Elvis 1

MP herdenkt Elvis Aaron Presley

Als je een voet tussen de deur hebt, hoef je alleen nog maar een schouder ertegen te zetten om volledige toegang te krijgen. Nadat de reportage over de concerten van Queen in Brussel en Leiden geplaatst was, diende ik bij Muziek Parade een gehonoreerd verzoek in tot het schrijven van een reeks over Elvis. Het waren elke keer twee pagina’s, en het ging zo lekker dat het vijftien afleveringen lang bleef duren. Dat op zeker moment het overlijden van Elvis aan bod was gekomen, was uiteraard geen reden ermee te stoppen.

Voor de lezer, bij wie de aandachtboog niet tot in het oneindige gespannen zal zijn, zou het wellicht te overvoerend zijn alles hier te reproduceren. Bovendien heb ik bij het overtikken slechts de beschikking over acht vingers en twee duimen waar ik nog een paar jaar plezier van hoop te hebben. Daarom hieronder bij wijze van voorbeeld de hoofdmoot van de voorlaatste aflevering, die hier en daar polemisch van strekking is.

[MP 327/328]. Nu [na het verschijnen van een onthullend boek van twee lijfwachten, de neven West] het deksel eenmaal van de beerput is gelicht, kan ik er des te beter in rond wroeten, moet Albert Goldman gedacht hebben, toen hij besloot voor de aardigheid ook eens een boekje over Elvis open te doen.
Goldman heeft zeshonderd pagina’s nodig om te beweren wat hij ook in zeshonderd woorden had kunnen zeggen: hij mag Elvis niet. Op zichzelf hoeft dat standpunt een goede biografie niet in de weg te staan. Maar er komt bij dat Goldman er blijk van geeft bijzonder weinig verstand van en affiniteit met rock-’n-roll te hebben. Het schijnt dat hij enige bewondering koestert voor John Lennon, maar Beatlefans mogen er dankbaar voor zijn dat het nog niet van een Lennonbiografie van Goldman gekomen is [ze moesten nog vier jaar geduld oefenen].
Als we Goldman’s onzinnige opmerkingen over Elvis als zanger even buiten beschouwing laten, komen we bij een nog stuitender aspect van deze biografie: Goldman speelt amateurpsycholoog. Na onthuld te hebben dat niet Elvis maar zijn dode broertje als eerste ter wereld kwam, heet het dat dit een trauma van jewelste werd. Later overleed zijn moeder, en was de boot helemaal aan. Toen Priscilla hem verliet… Enfin, er komen tal van anonieme sprekers aan het woord om Goldman te steunen in zijn opvatting dat Elvis niet deugde, en niets meer was dan een marionet van Colonel Parker, de boerenslimme manager uit Breda.

Toen Elvis in Duitsland zijn latere vrouw Priscilla leerde kennen, ontmoette vader Vernon zijn tweede vrouw: Dee Stanley. Uit een eerder huwelijk had zij drie zonen, Ricky, Billy en David, de aanstaande stiefbroertjes van Elvis.
Toen die was overleden kwam stiefmoeder Dee op het idee een boek over Elvis te schrijven. Zij was inmiddels van Vernon gescheiden en kon wel wat geld gebruiken. Elvis – we love you tender is in de eerste plaats een verhaal over Dee Stanley, door haarzelf verteld. We komen allerlei interessante zaken te weten over het beroerde leven van Dee de stiefmoeder. Elvis schijnt zozeer op haar gesteld te zijn geweest, dat hij verstek liet gaan toen zijn vader met haar trouwde.
De drie zonen zijn opgegroeid en gaan voor Elvis werken als die op tournee gaat. En ja, ze storten zich blindelings in het verderf. Een raakt zelfs aan de heroïne. Maar als Elvis dood is komt alles goed want Ricky Stanley wordt dan dominee.

Veel van de door (ex-)lijfwachten, secretaresses et cetera geschreven boeken bevatten in hoofdzaak amusante onzin. Wat te denken van een driehonderdvijftig pagina’s lang ooggetuigenverslag van het leven op Graceland door niemand minder dan secretaresse Becky Jancey? Dat zij een kantoortje buiten Graceland had doet er niet toe. Wat zich binnen ook voltrok, niets ontging haar. Wat er in Elvis omging, Becky weet het. Als Elvis gedeprimeerd was, zocht hij steun bij Becky.
Portrait of a friend werd geschreven door Marty Lacker en zijn vrouw, dat wil zeggen: verteld aan een zekere Leslie Smith, die het allemaal opschreef. De titel doet het ergste vermoeden, want Elvis’ vrienden waren zo trouw als hun dienstverband lang was. Al kletsen ook deze ‘vrienden’ vele bladzijden vol, veel te vertellen hebben ze niet. Het verschilt weinig van wat anderen al eens verteld hebben. Wie iets over Elvis als artiest, als zanger te weten wil komen, kan ook dit boek ongelezen laten.

The truth about Elvis. Eindelijk. Wat hebben we daar lang op moeten wachten. De waarheid over Elvis! Verteld door de niemand anders dan zijn kapper, Larry Geller. Geen familie van Uri Geller, al lijkt het er veel op. Larry is misschien wel de belangrijkste kapper in de geschiedenis van de rock-’n-roll als het gaat om invloed hebben op zijn cliënt.
Het was namelijk Larry die Elvis geïnteresseerd kreeg in oosterse religie en dito boeken, die Elvis per strekkende meter verslond. Hij raakte er zo van in de ban, dat Colonel Parker hem naar verluidt opdroeg die boeken weg te doen, en Larry erbij.

Voor wie van macabere humor houdt is Elvis Presley speaks een must. Het is geschreven door een professor in de parapsychologie, die eens een dame op bezoek kreeg die beweerde in contact te staan met Elvis. Toen die nog leefde was dat niets bijzonders, maar nu was Elvis dood, dus een boek mocht niet uitblijven.
Helaas deelt Elvis ons van gene zijde weinig mee over zijn leven als zanger. Degenen die daar toevallig wel in geïnteresseerd zijn kunnen ook dit epos overslaan.

Het duurde langer dan veracht, maar in 1982 zag eindelijk een boek over Elvis het licht dat echt de moeite waard was. Rolling Stonejournalist Dave Marsh schreef het eveneens simpelweg Elvis getitelde antwoord op het beerputproza van Goldman. Marsh legt het zwaartepunt bij de beginjaren, en illustreert die met prachtig fotomateriaal.
Beweringen van Goldman als zou Elvis als zanger niets voorstellen en slechts een sluw gebruiker van andermans stijlen zijn, worden afdoende ontkracht. Tevens maakt Marsh duidelijk dat Elvis in de filmjaren niet alléén troep zong, al is het wel flink zoeken voor je ook daar juweeltjes tussen vindt.

Onlangs verscheen Elvis – the novel, een lichtvoetige en niet zo waarheidsgetrouwe roman, waarin de Elvismythe verfrissend op de hak wordt genomen. Een niet geheel geslaagde poging, die echter af en toe tot glimlachen noopt. Jammer dat het boek niet zo grappig is als Mark Shipper’s Beatlesparodie Paperback writer.
Wie een goede Elvisparodie zoekt, kan terecht bij Rhino Records. Daar verscheen een elpee van een Elvis-imitatorenconventie, waaraan illustere figuren meededen. De hoestekst meldt dat er in 1980 zoveel duizend imitatoren rondliepen, en dat als de groei zou doorzetten, in 1990 een op de zes volwassen mannen zijn brood zou verdienen als Elvisimitator.
Dat zou in elk geval een manier zijn om Elvis levend te houden.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.