Lachen met Lid.

Omdat niet iedereen zal meemaken dat hij na het inzenden van een manuscript in correspondentie raakt met een uitgever, kan onderstaand verslag van de keer dat het mij moest overkomen voor wie in dat soort geschiedenissen geïnteresseerd is leerzaam zijn.

Onder het motto ‘je weet maar nooit’ stuurde ik een manuscript naar uitgeverij Ailantus, die op dat moment nog maar kort aan de weg timmerde en dus wellicht om mij verlegen zat. Toen ik na verloop van nogal wat tijd geen reactie ontvangen had, waagde ik er op 26 augustus 2008 om 10.24 uur een e-mail aan: ‘Op 26 mei zond ik u (ter attentie van madame Lidewijde Paris) het manuscript Literaire giller. Kunt u nagaan of dat bij u is aangekomen?’
Om 10.51 uur was daar al een geruststellende reactie van uitgever Lidewijde Paris persoonlijk. ‘Geen zorgen, het manuscript is in goede orde aangekomen. Dat u geen ontvangstbevestiging heeft gekregen, is slordig en een beetje vreemd.’
Hoewel het mij afgeraden was mij zorgen te maken en ik dat dus ook niet deed, was mijn ongeduld in de ochtend van 5 januari 2009 zo onbeheersbaar geworden, dat ik het niet kon laten nog een keer een mail te versturen, om 11.46 uur deed ik dat.
‘Kunt u mij zeggen hoe de patiënt het ruim zeven maanden na de behouden aankomst maakt?’
Ditmaal was er een minuut later al antwoord: ‘Lid. is out of the office most of the time until January 5th. She will check her e-mail every now and then.’ En voor wie het Engels niet machtig was volgde er een verhelderende vertaling: ‘Lid. is tot 5 januari zo min mogelijk aanwezig maar kijkt af en toe de e-mails na.’
(Gelukkig maar dat ik het Engels wel degelijk machtig was want ik had geen idee – en heb dat nog steeds niet – wat er bedoeld zou kunnen worden met dat ‘nakijken’ van e-mails.)
Zoals dat nu eenmaal gaat maakte de winter plaats voor de lente. Omdat ik mij ook op 22 maart nog geen zorgen maakte begon ik mijn mail van 10.47 uur met een niet onaardige grol, waarin ik knipoogde naar de Franstalig aandoende achternaam van de uitgever. ‘Ça va un peut met u?’
Een minuut nadien: ‘Lid. is out for just one day. Back on Monday. She will check her e-mails every now and then.’
Zut alors!
De tijd gaat snel, gebruik hem wel, luidt het gezegde (kan ook gebruik haar wel zijn, of gebruikt hem/haar wel want het is een erg oud gezegde waarin ‘wel’ de betekenis van ‘goed’ heeft) en toen het 5 juni geworden was kon ik Ailantus dan ook een nieuw manuscript sturen, Tijd voor stampij.
Omdat ik Lid., die nog altijd Literaire giller onder zich had, niet wilde opjagen eindigde ik de brief die Tijd voor stampij begeleidde met: ‘Ik zou zeggen: neemt u er rustig de tijd voor.’
Op een brief kan uiteraard geen out of office reply komen en daarom kwam er op 9 juni een e-mail, van redacteur Liesbeth.
‘We hopen deze zomer, juli/augustus, de ingezonden manuscripten door te nemen. Dank voor uw geduld en (toch nog) hartelijke brief.’
Nadat ik Liesbeth de volgende dag een hart onder de riem gestoken had (‘Wanhoop niet, ik maak het nog veel erger mee’) en de vrees had uitgesproken dat een vakantie ‘voor het drukke drievrouwschap van Ailantus niet weggelegd [zou] zijn’, liet ze (op 15 juni) weten dat het drukke drievrouwschap gelukkig wel degelijk op vakantie zou gaan.
‘We zullen elkaar keurig afwisselen, dus het drievrouw-schap wordt in de maanden juli en augustus gedragen door twee!’
Als de berichtenuitwisseling zo informeel is geworden, is het niet verwonderlijk dat er wederzijds wordt ondertekend met ‘Hartelijke groet’ – en dat deed ik, onverstoorbaar als ik kan zijn, zelfs nog in de mail aan Liesbeth van donderdag 5 november 21.27 uur, nadat er wederom zowat vijf maanden verstreken waren.
Toen er twee minuten later al een antwoord kwam wist ik hoe laat het was (en dan bedoel ik niet 21.29 uur).
‘Ik ben een dagje vrij en vanaf dinsdag 10 november weer op kantoor. In geval van nood, neem contact op met Lidewijde Paris [gevolgd door e-mailadres].’
Dat heb ik maar niet gedaan.
(Zoals Liesbeth zeggen en schrijven veel mensen dat ze dan en dan vrij zijn, terwijl ze bedoelen dat ze vrij hebben – vrij zijn is toepasselijk als het gaat om de afschaffing van slavernij. Als het goed was viel Liesbeth bij Ailantus onder de cao, en hield het bedrijf als zodanig zich aan de Arbowet en aan geldende internationale verdragen.)
Die dinsdag was Liesbeth inderdaad weer op kantoor.
Er bleek, dat is ook wel eens leuk, een misverstand in het spel te zijn. Lidewijde had mij namelijk een afwijzingsmail gezonden.
‘Misschien is haar e-mail in uw spam terechtgekomen?’
Liesbeth mailde de afwijzingsmail door die Lidewijde aan haar had doorgestuurd.
En dan, als ik het niet dacht, weer gewoon: ‘Met vriendelijke groet’.
Enfin, daar was de wellicht in mijn ‘spam’ terechtgekomen mail van 9 september 2009 17.07 uur, van Lidewijde aan Liesbeth, met als omineus onderwerp: ‘Martin de Jong’.
Voor Ailantus was het niet zo geschikt, maar ze was verder wel te spreken over Literaire giller.
‘Het verhaal is goed opgezet, mooi begin in het verleden en dan die sprong naar voren.’
Het was ontegenzeggelijk een mail om te printen en in te lijsten, nog ondertekend met ‘hartelijks’ ook. Maar… ‘mooi begin in het verleden en dan die sprong naar voren’???
In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met de tweeëntwintigjarige Mark Tonneur, in het tweede hoofdstuk wordt de bijna vijfenzeventigjarige Otto ter Weel geïntroduceerd. Hoe kan iemand die een uitgeverij leidt daarvan maken dat er een sprong naar voren gemaakt wordt, dat in hoofdstuk twee het bejaard geworden personage van hoofdstuk een centraal staat?
Op die vraag is niet zo eenvoudig een antwoord te geven zonder je op te winden en daarbij de bloeddruk nadelig te beïnvloeden.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.