altijd een stuk of drie vriendinnen tegelijk op na houdt.’
Dat zal het werk met zich meebrengen, dacht ik. Een accountmanager is in feite een veredelde glazenwasser.
‘Als die trut je zo behandeld heeft hoef je er niet rouwig om te zijn dat je van haar af bent,’ zei ik.

‘Ik moet gaan, m’n vriend komt zo thuis,’ zei Livia na een blik op haar horloge.
Ik vroeg me af wie ze bedoelde – de wisseldienstportier of de snelle holle bolle accountmanager. Het was alweer een week of drie geleden dat ik Rolf gesproken had, het kon dus ook een verse vriend zijn. Ik vond het knap dat ze haar leven kennelijk zo wist in te richten dat de diverse partners niet over elkaar heen buitelden.
Ze stond op en trok haar jasje aan. Ze veegde het vettige haar over haar kraag – pas een jaar of dertig en dan al zo verslonsd. Maar desondanks toch zeer geliefd bij portiers, huismeesters en accountmanagers. Die leggen de lat kennelijk lager dan schrijvers.
Ze draaide zich naar me toe en leek te aarzelen tussen een hand geven en een zoen. Heel even zag ik de onzekerheid in haar ogen. Ik boog me naar haar toe en kuste haar op haar linkerwang.
Ze verliet de cafetaria, ik ging weer zitten en bestelde een biertje. Triest dat iemand die op school zo mooi en begeerlijk geweest was in vijftien jaar tijd in zo’n hobbezak had kunnen veranderen.
Het leven kon genadeloos zijn. Vooral als je het ernaar maakte.

Geer
Bij een uitvaart moet je natuurlijk niet muziek laten klinken waar de overledene erg van gehouden heeft, en daarom had ik nietszeggende pianoklanken uitgekozen. Als haar favoriete muziek geklonken had zou die voorgoed besmet zijn. Wanneer ik die muziek later weer hoorde zou ik haar voor me zien zoals ze in de kist lag. Nu was het voor altijd muziek die ik associeerde met de periode dat we het samen zo fijn hadden gehad. Haar favoriete muziek was eerst mijn favoriete muziek geweest, maar werd algauw onze favoriete muziek.
Er was niet veel belangstelling voor de plechtigheid. Een paar buren kwamen hun deelneming te betuigen, maar waren er waarschijnlijk voornamelijk uit nieuwsgierigheid. Voor zover ik wist had ze geen contact gehad met haar familie; ik had tussen haar bezittingen geen adressen van familieleden kunnen vinden. Doordat ze de laatste jaren maar heel af en toe als uitzendkracht gewerkt had, was er al evenmin een contingent collega’s aanwezig. En vrienden? Minder dan weinig.
Ongeveer negen maanden was ze bij me in huis geweest, en daarom nam ik het op me de crematie te regelen en de paar aanwezigen toe te spreken.
Ik had lang genoeg geleefd om veel van dergelijke gebeurtenissen te moeten meemaken. Mijn grootouders, mijn ouders, ooms en tantes – de een na de ander eindigde in een kist. Een aantal jaren geleden heb ik zelfs afscheid moeten nemen van een studiegenoot, die toen net als ik pas vijftig was.
Een enkele keer heb ik het woord gevoerd. Het is niet eenvoudig je verdriet te verwoorden zonder in clichés te vervallen. Misschien hoorden ze erbij, waren clichés onderdeel van het ritueel. Zoals het in advertenties vaak heette: ‘Na een moedig gedragen lijden’ – wist je veel of het lijden inderdaad moedig gedragen was.
‘Het heeft zo moeten zijn’ is ook een mooie. Om nog maar te zwijgen van ‘ze zou het zo gewild hebben’. Ik heb het een spreker vaak horen zeggen terwijl de overledene in een onder bloemen bedolven kist lag, niet bij machte het tegen te spreken.
Als dat gezegd werd dacht ik altijd: wat nou ze zou het zo gewild hebben. Ze zou gewild hebben dat ze was blijven leven!
Maar bij Livia was dat niet het geval.

Na afloop was er ‘gelegenheid tot condoleren’. Er was koffie, er was thee en er waren plakjes cake. Ik schudde een aantal buren de hand en luisterde nauwelijks naar wat ze tegen me zeiden.
‘U kent mij niet, ik ben Rens,’ zei een jonge man. De knappe donkere vrouw die hem vergezelde stelde zich voor als Chira.
‘Wij hebben haar vroeger gekend,’ zei Rens.
‘Bedankt voor jullie komst,’ zei ik.
‘Het was stom toeval. We wonen hier niet meer, we waren van de week bij mijn ouders op visite. Anders zouden we de krant niet onder ogen gekregen hebben. We schrokken toen we de advertentie zagen staan. Of eigenlijk was het Livia, ze juichte dat haar naam in de krant stond.’
Nu pas viel me het meisje op dat verlegen naar me opkeek. Ze was een jaar of tien, hield een pop onder haar linkerarm geklemd en zoog op haar rechterduim.
‘We hebben elkaar destijds dankzij Livia leren kennen,’ zei Chira, en ze pakte een hand van Rens vast.
‘Dat is heel eigenaardig gegaan,’ zei deze.
‘Ik kan me niet herinneren dat Livia het ooit over jullie gehad heeft,’ zei ik. ‘Maar ik zou het leuk vinden als jullie een keer bij me langs zouden komen. Ik ken helaas haast geen mensen die Livia gekend hebben.’

Het was eind september nog zomers en ik fietste door de duinen. Zonder te hoeven trappen reed ik naar beneden. Toen de weg een bocht maakte zag ik haar op een bankje zitten – ze huilde.
Ik stopte, stapte af en zette de fiets op de standaard. Nadat er een colonne amateurwielrenners en een aantal recreatiefietsers gepasseerd waren kon ik oversteken.
Ze zat met opgetrokken knieën op het bankje, de armen om haar benen geslagen. Ze staarde voor zich uit en huilde.
Ça va un peut?’ vroeg ik.
Ze keek me met tranende ogen aan.
‘M’n broertje is vandaag jarig.’
‘Dat is niet zo best,’ zei ik, en er brak zowaar een lachje door. Maar dat hield niet lang stand.
‘Hij is vorig jaar verongelukt. Ik weet niet meer wat ik moet doen.’
In elk geval niet op een bankje in de duinen gaan zitten huilen, dacht ik. Vlakbij was strandpaviljoen De Zoute Uitval – maar ze leek me niet in de stemming om ergens gezellig wat te gaan drinken.
‘Woon je in de buurt? Kan ik je naar huis brengen?’
‘Goed.’

Haar huis was een verloederde tweekamerwoning. Het was alsof er lang geleden iemand overleden was en de nabestaanden besloten hadden niets aan het interieur te veranderen, zoveel stof lag er. Op het aanrecht wachtten borden, pannen en bestek op afwassing
Ik vond het teiltje in een kastje onder het aanrecht, en zowaar ook een afwasmiddel.
‘U hoeft niet te gaan afwassen,’ zei ze.
‘Jawel, dat moet. Maar u tegen me zeggen is streng verboden. Ik heet Geer. En afwassen vind ik zowat het leukste om te doen.’
‘Ik heet Livia,’ zei ze. ‘Zal ik dan afdrogen?’

Anderhalf uur later was de keuken weer redelijk toonbaar. Ik ontdekte tussen de pannen een beschimmeld kadetje dat ook een zoekgeraakt maandverband zou kunnen zijn. Een vuilniszak was snel gevuld.
‘En dan nu koffie,’ commandeerde ik mezelf. ‘En als ik heb ingeschonken wil ik het allemaal van je horen. Wie je bent en wat je doet en hoe het zo is gekomen.’

Ze was bijna vijfendertig, zo oud als ik geweest was in het ongelukkige jaar van mijn huwelijk. Behalve de keuken waren ook de woon– en slaapkamer een zwijnenstal, maar er was geen beginnen aan alles nu meteen onder handen te nemen. Hoe kon iemand zo leven?
Het is bekend dat vooral meisjes in de puberteit tot wanhoop van hun ouders de boel laten vervuilen, maar Livia was geen puber meer. Was er niemand die er wat van zei? Nee, die was er niet.
Na een reeks verbroken relaties had ze besloten solo door het leven te gaan – zij plus iemand anders was nooit een geslaagde combinatie geweest. Ik wist uit ondervinding dat je in je eentje een goed en gevuld leven kunt leiden, maar dan moeten er wel bezigheden en interesses zijn, en Livia leek geen van beide te hebben.
Ze leefde van een uitkerinkje en zat een groot deel van de dag op de bank naar de televisie te staren. En dat in een onbeschrijflijke beestenbende.
Ik kon haar hier zo niet achterlaten.

‘Wat een leuk huis,’ zei ze, toen ik haar ook de beide zijkamers had laten zien. ‘En wat een prachtige tuin!’
‘Ik ben helaas geen kenner,’ zei ik. ‘Ik ga altijd maar op de kleur af. Als ik in het tuincentrum een plant zie waarvan ik de kleur leuk vind gaat– ie de grond in. Je moet me dus niet vragen hoe ze precies heten.’
Na de rondleiding streken we in de voorkamer neer. Ik zette de cd– speler en versterker aan en de cd Come Fly With Me op. Frank Sinatra nodigde ons uit om met hem op reis te gaan. Ik ging naar de keuken om thee in te schenken en reikte Livia even later een kopje aan. Terwijl we dronken bezong Sinatra het maanlicht in Vermont en de herfst in New York.
Toen hij Let’s Get Away From It All inzette, zei Livia: ‘Heb je alleen maar van die zeikmuziek?’

Een paar jaar geleden kreeg ik de slappe lach. Het kwam doordat ik last van mijn keel begon te krijgen. Ik ging een sigarenwinkel in om keelpastilles te kopen. Ik had geen muntgeld op zak en wilde het kleine bedrag niet met een groot biljet betalen. Daarom kocht ik een lot van de Geluksloterij, waarvan de trekking de volgende dag op de televisie te zien zou zijn.
De keelpijn zette gelukkig niet door, en de volgende dag, een zaterdag, was ik die Geluksloterij alweer haast vergeten. Tegen het einde van de uitzending, vlak voordat de hoofdprijs bekendgemaakt werd, schoot hij me te binnen, en ik schakelde over naar de zender die de trekking vertoonde.
Gelukkig had ik geen keelpastille in mijn mond toen het winnende nummer in beeld kwam, want ik zou me gegarandeerd verslikt hebben. Nu werd het de slappe lach – ik had de onvoorstelbare hoofdprijs gewonnen!

De zondag werd een buikpijndag vol hoofdbrekens. Ik had genoeg geld gewonnen om de rest van mijn leven comfortabel van te kunnen leven – maar wilde ik dat ook? Ik herinnerde me een documentaire over winnaars van grote prijzen en hoe het hun vergaan was – dat was niet opbeurend om te zien.
Nagenoeg alle gelukkigen hadden gebroken met hun oude leven, waren verhuisd naar een buurt waar het wemelde van de miljonairs en konden daar natuurlijk niet aarden. De bewoners van de villawijk keken neer op het gefortuneerde janhagel dat geen wijn dronk maar bier. Nee, dat waren niet hun soort mensen.
Het geld kon aanvankelijk niet op, maar dat was schijn. Er werden luxegoederen aangeschaft, sportwagens gekocht en exorbitante cruises geboekt. Hoe luxe, duur en ver het allemaal ook was – na een jaar was de lol er wel zo’n beetje af. Velen speelden het bovendien klaar het in hun schoot geworpen fortuin weer kwijt te raken.

Moest ik hetzelfde lot ondergaan? Het alternatief was dat Gelukslot weggooien, maar daar zou ik misschien spijt van krijgen. Want zoiets overkomt je maar een keer in je leven.
Toen het zondagavond geworden was had ik een besluit genomen. Ik zou gewoon blijven wonen waar ik woonde, mijn manier van leven niet veranderen. Dat wil zeggen: het zou ridicuul zijn om nog naar kantoor te gaan. Ik deed er tegen een bepaalde vergoeding afstand van een deel van mijn tijd, en nu ik die vergoeding niet meer nodig had wilde ik vrij over mijn tijd kunnen beschikken.
Ik verkneukelde me – ik zou ongestraft kunnen doen waar andere werknemers alleen maar van konden dromen: een lange neus trekken naar de directeur.

Maar eerst begaf ik me maandagochtend vroeg op weg naar het kantoor van de Geluksloterij. Ik zat een uur in de vertraagde trein en moest nog een taxi nemen ook – nou ja, het kon er straks af.
Op het kantoor van de Geluksloterij werd mijn lot tegen het licht gehouden. Ik had verwacht dat er louter vrolijke mensen zouden werken, die bij de komst van een prijswinnaar de champagne ontkurkten en in polonaise met de gelukkige door het gebouw zouden gaan.
De man achter het loket keek alsof hij iedere winnaar zijn prijs misgunde. Toch verrichtte hij een aantal administratieve handelingen waardoor het gewonnen bedrag naar mijn bankrekening werd overgeheveld.

In een naburig café bestelde ik een kop koffie met gebak en belde er mijn bank om te informeren naar mijn saldo, dat inderdaad sinds de vorige controle gigantisch bleek te zijn toegenomen.
Dat was een.
Ik dronk de koffie en at de appelpunt, die bedolven was onder een geweldige klodder slagroom. Vorstelijk.
Vooruit, het moest er meteen maar van komen. Ik liep nogmaals naar de telefoon en draaide het nummer van kantoor.
‘Afdeling Beheer, met mevrouw Frammelaar.’
‘Dag Willy, met Geer. Is de bolle in de buurt?’
‘De – ik verbind je door.’
Het hoofd van de afdeling Beheer meldde zich.
‘Met Rauwpens.’
‘Ja, met Geer. Zeg, ik geloof dat ik maar niet meer kom.’
‘Dat is de moeite ook niet. Het is verdomme zowat halftwee!’
‘Ik bedoel dat ik ontslag neem.’
Rauwpens moest de mededeling laten bezinken.
‘Je bent toch niet dronken? Man, je kunt niet zomaar opbellen en zeggen dat je ontslag neemt!’
‘Volgens mij heb ik dat net gedaan.’
‘Maar dat is in strijd met alle regels! We hebben ons allemaal te houden aan de opzegtermijn. Sla de CAO er maar op na. Je werkt hier zowat twintig jaar. Twee maanden opzegtermijn!’
‘Kan ik niet gewoon op staande voet ontslag nemen?’
‘Natuurlijk kan dat niet!’
‘Maar op staande voet ontslagen worden is wel een geaccepteerde figuur?’
‘Dat is heel wat anders.’
‘Dus het is gewoon een kwestie van op kantoor komen en bijvoorbeeld wat meubilair uit het raam gooien? Dat lijkt me wel een grond voor ontslag op staande voet.’
Rauwpens wist niet veel meer terug te zeggen, en de volgende dag al werd er een brief bezorgd waarin stond dat het arbeidscontract met wederzijds goedvinden met onmiddellijke ingang ontbonden was.
En dat was twee.

Het was wennen. Vroeger ging ik als ik vrij was een eind wandelen of fietsen, nu kon ik dat dagelijks doen. Ook een stad is een dorp, en dus begon het de buren op te vallen dat ik niet meer om halfnegen de deur uitging om naar mijn werk te gaan.
Onbeholpen pogend de suggestie van bemoeizucht te vermijden, informeerde een buurvrouw op een middag naar mijn omstandigheden.
‘Ik hoef niet meer te werken,’ legde ik uit.
‘Ja, nee, nou, dat komt, ik dacht zo bij mezelf, hij zal toch zijn baan niet zijn kwijtgeraakt? Je hoort zo vaak vandaag de dag.’
‘Integendeel,’ zei ik. ‘De baan is mij kwijtgeraakt!’
Ik geloof niet dat ze het begreep.

Mijn eerste jaar als rijke stinkerd kwam ik ongeschonden door. Ik las veel, werkte in de tuin, ging wandelen of fietsen, en verveelde me geen moment. Financieel deed ik geen domme dingen. Ik had veel meer geld dan ik bij de huidige manier van leven op kreeg, en daarom besloot ik stiekem aan liefdadigheid te gaan doen.
Ik voelde er niet veel voor om fiscaal aftrekbare bedragen aan charitatieve instellingen over te maken – dan had je kans dat mijn vermogen daar juist door zou toenemen, want de fiscale regelgeving zit bijzonder raar in elkaar. Bovendien vond ik het zo onpersoonlijk. Er stonden cijfertjes op je bankafschrift en als je wat had overgemaakt naar een nobel doel dan stonden er iets andere cijfertjes op het volgende afschrift. Gut gut. Had ik dan een goede daad verricht?
Een goede daad verrichten is niet een geldbedrag overmaken, maar als er ergens een overstroming is erop afgaan en zandzakken helpen sjouwen.
Je moet degene voor wie je wat doet in de ogen kunnen kijken, ook al hebben ze het zelf niet in de gaten. Zo waren er bij mij in de buurt eenouderhuishoudens waar het geen vetpot was. Ik had geweldige pret als ik ’s avonds laat nog een straatje om ging en op dergelijke adressen een envelopje met een paar bankbiljetten erin in de brievenbus stopte.
Bij de supermarkt waar ik tweemaal in de week kwam stond altijd een vrouw die de Kanslozenkrant probeerde te verkopen. Omdat daar niet tweemaal per week een nieuwe editie van verscheen, kocht ik niet elke keer een exemplaar. Wel groette ik de vrouw, die alle klanten monotoon gedag zei – altijd zonder ze aan te kijken. Gelukkig maar, want zo kon ik stiekem een bankbiljet in haar jaszak laten verdwijnen.
Het was het tegendeel van zakkenrollen – ik zou er zo gauw geen ander woord voor kunnen bedenken dan zakkenvullen.

Het was in het begin een gek idee: ik kon zomaar bij een exclusieve dealer binnenstappen en zeggen: doe me die limo maar. Dat deed ik uiteraard niet – in de eerste plaats omdat ik me voorgenomen had geen uitzinnige dingen te doen, maar ook omdat ik geen rijbewijs bezat. (Ha! Ik zou een chauffeur kunnen nemen – geld zat!)
Ook leuk: bij een makelaar even een huis gaan kopen, gaf niet wat het kostte.
‘Naar welke vorm van financiering gaan meneers gedachten uit?’
‘Hm? O, ik loop zo meteen wel even naar de bank.’
En dan bij de bank het bedrag in contanten opvragen, prachtig.

De enige luxe die ik me veroorloofde was de aanschaf van het vrijwel volledige werk van Frank Sinatra. Ik bezat een aantal onontbeerlijke Capitol– cd’s, twee uit de Reprise– jaren en een Columbia– verzamelaar. In een keer kwamen daar bij: The Columbia Years 1943– 1952 – The Complete Recordings (12 cd’s in een houten kistje), de ontbrekende losse Capitol– cd’s, een doos met vijf cd’s van Sinatra en Tommy Dorsey (1940– 1942) en de prachtige kunstlederen koffer met The Complete Reprise Studio Recordings op 20 cd’s met muziek uit de jaren 1960– 1988. De laatste een van een gelimiteerde oplage: mijn koffertje heeft serienummer 12070.
En ter completering van het oeuvre de opnamen die het begin en het einde van de carrière van The Voice markeren: een cd met een nummer van de Hoboken Four (1935) en Frankies sessies met Harry James – en het tweevuldige slotakkoord uit de jaren negentig, de beide Duets– cd’s, uitgebracht door Capitol.
Uren genoten van de uitvoerige geschreven toelichting bij de boxsets, en nog veel meer uren genoten van wat Livia aanvankelijk in de oren klonk als zeikmuziek.

Ik wist haar voor Sinatra te winnen – niet door haar in de muziek ondergedompeld te houden tot ze om genade smeekte, maar door te vertellen.
‘Moet je horen,’ zei ik. Ze was op de bank tegen me aan gekropen en kroop nog wat dichter tegen me aan. ‘Je had het van de week over zeikmuziek toen ik Come Fly With Me draaide. Muziek die je niet kent moet je een kans geven. Het is net als met een vreemde taal die je voor het eerst hoort. De eerste keer dat je Engels hoort spreken versta je er geen woord van. Op den duur ga je woorden herkennen, leer je de betekenis ervan, begrijp je wat er gezegd wordt. Als je nog beter in een taal thuis raakt, ga je de verschillende dialecten van elkaar onderscheiden, hoor je waar een accent vandaan komt. Met muziek is het precies zo.’
Ik legde uit dat de muziek van Sinatra ook een soort taal was – die van The Great American Songbook. Die taal bevatte de tekst en muziek van genieën als George en Ira Gershwin, Cole Porter, Irving Berlin, Richard Rodgers en Oscar Hammerstein, Sammy Cahn en Jimmy Van Heusen, Harold Arlen, Johnny Mercer – te veel om op te noemen. Muziek gearrangeerd door tovenaars als Nelson Riddle, Gordon Jenkins en Billy May, gespeeld door de orkesten van Harry James, Tommy Dorsey en Count Basie, gezongen door Ella Fitzgerald, Billie Holiday, Nat ‘King’ Cole, Dick Haymes, Herb Jeffries – en vooral Frank Sinatra, die gedurende meer dan een halve eeuw The Great American Songbook interpreteerde.
Het was een taal allesomvattend als het leven zelf. De uitbundigheid van My Kind Of Town, de verlatenheid van Goodbye, de introspectie van It Was A Very Good Year – alles wat een mens aan emoties kent is in die muziek terug te vinden. Waren de gevoelens van een aanstaande vader ooit beter verwoord dan in Soliloquy van Rodgers en Hammerstein?
‘Laat nog eens wat horen,’ zei ze.

Waarom ik Livia bij me in huis nam? Het winnende lot was op mijn weg gekomen, Livia was op mijn weg gekomen. Als ik mijn baan niet opgezegd had zou ik die septemberdag gewerkt hebben in plaats van door de duinen te fietsen en haar op dat bankje te zien zitten huilen.
Ik weet niet of die dingen met elkaar te maken hebben, maar m’n gevoel zegt van wel. Het kan best onzin zijn om zo te denken, maar het is prettig om er een wereldbeeld op na te houden waarin er verbanden bestaan die zich aan de logica onttrekken. Mensen die gelovig zijn hebben daar een god voor, ik vind het juist aardig betekenissen te zien buiten het bestaan van zo’n god om. Hoe abstracter hoe beter.

‘Ik ben veel te dik hoor,’ zei ze verontschuldigend, de eerste keer dat ze zich in mijn bijzijn uitkleedde.
‘O ja? Daar ga ik wat van zeggen,’ zei ik.
‘Wat dan?’
Ik lachte. ‘Some nice things I’ve missed.’
‘Hè?’
Zo heet een plaat van Sinatra, juli 1974. Zal ik in je oor fluisteren wat hij daarop zingt? You Are The Sunshine Of My Life. Arrangement van Don Costa. Wist je trouwens dat mijn vrouw heel erg mager was?’
‘Je hebt me niet eens verteld dat je getrouwd was.’
‘Het is lang geleden. Ik was ongeveer zo oud als jij. Het heeft maar een jaar geduurd.’
‘Vervelend.’
‘We vonden het allebei beter er maar mee op te houden. Ik was nooit eerder getrouwd geweest, het was erg leerzaam om het te zijn. Maar het paste in die tijd niet goed bij me, met iemand het leven delen.’

Ik ben altijd nogal op mezelf geweest, en graag ook. Livia vond het niet leuk om alleen te zijn. Ik probeerde haar de voordelen ervan duidelijk te maken.
Mijn vrouw had een grote familie en bovendien een aardig uitgebreide vrienden– en kennissenkring. Dat betekende dat we gemiddeld eenmaal per week naar een verjaardag moesten en dat we op zo’n bijeenkomst in gesprek raakten met onbekenden die ons ook weer voor een bezoek uitnodigden of die bij ons over de vloer kwamen.
Op den duur was er zowat geen tijd meer om vrij over te beschikken. Vanaf het moment dat ik haar leerde kennen tot aan de echtscheiding zal ik hooguit vijf boeken gelezen hebben.
Zij hield van reizen, ik was er niet dol op – ook al zingt Sinatra nog zo overtuigend It’s Nice To Go Trav’ling. Ik had nooit zin om mijn koffers te pakken en ze een paar honderd kilometer verderop weer uit te pakken en dingen te gaan zien die de vergelijking met een televisiereportage toch niet konden doorstaan.
Ik ben nu eenmaal op een bepaalde plek ter wereld gekomen en opgegroeid, en daardoor heb ik een band met die plek en voel ik me op mijn best als ik daar ben in plaats van elders.
‘Waarom wil je nou nooit eens ergens naartoe gaan!’ riep ze wanhopig.
‘Omdat ik al ergens ben!’ riep ik sarrend terug. (Via via hoorde ik later dat ze na een paar jaar iemand was tegengekomen met wie het wel klikte. De relatie leverde nog twee kinderen op ook.)

Ik ben altijd erg gelukkig als ik alleen ben en mijn gang kan gaan – maar ik had er niet op gerekend dat de aanwezigheid van Livia het leven zoveel gezelliger zou maken.
Mijn definitie van gelukkig zijn is overigens heel simpel. Gelukkig zijn is iets te doen hebben. Alle andere definities zijn flauwekul, omdat ze het geluk verbinden aan tijdgebonden zaken. Als je gelukkig bent vanwege je goede gezondheid, dan hou je jezelf voor de gek, want aan die goede gezondheid komt een keer een eind. Als je je gelukkig voelt omdat je het in de liefde getroffen hebt, dan kan blijken dat je je zeer vergiste – zoals mijn ex en ik indertijd ontdekten.
Livia bleek gek te zijn op tuinieren, ook al had ze er geen aangeboren verstand van. Ze had altijd op een bovenetage gewoond, en het was alsof ze iets in te halen had.
‘Die vind ik mooi,’ wees ze.
‘Je hebt er kijk op,’ zei ik. ‘Dat is onkruid.’
Hoewel het herfst was en de winter naderde en de dood onherroepelijk om zich heen begon te slaan in de tuin, was ze dagelijks in de weer met snoeien, sproeien, gras maaien en dode takjes en bladeren verwijderen.Het liefst zou ze als het regende een paraplu boven de voor hun leven vechtende planten gehouden hebben. En na het grasmaaien nog even het gazonnetje met de stofzuiger van de laatste losse grassprietjes ontdaan.
Livia bloeide op terwijl de tuin uitgebloeid raakte.
Ik kocht een walkman voor haar en nam een cassettebandje op met de vrolijkste en swingendste nummers van Sinatra. You Make Me Feel So Young. Something’s Gotta Give. Should I. (En zo’n dertig andere.) Voor Livia, schreef ik op het hoesje.
Vanuit de keuken zag ik haar met haar rare logge lichaam in de tuin dansen, de walkman aan en met plastic handschoenen de stervende planten reanimerend.
Eerder een kind dan een volwassen vrouw.

De tuin was in goede handen – zelf ging ik als het redelijk weer was liever wandelen, want dan denk je prettig. Sinds ik niet meer hoefde te werken bleven mijn hersens gelukkig doorwerken. Ik heb altijd over allerlei zaken allerlei ideetjes. Zo bedacht ik toen ik op een middag de deur uitging dat het jammer is dat zoveel literatuur voorgoed verloren lijkt te gaan. Haast niemand neemt nog kennis van de vaak zeer boeiende geschriften van lang geleden gestorven schrijvers.
Ze zouden van zo’n schrijver eens een verhaal in de krant moeten afdrukken, bedacht ik – daar begon het mee. Na twee uur wandelen was het ideetje gerijpt. Een landelijk dagblad zou wekelijks of maandelijks een katern moeten vullen met teksten van dode of in de vergetelheid geraakte schrijvers, bijvoorbeeld aan de hand van een thema.
Er zou contact opgenomen moeten worden met leden van literaire genootschappen, die een grote kennis bezaten van het werk van een bepaalde auteur. Zulke mensen konden voor de vuist weg zeggen welk gedicht van Vestdijk bij het thema aansloot. Welk verhaal van Bordewijk of Slauerhoff. En het katern kon verder gevuld worden met een aflevering van een feuilleton van Couperus, een kronkel van Carmiggelt, een beschouwing van Bomans, een polemiek van Hermans, een Idee van Multatuli, noem maar op.
Rechthebbenden zouden het werk gratis ter beschikking moeten stellen, uitgevers in het katern moeten adverteren om het te kunnen bekostigen, en misschien zou vervolgens zoveel belangstelling gewekt worden voor de vergetelde auteurs, dat een heruitgave van het werk lucratief werd.
Enfin – dat soort ideetjes.

‘Moet je horen,’ zei Livia vaak als ik na een lange wandeling thuiskwam. En dan was ze weer op speurtocht geweest in mijn Sinatra– collectie – alsof niet zij maar ik het allemaal voor de eerste keer moest horen.
‘Dat vind ik zo’n vrolijk nummer,’ zei ze. En daar klonk het licht krakende All Or Nothing At All, de oerversie van 17 augustus 1939.
‘Dat is mijn favoriete uitvoering,’ zei ik.
‘Zijn er dan nog meer?’
‘Hij heeft het vaker opgenomen. In de jaren zestig twee keer. Het bijzondere aan de versie van 1939 is dat hij zijn carrière toen nog voor zich had, de wereld nog moest veroveren, zich nog moest bewijzen. In de jaren zestig had hij alles al. Dan kun je die tekst niet meer onbevangen zingen, dan klinkt het niet authentiek verwachtingsvol en vastberaden. Ik zal je zo meteen de discoversie uit 1979 laten horen. Die vind ik ook erg leuk, al stoppen de puristen er hun oren voor dicht. Net als voor veel andere novelty– nummers, vooral die uit de Columbia– periode. Ik ben benieuwd wat jij vindt van Mama Will Bark – of van Bim! Bam! Baby! Ik kan ook genieten van een atypisch Sinatra– nummer als de gospel Jesus Is A Rock In The Weary Land.’

Livia vond Send In The Clowns ontroerend.
‘Welke versie bedoel je?’
‘Ik weet niet uit welk jaar het is. Het zat in de koffer. In het begin praat hij.’
‘Dat is de remake uit 1976. Ik hou meer van het origineel uit 1973.’
Als ik haar wilde laten horen wat bijzonder zingen was, dan draaide ik Ol’ Man River uit 1963, waarin Sinatra’s stem onnavolgbaar stijgt en daalt – of het wanhopige I’m A Fool To Want You, uit de tijd dat hij wegens Ava Gardner de kluts kwijt was.
Veel mensen denken bij Sinatra aan Theme From New York New York en aan My Way, maar zulke mensen zijn liefhebbers van hoempa en van inhaken. Het was volgens mij een concessie aan het publiek dat Sinatra die nummers bleef zingen. Het waren geen saloon songs.
Want zoals hij het op de Trilogy– plaat zingt: ‘My name is Francis Albert / And I sing love songs / Mostly after dark / Mostly in saloons’.

‘Weet je wat ik het allermooiste vind?’
Ze was een hele middag met mijn cd– collectie in de weer geweest en ik legde me er maar bij neer dat ik straks een geliefde Capitol– cd in het Columbia– kistje zou aantreffen – of op zijn minst de schijfjes van de beide Duets– cd’s verwisseld. (Zijn stem was toen allang niet meer wat– ie geweest was, toch vond ik de solo– uitvoering van One For My Baby hier prachtig – niet alleen zijn hart, ook zijn stem lag bij saloon songs. Zo begon het, zo eindigde het.)
‘Laat maar horen,’ zei ik.
Ze graaide in de op de grond liggende stapel Capitol– cd’s en vond Songs For Swingin’ Lovers. Geen verkeerde keus. De meeste nummers waren in januari 1956 opgenomen, vanzelfsprekend gearrangeerd door Nelson Riddle. En als ik het niet dacht: ze was bezweken voor I’ve Got You Under My Skin – van 12 januari. Als acteur was Sinatra een one– take Charlie geweest, het duurde 22 takes voordat hij tevreden was over dit nummer.
‘Even wachten,’ zei ze – en ik wist waarop. ‘Als dan dat orkest – ’
Hou maar op. Dat ongelooflijke crescendo en dan die goddelijke trombonesolo van Milt Bernhart er doorheen. Daar zijn geen woorden voor.

We hadden samen een fantastische jaarwisseling: geen televisie, geen visite, alleen wijn en muziek. Livia wist een gigantische hoeveelheid oliebollen naar binnen te werken. We genoten tot middernacht van de muziek, toen kon Sinatra twee uur lang niet boven het vuurwerk uitkomen.
We lagen in bed. Ik had een arm om haar heen geslagen, haar hoofd rustte op mijn borst. Het was halfdrie geworden. We luisterden naar het bijna gelijknamige eerste nummer van een cd met opnames uit 1955, In The Wee Small Hours. ‘As the whole wide world is fast asleep,’ zong Frank melancholiek.
Op straat bracht iemand een duizendknaller tot ontploffing.

Het voorjaar was geen fijne tijd. De tuin bloeide op, maar Livia versomberde.
‘Ik voel me oud,’ zei ze.
‘Dat kan niet,’ zei ik. Je kunt je blij of verdrietig voelen, je kunt het koud of warm hebben, je kunt moe of fit zijn – maar je kunt je niet oud voelen. Wat voor gevoel zou daar in godsnaam bij horen? Net zo’n flauwekul als zeggen dat je je een bepaalde kleur voelt.
Tijd is eigenaardig. Ik voel me op mijn zesenvijftigste niet anders dan op mijn veertiende. Ik herinner me dat ik toen dacht: hoe zou het zijn om zestien, twintig, volwassen te zijn? Toen ik die vermeende mijlpalen bereikt had merkte ik geen verschil.
Ik scheer me dagelijks, zie elke dag hetzelfde gezicht in de spiegel, maar het is toch een ander dan de dag ervoor. Op een foto die tien jaar geleden gemaakt werd staat een ander dan mijn tegenwoordige ik afgebeeld. Als ik op straat mezelf als achtjarig jochie zou zien lopen zou ik mezelf niet herkennen.
Toen ik zeventien was waren meisjes van achttien zeer begerenswaardig. Een vrouw van dertig bekeek ik niet. Toen ik vijfentwintig was bleken vrouwen van dertig reuze mee te vallen – en meisjes van achttien waren niet minder aantrekkelijk geworden. De horizon was verbreed, om het zo maar te zeggen. En toen ik vijfendertig was – ik was getrouwd en richtte mijn aandacht op mijn even oude echtgenote, maar ik merkte dat vrouwen van tussen de veertig en vijftig me net zo nieuwsgierig konden maken als meisjes van achttien nog steeds deden.
Ik ben op weg naar mijn zestigste verjaardag, en als het een wiskundige reeks was zou ik vandaag of morgen de charmes van hoogbejaarde vrouwen gaan bezingen. Maar ik merk dat mijn interesses anders worden, dat de erotiek minder met het lichamelijke te maken heeft dan vroeger.
Vrouwen vind ik vooral aantrekkelijk als ze interessant zijn, als ze wat meegemaakt of te vertellen hebben. Ik zie dat veel meisjes van achttien lichamelijk onberispelijk zijn, maar interessant vind ik ze niet. Het spirituele begint het seksuele te verdringen.

Desondanks had ik met Livia een zeer gepassioneerde verhouding. En dat was ook weer zo’n raadselachtig aspect van het ouder worden. Als adolescent kon ik me niet voorstellen dat ik als man van ruimschoots middelbare leeftijd seksueel nog zo actief zou zijn. Het duurt tegenwoordig aanmerkelijk langer voordat ik een orgasme krijg dan toen ik achttien was – maar haast heb ik niet.
Ik was twintig jaar ouder dan Livia maar voelde me dat absoluut niet. Sinatra had groot gelijk toen hij zong dat je young at heart moest wezen.

Aan jezelf merk je niet dat je ouder wordt, maar veranderen doe je wel degelijk. Er zijn mensen die beweren dat ze niet veranderd zijn – dat is omdat ze het zelf niet in de gaten hebben.
Als je niet meer veranderde, zou er geen sprake zijn van leven, want leven is veranderen. Alles verandert onafgebroken, alles is altijd in beweging, alles is een ritme.
Het is moeilijk om bij jezelf vast te stellen dat je bent veranderd, maar zowel uiterlijk als innerlijk word je in je leven een aantal keren letterlijk een ander mens.
Dat kun je zien aan personen die vrijwel hun hele leven in de belangstelling staan en van wie je in een documentaire beelden te zien krijgt van het begin van hun bekendheid tot en met hun nadagen.
Aan het begin van zijn carrière was Sinatra de fragiele jonge zanger die zich met beide handen aan de microfoonstandaard moest vastklampen om niet door trompettist Ziggy Elman van het podium geblazen te worden. In de jaren vijftig was hij de loner, in de jaren zestig de cocky leider van de rat pack, in de jaren zeventig de comeback guy, in de jaren tachtig de grey grand old man.
Op een ruilbeurs vond ik ooit een programmaboekje van zijn laatste Europese tournee, het was volgens de handelaar verkocht bij een optreden in Antwerpen, op 19 september 1991. Op een van de foto’s is Sinatra te zien als een ouwe opa met een petje op, die kinderlijk glunderend een speelgoedtreintje voor de fotograaf ophoudt.
Dan ben je niet meer wie je was.

‘Hoe kan je me nou aantrekkelijk vinden!’ had ze bijna verontwaardigd gezegd. Het was een mal verwijt – alsof ze niet kon hebben dat ik haar aantrekkelijk vond.
Ze was dik, maar dat maakte me niet uit – het vergde een wat aangepaste seksuele techniek, so what. Haar borsten hingen – medisch gezien kon dat geen kwaad, het was alleen vervelend dat ze door het gewicht ervan soms last had van haar schouders en haar nek. Maar die masseerde ik dan en dat vonden we allebei fijn.
We leefden helaas in een maatschappij waarin het uiterlijk krankzinnig belangrijk werd gevonden. Maar wat was mooi en wie maakte dat uit? Loop maar eens op een zaterdagmiddag door een drukke winkelstraat en probeer je voor te stellen hoe de passanten van boven de dertig er ontkleed uitzien.
Er zullen er niet veel zijn van wie je voor je genot een naaktfoto aan de muur hangt, toch kunnen al die onaantrekkelijke mensen voor zover ze bij elkaar horen het opbrengen met elkaar de liefde te bedrijven.
Ik ben in mijn leven één keer naar bed geweest met een jonge vrouw die werkelijk oogverblindend was. Haar gezicht was met make– up niet mooier te krijgen, op haar lichaam viel niets aan te merken.
Het staat me niet bij dat met haar vrijen opwindender was dan vrijen met een minder mooi iemand. Ik weet nog wel dat we elkaar weinig te zeggen hadden, en dat ze snel weer uit mijn leven verdwenen was. (Dezelfde dag al – het avontuur speelde tijdens een dienstreis, in een veel te duur hotel.)

Het lijkt wel of de mensen het niet meer accepteren dat ze lichamelijk ouder worden. Als je vijftig bent wil je het lichaam hebben van een dertigjarige. Maar op je vijftiende heb je dat verlangen vreemd genoeg niet.
Het wordt ontluisterend gevonden wanneer een afgetakelde bejaarde als een hulpeloze baby verschoond moet worden. Maar men is vertederd wanneer een hulpeloze baby als een afgetakelde bejaarde verschoond moet worden.
Wie veertig is wil dertig zijn en dat altijd blijven. Dwaas. Er zijn in het leven verschillende stadia: baby, peuter, kleuter, puber, adolescent, volwassene tot en met hoogbejaarde, en elk stadium kan interessant zijn om mee te maken. Wat heeft het voor zin om een zo’n stadium oneindig lang te laten duren?
Zou een eendagsvlieg een rijker leven hebben als zijn bestaan werd uitgesmeerd over twee dagen?

Livia voelde zich oud en onaantrekkelijk, ze zakte weg in somberheid. Ze was er weer net zo aan toe als toen ik haar in de duinen ontmoet had. Als ze ’s morgens wakker werd zag ze de dag als een afgrond voor zich liggen.
Een reden voor de neerslachtigheid kon ik niet ontdekken. Ik probeerde uiteraard met haar te praten, erachter te komen wat haar dwars zat, maar ik kon niet tot haar doordringen. Haar ouders waren beiden tamelijk jong een natuurlijke dood gestorven – als je snelle lichamelijke aftakeling door een slopende ziekte tenminste natuurlijk kon noemen. Haar broertje was verongelukt, maar ik kreeg niet de indruk dat haar depressie daarmee te maken had.
Het kwam niet door wat ze zei, maar door wat ze probeerde te verzwijgen. Ik sprak met haar over van alles en nog wat, over de tijd dat ze op de middelbare school gezeten had – maar over wat zich voordien in haar leven had afgespeeld kreeg ik zo goed als niets te horen.
‘Joh, dat is zo lang geleden, dat weet ik toch allemaal niet meer.’
De somberheid van toen ik haar ontmoette was voorbijgegaan, ik meende dat het ook nu wel weer voorbij zou gaan.

Het was vervelend dat ze over haar verleden niet openhartig kon zijn – voor het overige waren we zeer open tegen elkaar, en dat maakte dat we aanvankelijk een ongecompliceerde relatie hadden.
Toen ik mijn latere vrouw leerde kennen was ik meer geïnteresseerd in haar dan zij in mij. Ik sloofde me verschrikkelijk uit om bij haar in de smaak te vallen. Ik hoorde van een gemeenschappelijke kennis dat ze van ballet hield en ik veinsde daar ook gek op te zijn. In onze verlovingsperiode bezochten we veel balletvoorstellingen waar ik niets aan vond maar die geweldig waren omdat zij naast me zat te genieten. Toen we eenmaal getrouwd waren kregen we de grootste bonje omdat ik geen zin meer had in ballet.
En je hield er zo van!
Welnee, allemaal smoesjes d’amore.
Ik schaam me daar niet voor – iedereen liegt altijd. Als er wordt opgebeld zeg je: ‘Leuk dat je belt!’ – en je trekt er een gezicht bij dat walging uitdrukt. Al voel je je nog zo ellendig, als er in het voorbijgaan gevraagd wordt: ‘Alles goed?’, dan zeg je: ‘Alles goed!’ Hoe vaak zal het gebeuren dat je gevoelens volledig samenvallen met je gedrag?

Ik hoefde me niet uit te sloven of me anders voor te doen dan ik was om Livia voor me te winnen – we struikelden onopzettelijk elkaars leven binnen, en het was grappig om te merken dat het meteen klikte tussen ons. Toen ik getrouwd was begon ik erachter te komen dat het met mijn vrouw helemaal niet klikte, en dat was allerminst grappig.
Zij wilde kinderen, ik kon haar die niet geven. Wat mij betreft had het via een donor gekund, maar daar voelde ze niets voor. Voor een vrouw is het van de bevruchting tot aan de geboorte een ononderbroken wordingsproces, een man moet een wel erg groot inlevingsvermogen of ego hebben om een verband te zien tussen een zaadlozing en het wezen dat daar negen maanden later van gekomen is. Hij gaat van de baby houden als hij die gezien en gevoeld heeft, en het kan dus net zo goed het kind van een andere man zijn. Maar mijn vrouw dacht daar anders over en dat was het begin van het einde van ons huwelijk.

Ik had mijn fiets in het schuurtje gezet en ging het huis in, waar het doodstil was. Er klonk geen muziek, maar dat verbaasde me niet – de laatste tijd had ze bijna nergens zin in, zelfs niet in Sinatra. Ze had me verteld dat ze vroeger graag las – van haar leeslust was niets meer over. De tuin bloeide ook zonder haar tussenkomst.
Ze lag in ons bed, op het nachtkastje stond het flesje waarin de pillen gezeten hadden die zich nu in haar lichaam bevonden en daar hun vernietigende uitwerking hadden gehad.
Ik belde het alarmnummer. Er kwam een ambulance voorgereden. Livia werd meegenomen. Ze was al zeker een uur dood. Ik vertelde de verplegers dat ik naar de bioscoop was geweest en daarna vanwege het mooie weer een eindje was gaan fietsen.
Livia was te lusteloos geweest om mee te gaan naar de bioscoop. ‘Laat me maar,’ had ze gezegd. Ze had haar armen om me heen geslagen toen ik haar gedag ging zeggen. Wat was het laatste geweest dat ze tegen me zei? Geen woorden, alleen die omhelzing.

Ik was vooral de eerste dagen na haar overlijden volkomen overstuur. Ik verbaasde me soms over de ridicule vormen die rouwverwerking kon aannemen. Er werd bij wijze van spreken al een stille tocht georganiseerd als iemand zijn nek gebroken had nadat hij in de hondenpoep was uitgegleden. Begrafenissen en crematies werden happenings. Als kind vond ik het raar wat er in overlijdensadvertenties tegen de overledene gezegd werd – de nabestaanden dachten kennelijk dat die in z’n kist de krant lag te lezen.
Tegenwoordig hield het daar niet mee op: het was de gewoonste zaak van de wereld om vijf of zelfs tien jaar na iemands overlijden hem of haar nog een keer per advertentie te laten weten dat hij of zij nog dagelijks gemist werd. Ik vond het bizar, belachelijk en ongezond om van de dood zo’n cultus te maken. Je kon iemand die geëmigreerd was missen, maar iemand die dood was missen was onzin, want die bestond eenvoudigweg niet meer. Daar had je vanzelfsprekend een poos verdriet van, daarna moest het afgelopen zijn met het getreur.
Zo kort na Livia’s dood kon ik me een langgerekt rouwen goed voorstellen.

Het telefoontje van Rens was een verrassing. Bij een uitvaart worden altijd toezeggingen gedaan die nooit nagekomen worden, ik heb me daar zelf ook schuldig aan gemaakt.
‘Ik bel je.’
‘Ik kom gauw een keer langs.’
Een deel van de mensen gaat naar de plechtigheid uit voyeurisme: zij willen zich van nabij vergapen aan het leed van de nabestaanden, maar er nadien niets meer mee te maken hebben. Ze zeggen niet: ‘Ik bel je,’ of: ‘Ik kom gauw een keer langs,’ maar: ‘Je kunt me altijd bellen’ – wetend dat de kans dat dat gebeurt klein is.
Ik had Rens en zijn echtgenote Chira uitgenodigd om eens langs te komen, en drie weken na de crematie belde hij om te vragen wanneer het schikte.

Het kwam zeer gelegen. In de voorbije periode had ik een hoop werk gehad aan de nasleep van haar overlijden: instanties dienden in kennis gesteld worden, er waren bankzaken te regelen – ik moest hemel en aarde bewegen om toegang te krijgen tot haar bankrekening. Dat er geen familieleden waren betekende niet dat Jan en alleman zich als nabestaande bekend kon maken, dat begreep ik toch zeker ook wel?
Natuurlijk begreep ik het, maar de drang om die flapdrolnotaris over zijn bureau heen te trekken en op zijn smoel te slaan werd er bij mij niet minder om. En dat terwijl de tranen achter mijn ogen brandden.
Moest ik hem de ansichtkaart laten zien waarop ze iets liefs voor me geschreven had?
Maar achteraf gezien waren dat soort affaires een welkome afleiding geweest, want toen alles wel zo’n beetje geregeld was trad de stilte in, en die was niet prettig.

De vraag die niet werd beantwoord was en bleef: Waarom? Ik weet dat ze wist hoeveel ik van haar hield en ze wist dat ik wist hoeveel zij van mij hield. Ze moet geweten hebben hoeveel verdriet ze me door haar daad zou doen. Maar soms was je eigen verdriet kennelijk belangrijker dan het verdriet van je dierbaren.

Ze hadden hun dochtertje meegenomen. Kleine Livia was acht jaar. Chira en Rens hadden elkaar ontmoet bij een etentje dat door Livia georganiseerd was, en de vlam was meteen in de pan geslagen. Sindsdien waren ze onafscheidelijk – dat gebeurde dus ook, dat er van een happy beginning een happy ending kwam.
Na een paar jaar werd er een meisje geboren, en omdat Chira en Rens elkaar aan Livia te danken hadden, noemden ze hun dochtertje Livia. Ze waren naar een andere stad verhuisd. Er was geen contact meer met degene naar wie het kind vernoemd was, dus die bleef onkundig van het eerbetoon.
Chira bewonderde het huis en de tuin.
‘Was ze hier gelukkig?’ vroeg ze.
‘Ze had het niet in zich om gelukkig te zijn,’ zei ik. ‘Ze was toen ze pas bij me woonde wel vaak vrolijk, maar dat bleek buitenkant te zijn.’
Chira had bij Livia op school gezeten. Ze herinnerde zich haar als een uitbundige meid, ze had nooit iets gemerkt van somberheid. Zelf had ik van Livia begrepen dat ze er op school niet bij hoorde – dat Chira haar populair noemde verbaasde me dan ook.
‘Ik heb nog nooit iemand meegemaakt waar de jongens zo achteraan zaten,’ zei ze. ‘Ze had zowat elke week een ander vriendje.’
Ik vroeg me af of je daaruit iemands populariteit kon afleiden. Als het elke week een ander was, kon dat ook betekenen dat ze snel genoeg van haar kregen.
‘Ik had helemaal geen vriendjes,’ zei Chira.
‘Weet u dat ik dat nog steeds niet kan geloven?’ zei Rens. ‘Livia is namelijk een prinses. Ze heeft zich door haar bedienden het land uit laten smokkelen omdat ze niet kon kiezen uit de zeven prinsen die haar familie voor haar uitgezocht had.’
‘Is dat zo?’ vroeg ik. Chira was inderdaad een bijzonder aantrekkelijke jongedame.
‘Ga weg,’ zei ze. ‘Ik was een halfjaar toen ik naar Nederland kwam. Geen jongen die op school wat in me zag. Ik was onooglijk, met dat brilletje dat ik droeg. En dan natuurlijk steeds vergeefs verliefd worden. Een ellendige tijd, hoor.’ Ze keek haar man aan. ‘Ik heb je toch weleens verteld dat ik maandenlang verschrikkelijk verliefd was op Mark?’
‘Wees maar blij dat die arrogante grappenmaker niks in je zag,’ zei Rens.

Chira vertelde dat ze Livia uit het oog verloren was.
‘Na de middelbare school zag ik haar een tijd niet. Ze ging studeren, dat heeft geloof ik maar een jaar geduurd. Ik kwam haar later weer tegen en toen woonde ze met Wim samen. Weet je nog, dat was toen wij elkaar leerden kennen.’
‘Dat zal ik vergeten,’ zei Rens.
‘Een poosje daarna belde ze me overstuur op omdat ze ontdekt had dat Wim er een vriendinnetje op na hield. Dat was een klap. Het contact verwaterde – ze belde me alleen als er problemen waren, en daar had ik op den duur geen zin meer in. Ik geloof dat ze op een gegeven moment weer bij iemand anders is ingetrokken, was dat niet een bewaker of een portier?’
Over die Wim had Livia me weleens verteld, maar ik had niet de indruk gekregen dat ze zo geleden had onder het verbreken van de relatie.

We zaten in de voorkamer aan de koffie, kleine Livia had de tuin ontdekt. Toen ik naar de keuken ging om nog een keer voor de visite in te schenken, voltooide ze net een koprol in het gras. Ik opende de keukendeur, vroeg of ze een glas cola wilde en ze kwam uitgelaten binnen.
‘Mam, nemen wij ook een tuin?’ vroeg ze.
‘Goed hoor, lieverd.’
Livia ging tussen haar ouders in op de bank zitten, maar hield het stilzitten geen minuut vol. Ze stond weer op om op onderzoek uit te gaan.
‘Dat is van mij!’ riep ze.
‘Laat liggen, schat, dat is van die meneer,’ zei Rens.
‘Kijk maar!’ zei Livia.
Ze had een cassettebandje van tafel gepakt en liet het me zien. Ik moest haar gelijk geven. ‘Het staat er op, ja,’ zei ik. ‘Voor Livia. Neem maar mee.’

Livia was er niet meer, maar haar aanwezigheid hing als een parfum in huis. Als je een kat of hond neemt weet je dat zo’n dier dood zal gaan en dat je daar veel verdriet van zult hebben. Als je een mens in huis haalt sta je daar geen moment bij stil.
Ik vroeg me af of ik goed gehandeld had door niet egoïstisch te willen zijn. Was het onvermijdelijk dat ze zou sterven? Was het onvermijdelijk geweest dat ik haar destijds in de duinen had aangetroffen? Dat ik had stilgehouden terwijl anderen gewoon doorfietsen en doorliepen? Was het was het was het was het?
Door het briefje dat ze achterliet had ik voor iedereen de ware toedracht van haar overlijden moeten verzwijgen. Bij het grote verdriet over haar heengaan kwam dus nog dat ik met niemand kon praten over wat er die middag gebeurd was.

Het waren tropische dagen, juni was niet vaak zo warm. Livia had geen zin om de deur uit te gaan. Ik ben niet iemand die bij zulke temperaturen naar het strand gaat – ik ga liever naar de bioscoop, waar het dankzij de airconditioning heerlijk koel is.
Die week was er het Tweede Kans Festival. Er werden films vertoond die de afgelopen tien jaar geen succes waren geweest en soms maar twee weken gedraaid hadden. Dergelijke films verdienden een tweede kans.
Ik kocht een kaartje voor de vertoning van een geflopte Nederlandse film, de verfilming van een romantische tragedie. Al na een halfuur begreep ik dat de film indertijd terecht geflopt was, en na driekwartier verliet ik de zaal en liep naar huis.

Het was stil toen ik binnenkwam. De maanden van de godganse dag Sinatra draaien lagen achter ons. Ze zette geen cd’s meer op, ik deed het ook maar niet meer. Vanwege haar somberheid leek het me niet verstandig Only The Lonely te draaien, en met Come Dance With Me kreeg ik haar niet meer opgevrolijkt.
‘Ik ben er weer!’ riep ik vanuit de gang, maar er kwam geen antwoord.
Ik vond haar in ons bed – precies zoals ik het de verplegers, de buren, iedereen vertelde.
Maar niet dood.
Ze lag op haar rug, haar hoofd wat opzij. Op haar buik lag een briefje.

Allerliefste Geer,

Ik vind het verschrikkelijk dat ik je dit aandoe. De tijd die ik met jou doorbracht was onvergetelijk. Maar ik leefde niet alleen met jou, ik leefde ook met vroeger. Vroeger was niet leuk en vroeger gaat nooit meer over. Aan vroeger heeft geen dokter of therapie of medicijn ooit wat kunnen doen. Als je net zoveel van mij houdt als ik van jou, laat me dan alsjeblieft gaan, lieverd. Het spijt me.

Oneindig veel liefs,
Livia xxx

Ze had beseft dat pillen haar niet meteen zouden doden. Ze wilde niet in een ziekenhuis met een leeggepompte maag uit een coma ontwaken. Ze wilde niet ze wilde niet ze wilde niet meer.
Ik stond bewegingloos bij het bed, zeker een kwartier lang. Ik mocht niet egoïstisch zijn.
Ik liep via de keuken de tuin in, haalde de fiets uit het schuurtje en reed de straat uit. Hoe lang zou ik weg moeten blijven?
Als vanzelf bereikte ik de duinen. Ik hield abrupt stil toen ik besefte dat ik bij het bankje was aangekomen waarop ik haar negen maanden voordien had zien zitten. Ik stapte af, stak het pad over en nam plaats.
Ik bleef tot aan het begin van de avond op het bankje zitten. Ik staarde voor me uit, tranen vertroebelden het zicht op passerende strandgangers.

Er is sindsdien veel tijd verstreken.
Nog vaak zie ik mezelf in onze slaapkamer staan, het afscheidsbriefje waar niemand van af mocht weten in mijn hand. Ik weet niet hoever ze op dat moment al van het leven verwijderd was. Ze reageerde niet toen ik haar naam fluisterde. Ze ademde zwak.
Maar ze ademde.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.