Schrijverijbrief

[Te omvangrijk om in Schrijverijschrijverij te reproduceren is de brief die ik op 28 mei 1998 zond aan de hoogste bazin van uitgeverij Arena te Amsterdam maar die vanwege te curiositeitswaarde ervan hieronder is geplaatst: zo te lezen stond mij destijds al scherp voor ogen wat de boeken die ik op stapel had staan zouden behelzen – het zou nog even duren voordat twee van de opgesomde romans daadwerkelijk in druk verschenen (Berichten uit Buisdorp en – onder de titel Zoute griottenHartslagenAfgrijselijke jeugd is hier onder de gelijknamige klop te vinden .]

Het gaat om een cyclus van (vooralsnog) vier boeken: 1 Berichten uit Buisdorp, 2 Hartslagen, 3 Dodelijk verliefd, 4 Afgrijselijke jeugd. De delen 1, 3 en 4 zijn voltooid, deel 2 is in aanbouw.

Berichten uit Buisdorp fungeert als een (evenals de overige delen zelfstandig te lezen) introductie, waarin de lezer kennismaakt met de (fictieve) gemeente Buisdorp, die ook in de andere delen als decor fungeert. Het boek kent twee verhaallijnen: de verkiezingsstrijd die er in de gemeente woedt (ik vroeg mij af wat er zou gebeuren als een politieke partij zich zou laten inpalmen door een adviesbureau) en de festiviteiten die men er organiseert rond het 750-jarig bestaan. Om de lijnen elkaar te laten kruisen, heb ik de enkele politici zitting laten nemen in het comité dat het slotgala van het 750-jarig bestaan organiseert. De zus van een van de leden van het comité woont samen met de kunstenaar die overgehaald wordt een kunstwerk ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan te maken. Omdat hij haar ervan verdenkt een verhouding te hebben met de burgemeester, pakt dit kunstwerk anders uit dan de opdrachtgevers verwacht hadden.
Als ‘toegift’ bevat het boek een aantal ‘Bonusberichten’. (Toen ik aan het boek begon wist ik nog niet dat Den Haag dit jaar ook 750 jaar bestaat en evenmin had ik weet van Albert Heijns Bonuskaarten, maar ik stel mij nu voor dat er van een omslagtekst à la ‘bevat Bonusberichten’ een wervende werking zou kunnen uitgaan.)

Voor het gemak nu eerst iets over deel 3.
Dodelijk verliefd kent een concentrische opbouw: er is een omvangrijk verhaal, ‘Van dode mensen…’ dat het hart van het boek vormt en waar de overige verhalen als het ware omheen gegroepeerd zijn. Zo begint en eindigt het met een verhaal dat ‘Madeleine’ getiteld is, en er zijn ook twee verhalen ‘Communicatie’ getiteld.
‘Van dode mensen…’ is het waar gebeurde verhaal van een zoektocht naar een kind dat mijn oma voor haar huwelijk gebaard (zou) hebben. De titel dekt de lading volkomen, want het gaat om op zichzelf staande ‘herinneringen’ die in een schijnbaar willekeurige volgorde staan. Het onderzoek bracht aan het licht dat oma inderdaad een kind op de wereld had gezet, dat in 1922 slechts een paar dagen leefde: Evert Huis (overigens zijn ware naam: de geboortelocatie is Leiden, dat enigszins voor Buisdorp model heeft gestaan. Dit met het oog op eventuele literaire wandelingen en busreizen). Ik schrijf ergens dat je een dood kind niet tot leven kunt wekken, maar wel kunt schrijven – en ik neem mij voor zijn biografie te schrijven alsof hij was blijven leven. Een deel van die geschiedenis wordt in enkele van de andere verhalen verteld.
‘Madeleine’, ‘Literaire genen’, ‘Seks!’, ‘Een boterham met punaise’, ‘Natuurkunde’, ‘Een kleine is groot genoeg’ en ‘Drs. Berelul’ zijn evenzovele episodes uit zijn leven, vaak slapstickachtig van strekking.
In ‘Literaire genen’ staat dat Evert een ‘schrijfgen’ heeft en dat hij als hij opgroeit allerhande schrijfstijlen beproeft om te ontdekken wat zijn forte is. Deze probeersels staan ook in het boek: ‘Een koude kerstmis’, ‘Literaire porno’ etc.
Omdat het nogal eens over de dood en de liefde gaat, heet het boek Dodelijk verliefd. Het begint met een verhaal over Everts jeugdliefde, ‘Madeleine’ en dat is inderdaad een Proustpersiflage; de eerste zin is de eerste zin van de Recherche en het laatste woord is evenals dat van de Recherche ‘tijd’. (‘Meester Nader’ die een foto van de kleine Madeleine heeft gemaakt is Proustfotograaf Paul Nadar; om de grap nog even voort te zetten heet de domme dokter in ‘Van dode mensen…’ Cottaar.)
De andere verhalen gaan min of meer over de liefde, vaak in de eigentijdse variant die in bedenkelijke televisieprogramma’s furore maakt.

Deel twee van de cyclus, Hartkloppingen, gaat over de transformatie die men kan ondergaan als men plotseling last krijgt van verliefdheid. De held van de roman is de 20-jarige Evert Huis, die in de Buisstraat boven Café den Olden Buys een kamer betrekt. (Dat staat al met zoveel woorden in deel 1: Carla verbergt zich voor Barend op die kamer en ze vertelt Jos dat de aanstaande bewoner er is komen kijken: Evert.)
(Ik heb overwogen als volgorde 1 Dodelijk verliefd, 2 Hartkloppingen te kiezen in plaats van andersom. Maar toen bedacht ik: als je in het ene boek vertelt waar het personage Evert op gebaseerd is, en aankondigt in het volgende een bepaalde periode uit zijn leven te gaan ‘behandelen’, dan denkt de lezer/recensent: het zal wel. Maar als je eerst die geschiedenis vertelt en daarna pas met de ‘onthulling’ van zijn herkomst komt, dan denkt men: Tjonge. Dit uiteraard terzijde.)
Het boek bestaat uit twee delen van elk drie hoofdstukken. Deel 1: ‘Even nalezen’, ‘Prehistorie’, ‘In de war’. Deel 2: ‘Even langskomen’, ‘Prethistorie’, ‘In de wolken’.
Evert deelt het studentenhuis met de cynische student Toker, de eigenaardige studente Aster en de 51-jarige meneer Mortifa. Evert is redacteur van de jeugdpagina van het Buisdorps Nieuwsblad. In hoofdstuk 1 komt hij van zijn werk thuis en ontmoet bij Aster de studente Jardina. Meteen is hij volkomen verpletterd. In hoofdstuk 2 wordt de voorgeschiedenis verteld: de eerste weken die Evert op de kamer doorbrengt. In hoofdstuk 3 raakt hij meer en meer in de ban van Jardina, zonder overigens contact met haar te hebben. Hij voert gesprekken met de van filosofische wijsheden overkokende meneer Mortifa. Deze is zelf nooit getrouwd omdat hij op jeugdige leeftijd van zijn grote liefde gedroomd heeft en sindsdien wacht tot hij haar tegenkomt. Op kantoor krijgt Evert intussen een nieuwe collega: Kokya, die na een jaar treuren om haar overleden man weer is gaan werken. Ze heeft een dochter van zeventien: Otilla. Evert raakt zeer op Kokya gesteld en overweegt wanneer zijn kansen op Jardina lijken af te nemen wat met Kokya’s dochter te beginnen.
(Evert vertelt Kokya over zijn jeugdliefde Madeleine [zie Dodelijk verliefd]. Hoofdredacteur Barrelmeijer, die een paar woorden opvangt, zegt dat hij ook een Madeleine kent [zie het tweede verhaal ‘Madeleine’ aan het slot van Dodelijk verliefd] en dat die een jaar of twintig is. Als Kokya zegt dat Everts Madeleine zeven jaar is, verdenkt Barrelmeijer Evert van een pedofiele geaardheid. Hij probeert hem daarvan te genezen door hem te attenderen op de rijpere meisjes die in de Blootshow hun lichaam aan de televisiekijkers tonen.)
Nadat Evert door Aster is uitgenodigd voor een feestje waarop ook Jardina verwacht wordt, zet hij het op een drinken met Toker. De volgende dag is hij te ziek om naar kantoor te gaan. Kokya zoekt hem op. Ze laat Evert een foto van Otilla zien waar hij ‘voor de aardigheid’ om gevraagd had: Otilla blijkt een Fosterdochter te zijn. Als Kokya vertrokken is, stormt meneer Mortifa binnen – Kokya is de vrouw waar hij indertijd van gedroomd heeft.
Deel twee begint met een hoofdstuk waarin Jardina haar ouders vertelt over haar relatie met Evert. Hoofdstuk 2, ‘Prethistorie’ gaat over de vonk die tussen Evert en Jardina is overgesprongen. In hoofdstuk 3, ‘In de wolken’, zit het tussen Evert en Jardina wel goed, maar nu heeft meneer Mortifa het te pakken. Van zijn filosofische levenslessen is niets meer te merken. Bovendien blijkt cynicus Toker achter Aster aan te zitten.
Een deel van dit hoofdstuk gaat over Everts schrijverschap. Hij is door een tijdschriftredacteur gevraagd een literair pornoverhaal te schrijven: ‘Literaire porno’ (zie Dodelijk verliefd).
Evert en Jardina vertellen elkaar over eerdere liefdes; Jardina vertelt dat ze in Den Haag een tijdje achterna werd gezeten door een jongen die dacht dat ze wat in hem zag. Evert belooft dat hij daar een verhaal over zal schrijven: zie ‘Lenteliefde’ en ‘Nazomerliefde’ in Dodelijk verliefd.
In de periode dat meneer Mortifa en Kokya om elkaar heen tortelen, bezoeken zij een voorstelling van de komiek Arie Wietzen. Het speelt zich af ongeveer een maand na de gebeurtenissen in Berichten uit Buisdorp. Wietzen brengt een ‘geheel vernieuwd programma’ dat wederom wemelt van de belegen grappen. In tegenstelling tot in Buisdorp wordt zijn optreden niet beschreven, maar zijn het de schouwburggangers die achteraf enkele van zijn grappen navertellen – grappen die zij geweldig leuk vinden, omdat zij vanwege hun verliefdheid niet helemaal toerekeningsvatbaar zijn.
Evert is van plan een boek samen te stellen dat Afgrijselijke Jeugd getiteld is. Hij is op het idee gekomen nadat Jardina hem verteld heeft dat haar broer sociologisch onderzoek doet. (Deze Ricardo Bion is de onderzoeker aan wie B. Barrelmeijer in Dodelijk verliefd de brief ‘De wereld gaat aan neuken ten onder’ schrijft.) Evert wil de lezers van zijn jeugdpagina vragen om een vervelende jeugdervaring op papier te zetten. De beste inzendingen wil hij bundelen, en bovendien wil hij de auteurs ‘sociologisch’ interviewen om een mooi tijdsbeeld van de hedendaagse jeugd te kunnen presenteren. Zie hiervoor:

Deel vier: Afgrijselijke jeugd. In de inleiding wordt verteld over de wedstrijd die Evert organiseerde: de hoeveelheid geschreven treurnis die dit opleverde ontmoedigde hem, maar een Haagse schrijver stuurde dertien verhalen in die allerminst treurig van toon waren. Evert besluit de schrijver de gaan interviewen, en delen van het ‘sociologische interview’ in te lassen tussen diens korte verhalen. Na het kolderverhaal dat de bundel opent, ‘Een vreemd geslacht’, volgen verhalen waarin min of meer chronologisch episodes uit het leven van een opgroeiende jongere aan bod komen: van ‘Bewogen beelden’ (over het eerste bezoek aan een bioscoop anno 1964; tevens een persiflage op het Provoverschijnsel van de jaren zestig) tot ‘Werken’ (‘Ik heb niets tegen werken, maar het moet een aardigheidje blijven’.)
Het omvangrijkste verhaal is ‘Chronologisch ziek’ waarin een aantal (kinder)ziektes de revue passeert. In zo goed als dezelfde bewoordingen komt de aambei-operatie van Roelof Klaroen nog eens aan de orde, maar dan met de auteur als lijdend voorwerp.
De ‘sociologische interviews’ tussen de verhalen ontsporen naarmate het boek vordert meer en meer; de geïnterviewde auteur ontvouwt tussen neus en lippen door een zonderlinge nieuwe evolutietheorie. Het eindigt er uiteraard mee dat interviewer Evert Huis eruit gegooid wordt door de schrijver, die niets meer met dat Afgrijselijke Jeugd-boek te maken wil hebben.

Dat is zo’n beetje hoe de vier delen in elkaar steken. Deel 2, Hartslagen, is momenteel in de handschriftfase: ik heb een groot aantal aantekeningen ruw uitgewerkt, en de structuur en de hoofdstukopbouw zitten in m’n hoofd, maar dat moet ik eerst dus allemaal uitschrijven, waarna nog een pc-versie zal volgen. De komende weken heb ik vrij veel vrije dagen, maar die breng ik goeddeels hollend door omdat ik mij een Leidse marathon op de hals heb gehaald die ik op 14 juni tot een goed einde moet brengen.
Ik hoop dat u met deze toelichting uit de voeten kunt.

[Zie ook Schrijverijschrijverij, p. 207.]

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.