Het manuscript

EEN VREEMD GESLACHT

Sociologisch onderzoek heeft aan het licht gebracht dat het beroep van hersenchirurg niet alleen aardig betaalt, maar bovendien tot de afwisselendste behoort: de chirurg heeft bijna elke dag een ander hoofd onder handen. Zelf bekleed ik, vooral qua primaire arbeidsvoorwaarden, een beduidend minder vooraanstaande positie: ik ben redacteur van de jeugdpagina van het Buisdorps Nieuwsblad. Al ben ik dan geen hersenchirurg, al zie ik op mijn werk elke dag dezelfde koppen (die in de krant buiten beschouwing gelaten), over gebrek aan afwisseling heb ook ik gelukkig niet te klagen. Zelfs tijdens de komkommermaanden, wanneer mijn collega’s van de politieke redactie hun kolommen moeten zien te vullen met berichtgeving over openbare dronkenschap van politici op reces, slaag ik erin creatief bezig te blijven. Zo besloot ik onlangs een verhalenwedstrijd te organiseren. ‘Leuk ideetje, Evert’, vond mijn chef, meneer Barrelmeijer. ‘Gratis kopij kunnen we altijd gebruiken!’ Ik nodigde de lezers uit een verhaal in te zenden waarin een onplezierige jeugdervaring centraal moest staan. De beste verhalen zouden gebundeld worden in een boekje met als titel ‘Afgrijselijke Jeugd’. Een beetje een apart boekje moest het worden, want ik wilde er ook interviews met de schrijvers in afdrukken, waardoor het een sociologisch tijdsbeeld van jonge schrijvers en hun onplezierige jeugdervaringen zou geven. Maar het proza dat mij wekenlang onder ogen kwam maakte me moedeloos. Goed, een onplezierige jeugdervaring is natuurlijk niet altijd even prettig, maar al dat geklaag… Sommigen eisten per omgaande een plaatsingsbesluit; indien het verhaal in de krant kwam, zouden ze overwegen hun zelfmoord over de feestdagen heen te tillen. Dronken vaders, dronken moeders, dronken vaders én moeders… Overleden vaders en moeders, vermiste vaders en moeders, vaders en moeders die maar niet wilden doodgaan of verdwijnen… Gelukkig was het niet louter misplaatst zelfbeklag wat de klok sloeg: een ijverige Haagse schrijver had maar liefst dertien verhalen tegelijk ingezonden; ook hierin was sprake van een beangstigend quotum onplezierige jeugdervaringen, maar de toon was allerminst somber. In het eerste verhaal dat ik las werd een vreemd geslacht beschreven:

Op mijn particuliere spreekuur vragen natuurgenezing zoekende hypochonders mij vaak hoe het toch mogelijk is dat ik zelf zo’n ziekelijk gezonde indruk maak. Waar haal ik het toch vandaan, die raadselachtige opgewektheid – alsof niet ook mijn leven een ziekte is die (als er geen gekke dingen gebeuren) onherroepelijk de dood tot gevolg heeft. Uiterlijk onbewogen, maar innerlijk schamper schaterend, haal ik uit een bureaula een in imitatieleer gebonden boek te voorschijn. Het is een album met familieportretten en -paperassen. Ik overhandig het de overspannen lijder, die na koortsige bestudering bleek wegtrekt, en vervolgens, niet zelden zonder te betalen, huiswaarts ijlt, om daar troost te zoeken bij drank en bedwelmende chemicaliën.
Mijn in het ontzagwekkende historische album uitputtend toegelichte voorouderlijke stamboom wordt van oudsher geteisterd door zure regen (de stukken spreken van ‘chemisch regenen’) en duurzame tweespalt, en valt uiteen in een vaderlijke en een moederlijke stronk.
Mijn vader stamt uit een regionaal berucht misdadigersgeslacht, dat ik tijdens stamboomonderzoek, aan de hand van stapels ongealfabetiseerde documenten, ontvreemd uit het dichtgetimmerde en met bezweringsspreuken begraffitieerde bezemhok van een vervallen abdij nabij de middelgrote Midden-Noord-Brabantse gemeente R., heb kunnen naspeuren tot begin dertiende eeuw. In een door bloedinwerking lastig te ontcijferen bulletin van de plaatselijke Inquisitie wordt melding gemaakt van ene ‘Methusalem te Jong’, die na het ontvreemden van een boomgaardsvrucht (een wormstekige appel) was veroordeeld tot 952 jaar cellulaire kerkerkneveling. Tevens moest hij, zoals de jurisprudentie bindend adviseerde, zonder verdoving afstand doen van de hand die bij het misdrijf gebruikt was, alsmede van de inwendige organen welke het ooft op de spijsverteringsweg gepasseerd was. De achternaam Te Jong dankte de criminele stamvader aan de omstandigheid dat hij op zeventienjarige leeftijd aan de tenuitvoerlegging van genoemde Inquisitoriale beschikking was bezweken.
Deze veelbelovende voorzaat stierf jammerlijk jong, maar hij wist het voortbestaan van het geslacht veilig te stellen, door kort voor zijn inhechtenisname met roekeloos voorzaad bij een veertienjarig buurmeisje een debiel kind te verwekken.
De familie van moederszijde staat bekend om de broosheid van het gestel en de krakkemikkige constitutie: geen kwaal of men is er doorlopend vatbaar voor. Een om begrijpelijke reden nimmer aan de grote klok gehangen studie schijnt te hebben uitgewezen dat gemiddeld 68% van de bij straatcollectes, fancy-fairs en televisie-inzamelingsacties (31% collectantenprovisie, 1% administratiekosten) wordt gereserveerd voor pogingen tot genezing van bloedverwanten van mijn moeder en het in stand houden van de soort.
De ziektebeelden geven zelden hoop op volledige recuperatie. O, zeker, nou en of, wat dacht u dan: er wordt gerevalideerd, geopereerd, getransplanteerd en gereanimeerd bij het leven, maar de toestand blijft doorgaans chronisch hopeloos.
Mij is uit de overlevering slechts één geval bekend van een bescheiden medisch succesje: tante Knier. Van kindsbeen af tobde de strompelende stumperd met omkrullende tenen, zwakke enkels, scheve schenen, klutsende knieën en repeterende mangeldijen, waartegen geen goedbedoelde zwachtel of zalf iets uitrichtte. Wanhopig geworden stemde ze ten slotte toe in een levensverlengende operatie, die merkwaardig genoeg een einde maakte aan enkele gewrichtsklachten. Helaas echter was de chirurg op de middag van de operatie minder bezield bezig dan de eraan voorafgaande ochtend, die aan cafébezoek gewijd was geweest: hij monteerde tante Kniers knieën verkeerd om, zodat zij die laatste levensweken als een manke struisvogel over straat ging.
Hoe was toch ooit het misdadigersgeslacht aan de erfelijk zieken verwant geraakt? Waarschijnlijk door oom Cor, die in de crisisjaren als colporteur in afgekeurde kunstbenen alleenstaande dames placht te benaderen en zo bijziende tante Beps had weten in te palmen. (Na zijn huwelijk, een moetje, besloot oom Cor het rustiger aan te gaan doen en alleen nog incidenteel bij te klussen met heling van gestolen schilderijen van blinde mondschilders.)
Van mijn vroegste jeugd herinner ik mij weinig. Er staat mij bij dat we het thuis niet breed hadden en dat het uit de lengte evenmin kwam. ‘Het is zo lang als het breed is’, zei mijn vader dikwijls. Wat hij daarmee wilde zeggen wisten wij niet.
We waren arm, maar ongelukkig.
Veel bezaten we niet, maar juist daardoor leefden we de godganse dag in een door merg en been gaand saamhorigheidsbesef. Het ontbrak ons aan praktisch alles, maar we hadden elkaar, en we konden ons vastklampen aan drie eeuwenoude zekerheden: woensdag gehakt, vrijdag vis, zondag regen. Soms, om de sleur te doorbreken, herzag mijn moeder de volgorde van deze evenementen, en dan aten we op woensdag vis. Ook kon het op vrijdag plotseling gaan regenen. Hoe mijn moeder dit voor elkaar kreeg was een raadsel.
Sociale onderhoudsuitkeringen bestonden nog niet, en omdat mijn vader werkte, was er vrijwel geen geld. Door zijn minimumlijersinkomentje konden wij er geen buitenissig bestedingspatroon op na houden, maar toch slaagden mijn ouders erin af en toe wat opzij te leggen. Niet voor later, maar voor een verjaarspartijtje, zodat er klapstoelen, drank en zoutjes gehuurd konden worden.
Verjaardagen bij ons thuis waren gedenkwaardige samenscholingen. De voornaamste participanten waren enkele van mijn vaders negentien broers, die toevallig proefverlof hadden, voor de sport even uitgebroken waren, of wier TBS men verzuimd had te verlengen. Zij tooiden zich met geruite inbraakpetten, waren voorzien van vlammende acetyleenbranders en vermomd met onder meer onechte baardgroei, een clownspruik van kale haren, en soms wel twéé ooglappen.
(Oom Rinus, een gentleman-meesterkraker die alleen van de rijken stal, was ogenschijnlijk permanent op zijn hoede: hij had met een viltstift ogen op zijn oogleden aangebracht, en leek dus als hij even een uiltje knapte als een hypnotiseur voor zich uit te staren.)
Verwanten van mijn moeder waren minder talrijk vertegenwoordigd. Veelal was het besmettings- en stralingsgevaar te groot. Anderen leverden geen direct gevaar voor hun omgeving op en waren bovendien in staat op eigen kracht langs te komen, maar was toch de toegang tot het feest ontzegd, zoals oom Johan en oom Egbert. Oom Johan paarde een hart- aan een vraatziekte, en het was budgettair ondoenlijk ook voor hem tot het verzadigingspunt bitterballen in te slaan. En oom Egbert had door een maagaandoening zo’n slechte adem ontwikkeld, dat mijn vader vreesde dat tijdens het zingen van waar gebeurde smartlappen het behang van de muur zou komen.
De zusters en zwagers van mijn moeder die wel gedoogd werden (hun aantal kon per verjaardag reuze variëren) werden met rolstoel of -plankje de trap opgeduwd, of langs de gevel aan de verhuishaak omhoog gehesen. Als het regende kwamen druipende kunstledematen in de paraplubak te staan, terwijl tal van andere orthopedische constructies gebruikt werden bij de opvoering van een toneelstukje vrij naar Dickens.
Oom Dokus jr. zorgde elke keer weer voor de nodige hilariteit, door van een slagroompunt heimelijk de kers achter de kiezen te steken en er zijn glazen oog voor in de plaats te leggen. Minder algemeen was de vreugde toen hij eens in kennelijke staat op het feest arriveerde en per abuis zijn goede oog in de slagroom lei.
Als betrof het een ziektekwartetspel (‘Mag ik van jou van Belgisch Kongo de kwaal Gangreen?’ ‘Ja, die heb ik.’) werden aromatische mosterdpleisters, recepten voor rekverbanden en andere discutabele kwaalbestrijders uitgewisseld. En een feest was pas echt geslaagd wanneer een van mijn vaders misdadige broers de stoppen liet doorslaan of een krachtige elektromagneet in werking stelde, hetgeen altijd magistrale medische consequenties had.
Familie is een bezit voor het leven, en de mijne is mij dierbaar. Indien ik afdoende ingeënt ware, zou ik me vaker met die aan moederszijde inlaten, en als de reclassering niet zo’n rigide beleid voerde, zou ik de neven en broers van mijn vader regelmatiger ontvangen.
Maar ja, die loden kogel aan hun enkel, hè? Ze komen er de trap niet mee op. Alleen oom Bertus slaagt er soms bijna in de bovenste verdieping te bereiken. Maar dan slaakt hij onherroepelijk een machteloze penosekreet, en stuitert de kogel achterna, richting begane grond.
Toch was oom Bertus in zijn jonge jaren formidabel sterk. Hij was een op en top sportsman, en trainde onafgebroken met gewichten, zodat hij op den duur broeken met drie pijpen moest dragen. (Toen hij eindelijk een vrouw gevonden had, ontving hij als huwelijkscadeau onder meer pot vaseline en een schoenlepel.)
Ik herinner mij nog als de dag van gisteren hoe eens mijn vaders tweeduizend kilo zware, met contrabande volgestouwde vluchtwagen niet wilde starten. Oom Bertus had toevallig een oerdegelijke damesfiets van het merk Locomotief ontvreemd, en bevestigde een sleepkabel aan bagagedrager en autovoorbumper. Hij stapte op en trapte zo hard hij kon. Hoewel de gangstermobiel nog op de handrem stond, schoot-ie vooruit. En zelfs toen de motor zes straten verder eindelijk aansloeg, en mijn vader om zijn broer een loer te draaien de versnelling in zijn achteruit zette en vol gas gaf, bleef de voorwaartse snelheid toenemen.
Op het moment dat oom Bertus bij een scherpe bocht naar rechts de hoek om stoof, gebeurde er iets opmerkelijks: niet oom werd meegesleurd door de auto die mijn vader koelbloedig rechtuit bleef sturen, nee, de smokkelwagen zwenkte ook naar rechts, en belandde door de middelpuntvliedende kracht in de etalage van een juwelierszaak.
Oom Bertus bracht de fiets uit alle macht remmend tot stilstand, stapte af, haalde een plunjezak te voorschijn, vulde deze met gouden glimmers, een heuse Zevenster diamant en wat zilverwerk, stapte weer op, en trok de met p-p-p-parels overladen p-p-p-pantsermobiel in vliegende vaart naar een klein helerscafé aan de haven.
Elke familie heeft wel een zwart schaap, en wij hadden neef Nano, die aan onhandigheid leed. Op een goede dag werd hij met een verbrijzelde kaak in het ziekenhuis opgenomen, nadat bij het masturberen zijn vuist was uitgeschoten. (Neef Nano werd later door de onderwereld vermoord omdat hij te weinig wist.)
Liever dan neef Nano vermeld ik in dit overzicht oom Nol Eusebio. Hij had een goeie kop om een pijp op uit te kloppen, maar baarde toch vooral opzien door die bochel. Als jongetje van een jaar of elf fantaseerde ik er vaak over. Zouden er haartjes op groeien, zodat het in feite een draagbare opgezette tamme egel was? En wat zou er eigenlijk in zitten? Rugborstvoeding? Wellicht had oom expres een kuiltje in zijn matras gemaakt, en vertoonde ook zijn luie stoel op bochelhoogte een opzettelijke deuk… Ik hoopte vurig dat hij een keer mee zou gaan naar het strand, dan zou ik proberen stiekem een gezichtje op de bochel te tekenen. Ook had ik het voornemen bij zulk een buitenkans, als oom op zijn buik lag te slapen, een op mijn schepje vervoerde kwal op zijn bochel te deponeren, en in mijn handjes klappend van pret te zien hoe hij dan acuut de Sint Vitus ging dansen – en mocht dan, zoals ik vermoedde, de bochel doorschijnend blijken te zijn, dan kwam er misschien wel sneeuw in omlaag dwarrelen!
De intellectuele bocheloom Nol Eusebio was een formidabel denker, die ook heel aardig accordeon kon spelen. Op een verjaarsbijeenkomst als hiervoor in bedekte termen beschreven, kon hij, de accordeon op schoot, peinzend pijprook naar het plafond blazen, en dan mompelen: ‘Als het leven zin heeft, waarom gaan we dan dood?’
Daar had je het. Deze ontluisterende constatering betekende het breekpunt van de avond: erna kon er van onbekommerd feestgedruis uiteraard geen sprake meer zijn. Mijn moeder, die de stoelen al aan kant geschoven had en opgewekt neuriënd bezig was de touwtjes van haar korset los te knopen teneinde onbelemmerd een polonaise te kunnen leiden, staakte deze voorbereidselen en zakte met een zucht in elkaar. Mijn vader, die met een rood hoofd van opwinding voorzichtig van zijn tweede kleintje pils nipte, sloeg het glas in één keer achterover, en moest naar bed gedragen worden. Opa voelde zijn maagzuur onheilspellend gisten (alles was bij hem weggehaald, waardoor hij alles liet lopen), en vloekte dat het de hoogste tijd was voor zijn tweedagelijkse darmspoeling. Oma, die zelf zowat elk halfuur helemaal ingesmeerd moest worden, rolde hem vol demente zelfverwijten naar huis, en liet inderhaast haar bovengebit in het pindaschaaltje achter. Mijn vaders misdadige broers, die de hele avond conspiratief in conclaaf waren geweest, verontschuldigden zich met de laffe uitvlucht dat het alarm van een naburig bankfiliaal volgens hun informatie die avond buiten werking moest zijn; de kans ongestraft een kraak te zetten wilden ze niet laten lopen. Ze haalden hun zolang in een achterafkast opgeslagen zelfkantgereedschap te voorschijn, en gingen met beklemd gemoed heen, mentaal onbekwaam tot het verrichten van wederrechtelijke nachtarbeid, en een gemakkelijke prooi voor de surveillerende bankbewaker.
Oom Nol Eusebio filosofeerde wel vaker zomaar wat voor zich uit. Daar had hij ampel gelegenheid toe, want vanwege zijn ene knie (soms ook zijn andere) was hij medisch afgekeurd voor kantoorwerk dat de inspanning van het roerloos aan een bureau zitten te boven ging. Men kon hem vaak in een bruin buurtkroegje aantreffen, waar hij, op de been gehouden door borreltjes, biertjes en broodjes bal, zijn briljante hersenspinsels tot compacte, voor dagelijks gebruik geschikte aforismen wist te herleiden.
Op een dag zag hij het licht en rook het geld; hij emigreerde naar België, waar hij zich boven een Gents café vestigde als Swami Nonkel Nol. De kersverse sekteleider had veel profijt van zijn aangeboren bochel: hij maakte zijn volgelingen wijs dat alle kennis van een dode antieke Egyptische priester in hem was overgegaan, en zich in die bochel had genesteld. Swami Nonkel Nol, die behalve van een pintje op z’n tijd ook wel van een lolletje hield, zei niet te hopen dat een tweede dode antieke Egyptische priester hem een bochel vol wijsheid cadeau zou doen, vermits hij dan een rugbeha zou moeten dragen gaan. Hij beleefde buitengemeen veel plezier aan het leiden van zijn sekte, en

En zo ging het nog een paar bladzijden door. De komkommermaanden liepen ten einde, en ik had geen tijd meer alle verhalen van deze auteur helemaal te lezen. Uit wat ik wél gelezen had, had ik begrepen dat hij niet iemand was die, aangemoedigd door een onplezierige jeugdervaring, besloten had een fulltime producent van depriproza te worden. Zou het niet verstandiger zijn, overwoog ik, mijn oorspronkelijke plan te laten varen en alleen met hem in zee te gaan? Wanneer ik tussen zijn dertien verhalen delen van een sociologisch interview inlaste, zou ik ruim voldoende materiaal voor een boekje hebben. Ik redigeerde de verhalen, en klaar was Kees. ‘Perfect plannetje, Evert,’ vond mijn chef. ‘Weet je, al die eindeloze narigheid van kinderleed en dronkenschap, dat verkoopt toch voor geen meter. De mensen zijn niet gek, die willen een beetje lachen, en zoveel mogelijk blote tieten op tv, en geef ze eens ongelijk. Zo is het toch? Je hoeft mij niet te vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Nee, we gooien gewoon een leuke jeugdfoto met een grote hoed op ’t omslag, moet je opletten, dat boekie vliegt met de vreetdagen als warme kroketten onder de toonbank vandaan!’
Uit de vele wedstrijdinzendingen koos ik een stuk of wat verhalen die ik voor de krantenlezers geschikt achtte. (Ze mochten niet allemaal dezelfde thematiek hebben, en daarom plaatste ik er ook een van een meisje dat door haar drankzucht haar ouders tot zelfmoord gedreven had, en dat achteraf met een enorm schuldcomplex kwam te zitten omdat ze maar geen wroeging over het gebeurde kreeg.) Vervolgens zocht ik contact met de schrijver van het vreemde geslacht en het dozijn andere onplezierige jeugdervaringen. Ik sprak met hem af dat ik naar Den Haag zou komen om de zaak nader te bespreken.
Op het telefonisch overeengekomen tijdstip stond ik bij hem voor de deur. Ik belde aan, en even bekroop mij de vrees dat hij er bewust voor gekozen had de afspraak niet na te komen, want er werd niet opengedaan. Ik belde nogmaals, met hetzelfde resultaat. Hopend dat driemaal scheepsrecht zou blijken te zijn, hield ik de bel bij de derde poging krachtig ingedrukt, en bonsde ik voor de zekerheid flink op de deur, die na minuten zowaar geopend werd.
‘Ja?’ zei de schrijver gapend.
‘Evert Huis,’ stelde ik mezelf voor. ‘Ik kom de zaak even bespreken, zoals afgesproken.’
‘De zaak?’
‘Het boek!’ verduidelijkte ik, met beginnende stemverheffing.
‘O ja, het boek, ja. Neem me niet kwalijk. Ik was bezig iets in het net te typen toen u belde, en ik was zo geconcentreerd bezig, dat ik gewoon van boven niet meer wist wat me van onderen allemaal ontschoten was. Maar kom binnen, en let niet op de rommel.’
Ik gehoorzaamde, en vroeg mij af waar ik dan wel op zou moeten letten, want rommel was er overal. In het halletje, in de gang, alom heerste rommel. Ook in het werkvertrek waar we neerstreken was het een puinzooi van jewelste. Een bureau lag bezaaid met ordners en stapels papier, de prullenbak kookte over van de papierproppen, de stofnesten smeekten om tussenkomst van een stoffer en blik, kortom, hier moest een scheppend kunstenaar aan het werk zijn.
De schrijver had me door de telefoon verteld dat hij op doorreis toevallig de editie van het
Buisdorps Nieuwsblad in handen had gekregen waarin de oproep verhalen in te zenden had gestaan. Een jongere was hij allerminst, maar hij was natuurlijk wel ooit jong geweest.
Hij serveerde mokka oploskoffie, en ik legde hem mijn plan in detail voor. Hij hoorde mij gedurig gapend aan, en zei toen tot mijn opluchting dat hij het ‘wel een goed idee’ vond. Boeken die een verantwoord sociologisch tijdsbeeld boden kwamen niet zo gek veel voor, en een leuke jeugdfoto met een grote hoed was geen punt, die had hij nog wel ergens liggen.
Ik stelde voor dan maar meteen met het sociologische interview te beginnen. Ik had naar aanleiding van de verhalen een boel vragen, maar sommige konden misschien beter ongesteld blijven. Mijn chef had me gewaarschuwd op mijn hoede te zijn: ‘Weet waar je aan begint, Evert! Dat Afgrijselijke-Jeugdboek is een moorddadige vondst van ons geweest, maar pas op voor die schrijver! Een maat van me is toevallig hersenchirurg, en hij zei laatst dat schrijven een soort genetische afwijking is, dus voor je het weet heb je met zo iemand slaande bonje!’
Ik haalde mijn vulpen en aantekenboekje te voorschijn, en stak van wal.

Ik wilde graag met de eerste vraag beginnen.
– Dat is wel prettig.
Schrijft u al lang?
– Vanaf 1963.
Toen was u…
– Eerst vier, toen vijf.
En op die leeftijd kon u al schrijven?
– Nee, zelf kon ik het nog niet. Ik bedacht verhaaltjes, en die dicteerde ik aan mijn opa. Hij noteerde ze in een agenda. Helaas is dat vroege werk verloren gegaan.
U schreef dus al voordat u kon schrijven. En toen u het eenmaal kon…
– Toen was de aardigheid er gauw af, want het eigenhandig opschrijven vlotte minder soepel dan het dicteren.
Desondanks hebt u doorgezet.
– Ja. Zo omstreeks mijn veertiende begon het weer. We kregen op school een keer bij wijze van huiswerk een opstel te maken. In het lesboek stonden een paar alinea’s tekst, en die moesten we tot een volwaardig verhaal aanvullen. In die alinea’s stond grote onzin, had ik in de gauwigheid gezien, dus mijn aanvullende verhaal bestond uit felle kritiek op die nonsensalinea’s. Ik schreef dat ik blij was dat ik ze niet zelf geschreven had. De leraar leidde uit deze bewering af dat ik het opstel had uitbesteed, en hij gelastte mij er zélf een te schrijven, wat ik natuurlijk bot weigerde. Mijn moeder heeft die leraar toen telefonisch bedreigd, zodat ik alsnog een hoog cijfer kreeg. Een paar jaar later hadden we een andere leraar Nederlands. En die leraar, ja, dat was, ja, ik weet niet hoor, dat was eigenlijk een beetje een min mannetje, hè? Ik mocht dat mannetje helemaal niet. Ik zag dat mannetje werkelijk totaal niet zitten. Bij de beoordeling van opstellen hanteerde het minne mannetje een puntensysteem: het maximum van twintig punten stond gelijk aan een tien. Ik behaalde meestal zo’n vier punten, met als toelichting: ONZIN! Ach, dat neem ik die klotebibber achteraf niet kwalijk, want het kwaad had zichzelf al gestraft: het minne mannetje nam op een gegeven moment woedend ontslag, en is meen ik bij de tram gaan werken, omdat niet hij, maar een geschikte kandidaat als nieuwe schooldirecteur werd benoemd.
Dat is lang geleden gebeurd. Toch vertelt u het alsof… Ik bedoel, uw geheugen…
– Inderdaad. Heeft u dat verhaal gelezen waarin ik een aantal reizen naar Engeland beschrijf?
Gedeeltelijk.
– Nou, daar komt een passage in voor waarin de held, ik, in zijn hotel de nachtportier om een schrijfmachine vraagt. Het speelt in 1980, en toen ik aan het verhaal begon wist ik nog wel zo’n beetje hoe het indertijd gegaan was, maar ik wist niet meer hoe die nachtportier eruitzag. Het gekke is, tijdens het schrijven van die scène zag ik ’m ineens weer voor me, terwijl heel zijn uiterlijk in dat verhaal verder niet aan bod komt. Man, lazer alsjeblieft op met je kop, ik heb die kop helemaal niet nodig!
Een schrijver is heerser over Tijd en Ruimte, wordt vaak beweerd.
– Tijd, Ruimte en Waarheid, zeker. Je speelt met de Tijd, maar de Tijd ook met jou. Aan het eind van dat verhaal is te lezen dat ik, na verslag te hebben gedaan van diverse Engelandreizen, de tekst controleer op typefouten. Er ligt dan, schrijf ik, op mijn bureau een folder van een reisorganisatie, waarin een voordelige trip naar Engeland wordt aangeboden. Ik heb zojuist een aantal onplezierige reiservaringen aan het papier toevertrouwd, maar toch overweeg ik, uit een soort reiswee, op die voordelige aanbieding in te gaan. In de oerversie liet ik het verhaal daar eindigen, en zette er de voltooiingsdatum onder: vrijdag 13 december 1985. Dat de lezer onwillekeurig denkt: o jee, vrijdag de dertiende, dan kan nooit goed aflopen! Een paar jaar later ben ik echter gaan herschrijven, en toen kon ik die datum niet meer gebruiken: de Tijd had mij pootje gelicht. Ik heb het verhaal toen maar laten eindigen met een mythologische knokpartij tussen mij en iemand die mij van de zogenaamd voorgenomen reis tracht af te houden. Maar we zijn er nog niet: vlak nadat ik u mijn bijdragen voor de jeugdpagina zond, ik ben nu eenmaal een perfectionist, en dat is geen verdienste maar een vereiste, besloot ik de tekst nóg een keer te verbeteren. Toen u aanbelde was ik net bezig de allernieuwste versie in het net te typen. Weer mijn voornemen naar Engeland te reizen beschreven, weer die mythologische knokpartij met alles erop en eraan, ditmaal nog spectaculairder en verrassender: een steekpartij op leven en dood met een geërfde goena-goena kris en lekker veel bloedverlies, je weet niet wat je leest, hoewel de oplettende lezer door de vooruitwijzing gewaarschuwd was. Wat is echter het vermakelijke, over Tijd, Ruimte en Waarheid gesproken? Daags na die bewuste vrijdag de dertiende december 1985, ben ik doodgemoedereerd op het vliegtuig naar Engeland gestapt, en van die reis keerde ik heelhuids terug, zonder onderweg te verongelukken!
Terwijl u in feite in dat verhaal suggereert…
– Precies!
En schrijft u dat allemaal zo uit uw hoofd op, of…
– Wat ik opschrijf zie ik bij wijze van spreken voor me, of het nu waar gebeurd is of eerlijk verzonnen. Of het nu gaat om iets dat twintig jaar of twintig minuten geleden gebeurde… Tijd speelt geen rol. Ik schrijf op wat ik zie, in mijn innerlijk hoofd, hoe zeg je dat, alsof ik mijn eigen hersenchirurg ben.
Een mooi, afwisselend beroep, hersenchirurg.
– Nou en of. Vroeger wilde ik zelf ook hersenchirurg worden, maar van mijn ouders moest ik eerst de middelbare school afmaken. Daarna kwam het er niet meer van, u weet net hoe dat gaat. Zonde eigenlijk… Nee, wat ik opschrijf zie ik. Een soort beelden, zeg maar. Soms zelfs

BEWOGEN BEELDEN

De eerste keer dat ik, begeleid door mijn ouders, een bioscoop betrad, moet ik een jaar of vier geweest zijn. In tegenstelling tot veel minderjarigen in deze prille leeftijdscategorie die onvoorbereid worden blootgesteld aan een duistere ruimte en een kolossaal projectiescherm waarop een stoffige lichtbundel bewegende beelden veroorzaakt die vergezeld gaan van luid geluid, zette ik het niet op een krijsen: ik was een kind waar men geen kind aan had.
Uiteraard was ik al gewend aan de huiskamervariant van de bioscoop, de televisie. Toen mijn ouders zo’n toestel kochten, meenden zij mij ermee schrik te kunnen aanjagen. Zij plaatsten de kinderstoel waarin ik zitting hield voor het apparaat en wachtten in spanning mijn reactie af – maar geheel onverstoorbaar volgde ik de uitzending, en kwam zelfs niet in de verleiding mijn bord pap richting beeldbuis te lanceren.
Een film die mij bijna vier decennia na projecta nog kristalhelder voor de geest staat, is de eerste Beatlesfilm, die ik maands na mijn zesde verjaardag ging zien. (Mijn moeder was de eerste moeder die van de Beatles hield, en is de enige moeder die ze nu ouderwets vindt.)
Wanneer ik toelicht in wat voor ambiance een filmvertoning anno 1964 plaatsvond, zal duidelijk zijn waarom ik een dergelijk evenement uit de beerput van mijn geheugen kan opdiepen, zonder dat het herinneringsbeeld is vertroebeld.
U moet niet vergeten, het waren De Jaren Zestig.
(Ik realiseer me nu pas dat ik vooraf had moeten waarschuwen dat ik deze zwarte geschiedsperiode van plan was te gaan behandelen, want al mijn achteloos, vanuit zuiver sociologische invalshoek refereren aan genoemde doemoverladen tijd, zal menig oudere lezer de stuipen bezorgen.)
De Jaren Zestig – stelt u zich eens voor: tegenwoordig mag alles, maar gebeurt er niets, in De Jaren Zestig mocht er niets, maar gebeurde er te veel om op te noemen. Het kwaad had een naam: Jeugd. Jeugd, dat betekende de openlijke verheerlijking van Oproer & Verzet, Sartre & Hesse, Tolkien & Kabouters, Kut & Lul, en veel rumoer over Taboes & Lang Haar. (Het lange haar deed kortzichtige volwassenen schuimbekken dat niet meer uit te maken viel of je nu te maken had met een meisje of een jongen, hoewel zij zelf te oud waren om nog belang te hebben bij het kunnen maken van dat onderscheid.)
Den Haag genoot faam als Bietstad nummer één. In sommige oude wijken die nog niet door sloop, vandalisme of vuurwerk gerenoveerd zijn, staat in onverwoestbare kalkletters op een enkele gevel de liefdesverklaring Q 65 – al dan niet voorafgegaan door een spitsvondige I.
Graffiti was nog leesbaar: schuttingtaal bestond uit schuttingwoorden.
Na Het Dorp ging in De Jaren Zestig heel Nederland open. Het gepeupelte wist niet wat zich voltrok, en viel van zijn zwarte fiets van verbazing. Hoge politiefunctionarissen, versteend vanachter hun bureau de gevestigde orde handhavend, braken verbeten hun Schimmelpennicksigaar doormidden en zaten met de handen in het korte haar.
Niets was meer heilig, niets was meer veilig. Waar kon het eigenheimerse klootjesvolk van Burgertrutten, Krentenwegers, Haringventers, Oranjelikkers en Confectiemensjes zich bergen? Overal schoot het jeugdoproer wortel, en het was als een kwaaie uitzaaiing.
Pas vele jaren later, in zwart-witte televisiedocumentaires vol melancholieke jazzmuziek, gaven de grijzer geworden gezagsdragers van weleer vertederd terugblikkend toe dat het best wel een spannende tijd geweest was. (Zoals over vijftig jaar gepensioneerde punks met een dunne hanekam en een brok in de keel van nostalgitis aan hun kleinkinderen die met alle geweld willen deugen moeten uitleggen waarom zij in vredesnaam het bejaardenhuis gekraakt hebben.) Maar indertijd scheet het establishment bagger en zeven geuren stront. (Eén scheet, twéé geuren!)
Het ging dan ook om magisch oproer, zoals terroristische rookontwikkeling tijdens een Belangrijke Bruiloft – een beangstigend republikeins protest, dat gemakkelijk had kunnen ontaarden in een anarchistische revolutie met Ban-de-Bomexplosieven.
Met de mode was van alles mis. In het straatbeeld doken strakke broeken op, met pijpen die van de knie neerwaarts uitliepen tot een breedte van 27 centimeter. Men droeg fantasiedassen, overhemden die glommen, colbertjes met opstaande kraag en een motief van kleine blokken in tinten bruin, bakkersbroeken, en spijkerbroeken die geen wijde pijpen hadden, maar juist hyperstrakke, waar meisjes spataderen van kregen en jongens impotentie.
Op kledinggebied had ik niets in te brengen. Als mijn moeder het voor het zeggen had (en dat had zij) werden al mijn kleren bij C&A gekocht. Ik moest mee, dus ik ging mee – ik zie die trap naar de bovenste etage in dromen nog wel eens terug. Alsmaar passen, kriebeltruien met verstikkingscol en bloedhete winterjassen aantrekken over wat ik van huis uit al aanhad, afgrijselijke jeuk, jengelen en machteloos trappelvoeten.
Terwijl ik weg wilde uit C&A, had zich buiten alweer een volgend verontrustend verschijnsel aan het bezorgde burgerdom geopenbaard: De Jeugd Van Tegenwoordig. Ik maakte daar nog niet echt deel van uit (je moest je ervoor onttrokken hebben aan het ouderlijk gezag), maar wel zong ik driftig mee met oudere buurtdelinquenten, wanneer zij op rijm hun welluidende beginselverklaring uitdroegen: ‘Oele Oele Oele, Bam Bam Bam: Wij zijn leden van de Provo Stam!’ Ook galmde ik uit volle borst: ‘Weg met Claus!’ – al had ik geen idee wie deze Claus was, en waarom hij weg moest.
Nu zie je ze niet meer, maar in De Jaren Zestig was De Jeugd Van Tegenwoordig een allerwegen oprukkend gevaar, waarover in de gegoede kringen van de adelkak en de rechtse middenstand met afschuw gesproken werd.
De Jaren Zestig en de Beatles waren nog maar net op gang gekomen, en niet iedereen was in de gelegenheid zijn haar naar voorbeeld van de Vier Heilsbrengers te modelleren en voorovergekamd te dragen. De schuchteren die er nog niet aan toe waren, smeerden ter compensatie een paar extra doses vet in het haar, om vooral toch maar niet voor aangepast te worden aangezien. Het was voor De Jeugd Van Tegenwoordig een ongeschreven wet in de generatiekloof van het slagveld van de adolescentie op voet van oorlog met de opvoeders te verkeren.
Zou het met de jongeren ooit nog goed komen? Willem O.D. dacht van niet, toen hij onthutst televisie kijkend Nederland de weerzinwekkendste exponent van de psychedelisch finaal uitgefreakte jeugd presenteerde: Bart H., die het gaatje dat hij volgens O.D. van nature al in zijn hoofd moest hebben, nog eens in letterlijke zin, langs weg van boring, had aangebracht.
En dan had je ook nog de Zomer van de Liefde. Naïeve bloemenkinderen verkondigden dat Liefde en Vrede het antwoord waren op alle mogelijke ellende in de wereld. Ironie en cynisme kennen echter geen genade, en de geschiedenis wilde dan ook dat de van liefde overkokende twintigers van toen de veertigers van de jaren tachtig werden, en dat zij het juist waren die de buitensporige echtscheidingsstatistiek van dat decennium bepaald hebben.
Ik leerde op school gehoorzaam dat je Russische boeren kunt verdelen in Kolgosers en Sofgosers, maar bij ons was er sinds kort sprake van Lefgosers, die, de hennepteelt buiten beschouwing gelaten, met de agrarische sector niets te maken hadden. De lefgoser rookte, snoof, spoot en slikte tot de geest zo verruimd raakte dat je van een comateuze toestand kon spreken, en gedroeg zich kortom a-conform het prangende normenstelsel dat de creatieve zelfontplooiing frustreerde en de weg naar luie vrijheid en eeuwigdurende apathie reactionair barricadeerde.
Om indruk te maken op het vrouwelijk deel van De Jeugd Van Tegenwoordig, reden de nozems zo waaghalzerig mogelijk Puch. Tomos kwam ook voor, hoewel de berijders van dat merk enigszins voor halfzacht werden versleten.
De Puch (je diende met één hand te sturen en de andere nonchalant in de schuine bovenzak van je Parka te steken én met het voorwiel van de grond los weg te rijden) had een onmogelijk onhandig stuur, dat vaak de oorzaak was van een vergroeide rug, maar die was met veel masturberen wel weer recht te trekken.
Om geen misverstand te laten bestaan omtrent hun oprechte verlangen naar omgang met het vrouwelijk kamp, mixten de bromnozems van neussnot en keelslijm meerkleurige fluimen, die ze beoogde slijppartners vloekend voor de naaldhakken rochelden. Het vrouwelijk deel van De Jeugd Van Tegenwoordig was evenmin vies van close encounters of the worst kind en droeg buitenshuis maar zelden ondergoed.
In een bioscoop circa 1964, waar het niet dragen van ondergoed oogluikend door de vingers werd gezien, maar waar het bier drinken nog minder op prijs werd gesteld dan het roken van officieuze tabak, leerde men een primaire karaktertrek van De Jeugd Van Tegenwoordig kennen: hun neiging schijt te hebben aan gezag. Wanneer de hoofdfilm tien minuten voor de aangekondigde aanvangstijd nóg niet begonnen was, weerklonk het eerste gejoel en gescheld in dreigend plathaags, waarbij de schreeuwers hun best deden de motie van afkeuring van zoveel mogelijk ui-, ij-, a- en au-klanken te voorzien. Op de televisie liep de cursus Engels van Walter and Connie, en de in de zaal aanwezige cursisten pronkten luidkeels met hun kortelings verrijkte woordenschat:
‘KOKSUKKER! MODDERFUKKER!’
Als het zaallicht uitging, produceerde De Jeugd Van Tegenwoordig instemmend gejuich en gefluit, dat nog in hevigheid toenam wanneer het melige commentaar bij het melige Polygoonjournaal uit de luidsprekers kwam.
Jaren nadien, toen deze folkloristische rituelen geen gemeengoed meer waren en alleen in armoedige wijkbioscopen konden worden geobserveerd, raakte ik in een soortgelijke sfeer verzeild. Het betrof een door geteisem gefrequenteerd theater in de Boekhorststraat, waar in hoofdzaak knok-, griezel- en schandaalfilms werden vertoond, met de verbeelding stimulerende titels als: Zij kende geen schaamte… Haar schaamte kende iedereen…, De wrekende blinde klompvoetleprozen contra de erotomane lesbische oma zombies en Abbott en Costello dansen de rock-‘n-roll.
In de pauze werd er een workshop Aftuigen & Afdrogen verzorgd door autodidactdocenten die door jarenlang thuisrukken enorme biceps hadden weten te kweken, en die dankzij een vitamineloos dieet van patat met, in korte tijd de hoogste graad van puistdaligheid bereikt hadden.
Het was 1972 en op het programma stond het cinematografische juweeltje Dracula A.D. 1972.
De filmkeuring, een college van wijze grijsaards die zo oud waren dat ze een opwindende film zonder erectiegevaar konden beoordelen, had de rolprent ongeschikt bevonden voor jongeren jeugdiger dan achttien jaar, maar deze restrictie gold uiteraard niet voor geteisem, en de bioscoop liet dan ook iedereen toe die zo vriendelijk was voor een kaartje te betalen.
Uit angst niet als beginnend jeugdmisdadiger erkend te worden, liet ik mijn toegangsbewijs kopen door iemand die vijf, zes koppen boven mij uitrees. De portier riep mij gelukkig geen halt toe, toen ik hem het kaartje ter scheuring overhandigde; en met een mengeling van gesimuleerde rebellie en gedrogeerde sufheid in mijn oogopslag, trad ik onderaards opboerend het filmpaleis binnen – een van de jongste achttienjarigen in het gezelschap.
In de zaal was de anarchie aan de macht. Men deponeerde straffeloos behondenpoepte laarszolen op de rugleuning van de stoel voor zich (bij wie daar zat werden tijdens spannende scènes de oren vaak dichtgeplamuurd), portiers werden door georganiseerde jeugdbendes of individueel opererende kerstboomjagers onder de voet gelopen, en lekker ordinair opgemaakte ijsrondbrengstertjes werden ter behahoogte in de bloesjes geknepen of het niets was (en dat bleek het meestal ook te zijn).
Achteraf, maar vooral tijdens het zien, viel Dracula A.D. 1972 vies tegen. Ik had wel eens een vampierfilm voor boven de veertien gezien en stiekem gehoopt dat Christopher Lee in een film voor gevorderden wel wat anders zou uithalen dat het obligate bloedzuigen. Maar het enige opwindende was dat het dellecôté van de diverse Hammerdames de tepelzone hartkloppend dicht naderde.
Deze voorstelling was een van de laatste in dit roemruchte theater. Een week later werd de tent definitief voor het publiek gesloten, nadat er voor de zoveelste keer een beugelbierfles vanaf het balkon de zaal in gekeild was en abusievelijk niet op iemands hoofd te pletter sloeg, maar regelrecht door het doek zeilde.
De tijden zijn helaas veranderd. De Jeugd Van Tegenwoordig bestaat niet meer. De opstandige twintigers uit De Jaren Zestig zijn waarschijnlijk met een overlevingsvoorraad krenten per magisch ruimteschip naar de kabouterplaneet Klaas vertrokken, want hun generatiegenoten vertonen vandaag de dag opvallend weinig neiging tot ludieke maatschappijhervorming en taboevergruizing, wat met al die echtscheidingen, hypotheeklastenverzwaringen en arbeidstijdverkortingen natuurlijk ook geen doen is.
Maar toch zou het mooi zijn als er weer eens een lekkere knokfilm ging draaien.

Als ik u zo lees heeft u de seksuele revolutie nog meegemaakt.
– Ja, dat is waar ook. Ik zat op de lagere school, de vijfde of zesde klas, en de ochtend dat er voorlichting werd gegeven door de voorzitter van de oudercommissie kwam ik te laat, omdat ik naar de tandarts geweest was, zodat ik het voorspel miste. Toen ik in de klas arriveerde werden er net dia’s van orale seks vertoond, maar mijn kies deed nog pijn van het plomberen. Ik ben waarschijnlijke de enige leerling in de geschiedenis van het openbaar onderwijs die wegens kreunen de klas uit is gestuurd. In die tijd werd er op de Rijswijkseweg een van Neerlands eerste sex shops geopend. Als de school uitging liep het merendeel van de leerlingen via de Rijswijkseweg naar huis, om in het voorbijgaan even de etalage te inspecteren. Daarin bevonden zich gelukkig niet van die bij wijze van eufemisme ‘hulpstuk’ genoemde cactusplantachtige monstruositeiten die mensen met eelt op hun organen tegenwoordig nodig hebben om een orgasme tot een goed einde te brengen, maar wel halfverboden fototijdschriften waarvan de cover op kruisiale plaatsen was afgedekt met doorzichtig papier. Onder dat afdekkende papier droegen de fotomodel­len nog ondergoed, en eind jaren zestig liepen zoals u weet slipjes door tot boven de navel; erotische lingerie kwam alleen bij de betere standen voor. Ja, daar wordt wel veel ophef over gemaakt, in postordercatalogi en dergelijke, maar of zulke erogeenversiering wel zo functioneel is waag ik te betwijfelen. Er gelden voor erotische klederdracht twee criteria die in de media naar mijn mening te weinig aan bod komen: door wie wordt het gedragen, en hoe lang al. Weegt de draagster pakweg tweehonderdvijftig kilo en heeft zij vaalwit vel met blauwe aders en een buik van vetrollen als enorme horizontale schaamlippen, nou, dan hoeft het voor mij niet. En wordt de prikkellingerie langer dan drie weken achtereen gedragen, dan kan zij een averechtse uitwerking hebben, en nog intiemwratten veroorzaken ook.
Vroeger zou dat als een seksistische grap beschouwd zijn.
– Nee hoor, erotisch ondergoed is een seksistische grap.
O ja, vanuit die invalshoek had ik het nog niet bekeken. En bovendien staan de kranten tegenwoordig vol contactadvertenties voor liefhebbers van te lang gedragen lingerie.
– Ja, die heb je ook. Zulke mensen werden vroeger door de huisarts doorverwezen naar een specialist, maar nu heeft elke extremiteit z’n eigen nulzesnummer. De telefoonprostitutie heeft overigens emanciperend gewerkt voor wie om redenen van uiterlijke verschijning bij regulier rood licht weinig kans maakt op klandizie, want reken maar dat er heel wat dames van boven de tweehonderdvijftig kilo als sekstelefoniste werken. ‘Zo Greet, hoe zie je eruit?’ ‘Nâh ik ben dus vrij slank, maar heb tussenbeie zúkke tieten van me eige.’ Begrijpt u wel? Ik heb trouwens wel eens gehoord, ik bedoel ergens gelezen, dat opvallend veel van die nulnegennulzeshoeren met een zachte G praten. Kijk, en daar ligt volgens mij een taak voor de overheid. Men zou door het operatief, desnoods onder verdoving, wegnemen van de stembanden tot een structurele oplossing van het zachte-G-probleem kunnen komen, al houd je natuurlijk je hart vast voor het paapse gepiep dat de patiënt na de poliklinische ingreep zal voortbrengen.
Graag nog even terug naar de seksuele revolutie, misschien dat er ook nog sociologische kanten aan de zaak zitten, met het oog op ons Afgrijselijke-Jeugdboek.
– Mjaaah… Kijk, op den duur gingen welzijnsbaarden zich met de seksuele revolutie bemoeien, en toen was het natuurlijk uit met de pret. Her en der werden praatjesgroepen gesticht waarin men met de eigen emotionele verwaarlozing kon opbieden tegen de contactgestoordheid of de klaarkomkommer van de andere praatverslaafden. Samenlevingsvormen werden tegen het licht gehouden, doorgesproken en verworpen. Veel welzijnsbaarden hing het huwelijk als de molensteen van de patriarchale prestatiegerichte consumptiemaatschappij wurgend om de nek. Sommigen raakten zo in hun eigen beeldspraak verstrikt, dat ze tijdens het bewust verleggen van hun metaforische grenzen gingen verkondigen dat een relatie pas deugt als je er een stuk van jezelf in kwijt kunt.
Had een en ander invloed op het bioscoopgebeuren?
– Vroeger ging ik vaak naar de bioscoop: elke zondagmiddag naar het Rembrandt Theater, dat niet meer bestaat. Op kinderverjaardagen trok er een heel span naar de Cineac. Ik vermoed dat mijn afkeer van de Nederlandse film daar begon. Prachtige Amerikaanse tekenfilms werden zo afschuwelijk slecht nagesynchroniseerd, dat je geen woord verstond, terwijl van de s-klanken je oorsmeer als lava over je schouders droop.
Maar puur bezien vanuit sociologisch oogpunt, met name qua seksuele revolutie?
– O, dan moet ik Flora noemen, nog zo’n theater dat niet meer bestaat. Flora zat in de Wagenstraat en bracht films voor boven de achttien, toen ik zelf nog tien moest worden. Het waren een soort docudrama’s uit Duitsland en Scandinavië… Je zou inderdaad kunnen zeggen dat dergelijke films een sociologische ondertoon hadden, want van zeer nabij werd bijvoorbeeld het gedrag geobserveerd van zeventienjarige schoolmeisjes die op een zogenoemd Internaak(t) verbleven. Op bepaalde middagen gold er een 65+ korting, en dan stond er een rij bejaarden tot aan de Bierkade.
Ging het er vroeger in een bioscoop werkelijk zo wild aan toe?
– Weet ik veel! Ik was toch veel te jong voor zulke films!
Nee, ik bedoel in de zaal, in het algemeen, in die tijd.
– O ja. Ja nou, dat waren nog eens toestanden… Maar ik wil de jeugd van toen liever niet nog meer in diskrediet brengen, want zij zijn de ouders van nu, en ze hebben waarschijnlijk al genoeg moeite het overwicht naar hun kinderen toe te bewaren. De bioscopen van toen… U moet goed beseffen, het waren, zeer zeker ook sociologisch, heel andere tijden. Als de ondertiteling uit beeld zakte werd de boel al afgebroken! Je had nog niet dat men de trein naar het vijandige voetbalstadion nam om daar en onderweg erheen naar hartenlust een potje te vandaliseren. Er waren veel meer wijkbioscopen dan tegenwoordig, met interieurs die gewoon smeekten om sloop. Een voordeel was dat men, anders dan bij voetbal, niet afhankelijk was van de weersgesteldheid: je zat altijd droog. De overheid raakte op den duur bezorgd. Was er dan niets aan de vernielzucht te doen? Psychologen, zoals welzijnsbaarden indertijd wel genoemd werden, kwamen met een vermeende oplossing. Een kleurenpsycholoog beweerde dat de agressie werd aangewakkerd door de bekleding van de bioscoopstoelen; als die in een rustgevende kleur zou worden uitgevoerd, nou, dan moest je eens opletten, dan was het met de vernielgelagen gauw afgelopen. Ja, je vraagt je af waar zo’n plan vandaan komt. Waarschijnlijk uit de rudimenten van een halfgaar ultralaagontwikkeld kreupelverstand. Want wist zo’n kleurenpsycholoog veel! Wanneer het zaallicht uitgaat kan geen mens toch kleuren onderscheiden! Zelfs geen rustgevende! Nauwelijks was het schemerig of de hel brak los. Bier zat nog niet in blik (dat meer is afgestemd op gebruik in voetbalstadions, waar zuiver richten van belang is, omdat grote afstanden overbrugd moeten worden en de doelman natuurlijk niet de hele tijd stilstaat), maar werd in beugelflessen verkocht. En als die in een bioscoop te pletter sloegen, ging dat met

WILD GERAAS

Wij deden thuis niet aan God, en wanneer ik niet wilde luisteren werd mij evenmin de toorn van Sinterklaas in het vooruitzicht gesteld. Desondanks ervoer ik jarenlang de weken voorafgaande aan 5 december als een onheilszwangere periode.
Zo half november begon het te gonzen: Hij komt! Hij komt! Ik kan alleen mijn gebrekkig aardrijkskundig inzicht als verontschuldiging aanvoeren, maar mijn achterdocht werd niet gewekt als ik op de televisie de aankomst van Sint en gevolg ergens in Friesland gadesloeg. Friesland! Uit Spanje vertrokken en in Friesland een haven binnengelopen! Niet alleen de hooggeplaatste passagier, ook het kompas moest van een onvoorstelbare ouderdom zijn.
De oude baard werd door een zich gelukzalig in nationale aandacht wentelende dorpsburgemeester verwelkomd, op een schillenboerschimmel gehesen en naar het gemeentehuis geleid, alwaar een versierde troonredestoel gereedstond. Met een peinzende gelaatsuitdrukking en het hoofd aandachtig schuin, alsof alle flauwekul hem in hoge mate boeide, liet Sint het gezang over zich heen komen, en gaf vervolgens zijn zwarte knechten opdracht de overspannen joelende kinderen met welgemikt snoepgoed het zwijgen op te leggen, zodat hij ongestoord zijn jaarrede kon afsteken.
Het was weer het bekende praatje: hij zou zich voor een paar weken in een oud kasteel terugtrekken, en vanuit deze middeleeuwse steenklomp de cadeaubedeling delegeren. Het belangrijkste nieuws werd voor het laatst bewaard: met onmiddellijke ingang (terugwerkende kracht ware beter geweest) konden landelijk schoenen gezet worden.
Een kinderhand is gauw gevuld, en met kinderschoenen is het helaas niet anders gesteld. Toen ik vier jaar was hadden mijn voeten de huidige riante maat 40 nog niet bereikt. Mijn schoentjes konden weinig meer herbergen dan een in kleurig zilverpapier verpakte chocoladesigaar of een hompje suikergoed, terwijl mijn voorkeur toen reeds uitging naar het beste dat geld kan kopen.
Het toeval wilde dat mijn vader zijn enorme soldatenlaarzen (maat 42!) uit militaire dienst had achtergehouden om er ’s winters, als het gevroren had, schaatsen onder te binden. De laarzen stonden in de gangkast geduldig te wachten op een nieuwe ijstijd, en die avond transporteerde ik er een naar de standplaats bij de kachel. Mijn cadeau-afsmekend gezang klonk even bezield als wanneer ik mijn minisloffen ter vulling aanbood, maar ook ietwat schuldbewust – en de laars was de volgende ochtend vermanend leeg.
Sinterklaasavond was een gebeurtenis waarvoor mijn grootouders speciaal overkwamen. Tijdens het avondmaal, meestal een feestelijke macaronischotel, at ik met lange tanden een compromis tussen wat ik voorgezet had gekregen en wat mijn hevig borrelende maag aankon.
Hoe laat werd hij verwacht? En zou hij eigenlijk zelf wel komen? Ik tuurde door het beslaande raam naar buiten, en zag her en der Sinterklazen aanbellen en binnengelaten worden, maar de onze was nog niet te bekennen.
Tegen de tijd dat ik onder koortsvlekken begon schuil te gaan, en niet langer uit aangeboren opstandigheid maar louter van de zenuwen knetterende tetterscheten voortbracht, terwijl ik aanstalten maakte ook nog uit mijn mond te gaan kokhalzen, zei mijn vader: ‘Wat duurt dat toch lang. Ik denk dat ik eerst maar even naar de wc ga.’
Net toen hij de kamer uit was werd er op de buitendeur gebonsd.
Ik verstijfde, en slikte de opgewelde maaginhoud weer half in. Even overwoog ik mij achter de bank te verstoppen, maar dan rende ik toch maar de gang op om het gevaar in de ogen te zien.
Mijn vader kwam verbaasd kijkend uit de wc. ‘Hoorde ik nou iemand aankloppen?’
Terwijl ik veiligheidshalve op afstand bleef, deed hij open en, poeh, het viel mee – ik slaakte een ruft van opluchting: Sint was niet zelf gekomen. Hij had twee flink gevulde kussensloopzakken laten afleveren door Pieten die denkelijk geen tijd hadden dankliederen aan te horen. (De volgende jaren, toen ik aan de gang van zaken gewend was geraakt, rende ik als er aangebonsd werd snel naar het raam om de Pieten te zien vertrekken, maar ik was telkens net te laat.)
Wat een cadeaus kreeg ik door de jaren heen! Een driewielfietsje met op het stuur behalve een defecte bel een soort zonneschijf die ik mooi kon gebruiken om in Mirakelman te veranderen, een rode speelgoedbestelauto met grijs dak, een pakket spoorwegbenodigdheden (spiegelei, kniptang, kaartjestas en pet), een houten garage, een goocheldoos, een gammel fort, een racebaan van het verkeerde merk, een cowboypak, een ridderuitrusting (plastic schild, helm en hol zwaard dat knakte en bij het schijnschermen heen en weer zwabberde) en noemt u verder zelf maar op.
Behalve al dit opvoedkundige speeltuig ontving ik ook geschenken die mijn ouders spoedig betreurden, zoals die chemische experimenteerdoos vol occulte poeders, een bunzingbrander en andere onheilspellende attributen die van de aspirant scheikundige een volleerd atoomsplitser moesten maken. De gebruiksaanwijzing was in het Engels, maar de taal was niet het grootste struikelblok – ik kwam er namelijk achter dat ik helemaal geen scheikundeknobbel (Chemistry Tumor) bezat! Het enige experiment dat ik tot radeloosheid van mijn opvoeders keer op keer beliefde uit te voeren, betrof het op een paplepel boven de brander verhitten van suiker, die dan in noga moest overgaan, bij welke zo niet alchemistische dan toch gastronomische transmutatie tot mijn verrukking een geweldige Stank vrijkwam.
Ik was acht à negen jaar toen mij de ware identiteit van Sinterklaas geopenbaard werd – of liever: diens menigvuldige identiteiten, want talloze vaak niet eens echt bejaarde charlatans bleken het deeltijdambt te bekleden. Het was een ontluistering, niet in de laatste plaats omdat er van mij verwacht werd dat ik voortaan zelf ook voor cadeautjes zou zorgen.
Van mijn wekelijkse twee kwartjes zakgeld kocht ik hoofdzakelijk gebitsverwoestende dropproducten in de snoepkeet die strategisch tegenover onze school gevestigd was – maar als ik mijzelf in toom hield, legde ik wat opzij voor een Kluitmanpocket, die f 1,25 kostte: een bedrag dat mij toegang verschafte tot de adembenemend spannende wereld van de nachthavik, de mannen van de Discus, commissaris Achterberg en inspecteur Arglistig.
’s Avonds lag ik met een zaklantaarn onder de dekens, las een Kluitmandeeltje, en bestudeerde en passant mijn eigen deeltje. Kort voor Sinterklaas schoot het door me heen dat ik verzuimd had het tweede boek van Simmetje op mijn verlanglijst te zetten. In deel een was Simmetje een vrolijke Volendamse jongen die wel veel kattenkwaad uithaalde, maar het toch goed meende en een recht goede zoon voor zijn ouders trachtte te zijn. Maar nu deel twee – dat was vast en zeker nog veel spannender! Ik had wel Stormende Motoren van B. Dubbelboer en ook wat Kameleons, Arendsogen, Pim Pandoeren en een Bob Evers gevraagd, maar ik maakte mezelf wijs dat ik toch het liefst Simmetje deel twee zou ontvangen. De kans dat ik het door tussenkomst van familieleden van Sinterklaas zou krijgen was, met nog twee dagen tot het feest te gaan, zeer klein. Na enig nadenken kwam ik tot de slotsom: nood breekt wet. Ik maakte de rugkut van mijn plastic spaarvarken wat wijder, zodat ik het benodigde bedrag kon bemachtigen, en kocht het begeerde werk in een kantoorboekhandel bij ons in de buurt. Tegen de verkoopster zei ik dat het voor Sinterklaas was, en zij pakte het feestelijk in.
Het pakje, met mijn naam er in gefingeerd handschrift op, verborg ik onderin de zak met surprises, en op de avond van de vijfde nam ik het met gespeelde nieuwsgierigheid en suspect blozen blij in ontvangst.
5 december viel meestal in het weekend, maar als dat niet het geval was, kregen we van school een vrije middag. Een heerlijke traktatie, maar een die ons tegen een gruwelijke prijs gewerd, want de eraan voorafgaande ochtend moesten we in de gymzaal bijeenkomen.
De muzikale juf (elke school had een muzikale juf, een juf die onwijs gaaf kon tekenen, en een die hard sloeg: wij hadden er een die al deze talenten in zich verenigde) zette zich aan de piano die haar in valsheid naar de kroon stak, en sloeg resoluut aan.
Het Zie, ginds komt de stoomboot! schalde door de ruimte. Onder de omstandigheden was het een uiterst surrealistisch lied, want al was de kinderziel gehersenspoeld met de onwaarheid dat Sint bij machte was schoorstenen in en onberoet weer uit te klauteren, men dacht toch zeker niet dat wij zouden geloven dat de grijsaard per schip de school aandeed.
Maar ach, we haalden onze schouders maar op, getraind als we waren in het zingen van stompzinnige liedjes die zo verbijsterend onbenullig van tekst en melodie waren, dat velen er ongemerkt blijvend van letsel ondervonden, en later degenereerden tot liefhebber van Nederlandstalig repertoire. (Van de kleuterschool herinner ik mij een wel zeer imbeciel lied, waarvan een regel meen ik luidde: ‘Twee paar schoenen heb ik aangedaan’ – een beetje te Dada voor kinderen die het Tata-stadium net ontgroeid zijn.)
Na een lachwekkend schuchtere roffel op de deur schreed Sint binnen of hij nooit anders deed – en dat was ook zo, want alleen de gymnastiekleraar had een postuur dat enigszins met dat van de televisiesinterklaas overeenkwam. Van een stoomboot in de gang was geen sprake; wel volgden in zijn kielzog slecht geschminkte Pieten met overduidelijke tieten. Een beschamende vertoning, ik kan niet anders zeggen. We ondergingen het gelaten, opgelaten. We wilden er niet te veel ontwrichtende opmerkingen over maken, want de onderwijskrachten hadden er zich tenslotte veel van voorgesteld en ons gul een vrije middag geschonken, maar het was een blamage tot en met.
Het gezag van Sint begon bij de leerlingen van de derde klas te wankelen. De meesten waren al over het bedrog ingelicht en/of hadden hun vermoeden dat de melkboer voor Sinterklaas speelde bevestigd gezien, toen zij hem kriebelbaardbeffend bij hun moeder in bed aantroffen. Anderen kwamen krijtwit de speelplaats opgerend en hijgden dat zij onderweg naar school door een kennelijk beschonken, zijn rokken oplichtende jarreteldragende Sinterklaas onredelijk betast waren geworden.
Er werd ook gespeculeerd over de betrouwbaarheid van een gerucht volgens hetwelk er onlangs een autobotsing had plaatsgevonden waarbij twee concurrerende Sinterklazen betrokken waren geweest. (Mijter door het opengeschoven dak, staf uit neergedraaid portierraam, de wind die de baard in het bisschoppelijk aangezicht blaast, en de frontale confrontatie met rondvliegende pepernoten.)
De school kon niet anders dan besluiten tot een klassikaal demasqué, en vanaf de vierde klas mochten de kinderen niet meer in Sinterklaas geloven, en moesten surprises voor elkaar maken. Als het zover was, schreef je je naam op een papiertje; juf verzamelde de papiertjes in een prullenbak, schudde flink, en deelde weer uit.
Het Lot zou beslissen… Stel je voor dat ik Lizette trok… Lizette was voor onze klas wat een Brigitte Bardot-dubbelgangster voor middelbare scholieren was, al had Lizette ze niet zo of zo, maar op dat moment helemaal nog niet. Wel bezat ze een enorme moedervlek waar een hypnotiserende werking van uitging, hoog bovenaan haar rechterbeen, aan de binnenachterzijde, onthutsend zichtbaar als zij tussen de bankjes door naar het bord zweefde.
Ze scheen iets met Rolf te hebben, en wij kregen pas weer hoop toen hij aan het einde van de eerste of tweede klas naar het verre Amsterdam verhuisde, dat wat ons betrof, om elk risico van een voortgezette verkering uit te sluiten, best bezuiden de Evenaar had mogen liggen. Maar wat bleek? Vanuit Amsterdam stuurde hij haar brieven, die zij nog beantwoordde ook!
Maar nee, rustig maar, het door mij getrokken papiertje vermeldde niet Lizette, doch een of ander onbeduidend wicht, dat zich tot Lizette verhield als een wratje tot een volgroeide bochel.
Ik was eerder opgelucht dan teleurgesteld, want voor Haar een surprise moeten maken zou mij ontelbare slapeloze nachten hebben bezorgd. Met de dubbele moed van geweken spanning toog ik aan het werk voor het mindere schepsel: cadeautje gekocht, paar rollen plakband, vijf meter pakpapier, doosje in doos in DOOS, en een leuk gedichtje erbij.
We kregen dat jaar les van juffrouw Kokofaan, die, voor zover we haar bedoelingen wisten te duiden, vooral uit leek te zijn op het creëren van een gezellige sfeer. Marmotten, hamsters, muizen en andere onnozele knaagwezens lagen achterin het lokaal in hun hokken te stinken, en de halve dag moesten we zingen, ter begeleiding van haar blokfluitspel – wat wij zo enthousiast mogelijk deden, want voor hetzelfde geld zette ze de viool aan haar hals. (Dergelijke verkwisting van voor educatie bestemde tijd noemt men tegenwoordig geloof ik ‘pedagogisch verantwoord een stuk optimale leersituatie naar het kind toe scheppen’, maar wij spraken gewoon van ‘teringherrie’.)
De onderwijzer die we het jaar erop kregen moest zich te pletter doceren om onze kennisachterstand weg te werken.
Juffrouw Kokofaan was de eerste week van december ziek. Zij werd vervangen door het Hoofd, een voor die functie veel te sympathieke man, die mij later eens de slappe lach bezorgde, toen hij in het magazijn op de van gemeentewege toegewezen megahoeveelheid wc-papier wees, en verzuchtte: ‘Daar kan de hele school een jaar lang de schijterij mee krijgen’.
Het Hoofd nam de distributie van pakjes voor zijn rekening; hij zocht er telkens een uit, riep degene die erop vermeld stond voor de klas, en liet hem of haar publiekelijk uitpakken. Er ontstond grote hilariteit, wanneer een rood aangelopen slachtoffer, na veel pulken en peuteren aan een hermetisch dichtgesoldeerd stuk kachelpijp en het wanhopig hanteren van een vlammende acetyleenbrander, tot aan de elleboog in de pindakaas (of iets daarop lijkends) greep, en een zucht van medelijden uit meisjeskelen, indien dit inwendig onderzoek niet meer opleverde dan een waardeloze zwerfkei, een roestige koektrommel van voor de oorlog, een beschimmelde pot aambeizalf, of een met magere yoghurt gevulde condoomomspannen closetrolkoker.
Naarmate de pakjes in aantal afnamen, nam mijn nagelbijten in hevigheid toe.
Nog twee…
‘Koos!’
Pfff. Uitgerekend het laatste pakje, dat moest mij natuurlijk weer overkomen. Ik was al overeind gekomen, toen het Hoofd het oppakte en zei: ‘Gerda!’
Ik zat weer. Niet omdat ik was gaan zitten, maar omdat mijn knieën het niet meer deden. Terwijl er overal om mij heen, door iedereen, ontvangen surprises werden vergeleken, keek ik zinloos of er zich ergens nog een door het Hoofd over het hoofd gezien pakje bevond. Maar met lege handen moest ik naar huis.
Twee dagen later was juffrouw Kokofaan weer beter. Voor ze het zanguurtje met blokfluitbegeleiding begon, riep ze me bij zich, en legde uit dat zij het papiertje met mijn naam getrokken had. Het speet haar verschrikkelijk, maar ze was ziek geweest, dat begreep ik toch zeker wel?
Ja, nee, tuurlijk, gaf niks juf.
Dus die surprise hield ik dus nog te goed, oké?
Ja, tuurlijk, graag juf.
Ik ging op mijn plaats zitten om de stomme rotliedjes mee te mimen en dacht verder niet meer aan de Sinterklaassurprise.
Juffrouw Kokofaan ook niet.

Een traumatische ervaring, vooral in sociologisch opzicht.
– Nee, zo moet u dat niet zien. Ik heb het incident niet als een jarenlang sluimerende belasting ervaren. Wel beleefde ik het toen ik het opschreef opnieuw, al schoten mij de repercussies die ik indertijd voor juf in gedachten had helaas niet te binnen. Ik had die uiteraard wel kunnen verzinnen, want een schrijver is tenslotte heerser over Tijd, Ruimte en Waarheid. Maar goed, iedereen heeft zoiets wel meegemaakt; het hoort bij een gedegen opvoeding, vind ik. Anders zou het een mooie boel worden, als iedereen maar zonder tegenspoed leefde. Trouwens, ik heb weinig te klagen, want verder herinner ik me geen jeugdrampen van betekenis.
Andere catastrofes heeft u natuurlijk gewoon verdrongen.
– Wie zal het zeggen. Misschien werd ik zeer met mijn intelligentie gepest, en dagelijks in elkaar gehoekt door leerlingen die zelf minder cerebraal georiënteerd waren, maar heb ik alles lekker verdrongen.
Goed, maar als u laat ik zeggen de lagere school vergelijkt met…
– Dan kwam ik op de middelbare meer tot mijn recht.
Welke was dat, als ik vragen mag?
– Dat waren er twee, maar ik spreek liever gewoon van ‘de middelbare school’, want over een paar jaar zijn de door mij met goed gevolg bezochte onderwijsinstituten waarschijnlijk weer verdwenen, en hebben plaatsgemaakt voor een nieuw rampzalig pedagogisch experiment. Kijk, geen zinnig mens weet vandaag de dag nog wat de afkorting HBS precies betekent, en thans gangbare initialen zullen straks evenzeer in onbruik raken, of ineens blijken te staan voor een alternatief soort afkickinrichting, waar men met een revolutionaire accordeonspeltherapie verrassende resultaten boekt. Ga maar na: vroeger had je BLO (nee, ik niet, ik bedoel dat die bestond), en dan wist je waar je aan toe was. Maar tegenwoordig heet deze schoolsoort heel anders, en denk je als buitenstaander dat het om een avondopleiding sociologie of een schriftelijke cursus hersenchirurgie gaat.
Goed, de middelbare school dan maar.
– Daar was ik redelijk goed tegen bestand, mag ik wel zeggen, al was het eigenlijk zonde van de tijd. Om een voorbeeld te geven: ik fiets graag, en op mijn racefiets zit een kilometerteller. Ik heb voor de aardigheid wel eens geprobeerd uit te rekenen hoeveel duizenden kilometers ik had kunnen afleggen als ik in plaats van naar school te gaan was gaan fietsen. Eeuwig zonde… Enfin, gedane zaken nemen geen keer en niet-gedane zaken ook niet. Maar net als bijna iedereen heb ook ik prettige herinneringen aan de middelbare school. We hadden te maken met een aantal merkwaardige persoonlijkheden, zoals die natuurkundeleraar. Wat kon die man schreeuwen! Hij had de gewoonte wijdbeens voor de klas te staan, de armen voor de borst over elkaar geslagen, en daarbij bewoog hij het hoofd met vooruitgestoken kin op en neer. In een sociologische reportage over het fascisme heb ik Mussolini op een balkon precies zo zien doen, en toen wist ik van wie Benito het had. Maar die natuurkundeleraar – wat kon die man schreeuwen! Als hij door iemands domheid op tilt sprong, stoof hij briesend op de nietweet af, begon een speekselsproeiende tirade, en bevestigde ons vermoeden dat hij zich thuis tegenover zijn echtgenote onvoldoende kon uiten, door een paar keer tegen het tafeltje van de domme leerling te schoppen. Een lerares kunstgeschiedenis kon ook bijzonder bezienswaardig uit haar vel springen. Zij deed dit in opwindende fases van opwinding, waarbij haar gelaat diverse kleurstadia doorliep. Eerst zette ze een enorme keel op, en sloeg ons met rake Salvador Dali-uitspraken om de oren. Als die hun uitwerking misten, ging het kleurverschieten van start. Ze begon vrij impressionistisch met haar natuurlijke lijkbleekheid, dan kwamen drie tinten expressionistisch rood, en als klap op de vuurkop toverde ze naar analogie van de magisch-realistische school uit haar palet fosforescerend paars, compleet met Mondriaanachtige geometrische witte vlekken, die als een hommage aan Magritte stroboscopisch tegen de wanden van het lokaal weerkaatst werden. En wij maar het geloei van de Stier van Potter nadoen, zonder ons er iets van aan te trekken dat alleen koeien loeien, want kunst is het gebied van de vrijheid waar geen wetten gelden, zeker niet als er zo’n tang van een takkewijf voor de klas staat.
Hoe waren onder deze kunstzinnige omstandigheden uw vorderingen?
– Niet om over naar huis te schrijven, wat een bezorgde leraar daarom maar deed, toen mijn zogenaamde vorderingen een negatieve wending namen. De leraar, die kennelijk aan een onverwerkte Nostradamusfixatie leed, voorspelde dat ik dat jaar zou blijven zitten, en om hem flink voor schut te zetten ging ik toen expres wel over. Van sommige vakken, zoals handenarbeid, bracht ik weinig terecht. Maar ja, wat wil je! We moesten ook zulke stompzinnige dingen doen! Een bootje knutselen van een klompje hout! We kregen les van een goedlachse Japanner, die bij aanhoudend sarren zeer agressief kon worden, en dan was het zaak hem zijn adresboekje met telefoonnummers van Yakuzakornuiten afhandig te maken en hem uit de buurt van scherpe gereedschappen te houden. Op de lagere school verwierf ik op mijn rapport eens een 4 voor handenarbeid. Zelf was ik nogal in mijn sas met deze vooruitgang, maar de meester schreef er triomfantelijk bij: ‘Heeft geen fantasie’. Mijn ouders verschenen huilend op de ouderavond, en kregen te horen dat het nog veel erger was dan zij gevreesd hadden, want ik leed volgens de onderwijzer ook nog aan een ernstige vorm van

ONHANDIGHEID

Ach, toen ik nog in de wieg lag! Die eerste maanden… Onschuldig en onschadelijk! Zonder overdrijven, zeker tot aan mijn tweede jaar deed ik geen vlieg kwaad. Veel te druk had ik het met het onder de knie krijgen van articulatie, stoelgang en voortbeweging. Meestal verbleef ik veilig in mijn kamertje, dat behalve het door mijn vader vervaardigde ledikantje onder meer een douchegelegenheid, een fietsenberging en drooglijnen voor de handwas bevatte. Bovendien was er een zone gereserveerd voor het knutselen waaraan mijn vader zich soms overgaf. Hoewel hij zich maar hoogst zelden bezondigde aan het construeren van liftschachten op ware grootte, kwam het toch regelmatig tot stofstuivend figuurgezaag, zodat ik onvoldoende rust en ruimte genoot om mijn onhandigheidstalent tot bloei te brengen.
Toen ik oud genoeg geworden was om niet meer voortdurend het risico te lopen overboord te kukelen, werd het ledikantje vervangen door een echt bed, dat opgeklapt kon worden. Overdag had ik daardoor net genoeg bewegingsvrijheid om mij bezig te houden met het Hamertje-Tikspel, dat de fabrikant in geheime nauwe samenwerking met een producent van hoofdpijnstillers had ontwikkeld.
Boven het bed bevond zich een houten betimmering, waaraan een rood gordijn railsgewijs bevestigd was, zodat het opgeklapte gordijn aan het zicht onttrokken kon worden. Deze betimmering was weinig solide aan de muur bevestigd, dus mijn moeder verbood mij er een overdaad aan speeltuig op uit te stallen; ik bewaarde er slechts wat auto’s, knikkers en andere draagbariteiten op.
Ik ontwaakte vaak op de meest ongelegen momenten, bij voorkeur rond middernacht en bij volle maan, uit angstdromen die mij het zweet over de graat deden lopen. Ik schoot dan panisch overeind, en torpedeerde met mijn kleuterknars de betimmering, waardoor het rollend speelgoed in beweging kwam, zich naar de rand begaf en op de grond kletterde.
Mijn angst voor de nacht nam toe, en ik pijnigde bij voortduring mijn nog onderontwikkelde hersentjes om op een Eureka-Erlebnis te komen. Op een avond, in het schemerdonker naar de bloedstollend door een straatlantaarn beschenen motieven in het behang starend, nam ik een besluit. Ik trok het opklapbedgordijn om mij heen dicht, en meende zo de eventuele nachtbelagers buiten te hebben gesloten. Maar na een paar betrekkelijk angstvrije nachten achter het gordijn te hebben doorgebracht, realiseerde ik mij dat de doodsdemonen van gene droomzijde zich waarschijnlijk niet zouden laten weerhouden door een flutgordijn.
Helaas wist ik wederom raad.
Het bed mocht alleen worden opgeklapt wanneer vier bretelachtige riemen met haken eraan over matras en dekens waren bevestigd. Mijn nieuwe (en eenmalige) nachtbeveiligingsexperiment voerde ik als volgt uit: onder de dekens en achter het gordijn gekropen, maakte ik de riemen over mij heen aan de rand van het bed vast. Vervolgens woelde ik heen en weer en om en om, in een reeks intuïtieve reflexen – net zo lang tot de ligplaats kapseisde, en ik die nacht onaantastbaar sliep, hulpeloos ingeklemd tussen bed en muur.
Ik was toen vijf jaar.
Langzamerhand (om eufemerend te refereren aan het tomeloze tempo waarin deze ontwikkeling zich voltrok) groeide mijn onhandigheidszin.
Vier kasten hielden de schuifdeuren die voor- en achterkamer scheidden in bedwang; althans, dat was de opzet. Op een zondagochtend ging ik zo intens op in ruïnerend vermaak, dat een schuifdeur niet alleen krakend uit de rails liep, maar tevens min of meer spontaan de slaapkamer van mijn ouders binnen tuimelde; zij konden op het nippertje aan een voortijdige verplettering ontkomen, door ijlings de sponde te ontvluchten en zich met onbeschrijfelijke hartslag tegen de muur geplet te houden.
Ik was toen zeven jaar.
In een van de suitekasten bevond zich de Koektrommel. Mijn moeder was er zich van bewust dat mijn ongezonde belangstelling hier zeer naar uitging, en wanneer zij het huis verliet om boodschappen te gaan doen, zorgde zij ervoor dat de sleutel van de kast in haar tas zat.
Ik zag deze onrechtvaardige gang van zaken enige tijd lijdzaam aan, maar mijn groeiende weerzin kreeg ten slotte de overhand. Gelukkig was ik door het jarenlange Hamertje-Tikken nogal doe-het-zelvig geworden. (Het liefst bedreef ik dit welluidende spel op de keukendrempel, vanaf welk epicentrum de geluidsvoortplanting door de diverse vertrekken het imponerendst was; ja, ik hield wel van een beetje kabaal op z’n tijd – toen mijn zusje haar derde verjaardag vierde, verzorgde ik met twee vriendjes op het balkon een lawaai-aubade, waarbij wij omwonenden tot razernij brachten, door atonaal met allerlei voorwerpen op allerlei voorwerpen te hengsten; wij waren toen twaalf jaar.) Tevens had ik tijdens de herstelwerkzaamheden waarmee ik mijn vader regelmatig opzadelde de toepassingsmogelijkheden van hamer en beitel bestudeerd, en met dit demontatie- annex destructiegerei gewapend beklom ik de stoel die ik tegen de kastdeur had geplaatst. In korte tijd slaagde ik er niet alleen in de deur uit de scharnieren te lichten, maar bovendien een aantal verflagen aan de oppervlakte te brengen en een imposante reeks behangverminkingen op mijn naam te zetten.
Ik had nu vrijelijk de beschikking over de aanvankelijk vrijwel volle, maar weldra nagenoeg lege koektrommel. Mijn buikje rond gegeten, besloot ik de deur weer even in de scharnieren te lichten, maar mijn krachten hadden mij in de steek gelaten. Ik zon op een alternatieve wijze van aanpak, en mijn gedachten gingen daarbij in het bijzonder uit naar de hefboomvariant, maar ik had onvoldoende gelegenheid een werkbaar plan tot ontwikkeling te brengen, want zonder kloppen was mijn moeder binnengekomen.
‘Haai mam! Ik heb vast even een koekje gepakt!’
Mijn geboorte, die haar nog regelmatig op een portie postnatale agressie kwam te staan, ernstig betreurend en mijn bestaan vervloekend, gaf zij onomwonden haar mening over wat ik tot stand had gebracht, en terwijl haar temperament een buitengemene vorm kreeg, diende ze mij een fors aantal onder de omstandigheden opmerkelijk zuiver gemikte petsen toe, in haar drift geen acht slaand op mijn tegenwerping dat de wetenschap nu eenmaal offers vraagt.
Ik was toen acht jaar.
Op de onderdelen Onbedoelde Onhandigheid en Impulsieve Interieurrenovatie keek ik de kunst af van een klasgenoot. Hij bewoonde, met zijn ouders en talloze broertjes en zusjes, een eensgezindwoning bij ons in de buurt. (Zijn moeder had geloof ik moeite met koken, want voor elke maaltijd werd er door iedereen gebeden.) Op een herfstmiddag waren de ouders naar een huwelijksreceptie gegaan, en zouden pas ’s avonds laat terugkeren. Ik was uitgenodigd in de tussentijd te komen spelen, en na de ouderlijke aftocht besloten we (onder leiding van de vier oudste broers) de huiskamer te gaan demonteren.
Begonnen werd met de staande schemerlamp, die spoedig in onderdelen van snel vergeten herkomst liggend op de vloer te bezichtigen was. Met groot technologisch inzicht en vernuft (twee broers bezaten een Philips Constructiedoos, en twee anderen doorliepen de LTS aan de Laakkade, dus dat zat wel goed) werd de eettafel onder handen genomen en in elementen ontbonden. Tot zo halfnegen in de avond gingen we met overgave voort, en betrokken kalmpjes aan de gehele huiskamerraad in het project, zodat op genoemd tijdstip het wandmeubel ontmanteld was, de leuningen van het zitcomfort niet langer als daartoe behorend herkenbaar waren, het mechaniek uit een al vele generaties schadevrij in de familie circulerende Friese klok was weggenomen, de beeldbuis zich op meters afstand van het televisietoestel bevond, de radio was gereduceerd tot een intrigerende collectie brommende buizen en navonkende draden, en al het overige dat ook maar enigszins aan iets anders bevestigd had gezeten, was losgedraaid, -getrokken of -getrapt.
Dat de boekenkast tegen etenstijd voorover sloeg was de met veel gejuich begroete finishing touch, die alleen materiële schade tot gevolg had, inzonderheid de verplettering van een zeldzaam Chinees vaasje uit de Pingpong Dynastie.
Omdat wij jonge onderzoekers zo bezield van leer trokken en de enige klok knock-out in een hoek lag, verstreek de tijd zonder dat wij er erg in hadden. De bij lamplichtontstentenis extra goed merkbare duisternis deed ons uiteindelijk besluiten het verloederde woongebeuren maar weer in de oude staat terug te brengen, want de ouders konden elk moment in polonaise arriveren. Snelheid was belangrijker dan zorgvuldigheid, zodat na de provisorische restauratie verschillende onbenoembare bestanddelen nergens beter op hun plaats leken te zijn dan in de asemmer.
Waar de overtollige componenten thuishoorden, vernam ik de volgende dag van de klasgenoot, die mij kwam opzoeken omdat hem voor onbepaalde tijd de toegang tot het ouderlijk huis ontzegd was geworden. Reeds aan het ontbijt, bij het bidden rond de zojuist in de theemuts geplaatste volle theepot, had de eettafel het begeven, en werd er een apocalyptisch tafereel geschapen, dat het qua indringendheid slechts moest afleggen tegen wat vader aan vreselijke Bijbelspreuken citeerde.
Ik was toen elf jaar.
Aangezien mijn onhandigheid in huiselijke kring te weinig op prijs werd gesteld, heb ik mij altijd zoveel mogelijk getracht in toom te houden, maar helemaal goed is het nooit gekomen. Talloze onfortuinlijke samenlopen van omstandigheden zou ik nog kunnen opsommen, maar het is al laat, en voor het helemaal donker geworden is wil ik nog proberen het oliepeil van mijn auto te meten.
Ik ben nu .. jaar.

Die onhandigheid van u, zou die sociologisch te verklaren zijn?
– Ik vermoed dat het komt doordat mijn linker- en rechterhersenhelft momenteel gescheiden zijn, al ben ik uiteraard geen hersenchirurg. Misschien heeft het een astrologische oorzaak. Mijn sterrenbeeld is namelijk Tweelingen, en alsof dat niet erg genoeg is, heb ik Venus in Stier, Mars in Ram, en Schorpioen als Ascendant. Zegt u dat iets?
Nee, niets. Maar had die onhandigheid van u, behalve op de handenarbeidprestaties, ook nog invloed op andere schoolvakken?
– Ja nou. Op de lagere school raakte ik ernstig achter met rekenen, en mijn vader kreeg het advies mij bijles te geven. Hij bedacht sommetjes, en ik moest proberen die op te lossen. Vaak resulteerde mijn gereken in een uiterst vermakelijke uitkomst. Mijn vader gaf me een keer op: Als een kilo appelen f 1,50 kost, hoeveel kost anderhalve kilo dan? Mijn minutenlange hoofdgereken bracht mij op het triomfantelijke antwoord: vijftien ons.
U bent gewoon te vroeg geboren: tegenwoordig hebben kinderen rekenmachines en harde schijven tot hun beschikking.
– Ja, maar waar leidt dat toe? Geen kind kan meer eigenhandig optellen of aftrekken. En als ze ’s middags uit school komen gaan ze languit voor de televisie liggen en MTV kijken, terwijl wij braaf ons huiswerk gingen maken, of een verantwoord boek lazen, of een robbertje straatvochten. En heeft u niet gehoord van dat sociologische onderzoek, een paar jaar terug? Daaruit bleek dat Groningse studenten niet kunnen spellen! Ja, u zult zeggen: het zijn Gróningse studenten, in Den Haag zal het wel meevallen, en dat is natuurlijk ook zo. Maar het is evengoed te gek voor woorden, dat men na twee jaar kleuterschool, zes jaar lagere en pakweg vijf jaar middelbare het Nederlands nog niet beheerst! Als ze afgestudeerd zijn komt er alleen nog maar welzijnsbaardenpraat uit die studenten. Ze zullen het hebben over ‘een stuk’ dit of dat, en over ‘plaatjes’ die ‘op tafel’ liggen. Voor de laatste keer: men mag de uitdrukking ‘een stuk’ alleen gebruiken om aan te geven dat er iets kapot is. Bijvoorbeeld: ‘Mijn dure Chinese vaas uit de Pingpong Dynastie viel op de grond, en onder de bank vond ik later een stuk van de vaas terug’. Of: ‘Hè, ik heb eigenlijk best wel trek in een stuk kaas’.
Maar die kaas hoeft toch niet per se kapot te zijn?
– Jawel, want als je een stuk van de kaas eet, is de kaas niet heel meer, net als met een heel brood waar maar één snee uit gaat, waarna het dus geen heel brood meer is. Nee, volgens mij kan er niet genoeg geprotesteerd worden tegen onnodige taalverminking. U heeft het steeds over sociologisch onderzoek, en daar ben ik natuurlijk hartstikke blij om. Een dergelijk onderzoek plegen onderzoekers ‘op te starten’. Opstarten! Wat is dat nou weer voor een uitdrukking! Als je vroeger ergens mee of aan begon, dan had je genoeg aan het werkwoord ‘beginnen’. Op den duur raakte dit uit de mode, en sprak men liever van ‘starten’. En nu dus ‘opstarten’! Ha, gezellig, jongens, de zon schijnt: ik ga de auto even opstarten en een eindje rijden. Nee, wacht, er ligt nog een plaatje op tafel, dat ga ik eerst draaien.
De vooruitgang hou je niet tegen.
– Dat moet u niet zeggen. Als je je auto niet opstart kom je echt niet vooruit, zelfs geen stukje. Nee, ik ben heus niet vies van de zegeningen van het hedendaagse bestaan, maar modern taalgebruik… En van elk mongoloïde babbeldialect maken ze tegenwoordig een geinig boekje met een leuke foto voorop. Zogenaamd een sociologisch tijdsbeeld, ja ja. Stelt u mij voor de aardigheid maar eens een paar modieuze vragen, dan zult u horen wat ik bedoel.
Eh… Hoe staat u in het leven?
– Met één been in het graf.
Als u over uw familie schrijft, hoe gaat u daar dan mee om?
– Met mijn familie ga ik al járen niet meer om.
Probeert u met uw werk uw eigen grenzen te verleggen?
– Ik kan er moeilijk de Europese grenzen mee verleggen.
Is het verleggen van uw eigen grenzen een bewuste keuze?
– Een keuze is altijd bewust! Als het niet bewust was zou het geen keuze zijn, en als het geen keuze was zou het niet bewust zijn!
Inderdaad, als u het zo bekijkt wordt er nog maar zelden een zinnig gesprek gevoerd.
– Dit is waarschijnlijk een van de laatste zinnige gesprekken, als het zo doorgaat. Maar laten we alsjeblieft niet idealiseren, vroeger kon men er ook wat van. Er waren net zo goed als nu taalverloederaars die moeite hadden normale uitdrukkingen te gebruiken, en die het niet gewoon over de wc hadden, maar over de ‘brillekiek’, of het ‘gemakhuisje’. En in plaats van tanden en kiezen zeiden ze

BIJTIJZERS

Het ergste leed is kinderleed, en het zijn niet alleen kinderen die daarvan doordrongen zijn. De vergelijking raakt kant noch wal, maar het van foetus tot puber evolueren is zoiets als het met een lekke roeiboot zonder riemen doorkruisen van de Bermuda Driehoek bij windkracht twaalf. Geen volwassene zou dit overleven zonder voortdurende begeleiding door welzijnsbaarden en andere vrijwillige of gediplomeerde goeddoeners uit de halfzachte sector, maar een kind wordt geacht het allemaal zonder morren te doorstaan. Opgroeien noemt men dat. Ziektes, inentingen, postnatale groeistuipen, onverwerkte prenatale neurosen, en niet te vergeten: tandartsbezoek.
Mijn robuuste natuur deelde zich al bij de geboorte aan het verbijsterde ontvangstcomité mee: ik weigerde toen ik te voorschijn gekomen was spontaan te huilen, en zelfs de door een groepje cheerleaders in canon vertolkte aanmoedigingsyell richtte niets uit. Ten slotte nam de homeopathische freelance baker, naar men mij later vertelde, haar toevlucht tot een beproefd oudepaardenwijvemiddeltje: ze plantte de hak van haar hoge schoen in mijn maagstreekje, en drukte in mijn rechteroor haar sigarenpeuk uit. Ik schold haar stijf, en verviel zodoende in het voor verder leven onontbeerlijke ademhalingsritme. De baker werd na haar doortastende optreden uit de homeopatenbond gezet, maar vond gelukkig emplooi in de vivisectie.
Mijn ouders waren zeer onder de indruk van mijn stalen inborst, en beleefden daar in de loop der jaren nog vele staaltjes van. Wanneer ik als darrende kleuter op straat ten val kwam en mijn knieën tot bloedens toe blesseerde, bleef ik onverstoorbaar. Heel mijn jeugd trachtte ik het plengen van pijntranen te voorkomen, en daartoe las ik Arendsoogboeken, waarin Witte Veder, die net als ik mocassins droeg, geen extraverter emoties uitte dan een toonloos ‘Ugh!’ (een woord waarvan geen kind wist hoe je het moest uitspreken) – en dan nog alleen bij hoge uitzondering, zoals wanneer men hem met een dolk een kogel uit het dijbeen sneed.
Ter contrast: op de kleuterschool zat in mijn klas een aansteller die ook vaak viel en zijn knieën openhaalde. Hij stond dan gewoon weer op en speelde verder, maar als hij tien minuten na het ongeval alsnog een druppie bloed ontdekte, begon hij te huilen en was niet meer tot bedaren te brengen. De juf legde uit dat hij voortijdig last had van een latente moederbinding, die pas over zou gaan als hij later zijn vader had vermoord.
Tegen kennissen en familieleden sneden mijn ouders over mijn verbluffende incasseringsvermogen op, en zij verkeerden in de veronderstelling dat ik een bezoek aan de tandarts kraaiend van plezier zou ondergaan. De eerste keer dat ik met hen in de wachtkamer zat, had ik geen idee aan wat voor maffe witjas ik nu weer blootgesteld zou worden. De tandarts (hij werd later door iemand uit het verzet herkend) ging zelfverzekerd te werk, en vond twee gaten, die hij meteen vulde.
Het gebitsgeneeswezen stond evenals ikzelf nog in de kinderschoenen, al was er sinds W.C. Fields de nodige vooruitgang geboekt. De tandpatiënt kon kiezen uit twee boormethodes: een snelle en een langzame. De snelle manier was pas onlangs ontwikkeld, en de langzame was al evenmin pijnloos.
In de 21ste deze eeuw heeft de naoorlogse wederopbouw al zozeer getriomfeerd, dat er zelfs positieve veranderingen in de dentale bedrijfstak te bespeuren zijn. De behandelstoel onderging een metamorfose en werd een semi-ligbank. Tegenwoordig geschiedt het trekken, zenuwbehandelen en machinaal maltraiteren in een voor de gebitslijder comfortabele horizontale positie. Hij ligt er lekker bij, maar de paniekogen van de plombant vinden doorgaans weinig troost bij het aan het plafond bevestigde televisietoestel, als daarop scènes uit de film Marathon Man vertoond worden.
Met een verzoek om verdoving laat men zich niet langer als een halfgaar eitje kennen, maar ik stam uit de jaren vijftig, en ben behept met een normbesef dat dicteert dat een man tegen pijn moet kunnen. Mijn ogen zeggen a.u.b. graag, maar mijn hoofd schudt vastberaden nee, bij het narcoseaanbod van de plombeur, en het volgende halfuur lig ik totaal verkrampt onderuit, en tuur grootogig naar de in slow motion rondkruipende secondewijzer van de klok aan de muur. Terwijl de boor zich gierend een weg baant door openliggende zenuwverbindingen, sla ik een been over het andere, en tracht mijn hoofd à la Fred Flintstone tussen de schouders te laten verdwijnen.
Toen ik een jaar of zeven was, constateerde de tandarts dat mijn onder- en boventanden zich onrecht ten opzichte van elkaar verhielden; de bovenrij week naar voren, en de onderpartij zat mijn tong in de weg. Daar kan men, sociologisch gesproken, mee behept zijn door aanleg of milieu, door te duimen of door veel pijpen te roken.
Aanvankelijk werd met een huismiddeltje (een houten ijslepeltje) getracht de zaak weer in balans te krijgen, maar toen dit onvoldoende resultaat had, werd professionele hulp ingeroepen. Er zat niets anders op: de tanden moesten in de steigers.
De specialist liet mij een paar maal gips happen. Voor wie dit genot nimmer heeft mogen smaken: stel u voor minutenlang met een mond vol koude havermoutpap te zitten die zoutarm en klonterig is en naar gips smaakt.
Anno momenteel vertoont de buitenombeugel gelijkenis met een voorover getuimelde walkmankoptelefoon; zo’n kwart eeuw geleden bood de gebitscorrector een minder architectonisch doorwrochte aanblik. Ik kreeg een onder- en bovenbeugel van plastic aangemeten; mijn articulatievermogen liep er zo sterk door terug, dat ik alleen nog in medeklinkers kon spreken. Nee, die beugels, dat was niks gedaan, en ik bewandelde slinkse wegen om ze zo min mogelijk in te hebben. Ik was wel goed, maar niet bij mijn hoofd!
’s Nachts bewaarde ik beide beugeldelen onder mijn kussen. Bij het wakker worden graaide ik ze geroutineerd te voorschijn, en bracht ze snel in. Nog proef ik hoe droog en bitter ze dan smaakten. Ik haastte me naar de keuken, en kwakte ze in een omgebouwd kunstgebitglas – ontbijten hoefde ik er gelukkig niet mee.
Op school ontdeed ik me ook van de mondkrengen; ik verborg ze in de bergruimte onder mijn tafeltje, waar ze een plaatsje toebedeeld kregen tussen de boeken en schriften en opgedroogde hompen kauwgummi en neuspulk (want ik zat nog in het nasale stadium). Vaak werd het bij de laatste bel een zenuwachtig zoeken om ze weer terug te vinden.
Ben ik in het bezit van verstandskiezen? Geen idee. De kiezen lopen bij mij door tot waar geen ruimte is voor meer. Soms, als ik slaperig in de scheerspiegel kijk, en zo op indringende wijze geconfronteerd word met mijn ochtendlijke uiterlijke verschijning (een rotkop is een mooi bezit, dat men pas op latere leeftijd leert waarderen) werp ik een blik op mijn bemoste zerkengalerij. Bedorven wachters van ’t maagdarmkanaal… Hm, die stompjes houtskool daar helemaal achteraan, ja, die daar… Zouden dat misschien mijn verstandskiezen zijn?
En nadenkend scheer ik mijn gezicht open.
Mijn opa kreeg pas op hoge leeftijd een kunstgebit, en zelfs toen was het eigenlijk niet nodig. Er hoefden maar een of twee kiezen getrokken te worden, en bij die gelegenheid gaf hij opdracht meteen alles maar weg te saneren. Hij raakte in hoge mate in de ban van zijn mondprothese. Zelfs in gezelschap, zélfs op een verjaardag, nam hij het gebit ongegeneerd uit de mond, en bracht het na aandachtige bestudering weer in. De tandarts meed hij, en hij had niet in de gaten dat het gebit op den duur, door het slinken van zijn kakement, losser en losser kwam te zitten. Op het hoogtepunt van zijn lostandigheid gebeurde het dagelijks dat tijdens het spreken onder- en bovengebit van plaats verwisselden.
Opa had eigenzinnige eetgewoonten. Snoepen deed hij zelden, maar soms at hij een toffee. Traag malend trachtte hij eens de zoetigheid klein te krijgen. Na een paar minuten kreeg hij een ingeving, nam de toffee uit de mond, en verwijderde alsnog het cellofaan. Zijn ijs eten was een bezienswaardigheid van de eerste orde, maar je moest verdomd goed opletten, want het was gebeurd voor je er erg in had: van een Italiaans hoorntje nam hij per hap een heel bolletje tot zich, en slikte dat zonder noemenswaardig kauwen door. Met deze schrokzin ben ik helaas zelf ook behept, en meestal breekt er halverwege een ijsmaaltijd achter mijn ogen brand uit.
Vorige week (lees: begin 1984) kwam mijn fysieke aftakeling eindelijk op gang. Ik hapte de ochtend die het betreft argeloos in knäckebröd met sesamzaden en goedgekeur­de voedingsvezels uit de ongerepte natuur, beet stevig door, en voelde een pijnsteek van een rechter onderkies diagonaal naar mijn kruin schieten. Ik zond mijn tong op onderzoek uit, en jawel hoor: daar kwam de wendbare lap mondvlees aanzetten met een afgebroken kiesbrok en een stuk losgeraakte vulling.
Aj. Bloed aan de knikker.
Mijn eerste reactie was: ach, laat maar rotten, net als de rest. Maar nader inziend herkende ik deze self-destroying prophecy als een wel erg negatieve grondhouding, en ik maakte dus dat ik als de wiedeweerga in een haaks hierop staande invalshoek belandde, van waaruit de troost lonkte van een kundige tandarts die waarschijnlijk vast wel een stuk herstelbeogend renoveringswerk zou kunnen verrichten.
Zo gedacht, zo gedaan. Dat wil zeggen: zo gaat binnenkort gebeuren. (Lees: zo is voorjaar 1984 gebeurd.)
Inmiddels heb ik het zeepdoosje waarin een deel van mijn melkgebit een voorlopige rustplaats gevonden heeft (mettertijd gaat alles mee de kist in) uit de keukenla gehaald, en het eervol gesneuvelde kiesbrok ceremonieel bijgezet.
In het ontluisterende besef dat mijn jeugd nu (lees: toen reeds) definitief voorbij was, heb ik geruime tijd somber nagedacht over de godvergeten vergankelijkheid van alles, de uitzichtloosheid van het bestaan in het algemeen en het mijne in het bijzonder. In sommige binnenlanden van Afrika heb je stammen waar men zijn gebit tot aan de dood binnensmonds houdt – maar ja, je hebt je tanden niet voor het kiezen.

Ongemerkt zijn we bij het thema literatuur terechtgekomen. Bent u thuis in het werk van de grote schrijver Knerts Nertsmelker?
– Eh… Ik geloof het niet, nee.
Hij heeft indertijd twaalf werkelijk sublieme romans aan zijn overleden vader gewijd.
– Werkelijk? Stel je voor dat die vader was blijven leven! Nee, ik heb nog nooit iets van Nertsmelker gelezen. Ja, hoor eens, ik kan wel de hele dag meesterwerken uit de nationale en internationale wereldliteratuur lezen, maar wanneer moet ik ze zelf dan schrijven?
Knerts Nertsmelker heeft ook zeventien monumentale dichtbundels op zijn naam staan, allemaal opgedragen aan zijn overreden moeder.
– Ik hou niet zo van poëzie.
U schrijft zelf geen gedichten?
– O, best wel.
Dus u bent dichter, en u…
– Wie zegt dat?
U schrijft toch gedichten?
– Ho ho, daarom ben ik nog geen dichter. Iemand die drinkt hoeft niet altijd een alcoholist te zijn. Bovendien, dat ik zelf soms gedichten schrijf wil nog niet zeggen dat ik geïnteresseerd ben in wat anderen op dat gebied presteren. Het is net zoals met… Kijk, ik vind het bijvoorbeeld reuze aangenaam om zelf op z’n tijd… Nee, dat is misschien een beetje een onzedelijke vergelijking… Wacht: zelf mag ik graag fietsen, maar als de Tour de France op de televisie wordt uitgezonden kijk ik nooit.
En wat de poëzie betreft?
– Tja, dichters zijn meestal mensen die zich het liefst ongelukkig voelen. Dat geeft niet, iedereen heeft er recht op ongelukkig te zijn, en ik zal de laatste zijn om wie dan ook dat recht te betwisten. Maar dichters menen ten onrechte dat hun in dichtvorm gegoten tegenspoed wereldnieuws is: ‘Geachte toehoorders! Terwijl zij mijn vader in de regen naar zijn laatste rustplaats begeleidde, is hedenmorgen mijn lieve moeder door blikseminslag in rook opgegaan. Zelf heb ik nog maar tien minuten te leven, en daar heb ik navolgend gedicht over geschreven.’ Of zo’n dichter is door een genetische afwijking verzot op de meest bizarre natuurverschijnselen, tot dode varkens en exotische reptielen aan toe, en begint als een razende te rijmen als de vogels naar het zuiden vliegen, terwijl een normaal mens denkt: opgerot staat netjes, dat scheelt weer vogelpoep. Maar nee hoor: ‘Vogel, waarheen is uw vlucht?’ Nou, naar het zuiden natuurlijk. Of naar het noorden als ze weer terugkomen, weet ik veel. En het ergst zijn wel verliefde dichters. Die hemelen tot kotsens toe een vermeend engelachtige verschijning op, met wie ze van plan zijn boven de wolken te gaan zweven, en meer van zulke aviatische capriolen die zonder vangnet sterk af te raden zijn. En dan staat er achterop zo’n dichtbundel (die ‘Impassevruchten’ heet of een andere titel waarbij je eerst nog denkt dat je dyslexie hebt) een foto van de verliefde dichter, zodat je onwillekeurig bij jezelf zegt: jij kan beter eerst een plastisch chirurg op die kop van je loslaten, voordat je engelachtige wezens de stuipen op het lijf jaagt met je voornemen samen in een eeuwige baan om de aarde het geluk te vinden.
Nou, u hakt er aardig in.
– Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.
Ik wil niet lullig doen, maar qua uiterlijk mag u er zelf ook wezen.
– O, een schrijver kan niet lelijk genoeg zijn. Maar laten we het toch in hemelsnaam sociologisch houden!
Fijn, daar wilde ik juist naartoe. Kunt u tegen onrecht?
– O ja hoor, ik wel. Daar kan ik gelukkig erg goed tegen.
Hè?
– Nou ja, bij wijze van spreken dan. Je hebt op de televisie van die praatjesprogramma’s waarin aan bekende Nederlanders wordt gevraagd: kan jij tegen onrecht? En dan antwoorden ze: o, nee, ik kan absolúút niet tegen onrecht. Maar evengoed bestaat er altijd en overal onrecht, en mensen die beweren daar niet tegen te kunnen leven rustig verder. Zonder het te beseffen kunnen ze dus heel goed tegen onrecht.
Die hele problematiek van onrecht te ja of onrecht te nee, daar kleeft duidelijk ook een sociologisch raakvlak aan.
– Ja, natuurlijk. De mensen kletsen toch maar wat als er wat gevraagd wordt! Zo heb je bekende televisiefluimen die met accordeonbegeleiding over de Jordaan zingen. Dan denk je als luisteraar: nou, het is daar nog niet zo gek wonen, in de Jordaan, met de hele dag mensen hossend over straat, en een saamhorigheid of het elk moment oorlog kan worden. Maar bekende televisiefluimen die met accordeonbegeleiding over de Jordaan zingen, die wónen helemaal niet in de Jordaan! Nou, daar staat je verstand dan bij stil, vind ik. Net als bij hondenpoep. Ik geef een voorbeeld: iemand heeft pas een hond, en die hond is nog niet zindelijk, dat komt in de beste families voor. De baas stapt ’s morgens uit bed, zet z’n blote poten niet op het koude zeil, maar midden in de hondsdrolheid, die tussen z’n tenen omhoog kruipt, gewoon niet smakelijk meer. Nou wordt op een gegeven moment die hond dus zindelijk, dus die kakt netjes in de goot, en niet meer in de slaapkamer van de baas. Maar verderop in de straat woont iemand die overal schijt aan heeft, en die geen hondenbelasting of rioolrechten betaalt en ook altijd zwartrijdend met het openbaar vervoer mee: puur een fascist. Als hij in zijn joggingpak z’n hond uitlaat zit die hond niet aan de riem, wat nog strafbaar is ook, maar dat zal die vent een zorg zijn, want hij zit met z’n kaalgeschoren kop op een achterbuurtsportschool, dus geen mens kan ’m zonder gevaar voor eigen leven fysiek wat maken. En die hond, die niet beter weet, die kakt waar ’t hem respectievelijk haar uitkomt, net zo lief midden op de stoep. Dan heb je dus in één en dezelfde straat (wat je theoretisch met heel Nederland kunt vermenigvuldigen) minimaal twee honden, die hetzij op de stoep, hetzij netjes in de goot, hun ingebakken behoefte doen. Maar in diezelfde straat wonen ook mensen zónder hond, en dan zijn er niet te vergeten mensen uit een andere straat, of voor mijn part een andere stad, en die komen op een goede dag nietsvermoedend door die bewuste straat met die twee honden gewandeld, en dan zien ze in de verte een oude kennis of een dood gewaand familielid lopen, dus ze roepen van: ‘Hee, hoe gaat ’t ermee, dat is ook lang gelee!’ En voor ze er erg in hebben trappen ze pardoes in een drol van heb ik jou daar. Nou, als zoiets je een paar keer is overkomen, vooral met profielzolen die je vervolgens uren kunt gaan reinigen met een oude tandenborstel die toch niet meer gebruikt wordt, terwijl je iemand te logeren hebt die er ’s anderendaags nietsvermoedend zijn tanden mee begint te poetsen, nou, dan kan je dus in feite twee dingen doen: óf nooit meer iemand gedag zeggen in een straat waar ook honden komen, óf een boze brief aan het plaatselijke huis-aan-huisblad schrijven. Maar wat zie je bij de laatste optie allerwegen gebeuren? Wekenlang staat de brievenrubriek vol voor- en tegenstanders van hondenpoep. De een roept: ‘Driewerf schande!’ De ander: ‘Graag juist!’ Of: ‘Grootscheepse onzin van mensen die zelf ook maar raak kakken. Mijn hond heeft nog nooit gepoept!’ Er zijn er ook die beweren dat mensen die niet van hondenpoep houden dierenhaters zijn. Maar dat is toch onzin! De mensen die tegen hondenpoep in opstand komen spelen oprecht de drol, en niet de hond. Nee, daar zakt persoonlijk echt m’n broek van af, als ik zoiets lees. Het is toch zeker niet de schuld van de hond, het is de schuld van de hondenbezitter, die van mijn belastingcenten geen hondenbelasting betaalt en al die hondenpoep aan zijn laars lapt en er mooi weer mee speelt. En dan moet je de mensen eens horen over onrecht waar ze zogenaamd niet tegen kunnen, terwijl ik zelf vanwege die accordeonmuziek al niet in de Jordaan zou willen wonen, temeer daar de hondenpoep er gigantisch de spuigaten schijnt uit te spuiten.
Knerts Nertsmelker heeft daar eens een ontroerend gedicht over geschreven.
– Over accordeonmuziek in de Jordaan?
Nee, over hondenpoep. Het liep tegen kerst, en z’n zieke moeder fietste terug van de plastisch chirurg. Het ijzelde, moeder gleed onderuit, en schoof met haar nieuwe neus door een nog dampende hondendrol. Zeer geraffineerd op rijm gezet. Hoe ze even later door een 750 cc Honda met zijspan overreden werd. Heel meeslepend beschreven. Prachtig gewoon.
– Precies, dat bedoel ik nou. Dat is weer typisch een voorbeeld van onrechtvaardig gedeponeerde hondenpoep. Ik bedoel, je kunt als rechtschapen belastingbetaler met of zonder nieuwe neus toch haast nergens meer behoorlijk

FIETSEN

Vroeger kregen gehoorzame kinderen op hun negende verjaardag een fiets cadeau. Dat was verplicht – niet wettelijk, maar de sociale controle stond geen afwijking van de norm toe.
Je was die dag van de zenuwen al voor zessen klaarwakker, rende koortsig van feestpret en verwachtingsvolle sidderingen naar de slaapkamer van je ouders, en ontwaarde bij opkomende zon (want mijn negende verjaardag viel in juni) in het gordijn het silhouet van de erachter verborgen fiets.
Verder ontving je van je ouders geen geschenken, want er was geen geld. Ja, er wás wel geld, maar dat stond onaantastbaar op de Bank, waar het werd bewaakt door de Leeuw van de RPS, de schrandere Koning der Dieren en Geldtransacties, die pasgeborenen een gratis spaarpot met wijze spreuken stuurde. (‘Haal de spaarpot uit z’n hoekje, het geld hoort op het spaarbankboekje’ – ‘Wees welkom zolang het postkantoor geopend is’.)
Het Kapitaal lag er hoog opgetast in uitpuilende kluizen, die vergrendeld waren met sloten waarin een onbreekbare sleutel driemaal omgedraaid moest worden. Was de eerste kluisdeur open, dan stond de brandkastkraker oog in ooglap met een kleinere kluis. Die kon hij alleen open krijgen als hij een slechts door de bankdirecteur (een zeer boze zeer dikke man met een zeer lange baard die zeer dure sigaren rookte en zeer rijk was en op een zeer geheim ‘sleuteladres’ woonde) gekende cijfercombinatie correct uitvoerde. Draaide de bandiet één klik te ver door, dan trof hem onmiddellijk een bokshandschoen in het ongure gelaat – en wanneer het een duurder model kluis betrof kon het gehele bankgebouw, inclusief de belendende percelen en alles wat daar aard- of nagelvast mee in verbinding stond (tot wel zes kilometer in de omtrek) in verpulverd puin verkeren.
Neutronenkluizen die alleen de inbreker opblazen had je toen nog niet.
De fiets die de jarige ontving was doorgaans zo’n twee jaar uit de mode, en voor hij erop kon fietsen moest hij nog drie jaar groeien. Het eerste manco kwam hem op hoongelach van vriendjes te staan, maar aan het tweede was wat te doen: de aspirant fietsvirtuoos liet blokken op de pedalen aanbrengen. Hij kon dan volwaardig fietsen, maar niet stilstaan, want dan viel hij om.
Ik zou nog drie weken enig kind blijven, maar was in elk geval voor de rest van mijn leven de oudste, en dus kreeg ik een echt nieuwe fiets; kinderen uit grote gezinnen moesten het doen met afdankertjes van een oudere broer of zus, en als je de jongste was kon je fiets oplopen tot wel zevendehands.
Fietsen leerde je niet in een dag: je vader reed de eerste weken naast je, en hield je dichtstbijzijnde schouder in de klemgreep. Een maandje of wat ging je de straat op en neer zonder te hoeven trappen, het volgende halfjaar probeerde je dat voorzichtigjes, en na een paar jaar mocht je sturen, maar alleen op zondag, als er niet veel verkeer op de weg was.
Kort na mijn verjaardag begon de grote vakantie. Overmoedig geworden door snel verkregen rijvaardigheid, wilde ik meteen solo naar een oudoom in Den Helder karren, met brood mee voor onderweg, maar het ouderlijk gezag was sterk tegen dit voornemen gekant – ik was immers nog minderjarig.
‘Maar ik ben toch net zo vaak jarig als iedereen?’ wierp ik vruchteloos tegen, en verzuimde een opvoedkundige oorvijg te ontwijken.
Mijn ouders fietsten ook. Mijn moeder kocht in de jaren vijftig, toen een dubbeltje nog een kwartje was en het dus niet uitmaakte waar je voor geboren was, voor ruim driehonderd gulden een oerdegelijke fiets van het merk Locomotief, en als de dief hem goed onderhouden heeft, rijdt die nog als een trein.
’s Morgens vroeg, om de zonsopgang te vlug af te zijn, vertrok mijn vader voor een lange rit tegen de wind in naar het Voorburgse weegschalenbedrijf N.V. Nationaal. Laat in de middag à vroeg in de avond, als de zon ondergegaan, de wind gedraaid en de regen hagel geworden was, reed hij met doorweekte kledij en beijzelde brillenglazen terug. Vaak dreigde ons barre klimaat hem te veel te worden, maar dan dacht hij even aan mij, en dan ging het weer.
Als mijn geheugen mij geen parten speelt, waren toentertijd alle zomers dankzij de atoombom lang en heet. In de vakantie ondernam ik met een straatgenootje dagelijks fietstochten. We reden als het meezat in één ruk (één ruk duurde ongeveer vier uur) via Delft en Rotterdam naar de Rottemeren, en over Zoetermeer en Leidschendam terug. Een prestatie van Olympische allure, want we hadden geen versnellingsfietsen, maar gewone, met terugtraprem. (Eerlijk is eerlijk, we hadden wél een snelheidsmeter, waardoor we natuurlijk iets harder gingen.)
Vele jaren zijn er sindsdien verstreken, en in die periode gebeurde er veel dat er in dit verband niet toe doet.
Anticiperend op het voortijdig verleppen van mijn luie lichaam, dat door een sportloze lifestyle verontrustende tekenen van stramheid begon te vertonen, besloot ik, na langdurig somber voor mij uit gestaard en vele bundels treurpoëzie verslonden te hebben, haast te maken met het renoveren van mijn verpauperde lijf: ik kocht een racefiets.
In de rijwielhandel keek ik, terwijl een grote som gelds onherroepelijk uit mijn portemonnee en in de kassa was verdwenen, naar het roemruchte rennerszadel, dat, zo meende ik afgelezen te hebben op de onnatuurlijk grimassende koppen van beroepsrijders, de geslachtsdrift onherstelbaar kon beteugelen.
De afstand winkel-woonhuis, die ik in omgekeerde richting binnen een halfuur gelopen had, kwam mij op een kleine driekwartier moeizaam fietsen te staan. De toeclips (je staat in rennerskringen voor gek als je dit woord correct uitspreekt) waren een soort grote-mensen-blokken-op-de-pedalen; wanneer ik even vergat dat mijn tenen erin opgesloten zaten, maakte ik bij stoplichten meteen slagzij.
Toen ik voor het portiek tot stilstand gekomen was en een poging ondernam af te stappen, merkte ik dat de soepelheid van mijn doorgaans onberispelijk gesmeerde kniegewrichten was gedecimeerd. Het vervloekte zadel was er de oorzaak van dat ik mij de eerste dagen bij voorkeur niet in zittende houding ophield. ’s Nachts droomde ik van hobbelige parcoursen, en ’s ochtends ontwaakte ik met hevige zakkramp.
Wat nu? Opgeven? Nimmer! Een De Jong geeft niet op!
Ha! De beschaming! Ten overstaan van allen die van mijn dolzinnige aankoop gehoord hadden sportief te moeten falen – en wat nog veel erger was: honderden guldens weggegooid geld weggegooid!
Nee, dan kenden ze me slecht. Ik zou desnoods tot voorbij het uiterste proberen te gaan – ja, let op, men zou nog raar opkijken, als ik datzelfde jaar reeds triomfeerde in de Ronde van Endegeest!
De eerstvolgende zaterdag, toen de ergste zadelpijn geweken was, mijn knieën niet meer zo klotsend sopten, en ik zonder krakende, knetterende of knappende bijgeluiden (anders dan ten gevolge van een zware bonenschotel) voorover kon buigen om mijn veters vast te maken, vond de Grote Koers Primeur plaats – langer wachten op het doorbreken van de zon leek mij, nu november met rasse schreden naderde, gekkenwerk.
Ik stapte op en zette er meteen een flinke vaart in. Aan de kant, boeren, burgers en buitenlui! Bij een sportfietsenzaak aan de Rijswijkseweg hield ik, omdat er van die verleidelijk warm ogende handschoenen in de etalage lagen te lonken, een eerste pitstop. Ik informeerde binnen naar de prijs, en die viel me niet mee – zeker niet toen ik bedacht dat door het ontbreken van vingers de materiaalkosten miniem moesten zijn. Ja, die haute couture, daar was je als wielrenner mooi mee in de aap gelogeerd; slipjes en rokken werden ook duurder naarmate ze kleiner respectievelijk korter waren, al droeg ik persoonlijk nooit rokken, wat op jaarbasis begrotingstechnisch natuurlijk een hoop scheelde. Maar van voornoemde uitdossing ging tenminste nog een zeker erotische werking uit, hetgeen van door mij gedragen vingerloze handschoenen onmogelijk beweerd kon worden. (Nu ik toch hard op weg ben van het eigenlijke onderwerp van deze beschouwing weg te fietsen: het is vrij algemeen bekend dat de term ‘bikini’ is afgeleid van de dusgenaamde eilandengroep, waar men ver voor de oorlog al gewoon was op het strand een bikini te dragen. Minder algemeen bekend is het dat beha’s het eerst op de Behama’s werden aangetroffen. Om te voorkomen dat ik mij thans nog verder te buiten ga aan een bedenkelijk potje vrij associëren, snel terug naar de fietsenhandel, en zien hoe het afliep.)
‘Krijg ik korting als ik twéé handschoenen koop?’ vroeg ik lollig.
‘Ja, as u maar één hand heb’, antwoordde de brutale middenstander, geoefend in het op hun nummer zetten van amateurcoureurs en andere dorpsidioten.
Nauwelijks beter beschut tegen de weersgesteldheid, maar wel ontdaan van f 19,95 financiële ballast, vervolgde ik de tocht. Ik was blij dat ik niet in een lijvige graalroman rondreed, en onderweg ook nog eens allerlei ijselijke ijsdraken moest bestrijden.
Sombere gedachten kwamen mij gezelschap houden. Was ik nu maar een beetje helderziend geweest, dan had ik mij aan mijn gouden toekomst kunnen optrekken; ik had dan troostende beelden kunnen doorkrijgen van een sportief topjaar als 1992, waarin ik niet alleen moeiteloos op mijn city bike 2782 kilometer aflegde, maar waarin ik daarenboven de marathon van Leiden, bij een temperatuur van 25 graden, in 3.10.59 liep. Maar nee hoor: totaal onkundig van die goeie nieuwe tijd zat ik op mijn fiets. Het was nog gewoon 1979, en ik presteerde met inspanning van al mijn krachten praktisch niets.
Eindelijk: het Rijswijkseplein. Tegen de snijdend koude wind de weldadige uitlaatgassen van bij stoplichten halt houdende auto’s inhalerend, wist ik tot Scheveningen onderkoeling te voorkomen.
Maar dan. De duinen.
Briesend, snuivend en knieknikkend trapte ik me uit de naaf, en meer dood dan fietsend bereikte ik de oase Meijendel, waar de open haard aangenaam brandde. Ik ging aan een tafeltje zitten, en bekeek goedkeurend de botergeile blonde rijkeluistrutten met hun strakke paardrijbroeken en donkerblauwe bodywarmers, en voelde onder meer bepaalde denkbeelden opkomen, maar besloot eerst een bord snert, een grote pannenkoek met schenkstroop en een mok warme chocolademelk met slagroom te bestellen. Gulzig werkte ik het aansterkende koningsmaal naar binnen, en merkte meteen dat de inwendige verbranding ervan mij nieuwe krachten gaf, die ik maar beter niet op de botergeile blonde rijkeluistrutten kon proberen bot te vieren, strakke paardrijbroeken of geen strakke paardrijbroeken en donkerblauwe bodywarmers of geen donkerblauwe bodywarmers, want ze waren zonder uitzondering in gezelschap van een kwijlende onaangelijnde herdershond.
Omdat het binnen zo behaaglijk was geweest, kwam de buitentemperatuur dubbel zo hard aan. En er was nog wel zo’n eindeloze weg te gaan! Helemaal door Wassenaar, langs Duindigt, het Haagse Bos, en… Ik werd door diverse blackouts overvallen, zodat het mij onmogelijk is u een meter-voor-meterverslag van de laatste kilometers te doen. Hoe ik het klaarspeelde speelde ik het klaar, maar nog voor de avond gevallen was keerde ik op mijn vertrekpunt terug. Ik liet het wegbergen van de fiets gepaard gaan met een akelige hoestaanval, die door de massa vrijkomende waterdamp beslist tot nadenken had moeten stemmen. In plaats daarvan zuchtte ik diep. Eigenlijk was het met dit weer ook geen doen ook, op professioneel niveau met tegenwind fietsen. Wacht maar, straks, als het eenmaal zomer en windstil geworden was, dan zou ik wel eens eventjes laten zien wat bergafwaarts fietsen was! O, shit, nee, dat was waar ook: komende zomer zou er niets van fietsen komen. Komende zomer zou ik namelijk waarschijnlijk gaan leren surfen!

U bent toch zeker wel redacteur van de schoolkrant geweest?
– Ja, wat dacht u dan! Van het leidinggevende viertal was ik meen ik zelfs Hoofdredacteur. Of was ik Eindredacteur? Onze hiërarchie was uiterst flexibel: de een was Hoofdredacteur en Plaatsvervangend Eindredacteur, de ander Eindredacteur en Plaatsvervangend Hoofdredacteur. Voorts hadden we een Chef Stencilwerk en een Chef Nietwerk. Niet dat die niet werkte, nee, helemaal niet, hij niette. Hij niette natuurlijk niet altijd, maar toch niette hij vaker wel dan niet. Als hij niet niette stencilde hij. Daarna ging hij weer nieten. Of niet natuurlijk: net zoals het hem uitkwam, want hij was tenslotte Chef Nietwerk. Soms had hij helemaal geen zin in nieten, en dan was hij gewoon niet te genieten… Enfin, dan was er een Directeur-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, een Directeur-Generaal voor Externe Betrekkingen, een Hoofd Belangenbehartiging Loontrekkenden, een Opperhoofd Belangenbestrijding Loontrekkenden, en bovenaan stond fier de Yuyubus Royale, die in feite niets uitvoerde, hoewel hij soms wel niette.
En al deze bestuursfuncties werden bekleed door vier scholieren?
– Daar sta ik achteraf zelf ook van te kijken. Goed, er kwam wel eens iemand van buiten de hiërarchie helpen met nieten, dat wel… Maar voor commissariaten op het gebied van huiswerk hadden we uiteraard geen tijd meer. Gek, je hoort vaak dat leerlingen last hebben van censuur, van creativiteitsbeknotting en andere frustrerende obstructie. Wij hadden daar totaal geen last van. De dienst werd door ons als verzwaarde despoten zo genadeloos uitgemaakt, dat een prozabijdrage van een leerkracht al werd geweigerd als zijn of haar kop ons niet aanstond, dus dan weet u het wel.
En dat bracht u niet in laten we zeggen een stuk conflictsituatie?
– O nee. Sterker nog: een lerares had eens een prijsvraag uitgeschreven, en dacht zelf de winnaar te mogen kiezen. Wij regelden dat wijselijk zelf: eerst vielen de jongens die hadden meegedaan af – een vrij orthodoxe schifting. Vervolgens, en daar kwam heel wat meer bij kijken, werd uit de jongedamesstratificatie een a-selecte, a-representatieve keuze gemaakt. We gingen uiterst omzichtig te werk, en drongen op een zaterdagochtend de schooladministratie binnen om een particuliere databank aan te leggen van privéadressen, telefoonnummers en verjaardagen, waarbij wij moesten afgaan op zwartwitpasfoto’s die op de kaarten met gegevens van de leerlingen geplakt waren, terwijl de Yuyubus Royale bloed zwetend op de uitkijk stond. Twee unaniem gunstig beoordeelde meisjes wonnen uiteindelijk de door de lerares ter beschikking gestelde boeken, en vier andere in onze ogen oogverblindende geluksvogels werden uitgenodigd als troostprijs een avondje met ons te komen nieten. Maar sommige meisjes wilden helemaal niet met ons nieten! Die nietten liever niet!
En wat schreef u zoal in die schoolkrant?
– Te veel om op te noemen. Ik verzorgde zelfs een kookrubriek!
Nou, neem me niet kwalijk dat ik het zeg, maar u lijkt me wel een echte smulpaap. U zult vast nooit last hebben gehad van anorexia nervosa.
– Nervosa? Goh, ik wist niet dat je door nervositeit een erectia kon krijgen. Tsjonge.
Eh, kunt u in het kort beschrijven hoe zo’n schoolkrant tot stand kwam?
– Wij stencilden een geniete oplage van 550 exemplaren. Op vrijdagavond en zaterdags van negen tot vijf mochten we in de uitgestorven school aan ons krantje werken, wat vragen was om jeugdcriminele excessen. We ontvingen om de eerste avond door te komen van de directie geld om frisdrank en versnaperingen te kopen, en ik zorgde dus voor wat pilsjes en een baal paprikapinda’s. De pinda’s waren niet te vreten, en gingen de lege flesjes achterna het raam uit. Dat was genieten, hoor! We hielden, als we klaar waren met nieten, brandslanggevechten die zich over twee tot vier etages konden uitstrekken, terwijl het gebouw nota bene op de Monumentenlijst stond, en vanaf de zolder rolden we wc-rollen langs de gevel uit: we waren jong! Het Vaderland, destijds een beschaafd ochtendblad, had op zaterdag een jeugdbijlage, en die ontvingen wij ’s maandags per post. De onderdirecteur kwam ’m mij persoonlijk overhandigen, wat ook zijn taak was. De eerste keer dat hij ermee in de klas verscheen en mijn naam riep, dacht ik dat mijn laatste uur geslagen had, en dat hij mij als een lastige vlieg wilde doodmeppen, maar even later las ik prinsheerlijk de krant, de leraar nadrukkelijker en legitiemer dan ooit negerend.
Een mooie tijd.
– Ach wel ja. Maar soms ook stortten wij ons onbezonnen op projecten waar ik nu nog van ril. Twee van ons, van wie ik er helaas een, zouden in het kader van een sociologisch onderzoek naar het fascisme de film Novecento gaan zien, terwijl de beide anderen achterbleven om onder leiding van de Yuyubus Royale met externe assistentie wat te nieten of zo. De film was in feite twee films, deel een en deel twee, met een totale lengte van vijf-en-een-half uur. Op dat moment waren er alleen vertoningen in Rotterdam, in twee bioscopen die een uur loops van elkaar gelegen waren. Van school ontvingen we vijftig gulden – toen nog een heel bedrag – voor transport, entree en verblijf. Aan de treinreis waren we ongeveer een tientje kwijt, maar omdat de films zo’n extreme lengte hadden, was de toegangsprijs ook extreem, en ging het resterende geld aan kaartjes op, terwijl we nog op nekkrampplaatsen kwamen te zitten ook. Het was bijzonder guur, haast onguur weer. We waren niet bekend in de grote havenstad, dus om eindeloos dwalen te voorkomen, was het zaak de weg te vragen. Mijn collega-redacteur, die onberispelijk gekleed ging, een pacifiek brilmontuur bezat, en heel correct – dus zonder raar Rotterdams accent – sprak, benaderde ergens halverwege de Nieuwe Binnenweg een meisje dat voor een slagerij stond te wachten. Hij vroeg haar beleefd waar wij bioscoop zussenzo konden vinden, maar zij zweeg kil, en keek hem aan alsof hij haar tegen haar wil een oneerbaar voorstel had gedaan. Ja ja, leer mij Rotterdam kennen! Hoewel, de Nieuwe Binnenweg… Misschien had mijn collega haar juist tegen haar wil géén oneerbaar voorstel gedaan… Door zijn kleding kon hij gemakkelijk de indruk wekken bemiddeld te zijn, en zij had vermoedelijk gehoopt aan zijn eventuele botergeile bizarre rijkeluisverlangens flink te verdienen… Interessant om daar te zijner tijd een sociologisch onderzoek naar op te starten, naar de drijfveren van gevallen meisjes die op de Nieuwe Binnenweg voor een slagerij hun zedeloos beroep uitoefenen en onschuldige voorbijgangers aanklampen… Maar goed, daar liepen we dan: vroren we dood dan vroren we dood – en daar kwam het bijna nog van, want tussen de beide films zat drie uur pauze. Berooid en verkleumd banjerden we door een verlaten winkelcentrum, bijna bezwijkend voor de verleiding wat warmte op te doen door onder begeleiding van een religieus accordeongezelschap een dansje te maken. Wat hadden we er niet voor over gehad die dag in het redactielokaal met de externe assistentie heerlijk relaxt wat te nieten! Nee, dat was echt mooi de laatste keer geweest dat we op de Nieuwe Binnenweg fascistenhoeren sociologisch gingen­ bestuderen. Toen we eindelijk van Rotterdam vertrokken, waren we hard toe aan een paar weken

VAKANTIE

Omdat mijn vader werkte, had hij maar twee weken vakantie per jaar. Meestal gingen we die twee weken ergens naartoe, bijvoorbeeld naar Limburg. Aanvankelijk reisden we per trein of touringcar, later met de oude Wartburg. Dit tweetaktvoertuig met stuurschakeling was eigenlijk ongeschikt voor zulke bergtochten, en daarom drongen we op den duur liever niet dieper in het oosten door dan pakweg de Achterhoek.
In de Achterhoekse gemeente B. beleefden we eens een zeer geslaagde vakantie. We verbleven er in een gezellig pension, en het was een heerlijk hete zomer. ’s Morgens zo vroeg mogelijk stapten we in de auto, die dan nog geen broeikas was, en stoven met geopende ramen naar het plaatselijke zwembad. Vanaf de tweede dag braken we er, om aan de wespen te ontkomen, provinciale onderwaterrecords; de eerste dag had mijn moeder plaatsgenomen op een vouwstoeltje dat reeds door zo’n terroristisch insect was bezet. Haar pijn werd ietwat verlicht door onze pret, want het was een wel zeer komische plaats om gestoken te worden. En tegen het einde van de middag reden we dan weer met de mobiele broeikas naar het pension terug.
De bejaarde pensionhouder bezat een lap grond waarop hij allerlei voedingsproducten kweekte, die ’s middags uitgegraven en ’s avonds opgediend werden. Ik mocht hem assisteren bij de spitwerkzaamheden, en werd hiervoor met ijs beloond. Het jaar erop stond ik er dus op dat we wederom in dat pension de vakantie zouden doorbrengen. En omdat mijn wil nagenoeg wet was, reden we in de stromende regen (want zo’n zomer was het) opnieuw naar B. Het was bouwvakvakantie en het pension zat vol. De oude baas die mij feodaal voor ijs had laten werken, was kennelijk dementeus geworden, want hij herkende mij niet meer.
De middag werd avond, en er zat niets anders op dan rond te rijden, op zoek naar een nachtverblijf. Een VVV-juffrouw, die haar kiosk net wilde sluiten, legde glimlachend uit dat het hoogseizoen en bouwvakvakantie was, en dat alle hotels en pensions daarom vol zaten. Toen wij haar bedrukt zwijgend bleven aankijken, gaf zij het adres van een hotel dat twee weken tevoren was geopend, en dat heel misschien nog plaats had.
Voorlopig eeuwig dankbaar reden we erheen.
Het hotel bleek een gerenoveerde boerenschuur te zijn, maar de renovatie was ook weer niet zo ingrijpend geweest dat alle sporen van de oorspronkelijke bestemming van het gebouw waren uitgewist.
De hotelier schoot toen wij het modderige terrein op reden in zijn klompen, en kwam uit de stal gesjokt. Wat gehaast omdat hij nog moest melken, leidde hij ons rond door de aanpalende gastenbarak, en toonde de beschikbare kamer, die was ingericht met twee tweepersoonsbedden en een vrij onvaste wastafel, waarin geen warm en ook geen koud water stroomde, omdat de leidingen en het grondwater nog moesten worden goedgekeurd, wat overigens maar een formaliteit scheen te zijn; de pomp buiten functioneerde in elk geval voortreffelijk, daar konden wij van op aan.
De regen maakte een eind aan alle hoop op een zonnebaadvakantie, maar in de hotelschuurkamer voelde het aan alsof men naast, boven en onder ons de boel in de hens had gestoken. Mijn vader schoof het raam open, en ijlings weer dicht, toen hem een voor de regen op de vlucht zijnd regiment muggen tegemoet vloog.
Tot diep in de nacht zijn we (dat wil zeggen: is mijn vader) bezig geweest de ongenode gasten onschadelijk te meppen, daarbij een stevige zaterdagkrant als mepper en de bedden als trampoline gebruikend.
De volgende ochtend maakten we slaperig kennis met de overige gasten. Onder hen bevond zich een naar schatting tweehonderdvijftig kilo wegende vrouw, die ons haar overdadige rondingen extra inpeperde, door een horizontaal gestreepte jurk te dragen. Wellicht om de aandacht van haar postuur af te leiden, had zij zich hevig opgemaakt: haar lippen waren vuurrood gestift, en haar ogen, die wat uit de kassen leken te puilen, maar dat kwam misschien doordat er een bord eten voor haar stond, waren met snotgroene oogschaduw omlijst.
Onder het eten dachten wij uit alle macht aan onlangs overleden familieleden en aan allen die op dat moment waar ook ter wereld lagen dood te gaan aan iets dat wij door genetische voorbestemming mogelijk ook onder de leden hadden, maar toch hoestte mijn vader met tranende ogen, en moest mijn moeder luidruchtig haar neus snuiten, wanneer de dikke dame met een van braadworstvingers voorziene worstelaarsklauw naar de jampot greep.
Het weer was intussen wat opgeklaard, en na een korte boswandeling, waarbij wij wat af hadden gelachen, nou nou nou, zetten wij ons aan het middagmaal. Nu zat er een lange, magere man naast het opgeschilderde nijlpaard. Hij was met haar getrouwd, en de andere gasten waarschuwden dan ook dat hij niet helemaal goed bij zijn hoofd was. Zij waren ertoe overgegaan ’s nachts de deur van hun kamer te vergrendelen, aangezien hij na twaalven met onbekende voornemens rondspookte. Helaas konden wij niet door sociologische observatie ontdekken welke psychische mankementen spijkermans precies de zijne mocht noemen, want die avond raakte hij zoek, en toen wij de volgende ochtend onze koffers pakten, was er nog geen spoor van hem gevonden. Mijn ouders oordeelden twee overnachtingen in dit agrarisch hotel, ondanks het gratis grotesk amusement, al te veel van het slechte, en zij besloten ons geluk westelijker te beproeven, in de gemeente G.
Kort na het verlaten van de invalsweg vonden we er een pension dat driekwart van zijn ruimte ter beschikking had gesteld aan bejaarden die er bedlegerig hun levensavond lagen te verrochelen, maar dat ontdekten we pas toen al voor een week vooruit was betaald.
We logeerden op een alleraardigste muffe zolderkamer, waar mijn moeder niet aan slapen toekwam, zozeer was zij vervuld van de gedachte dat er elk moment brand zou kunnen uitbreken, en dat wij dan reddeloos verloren waren.
De eigenaar van het pension bekleedde een aantal lucratieve nevenfuncties. Hij was in de wintermaanden op afroep beschikbaar als Prins Carnaval, en leidde tevens een goedlopende begrafenisonderneming. In de garage naast het pension stond een verlengde Renault 14 gereed om uit te rukken voor een teraardebestelling, of om met verwijderd dak Prins Grafdelver de Elfde tot praalwagen te dienen.
Het gebeurde wel dat wij ons in het ochtendmaal verslikten bij de binnenkomst van een stoet stemmig geklede, gekscherende doodbidders, die was opgetrommeld om een uitgerochelde pensionbewoner naar een permanente ondergrondse ligplaats te vervoeren.
Kon het erger?
Maar natuurlijk!
Een maand voordat we die zomer met vakantie zouden gaan, verruilde mijn vader van werkgever. Zijn nieuwe baas hield geen rekening met gemaakte vakantieafspraken, maar het huisje in W. was al besproken. Aangezien er in de annuleringsverzekeringspolis geen clausule was opgenomen over restitutie van bespreekgeld bij het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst in de metaalsector, was de enige optie dat mijn vader ons (zusje, opa, oma, ma, moi) zaterdagochtend vroeg naar W. reed, en er het leed tot zondagavond laat deelde.
Wij hadden iets dergelijks nog nooit ondernomen, het was allemaal zo nieuw voor ons… Gingen we op vakantie, dan namen we altijd een hotel of pension, en dan was er een gezinshoofd om ons continu in de ellende van dien bij te staan – en nu waren opa en oma ook nog mee!
Een vakantiehuisje, in de vrije natuur… Wie verzint er zoiets? Tegenwoordig word je gek gemaakt met kapitale twaalfpersoonsbungalows die je alleen hoeft te verlaten om groepsbingo te gaan spelen in het Entertainment Home, want al het benodigde vertier bevindt zich intern: zonnebank, bubbelbad, videoporno, pingpongtafel, condoomautomaat, biljart, barbecue en 250 watt surroundsoundinstallatie.
Maar anno 1969 had niemand daar nog van gehoord. De consumentenorganisaties hadden wel wat anders aan hun hoofd dan kampeeroorden te onderzoeken op overleefbaarheid, en wie daar met alle geweld twee weken wenste door te brengen, die moest dat zelf weten, en desnoods z’n eigen accordeon maar meenemen.
Ons huisje, denkt u zich eens in:
had geen televisie;
had geen koelkast;
had geen douche;
had geen toilet – nou ja, ergens wel: buiten. Een schuurtje.
Feitelijk bevonden álle gemakken zich extern, zoals een filiaal van kruidenier S. de W., waar ijs te koop was (hierover straks meer).
Douchen wás mogelijk, eerlijk is eerlijk – ergens verscholen tussen het geboomte bevond zich een keet met douchehokjes. Je zomaar eens gezellig gaan wassen was er niet bij; de douche deed het alleen als je een muntje aan de automaat offerde. Er kwam dan een stroom water over je heen die eerst ijskoud was, dan bloedheet werd, en wanneer je de kranen eindelijk op een aanvaardbare melange had afgesteld, was je eerste muntje al verbruikt. Begon je net lekker te schuimen, dan leerde je tot je schande dat het raadzaam was in het vervolg met drie muntjes de cabine te betreden.
Het terrein (dat niet door schrikdraad omgeven was, maar in een reeks verraderlijke gierputten een natuurlijke begrenzing kende) strekte zich uit tot waar het oog reikte, en de geronselde recreanten konden er zich naar hartenlust overgeven aan balspel, rondrennen en ander collectief en solitair openluchtvertier waaraan zich vanwege de nagenoeg onafgebroken regenval slechts een handjevol hardnekkige bosfanaten bezondigde.
Een hel in natura, dames en heren!
Mijn vader vertrok op zondagavond (‘Nou, dan ga ik maar… sterkte!’), en wij bleven ontheemd achter, alsof wij opdracht gekregen hadden een Dickensiaans weeshuistafereel uit te beelden.
De maandag brak aan met een wolkbreuk.
Nog maar twaalf dagen te gaan, kop op, we redden het wel – straks gaan we leuk gekke gezichten op het beslagen raam tekenen!
Mijn zusje (twee jaar) nam toen wij even niet op haar letten de beentjes, en werd pas uren later (mijn moeder was er al van overtuigd geraakt dat zij door een plaatselijke Manson te grazen was genomen) in de verlaten speeltuin aangetroffen, waar zij kirrend op een schommel zat. Zodra het een beetje opklaarde, verdween ik (elf jaar) in het struikgewas om stiekem een sigaret van mijn moeder te roken, en als de zon even door de bomen leek te gaan schijnen, ging mijn opa (tachtig plus) op het bankje voor het huisje zitten, en rookte onverstoorbaar een pijpje, zonder zich wat aan te trekken van de hem omringende natuurpracht: ‘Je hebt hier helemaal geen uitzicht,’ zei hij, ‘je ziet alleen maar bomen.’
Vier, vijf dagen brachten wij in zuchtende berusting door, maar op de zesde of achtste dag (ik durf in deze context de met toenmalige schoonheidscrème vergroeide uitdrukking ‘en op de zevende dag…’ niet te gebruiken) gebeurde het.
Opa kreeg diarree.
Eerst liet hij zomaar, alsof hij gewoon pijprook uitblies, een golf zuur braaksel over zijn kin lopen. De stank ervan was enorm – zelfs buiten, in de openlucht, rook je opa’s lucht.
Na deze orale maaguitbarsting verdween hij in het gemakhuisje; bij terugkomst keek hij alsof hij tijdens zwaar weer de Golf van Biskaje bevaren had.
En dit was nog maar de ouverture.
’s Avonds en ’s nachts werd de buitenplee niet gebruikt, want er was geen verlichting, en de hartvormige opening in de wand liet in de tweede plaats een beetje maanlicht, en in de eerste plaats een boel muggen en nog venijniger stekers binnen. In arren moede werd er dus maar een emmer geïnstalleerd in de hoek van de kamer die als keuken fungeerde.
Opa had echter diarree.
Het zal een uur of drie geweest zijn, ik werd er wakker van. Mijn moeder verzenuwd vloekend, mijn opa tergend terugschreeuwend dat al die bloody hoorah nergens voor nodig was, mijn moeder die kokhalzend de emmer buitenzette, omdat de dampen die ervan afsloegen niet te harden waren, en de uitwerking hadden van een vlak onder de neus geopende fles ammoniak.
Ik lag met mijn gezicht in het kussen gedrukt te huilen van het lachen.
De volgende dag kreeg mijn zusje diarree.
Hee, zij ook diarree? Dat waren er al twee! Toeval? Ach welnee. Een epidemie? Daar was niets van bekend – hoewel, we waren totaal verstoken van radio en televisie, en hadden in geen dagen een krant gezien.
Voedselvergiftiging? Maar waardoor dan?
Het ijs uit de kampwinkel!
De dokter van een naburig gehucht werd gebeld en van de onwelriekende symptomen op de hoogte gesteld. Hij verzocht ons meteen langs te komen – met het zieke kind en met wat poep.
Terwijl haar maag opspeelde, schepte mijn moeder een paar paplepels van mijn zusjes dunne derrie in een beslaande pindakaaspot, en gedrieën (oma was kilo’s aangekoekt ondergoed aan het uitkoken, en opa zat op het bankje voor het huisje en rookte onverstoorbaar een pijpje) stapten we in de taxi. De bospaadjes zaten vol kuilen, en hoewel de taxi stapvoets reed, had mijn moeder de grootste moeite de dekselloze pindakaaspot waterpas te houden.
De dokter onderzocht mijn zusje aan alle kanten, en hield de peutersaus keurend tegen het licht. Hij dacht dat er waarschijnlijk sprake was van een onschuldige buikgriep, maar voor alle zekerheid ging de poep naar het laboratorium.
Door de ontlastingsperikelen was de toestand onhoudbaar geworden. Van de vijf kampbreukelingen waren er weliswaar slechts twee uitgeschakeld, maar hun besmettelijke darmflora vergalde de weinige vakantiepret van de anderen, en mijn moeder besliste dat het mooi geweest was. Ze belde mijn vader, en gelastte hem ons de volgende ochtend te komen ontzetten.
Toen hij voorreed stonden wij al uren met de koffers klaar. We laadden zwijgend de bagage in, en toen pas viel ons op hoe bleek de kostwinner zag. En ja hoor: hij had die nacht nauwelijks geslapen, vanwege diarree. Onderweg naar ons had hij kaneelbeschuitjes gegeten, zijn aandacht verdelend tussen snelweg en kringspier, in het verschrikkelijke besef dat de minste verslapte concentratie onomkeerbare rampen tot gevolg kon hebben.
De motor van de oude Wartburg zwaar op de proef stellend reden we op huis aan, en hielden alleen halt bij benzinestations en wegrestaurants die over een toilet beschikten.

– De vakantie als sociologisch fenomeen.
– Ach hou nou toch op alsjeblieft! Wat bezielt ze in hemelsnaam, die hordes halfgaren die jaar in jaar uit aan een reis richting het einde van Europa beginnen. Een autorit naar Italië, waar de reizigers na drie dagen, vier lekke banden, vijf kettingbotsingen en zes confrontaties met de Cosa Nostra Motora halfdood in een tentje kruipen. Een busrit naar Spanje, in het gezelschap van de meest weerzinwekkende zingende landgenoten, en met een werkloze accordeon spelende socioloog als reisleider! Huilende ettertjes van kinderen die zoet gehouden worden met snoepgoed dat de wagenziekte opwekt. Door de hitte, het schudden, het zingen en het accordeonspel van de reisleider onwel gewordenen buigen zich naar het gangpad, en geven luidkeels door neus en mond de maaginhoud over, die bestaat uit halfverteerde broodjes paté met bedorven mayonaise, pannenkoek met zure slagroom en yoghurt met loodhoudende haring. De touringcar neemt een helling, en de haast radioactieve etensresten stromen schuimend naar de achterbank, waar de minstens tweehonderdvijftig kilo wegende passagiers lieslaarzen dragen, om te voorkomen dat hun vaalwitte, blauwdooraderde schilferbenen door kotsinwerking al vervellen, in plaats van op het strand, waar men onvoldoende met slaolie ingewreven, op een tapijt van ziektekiemen afscheidende schelpen van de huidkankerverwekkende zon hoopt te genieten. Twee weken lang ’s nachts koortsrillend van de verbranding wakker liggen, ’s morgens uren met diarree op de plee, ’s middags vol pleisters, zonnebrandzalf en Norit naar het strand, ’s avonds in een oerhollandse patatkeet onbetaalbaar duur frituurvreten, en dan in de discotheek olé, olé, oléhee zingen, en tijdens de mediterrane polonaise bekotst worden door dronken badmeesters en overjarige animeersters die aandringen op tongzoenen, terwijl de kamikazegonorroe ervan afdruipt, en je struikelt over de naalden van aidsverslaafden en de…
Fijn, ja. Ho maar even. Ik bedoelde eigenlijk: Heeft u een bepaalde persoonlijke vakantieherinnering, waarvan u zegt…
– Ik ben één keer op tienertoer geweest, samen met een eveneens aan de hoogste klasse der lagere school studerend kameraadje. Dagelijks legden we, om het geld van onze ouders er zoveel mogelijk uit te halen, de langst rijdbare afstanden af. Tijdens een van deze tochten zouden we een oudoom van mij bezoeken, die in de middelgrote Midden-Noord-Brabantse gemeente R. een kapitale villa bewoonde. De reis kortten we met het bedenken van varianten op oudooms achternaam: Sperna Weiland. Het adres van oudoom Sperma was snel gevonden, want de polyinterpretabele familienaam kwam in onverbasterde vorm slechts eenmaal in het telefoonboek van R. voor, en de straat lag vlakbij het station. De villa was kleiner dan ik mij herinnerde van een bezoek zo’n zes jaar eerder. Mijn grootouders, ouders en een oom en tante waren met mij erbij in het Volkswagenbusje van de oom naar R. gereden, waar wij onaangekondigd voor oudoom Sperma verschenen. Hij was nogal overrompeld door de confrontatie met zijn aangetrouwde familie, en dirigeerde ons naar de keuken, waar wij een kopje slappe thee geserveerd kregen. Na dit hartelijke onthaal moesten we snel weer opkrassen, want oudoom zou weldra ‘mensen’ op bezoek krijgen. In de hal lag de opgezette kop van een dode ijsbeer op de grond, met des beests rugvel er bij wijze van kleedje aan vast… Enfin, het tienertoerteam belde aan. Na een minuutje werd de deur op een kier geopend, en er verscheen een argwanend oog. De deur ging, toen wij geen voetbalsupporters bleken te zijn, nog wat verder open, en heel de oude Spermakop werd zichtbaar. Kiekeboe! ‘Ik kom de groeten doen, namens opa!’ sprak ik. ‘Ja?’ ‘Uit Den Haag!’ ‘Ja?’ Ik maakte mij nog nader bekend, en liet doorschemeren dat ik werkelijk de hartelijke groeten kwam overbrengen, en geen besmettelijke ziekte. ‘O,’ zei de oude, ‘nou, komt u een andere keer nog maar eens terug, ik ben nu in de tuin bezig.’ En hop, de deur weer dicht.
We kunnen dus wel concluderen dat u geen liefhebber bent van vakantie.
– Daar komt het wel zo’n beetje op neer, ja. Echt voor m’n lol ga ik eigenlijk alleen naar Engeland op reis. Hoewel, een tochtje naar België is ook altijd de moeite waard. Het land is voor mij, sociologisch gesproken, een Terra Hilaria. In december 1980 was ik na een kort verblijf in Londen naar Brussel getreind om een concert in de Vorst Nationaal bij te wonen. Tegen achten arriveerde ik op het slagveld van de taalstrijd: het Gare du Nord. Met andere woorden: ik, een halve gare uit het noorden, op het Brusselse Gare du Nord. Dus een demi gare dude la… de l’… Wacht eens even… dansavec… Enfin, u voelt zeker wel waar ik heen wil, dat ik daar mettertijd een kapitale tweetalige woordgrap van zal maken. Goed, ik stond dus op dat Gare du Nord. De lucht was guur en ’t was acht uur. Het postkantoor waar ik girobetaalkaarten zou kunnen ruilen tegen Belgische franken was gesloten, en bovendien onvindbaar. Ik had, dankzij urenlang verblijf in de restauratiewagen, een volle maag en een bijna lege portemonnee – er zat nog maar een tientje aan chartaal geld in. Ik stapte in een voor de stationsuitgang gestationeerde taxi, maakte de chauffeur in provisorisch Waals duidelijk waar ik naartoe moest, en kreeg in professioneel Vlaams antwoord. Ik overhandigde ter staving van mijn zuivere bedoelingen het tientje, dat bekeken, geroken en geproefd werd. Na enig onderhandelen vertrokken we tot een bedrag van tien gulden richting Avenue du Globe. Ergens halverwege besliste de chauffeur dat het mooi geweest was. Toen ik hem wilde vragen hoe ik (en het) nu verder moest, stopte er naast de taxi een stationcar. De bestuurder ervan stapte uit, en vroeg aan mijn taxichauffeur: ‘Allee, hoe komk vannier ba de Vorst, zulle?’ Nee maar, deze lift zou ik mij niet laten ontgaan! Ik hoefde niet eens te smeken of te dreigen, en mocht het me achterin de stationcar tussen stapels groentekisten proberen gemakkelijk te maken. Wat volgde was een rit door Brussel bij avond, die zo af en toe de uitsmijter van een nachtmerrie vormt. De taxichauffeur had gezegd dat we gewoon de tramrails maar moesten volgen, en deze aanbeveling werd hoogstletterlijk opgevolgd, zodat we op weggedeelten kwamen die voor autoverkeer ontoegankelijk, ja zelfs totaal ongeschikt waren. Wankel balanceerden we vele kilometers op tramrails die als een treinspoor boven de grond uitrees; nog een meevaller dat de groenteboer genoeg tegenwoordigheid van geest bezat om bij die rotonde de rails te verlaten, want bij de stand waarin de wissel stond hadden we eindeloos rondjes kunnen draaien.
Ergens toch wel een leuke ervaring om meegemaakt te hebben.
– Ja, achteraf wel. Maar op het moment dat je achterin een gammele stationcar tussen wormstekige appels ligt, en er een krankzinnige Belgische groenteboer aan het stuur zit die over je leven kan beschikken, nou, dan piep je wel anders. Toegegeven, als proeve van jeugdsentiment is zoiets geen onaardige episode, zoals bijna alle rampspoed op den duur tot een amusante herinnering gereduceerd wordt; toonaangevende sociologen hebben zelfs melding gemaakt van het ziektebeeld

SCHOOLSENTIMENT

Ons laatste schooljaar werd memorabel door de komst van een aanvankelijk wat in zichzelf gekeerde nieuwe leerling, die plotseling zijn ketenen verbrak, en op ontzagwekkende wijze uiting gaf aan wat er in hem omging. Voor hij tot ons onderwijsinstituut toetrad had hij bij de landmacht zijn dienstplicht vervuld, en dientengevolge had hij de eerste maanden een gelaatsuitdrukking waaruit wij opmaakten dat het slapen hem nader stond dan het waken. Tot medio november strandden zijn communicatiepogingen meestal in een duffe versuffingszucht of een langgerekte slaapgrom, die hij bekroonde met het verwoed kneden van aaneengekoekte oogleden. Maar die gedenkwaardige maand van dat jaar ontwaakte hij tot de levenden en, alsof hem veel te lang allerlei diepgravende denkbeelden door het hoofd hadden gespookt, op zoek naar een sprankelende verwoording, ontvielen hem tal van opruiende soldatengrappen, die de verbijsterde leerkracht eerst moest laten bezinken, alvorens de betekenis ervan tot de zetel van zijn verstand doordrong, zodat de vrijpostige leerling met enige vertraging de klas uit werd gestuurd.
Op een schoolfeest, waarop sommigen dronken, anderen stoned, en de meesten uit anomie beide trachtten te worden, liep de ex-soldaat bedaagd pijprokend rond, en fluisterde tegen een klasgenoot die een roodharige geliefde in een intense omstrengeling tegen zich aan geplet hield, dat roodharigen op het erotisch vlak doorgaans het vurigst partij geven – en ten bewijze begon hij een accordeonsmartlap te zingen, waarin inderdaad werd aangetoond dat meisjes met rode haren bij uitstek bedreven zijn in het kussen.
Wij beseften dat hij definitief afstand had genomen van zijn apathische studiestart, en moedigden hem aan zich in het vervolg naar hartenlust verbaal van zijn ingevingen te ontlasten, want wij bezaten een verlanglijstje met een stuk of drie leraren die nog de ziektewet in moesten worden getreiterd.
Wie tijdens de les zijn stem verhief om de orde te verstoren, kon ervan verzekerd zijn door de andere leerlingen verafgood te worden, en omdat haast iedereen zo’n almachtige positie ambieerde, kwam er van ordehandhaving bitter weinig terecht. Dit was het aangenaamst merkbaar bij leerkrachten die, reeds in vele andere beroepen gefaald hebbend, ten slotte maar voor het lesgeven gekozen hadden, en daardoor het tijdstip van prematuur ziektepensioen met jaren vervroegd hadden. (Velen waren bij het onderwijs gegaan omdat ze geen partner konden krijgen, en toch kinderen wilden.)
Op een ochtend, terwijl meester Dufgaper met krijt iets op het bord aanschouwelijk trachtte te maken, en daarbij de fatale vergissing beging ons de rug toe te keren (zodat wij hem ongezien met een liniaal gemikte, van speeksel druipende papierproppen en met katapults gelanceerde curarerijke krammetjes konden toezenden) verscheen er een gemeentemonteur in de klas. Wij hadden een dag of wat eerder het fonteintje voorin het lokaal vakkundig onder handen genomen, en het water spoot nu alle kanten op, behalve omlaag: meester Dufgaper was zichtbaar opgelucht dat wij het daarbij gelaten hadden, en niet ook nog een baldadige verbinding tussen het fonteintje en de wc-afvoer tot stand hadden gebracht.
De monteur, die een donkerbruine ribbroek en een rood geruit hemd droeg, zwarte nagels had en over een zeer plathaagse tongval bleek te beschikken, wierp zijn loodzware gereedschapstas voor de voeten van de net op tijd wegspringende Dufgaper op de vloer, en begon zijn loodgieterij, onderwijl het college van de bloednerveuze leraar met afbrekende kritiek becommentariërend.
Terwijl Dufgaper met een weinig oprechte glimlach de onchristelijke interrupties van de monteur incasseerde, maakten wij hem het lesgeven zo zuur, dat hij een kwartier voor tijd verhit de klas verliet om bij de directie stoom te gaan afblazen of overplaatsing aan te vragen naar de apenkooi van Artis. De monteur, die, zo wilde hij ons doen geloven, zelf ook een blauwe maandag op school gezeten had (‘Ja, maar dan op de neukschool!’) riep hem nog een verdelgende kwinkslag na, en daarmee achtten wij ons van alle normen en waarden vrijgesteld, zodat een naburige docent voorzichtig kwam zien of er zich bij ons een rugbywedstrijd afspeelde.
Toen de monteur na een oprisping als een vulkaanuitbarsting het karwei geklaard had, en met een ‘Hou vol, maatjes!’ fluitend vertrokken was, waagde de decaan zich in het lokaal. Met een door nog onvoldoende geventileerde woede veel speeksel afscheidende mond, riep hij: ‘Dat er iemand van de gemeente komt… Zulk onbeschoft gedrag… Ik walg er gewoon van! Het is werkelijk ongehoord schandalig wat hier gebeurd is… Jullie worden wél bedankt hoor!’
‘Graag gedaan’, mompelde iemand achter mij, en ik beet op de binnenwand van mijn wangen om mijn gezicht in de plooi te houden.
Door onvoorstelbare aanvechtingen overmand, verliet de decaan de klas. Voor hij de deur achter zich dicht had kunnen trekken, riep iemand zo hard mogelijk:
‘Nou ja, ik vond die monteur helemaal niet onbeschoft!’
Bij het gelach dat hierop tot ver in de omtrek hoorbaar was, moet de decaan een zelfgekozen dood ernstig overwogen hebben.

Het was herfst en pas volle maan geweest, zodat er veel leraren ziek waren. Twee klassen die daardoor uitvielen, sloten aan op de middagpauze, en Alex en ik besloten de zee van vrije tijd nuttig te besteden, door met de tram naar Scheveningen te gaan. Aangezien de troosteloze weersgesteldheid velen de lust tot strandvertier benomen had, troffen we nabij de pier weinig bovenloos baadsters in ooglaptanga aan. Het zag ernaar uit dat het nog harder zou gaan regenen, en we beseften dat het verstandiger was uit te zien naar overdekt amusement. We zochten beschutting in een flipperkastenkeet, waar een het souteneursvak ontwassen woesteling erop toezag dat de inventaris niet gemold werd door voetbalfalderappes of ander op een lolletje belust crapuul.
De hal was vergeven van de apparaten die het reactievermogen en de pistoolschietvaardigheid konden meten, van de fruitautomaten en van andere toestellen die muntgeld verslonden, maar het was toch vooral de kegelbaan die mij fascineerde. Ik had namelijk een grote afkeer van kegelen, maar kon eigenlijk niet verklaren waarom ik die afkeer had, en dus zat er niets anders op dan het spel eens te spelen, anders zou ik de rest van mijn leven met een ongefundeerde afkeer blijven rondlopen.
Het spel kon beginnen!
Men zou misschien anders verwachten, maar ik deed het lang niet slecht. Ja, ik begon er zelfs aardigheid in te krijgen – vooral toen ik na een minuut of twintig de eerste dildo impotent gemikt had. Het plezierige van dit kegelen was dat er prijzen te winnen waren, zodat er, om in sportjournalistieke termen te spreken, een ‘competitie-element’ ging meespelen: wanneer je erin slaagde flink wat kegels met een enkele worp omver te krijgen, ontving je automatisch een muntje, en vijf muntjes stonden al garant voor een heuse verrassingsprijs.
Mijn toenemende werpzuiverheid was er de oorzaak van dat ik achtermekaar drie muntjes verwierf. Het tijdstip waarop wij geacht werden weer op school aanwezig te zijn naderde, en Alex keek herhaaldelijk nerveus op zijn horloge, maar van ophouden kon natuurlijk geen sprake zijn: die prijs moest mijn worden!
De verleiding was groot de kans op een rake worp te vergroten door halverwege de baan te gaan staan, maar ik vermoedde dat baanbetreding bruut bestraft zou worden door de oppasser, die zijn coltrui al had uitgetrokken. Eronder droeg hij een T-shirt; de korte mouwen hadden ernstig te lijden van zijn bi- en triceps, die hij uit verveling om beurten spande, waardoor een getatoeëerde naakte zeemansdel in allerlei wellustige houdingen werd gemanoeuvreerd.
Ha, ik won de vijfde munt. Het had me zowat een joet gekost, maar daar liep ik dan toch, een dikke strot van winnaarstrots, naar de kassa. Met een nonchalant-routineus gebaar overhandigde ik de gewezen bordeeluitbater (die me, had ik heus wel gemerkt, de hele tijd door het knakken van vingers, ellenbogen en knieën geprobeerd had uit mijn concentratie te brengen, terwijl ik toch al op van de zenuwen was vanwege de keiharde accordeonmuzak) de vijf muntjes.
Niet te geloven, wat bleef hij er uiterlijk onbewogen onder! Dat er zomaar, op een doordeweekse oktoberse herfstdag, iemand een enorme kegelprijs in de wacht sleepte! Zou die prijs dan niet van zijn salaris worden ingehouden?
Met een nonchaleus-routinant gebaar greep hij onder de toonbank, en bracht een bittere reep Kwatta boven.
‘Hier.’
Ik moet bekennen dat een gevoel van teleurstelling mij bekroop, en dat ik, als deze ramp mij op jeugdiger leeftijd was overkomen, nu voor een kegeltrauma van hier tot daar onder behandeling zou zijn.
Klinkende munt, een zak geld ter grootte van een mud kolen, had ik verwacht. Twee avonden gratis met Miss Scheveningen over het strand rollen! En daarbij een betredingsverbod van de flipperkastentent voor minstens zes seizoenen – want iemand die zo genadeloos toesloeg konden ze hier niet gebruiken; die zou vast en zeker een feilloos winsysteem beheersen, waarmee hij in een handomdraai de casinobank kon laten springen, als was deze het behabandje van Miss Scheveningen.
Maar een reep…
De mineurstemming waaraan ik ten prooi gevallen was kreeg nog een extra dimensie, toen Alex mij eraan herinnerde hoe laat het was. We zouden veel te laat op school komen! Een gruwelijk vooruitzicht, want het Reglement, dat Alex en ik (en velen met ons) meermalen hadden mogen overschrijven, profeteerde dat ongeoorloofd schoolverzuimenden zouden worden ‘gecorrigeerd’.
Gecorrigeerd?
Openbare afranseling! Zweepslagen! Nageluitrukking! Besnijdenis per gehaktmolen! Ogen door natuurkundeleraar uit kassen gebrand! Teelballen door meetkundeleraar met passerpunt doorboord! Pek en veren! Huiswerk!
Deze en dergelijke corrigeermethoden bespookten ons, al gaven wij elkaar dit niet toe. (Zelf was ik gelukkig vrij martelbestendig, want ik had op de lagere school wel eens voor straf tussen de middag in de gymzaal moeten luisteren naar het vioolspel van juffrouw Kokofaan.)
Na enige minuten over het aanstaande einde der tijden te hebben gefilosofeerd, kwam Alex weer tot zichzelf, en stelde voor dat ik mijn smoezenbedenkend talent zou aanspreken.
Terwijl door de poriën het bloed wegdampte, en wij net deden of de bijkomende vrijkomende okselzuren evenmin van ons afkomstig waren, betraden we het kantoor van de onderdirecteur, die net een beschuitje zat te eten.
Ik betoogde dat wij speciaal naar Scheveningen waren getrokken om wankele inheemse bejaarden tot steun te zijn bij het in klederdracht trotseren van gevaarlijke cocaïneverkooppunten en andere junkbuurten. Een dankbaar dement oudje had ons vrijwillig een fooitje afgestaan, en omdat wij dat fooitje het liefst voor een goed doel wilden gebruiken, hadden wij het plan opgevat het fooitje in een legaal kegelbaancentrum ter spekking van de schoolfeestenkas te vermeerderen.
Toen ik het ingewikkelde prijstoekenningssysteem dat het Scheveningse kegelwezen kenmerkte begon te verklaren, en ter sprake bracht dat meneer de onderdirecteur per slot van rekening in zijn jeugd zelf ook jong geweest moest zijn, viel het mij op dat er een trilling voer om het rechteroog van de loco-schoolleider – ja, het was net of zijn aangezichtsmotoriek autonoom op gang begon te komen.
In een resumerende afronding van mijn verweerrede deponeerde ik de nagenoeg gesmolten Kwattareep triomfantelijk op het bureau van de thans zeer zwaar ademende conrector. Bij de plotse confrontatie met de chocoladesmurrie ontsnapte hem een gemompelde zegswijze, waaruit ik distilleerde dat hij de kwestie niet alleen aan zijn moeder, maar ook aan het Opperwezen wenste voorlegde.
Met toenemend beslaande brillenglazen en een onheilspellend primaire gelaatsuitdrukking, die vooral werd veroorzaakt door het kunstgebit dat zich niet meer in zijn mond maar op het bureau bevond, knikte hij dat we konden gaan.
Bij de deur, blij dat we er onbeknord van af waren gekomen, keek ik nog even onderdanig glimlachend om, en schrok van het zich voor mijn ogen ontrollende drama: de onderdirecteur had zijn bril afgezet, en was begonnen mijn kegeltrofee op te peuzelen!

Nu ben ik toch zo benieuwd, die angst op school te laat te komen, had die nu bij wijze van spreken een sociologische oorzaak, of zegt u…
– Het ging hierom: de school werd bezocht door leerlingen van ongeveer zestien tot twintig jaar oud. Als je ziek was geweest, moest je door je ouders of verzorgers een briefje laten schrijven, waarin een geldig absentie-excuus uiteen was gezet. Maar die zieke kinderen waren nota bene oud genoeg om zelf ouder te zijn, of hadden ouders die goddank allang dood waren! De aard van de ziekte, het aantal hechtingen of graden koorts – dat deed er allemaal niet toe. Het was zuiver een bureaucratische formaliteit. Om mijn ouders te ontlasten ontwierp ik een standaardbriefje, zodat ik niet telkens een andere smoes hoefde te bedenken, al deed ik dat voor de sport graag.
De sport?
– Ja, dat moet ik toelichten. Het was de bedoeling dat je een zo origineel mogelijke smoes bedacht wanneer je te laat op school kwam of na een paar maanden van afwezigheid plotseling je gezicht weer eens liet zien. Zeggen dat je de wekker niet gehoord had, ook al was het waar, had weinig zin, daar trapte de directie niet in. Dus gooide je het bij verslapen maar op een stroomstoring die de elektrische wekker buiten werking gesteld had, evenals de koelkast, de centrifuge en het beademingsapparaat van opa. Of je beweerde dat de tram vertraging had ondervonden doordat er een rolstoel in de rails was vastgelopen. Of het houten been van je vader had tijdens zijn middagdutje in de open haard vlam gevat. Ik bedoel natuurlijk alleen dat houten been tijdens het middagdutje in de open haard, en niet de hele vader daarin middagduttend. Zelf had ik wel eens dat mijn oma ziek was. Niet echt, maar als reden van mijn geen huiswerk gemaakt kunnen hebben. Hebben kunnen maken. Dan zei ik dat we haar de vorige avond naar het hospitaal hadden overgebracht. Niets ernstigs hoor, een onschuldige opname ter observatie – er hoefde nooit een hersenchirurg aan te pas te komen, want dat doe je niet als het je eigen oma is. En na een weekje onschuldig geobserveerd te zijn, kwam oma juichend thuis, wat met een groot accordeonfeest gevierd werd, zodat ik de volgende dag wéér geen huiswerk gemaakt kon hebben. Kon hebben gemaakt. Deze tactiek was niet eindeloos te prolongeren; de school was mogelijkerwijs bevoegd bij gerezen achterdocht oma’s medische dossier op te vragen bij de Opgewekte Lazarus Kliniek. Later zat ik dus voornamelijk met mijn knie.
Uw knie?
– U verstond mij heus wel! Of wilt u soms beweren dat u mij niet verstond? Als u mij niet verstond had u mijn woorden niet kunnen herhalen, en als u mij wel verstond was uw interruptie een volkomen onnodige onderbreking van mijn relaas! Dat zie je op de televisie ook zo vaak. Dan onderbreekt de interviewer zijn gast door naar iets te vragen dat de gast hem allang verteld zou hebben als hij niet in de rede zou zijn gevallen. Gevallen zou zijn.
Gaat u verder.
– Dat was ik ook van plan. Waar had ik het eigenlijk over?
Uw knie.
– Mijn knie? O ja, mijn knie. Nou, daar had ik dus last van, door de groei. Dat ik te hard groeide, of te langzaam, omdat ik in de groei was. Dat ik onder de ene knie wel groeide, maar erboven niet, en bij de andere knie juist andersom, zodat het op een van beide knieën sloeg. Door die knie kon ik ongestraft te laat komen, vervroegd weghinken en vrijgesteld worden van het volgen van de gymnastieklessen. Dit laatste kwam goed uit, want het lesrooster was zo ingedeeld, dat je de halve vrijdag vrij had, als je niet naar gym ging. Ik concipieerde een waterdichte vocht-in-mijn-kniebrief, die me een week ontheffing opleverde. Maar daarna, toen ik staande hield nog altijd met kniepijn te zitten en nauwelijks te kunnen lopen, zond de directeur me naar de schoolarts, samen met een simulerende ruglijder, die in het weekend zwart schoorsteenveegde. Nu zou ik dus met mijn knie door de mand vallen, dacht ik, want zo’n arts was heus niet op zijn achterhoofd gevallen. Maar hoor goed wat er gebeurde. De schoolarts praktizeerde ergens in Scheveningen, in een kleuterschool. ‘Hij is dus gewend op kniehoogte te werken’, grapte ik tegen mijn medesimulant. ‘Je ken me rug op’, adviseerde hij somber. ‘Nou,’ trachtte ik het gesprek een komische wending te geven, ‘dan valt het met die rug van jou ook wel mee!’ Goed, we komen in de wachtkamer. Mijn trawant wordt als eerste ontboden, en komt even later met enorme pretogen en opgestoken duimen te voorschijn. Hij maakte ook nog een bepaald obsceen gebaar, dat ik maar niet zal herhalen. Hij had voor zijn huisarts een brief meegekregen, die hij schaterend verscheurde en in een kleuterprullenbak wierp. Ik aan de beurt. Voorzorgshalve droeg ik een steunzool, zodat ik zonder moeite uit balans zou kunnen lopen, als ik moest voordoen hoe ik liep tijdens een knieaanval. Ik kom dus in die behandelkamer. Nou geef ik u te raden wat het geval wil… Heeft me die vent toch een bochel! Ja, wie is hier nou feitelijk de dokter, vraag je je aan de ene kant onwillekeurig af. Maar je wilt aan de andere kant niks zeggen, dus je zegt maar niks, want voor zo’n arts die zelf dokter is en er dus voor gestudeerd heeft, ligt zo’n bochel misschien gevoelig, omdat hij er in principe is om de mensen beter te maken. Affijn, hij vraagt dus wat mij scheelt. (‘Een twee drie… bochel op je knie!’) Ik mompelde vage knieklachten, en ik meen dat ik het duidelijk (nou ja, duidelijk…) over mijn linkerknie had. Bocheldokter beklopte en bepotelde de rechter, en sprak, dit meteen op een formulier ten behoeve van de directeur kracht van wet gevend: ‘Voorlopig maar niet gymmen tot…’ (het was september, en ik hoopte op vrijstelling tot kerst) ‘…juli.’ Juli! Het schooljaar liep tot eind mei! Ik moest me inhouden, anders had ik ter plekke een dansje gemaakt. Het consult kostte me een rijksdaalder, maar die had ik er graag voor over. Ik was nu officieel beëdigd knielijder, en als het zo uitkwam meldde ik me voortijdig af, of arriveerde te laat, in verband met medische bestraling van de meniscus. Eenmaal presteerde ik het, na fictief huisartsbezoek, uren te laat de school te betreden, en meteen, wegens spoedbestraling, weer te vertrekken, met medeneming onder mijn jas van een pak schrijfmachinepapier voor de schoolkrant. Het jaar erop was er nog geen verbetering in de knietoestand opgetreden, en weer kreeg ik vrijstelling. Op den duur raakte, mede door anonieme schoolkrantpublicaties, iedereen met de riante afkeuringsmogelijkheid bekend, en werd er zelfs iemand die in competitieverband hoofdklassevolleybal speelde voorgoed ongeschikt verklaard!
Sportte u zelf ook?
– Jazeker, ik heb twee jaar lang aan judo gedaan. Ik was zes jaar toen ik begon, en de judoschool zat op de Rijswijkseweg, in een verbouwde benedenwoning. De zwarte band lag ver voorbij de horizon – ik verwierf de witte niet eens, want je startte met een witte band met gekleurde slip, die eerst een paar maal van kleur moest veranderen. De instructeur was een nogal autoritair ingestelde rasklerelijer: ‘Niet zo zachies, ’t is je moeder niet!’ Achterin de zaal hingen kapstokken, zo hoog dat geen zesjarige erbij kon. Als iemand eens hardop lachte of praatte of in ander intolerabel gedrag verviel, werd hij met zijn judoband hoog aan een kapstok gehangen. Een judoband heet bij judo Obi, maar dat doet er verder niet toe. Wat de vechtsporttechnische aspecten aangaat, ik leerde weinig meer dan een potje valbreken – het enige potje dat je bij die man kon breken. Valbreken is reuze nuttig als je een verzachtende judomat onder je weet, maar je hebt er betrekkelijk weinig aan wanneer je van een torenflat geheupzwaaid wordt. Ook betwijfel ik of er judogrepen bestaan die afdoende bescherming bieden tegen een Yakuzahoofdman die ineens met een geladen bazooka voor je neus staat. Vreemd, maar ik sportte eigenlijk best wel graag. Na twee jaar moest ik met amateurjudo stoppen, want mijn studie begon eronder te lijden. Na mijn schoolloopbaan had ik de draad weer kunnen oppakken, maar toen ging de meeste vrije tijd helaas op aan

WERKEN

Na ontmoedigend veel manjaren van ongeschoold studeren, tot diep in de middag proefwerken voorbereiden en een uit het mislukken van de laatste onderneming voortvloeiend fors aantal verzuimdagen, werd mijn opleiding bekroond met een landelijk erkend diploma, dat, zo verzekerde ons de metaforisch maniakaal redevoerende klassenleraar bij de uitreiking ervan, op het traject van de menselijke levensbaan een tussenstation van jewelste vormde, want zelf was hij ook met niets begonnen.
Om te vieren dat leerlingen en lesgevend geteisem nu voorgoed van elkaar verlost waren, werd er een etentje gehouden in een gezinsrestaurant dat niet zozeer faam genoot om de smakelijkheid van de geserveerde spijzen, als wel om de op de kleine beurs toegesneden prijzen. De kille schimmelige eetzaal bevond zich in de nok van het eethuis, en de uitdrukking ‘hoog en droog’ was er sinds februari 1953 niet meer gehoord. De diverse twintigpersoonstafels stonden zo kantineachtig opgesteld, dat velen de vrees bekroop verzeild te zijn geraakt in het voorgeborchte van bejaardenhuis De Knekelburcht, waar een kennismakingsinstuif gaande was met accordeonmuziek vooraf en smartlappenzang na.
De kelners, die het vijfsterrenpredikaat niet verdienden (tenzij elke ster een tiental dienstjaren vertegenwoordigde), leken rond te lopen in het kader van een postpensioneringsproject met behoud van reumatiek. Zwijgzaam deponeerden ze schalen patat op de tafels. Degene die het voedsel voorgezet kreeg, schepte er naar behoefte van op zijn bord, en gaf de schaal door. Nadat twee uitgehongerden hun bord hadden overladen met het overvette frituurvoer, was de hoeveelheid op de schaal aanzienlijk afgenomen, en tegen de tijd dat ik erover kon beschikken gereduceerd tot een viertal samengekoekte aanbrandpatatten.
Aan het einde van de smulpartij stond de directeur op om een toespraak ten beste te geven. Dit door zelfs de leerkrachten tot op het merg gehate schoolhoofd had de gewoonte tijdens spreekbeurten zijn bril af te zitten, zodat a) hij ons niet hoefde te zien, en b) wij beter zagen hoe hij enige tientallen malen per minuut met zijn ogen knipperde. Niet uit opzettelijke schalksheid, maar vanwege motorische aanleg – de lachers had hij dus op voorhand op zijn hand, wat goed uitkwam, want hij miste het talent ons met een grapje aan het schateren te krijgen.
Daar de zaal niet was voorzien van een geluidsversterkende installatie en het hem aan een megafoon ontbrak, diende het Hoofd zich door stemverheffing en zuivere articulatie verstaanbaar te maken, en hierin mislukte hij subliem. Uit zijn eindeloze gemekker bereikten ons bij benadering mededelingen van het kaliber ‘Pruttelsolexindebocht vroemvroemvroem! Jeepvanjansen lekkeband, Heidewitz kavooruitgeefgas! Zolangdelepelindebrijpotstaat dekolenschop dehoelahoep olé!’
En daarbij mompelden wij instemmend:
‘Dat vind ik nou ook. Fijn dat daar eindelijk eens iets van gezegd wordt. Helemaal mee eens. Bij mist overdag groot knipperlicht.’
Toen hij uitgekakeld was werd het nog een aardig feest, waarop de partijen elkaar nauwelijks naar het leven stonden, een blinde accordeonist voorkwam dat men zich op de dansvloer waagde, en een dronken docent tot onze vreugde van zijn welgevulde portefeuille ontlast werd.
De kater kwam enkele dagen later, want er diende door de schoolverlaters werk gezocht te worden. Hoewel ik donders goed besefte dat er met werken Geld verdiend kon worden, vreesde ik toch dat het in een betrekking gaan mijn tere metabolisme zou schaden. Ik had namelijk wel eens gewerkt, een hele dag lang, in de kampwinkel van een camping. Ik werd er belast met uiterst nutteloos werk, maar dat had ik aanvankelijk niet in de gaten, omdat ik meende dat werken nu eenmaal een nutteloze bezigheid was.
Een voorbeeld? Een voorbeeld.
De kampwinkel verkocht, om tweehonderdvijftig kilo zware Duitse toeristen het zonnebaden te verzachten, rieten ligmatjes. Mijn taak was het de matjes op te rollen en van een elastiekje te voorzien, en ik moest dat, in de wetenschap dat de dikke Duitse toeristen de matjes na aanschaf onmiddellijk van het elastiekje zouden ontdoen en uitrollen, zien vol te houden zonder overvloedig schuim op de lippen te krijgen.
Bij wijze van variatie vertrok ik, wanneer iemand een karton melk uit het vak genomen had, naar het magazijn om een nieuw te halen. Ik wilde de kampwinkelbeul voorstellen in het kader van de verkoopefficiëntie de klanten gewoon op het magazijn los te laten – dat bespaarde ons een hoop geloop, en hij kon eventueel tegen zijn superieuren zeggen dat hij het zelf bedacht had, en een flinke salarisverhoging in de wacht slepen, daar was ik goed makkelijk in.
Maar ik had inmiddels al begrepen dat er geen sprake kon zijn van verstandelijke communicatie met de lompe filiaalhouder. Elke platte zin die hij sprak bevatte wel een op genitale intimiteit betrekking hebbende zegswijze; de winkelmeisjes, die best voor een lolletje te porren waren, maakten er bezwaar tegen onafgebroken belaagd te worden door een bronstig zwijn in een stofjas, en dreigden ten slotte hem een bepaald deel van zijn anatomie af te bijten, en dit als ware het een afgekeurde augurk, met een prikkertje er doorheen in de doordraaicontainer te werpen.
Het vocabulaire van de hitsige genitalisman kende een groot aantal uitdrukkingen die men zelfs op achterbuurtschuttingen niet gauw zal aantreffen, en reeds tijdens de eerste koffiepauze vertrouwde hij me met een akelige knipoog toe dat er in de koelruimte achter de groenteafdeling de hele dag door ongehoorde seksualiteiten bedreven werden, zoals gratis groepsseks (pro Deo simultaankrikken), het erotiserend insmeren van erogene lichaamsstreken met taartbereidingsgrondstoffen (beslagsgemeenschap), en het door oosterse lenigheidstechnieken onder de knie krijgen van de meest acrobatische voortplantstandjes (yoga) – dit alles uiteraard op instigatie en onder aanvoering van filiaalchef Joris Clitoris zelf.
Toen om halfvijf het leed van de eerste werkdag geleden was, begaf ik mij naar het fietsenhok, waar ik tot de ontzettende ontdekking kwam dat mijn slotsleuteltje spoorloos was. Koortsig doorzocht ik mijn binnen- en zijzakken, en zag het toen naast de fiets op de grond liggen.
Op het moment dat ik de fiets uit het rek reed, hoorde ik achter me een rauwe kreet. Ik keek om, en zag dat bovenaan het magazijn een venster geopend was, en de roodbezwete paardenboluskop van de filiaalchef eruit stak. Hij toonde zijn linkervuist met tussen wijs- en middelvinger geklemde duim (een ‘veeg’ teken), en schaterde dat hij zojuist weer met een dikke Duitse toeriste het kroelspel van komkommer, kokosnoten en contactdoos gespeeld had.
De volgende ochtend belde ik het campingbestuur met de treurige mededeling dat mijn bootreis naar Amerika wegens oorlogsdreiging met een maand vervroegd was, en al over anderhalf uur zou aanvangen. Ik sprak de hoop uit dat men het zonder mij verder wel zou redden, en hing opgelucht op.
Behalve dit eenmalige vakantiewerk, strekte mijn praktische arbeidservaring zich uit tot een zesweekse stageperiode op een ministerie. Ik had het geluk dat mijn ministeriële mentor niet goed wist wat hij met mij aan moest, zodat ik gretig voorstelde dat ik wel even zes weken lang de nieuwe Comptabiliteitswet zou gaan bestuderen en met de oude vergelijken, en dat mijn bevindingen dan neergelegd zouden worden in het stageverslag, waaraan ik dus zes weken op mijn gemak kon werken – dit in tegenstelling tot leerlingen die in de stageweken echte arbeid verrichten, en in hun eigen tijd het stageverslag moesten zien te schrijven.
Ik kreeg een ruim vertrek toegewezen, waarin zich maar liefst twee bureaus bevonden, hoewel ik voor mijn benen genoeg had aan een. Wat ik precies uitvoerde? Nou, niets, natuurlijk. Als ik op maandagmiddag het naar buiten staren beëindigd had, mompelde ik: ‘Ziezo, de kop is eraf’. Als ik me op woensdagmiddag eens flink uitrekte, dacht ik daarbij: ‘Ziezo, de week is doormidden’. En als ik op vrijdagmiddag geeuwend de deur achter me had dichtgetrokken en uitgeput naar de tramhalte slofte, concludeerde ik: ‘Ziezo, we hebben ze weer verdiend’.
In plaats van die gare Comptabiliteitswet, bestudeerde ik de tiendelige Sjöwall en Wahlöö-reeks, en schreef ik brieven, die ik gratis in dienstenveloppen verzond, aan een medeschoolkrantredacteur die ergens op een bank voor zich uit zat te staren. (Nee, geen bank in het park, was maar waar met dat mooie weer, maar een financiële geldbank.) Ook berekende ik omtrek, oppervlakte en inhoud van mijn werkvertrek, door het aan elkaar bevestigen en langs de wanden uitleggen van honderden paperclips, die elk een lengte hadden van drie centimeter. Voor mijn negenjarige zusje (zij handwerkte op school voor mij ook wel eens leuke dingetjes waar ik niets aan had) maakte ik een mooie imitatieketting van in een bureaula gevonden rubber rietjes, die misschien ergens, maar waarschijnlijk nergens voor dienden.
Dus die zes weken, die vlogen om.
Toen ik op een middag het raam opengeschoven had, en op de vensterbank geklommen was (niet om mijn lichaam aan bijziende voorbijgangers aan te bieden of om te springen, maar gewoon om wat lentezon op te doen) ging de telefoon. In meditatieve contemplatie gestoord, kwam ik ietwat kribbig overeind, en nam op. Iemand van de een of andere externe afdeling, die kennelijk gereed was gekomen met het van de IN- naar de UIT-bakjes overhevelen van rapporten die haast hadden, vroeg de heer X te spreken. Helaas, zei ik, die is er niet. Ik wilde wel even gaan kijken of hij misschien in een kast gekropen was, maar volgens mij was hij echt niet present. En de heer Z, was die er wel? Nee, de heer Z had ik al evenmin aan boord. Sterker nog: ik had nog nooit van de heren X en Z gehoord – ik was namelijk maar stagiair.
‘Wat?’ zei de opbeller. ‘Stagiair? Maar dan mag je de telefoon helemaal niet aannemen!’
‘O nee?’ gaf ik lik op stuk. ‘Dan moet u mij niet opbellen! Wie is er eigenlijk begonnen? Neem me niet kwalijk, zeg. Als u niet opbelt kom ik niet in de verleiding op te nemen!’
Trillend van woede hing ik op. Zo, daar kon hij het mee doen, die externe ambtelijke fielt! Nee, mij maakten ze niet gek!
Ik had meteen geen zin meer in zonnebaden, en zon op wraak. Als ik een echt pistool had, zou ik ongemerkt ambtenaren kunnen neerknallen, te beginnen met die vervloekte opbeller, wie het ook geweest was, maar daar kwam ik nog wel achter. Overhoop geschoten ambtenaren kon je gemakkelijk spoorloos laten verdwijnen, geen haan die ernaar kraaide; elke dag eentje, dan viel het helemaal niet op…
‘Meneer De Jong, bent u toevallig wakker? Neemt u me niet kwalijk dat ik zomaar bij u binnenloop, maar we hebben ambtenaar Y al een week niet gezien. Weet u daar iets van?’
‘Hoe ben je erachter gekomen, aterling? We zullen eens zien of je ook blauwe bonen lust! Hier, pak aan! Ik pomp je vol lood! Pauw! Pauw!’
Soms kwam er een koerier binnen met een dikke dossiermap, die hij in de archiefkast wegborg, en dan nam hij er een andere map uit, die hij in een andere kast in een ander vertrek onderbracht, en zo ging hij de hele dag opgewekt fluitend door, zodat alles zich op den duur weer op de oude plaats bevond. De koerier voelde zich vast en zeker een nuttige schakel in de ambtsketen, of de ambtelijke molen, of hij was blij dat de molensteen draaide – ik bedoel, als je maar in zoveel mogelijk tijd zo weinig mogelijk uitvoerde, anders ontstond er tijdnood. Dat wil zeggen, dan groeide er een noodsituatie waarin men zich met de vrije tijd geen raad wist.
Halverwege de vierde week vroeg ik mij gapend af wat ik nu weer eens zou gaan doen; na de koffiepauze had ik nog ruim een uur tot de lunch te gaan. Ach, waarom ook niet, dacht ik, laat ik eens iets uithalen, een geintje maken… De boog kan niet altijd gespannen zijn, temeer daar ik alle Sjöwall en Wahlöö-deeltjes al gelezen had. Hm, eens zien… Nee… Met brandstichten kon ik waarschijnlijk beter wachten tot de laatste werkdag… Maar ik kón natuurlijk alvast wat staven dynamiet in de archiefkast en onder het bureau aanbrengen… TNT was dankzij CJP-korting binnen het bereik van de scholier gekomen… In elk vertrek een behoorlijke springlading… Het lont onder het tapijt verbergen, en dan de laatste dag… De radiografische ontsteking in werking stellen, en… Plof! Boem! Rinkeldekinkeldekinkel! En in één klap was ik diezelfde avond nog de held van de dag, want ik was de enige die het overleefde!
Dit afscheidsvuurwerk was echter van later zorg.
Naast de deur van mijn werkvertrek bevond zich aan de buitenkant een rode lamp, voor als de ambtenaar niet gewekt wilde worden. Ik deed de lamp aan, hing er een briefje naast met de mededeling dat Hete Greet zitting hield, en wachtte af. Maar niemand klopte aan om stiekem de gelegenheid te baat te nemen, en toen ik na de theepauze een ommetje ging maken, was de annonce verdwenen – waarschijnlijk om te gelegener tijd tijdens een vergadering bij wijze van komische noot te berde gebracht te worden. Want lachen, ja, daar hielden de h.h. ambtenaren wel van – dat ondervond ik toen ik eens zo’n vergadering mocht bijwonen. Tijdens het koffiedrinken vooraf werd er wat gekeuveld over koetjes en kalfjes, en kwam ook de vrouwenemancipatie ter sprake. Een hoge ambtenaar hoestte sigarenrook uit zijn mond, en zei: ‘Een vrouw heeft maar één recht: het aanrecht!’ Er werd uitbundig gelachen om deze inderdaad uitzonderlijk leuke grap, vooral door een personeelsfunctionaris die ik op dat moment vermeed aan te kijken, omdat zijn gebit me deed denken aan het bombardement van Rotterdam, waarover ik pas nog een aangrijpende documentaire had gezien. Hij hikte even na, en zei toen, terwijl er een bruine druppel kwijl over zijn kin liep: ‘Laatst vroeg iemand: wat vind jij van de vrouwenbeweging? Ik zeg: o, je bedoelt zeker zwangerschapsgymnastiek!’ Dit was ontegenzeggelijk het toppunt van ambtenarenleut, en er werd minutenlang hartstochtelijk geschuddebuikt. Zelfs de dames in het gezelschap lachten dapper mee, want de rasconferencier was tenslotte personeelsfunctionaris, en had misschien een doorslaggevende stem als het op promotie aankwam. De man schaterde overigens zelf niet mee om zijn eigen grap; hij hield zijn mond dicht, en liet de adem stootsgewijs door zijn neus ontsnappen – dit is de meest ergerlijke vorm van snuiven die er bestaat; wat mij betreft een argument om de herinvoering van de doodstraf serieus te overwegen.
Ach ach, nou nou. Dit was nog maar stage… Wat stond mij allemaal niet aan doordeweekse ellende te wachten nu het menens werd? Een meerjarig à levenslang dienstverband leek me voorshands te gek voor woorden, en dus liet ik me inschrijven bij een uitzendbureau.
Kennelijk had mijn diploma werkelijk enige waarde, want na een paar dagen al zond het bureau mij uit naar zijn eigen hoofdkantoor, waar ik mij zonder toezicht op het archief mocht storten. Wanneer er een debetnota of aanmaning binnenkwam, moest ik die naar goeddunken, maar liefst volgens de reguliere alfabetische rangschikking, in een van de archiefkasten onderbrengen.
Makkelijk zat!
De sfeer op de afdeling was optimaal. Ik deed het verantwoordelijke werk samen met een drop-out van de lomschool, die zijn gehoorapparaat slim uitschakelde als hij zijn eigen wezenloze geneurie niet meer kon aanhoren. Zelf had ik er nauwelijks last van, want als hij geen klanken uitstootte, was er de radio, die de hele dag stond afgestemd op Hilversum 3, de zender die eigentijdse hoempamuzak afwisselde met nog weerzinwekkender presentatorengeblaat, al was het natuurlijk te prijzen dat drop-outs van de lomschool bij de radio zo gemakkelijk aan de bak konden komen.
De chef van de afdeling had iets met zijn ondergeschikten: zij konden zijn bloed wel drinken. ‘Als hij ooit door een beroerte of een voltreffer in elkaar zou zakken, zou ik alleen op hem toe stappen om mij ervan te overtuigen dat hij echt dood was, en zo niet dit nog te doen alsnog, door mijzelf!’ (De administratief medewerker die dit roodhoofdig riep was niet goed bij volzinnen.)
Het postuur van de afdelingschef was te vethoudend voor de afzichtelijke confectiekostuums die hij droeg, maar zijn souteneurssnor paste wonderwel bij zijn pokdalige patatbakkerskop, al was het peper en zout permanent weer te veel van het ordinaire.
Het duurde niet lang voor ook ik in het conflict stelling tegen hem nam, want niet alleen had hij openlijk toegegeven een liefhebber van accordeonpotpourri’s te zijn, hij waagde het tevens te verkondigen dat de een of andere vierderangs pulpproducent de beste schrijver ter wereld was.
Op een zonnige nazomerochtend scheen de zon zo ongemeen fel, dat ik gebiologeerd naar mijn roerloos op de grond liggende schaduw staarde, en op het idee kwam te controleren of ik het aloude schimmenspel nog beheerste. En jawel hoor: daar lieten mijn vlugge vingers achtereenvolgens een twaalfpotige Sumatraanse tropenrups, een doormidden gezaagd konijntje op wielen, een geinig klein kaboutertje met een zesmaal om zijn middel gedraaide paardenlul, alsmede een hermafrodiet nijlpaard met drie meloentieten, een brandweerhelm en een buitenboordmotor, in een wilde zoölogische achtervolging over de muur galopperen.
Hevig vertoornd riep de chef mij voor een onderhoud naar een zijvertrek, dat hij met zijn aftershavewalm in luttele seconden tot een insectenvrije ruimte maakte. Ja, klaagde hij, hij meende geconstateerd te hebben dat ik er met mijn gedachten niet erg bij was, bij het werk.
Ach, zette ik hem fijntjes op zijn nummer, dat was toch ook niet nodig als het om geestdodend werk ging?
Wanneer de chef de afdeling voor een sanitaire of onanaire vertreding verliet, ontstond er onder de achterblijvers een geredetwist, dat verband hield met een weddenschap. Wanneer precies zou hij zijn ontslag indienen, en zou dit op basis van vrijwilligheid geschieden, of moest hij eerst tot het plegen van vervroegde auto-euthanasie worden aangezet?
Twee middagen per week werden de gelederen versterkt door een bijklussende bejaarde boekhouder. Hij had de beschikking over een onvoldoende afgeschermde ruimte, waar hij zich onder het genot van een niet bijzonder dure, maar wel geweldig stinkende sigaar, binnensmonds prevelend en buitensmonds kwijlend, bezighield met het bedenken van slimme fiscale constructies. (Het uitzendbureau ging een jaar later op de fles.)
De harde kern van de afdeling werd gevormd door drie dames van rond de zestig jaar elk, die de middag-, koffie- en theepauzes benutten voor het in hoog tempo verorberen van bloedvatdichtslibbend gebakwerk, maar die vanwege de ‘lijn’ in koffie en thee slechts ‘zoetjes’ duldden.
Hun conversatie bezorgde mij bij toerbeurt steken in de vullingen van mijn kiezen en jeuk op de kruin. Deze en andere de werklust torpederende onverkwikkelijkheden (men had mij een keer gevraagd koffie te gaan zetten!) deden mij na drie weken besluiten het voor gezien te houden, en op zoek te gaan naar een andere betrekking.
Zo’n dag of drie later lachte het geluk mij alweer toe, want een firma in een Haagse fabriekswijk zat te springen om een administratief virtuoos.
Even voor achten sloeg ik mijn paraplu droog, en meldde mij waar ik wezen moest. Ik zag de kantoorwerkertjes met lood in de schoenen en soep in de ogen arriveren, en aan hun bureau plaatsnemen. Klokke acht klonk er een loeisirene, en alsof men een verse batterij ingezet had gekregen, gingen mijn nieuwe collega’s aan de arbeid.
Hallo daar, ik ben er ook nog! dacht ik. Maar ik hield me natuurlijk gedeisd, want ik wilde de aandacht liever niet nodeloos op mezelf gevestigd zien – ik kreeg per uur betaald, en het ging er dus om dat ik er was. Het noodlot ontloopt men echter niet zo gemakkelijk: daar was de chef al, om uit te leggen wat ik moest gaan doen.
Mijn werk behelsde het berekenen van zogenoemde ‘indexcijfers’, en hoewel ik destijds niets precies wist wat dat waren, en ik het begrip thans helemaal niet meer kan plaatsen, kostte het mij weinig moeite te doen wat men van mij verlangde, want ik hoefde alleen wat knopjes van een rekenmachine in te drukken (klik klik klik), en dan floepte er vanzelf een ‘indexcijfer’ te voorschijn.
Ik werd door het inspannende indrukken van rekenmachineknopjes (klik klik klik), en het in opperste verbazing gadeslaan van te voorschijn gefloepte ‘indexcijfers’ zo in beslag genomen, dat ik alle begrip voor tijd verloor, en toen ik door slaap overmand met kleine oogjes tersluiks op mijn horloge keek, was het dan ook al kwart over acht geworden.
Ik snoof onopvallend om uit te vinden of er al koffie in aantocht was, maar het enige aroma dat mijn neusgaten binnenwoei, bleek te zijn opgestegen van de sokken van de man tegenover mij, en die had zulke enge eczeemvlekken op zijn voorhoofd, dat ik mij snel weer op de rekenmachine (klik klik klik) en de onophoudelijk te voorschijn floepende ‘indexcijfers’ concentreerde.
Hoe was het ook alweer? O ja: je tikte 5319537, en als je de rekenmachine dan 180 graden draaide, was er geen ‘indexcijfer’ te voorschijn gefloept, maar het woord LESBIES. De man met de eczeemvlekken zou misschien af en toe stiekem proberen af te kijken, en er dan hard om moeten lachen, en zou dan blijken ook uit zijn mond te stinken, dus ik legde een arm beschermend om de rekenmachine.
Hee, wat kregen we nu weer? De loeisirene ging; alle collega’s kwamen overeind en verlieten de afdeling. Had men TNT onder een bureau aangetroffen? Of had iemand een ongehoorde scheet gelaten?
Ik volgde de weglopers de gang door en een trap af, en kwam in een kelder die als kantine was vermomd. Er werd koffie geschonken door een mismoedig kijkende man, die de indruk wekte zojuist de verpletterende uitslag van een röntgenonderzoek vernomen te hebben. Hij schonk zo ongeïnspireerd in, dat menig voetbad ontstond. Iemand die het waagde daar wat van te zeggen, kreeg toegebeten: ‘Leg niet te emmeren, eikel. Beter een voetbad dan een bloedbad.’
Het leek mij niet uitgesloten dat op een dag het eerste op het tweede zou uitdraaien.
De koffiepauze was uiterst kort, want nog voordat de nasmaak van het bruine bocht zich definitief een plaats in de mondholte had kunnen verwerven, loeide de sirene weer. Kopjes, schoteltjes en lepeltjes werden in de onderscheidenlijke daarvoor bestemde emmers gesmeten: een tref dat alles van plastic was.
Zonder iets te zeggen hervatten de kantoortrollen het werk, en de eczeemvlekkenman tegenover mij deed niet alleen dat, maar begon ook uiterst irritante keelgeluiden te maken, zo tussen schrapen, gorgelen en rochelen in. Man, hoest toch even de harde brokken los, of ik doe je wat! dacht ik, en ik begon zelf overal jeuk te krijgen.
Ik berekende, terwijl de man zijn keelgeluiden eindelijk onder controle had gekregen, en nu op volle kracht uit zijn neus piepte, op de rekenmachine (klik klik klik) hoe lang het nog zou duren voor het halfvijf geworden was, dacht na over de deprimerende uitkomst, zag dat buiten de zon was doorgebroken, en op het voorhoofd van de eczeemvlekkenman een zweer, bromde een onverstaanbaar excuus tegen de chef, en verliet het gebouw, vastbesloten nooit meer terug te keren.
Ik heb niets tegen werken, maar het moet een aardigheidje blijven.

De sociologie kent het begrip ‘luiheid’.
– Ja, dat ken ik ook.
Ik bedoel, in relatie tot uw relatie tot het sociologische begrip ‘werken’.
– Ja ja.
Met andere woorden: als u het voor het zeggen had…
– O, nee, ja, nee, het is beslist niet zo dat ik een afkeer heb van werken. Alleen, ik ben er niet voor in de wieg gelegd. Het is dus meer een genetische kwestie dan een sociologische, dat kan de eerste de beste hersenchirurg u vertellen. Wel heb ik zes jaar lang een ochtendkrantenwijk gehad. Zelfs tijdens mijn eindexamen! ’s Avonds bestudeerde ik Onrechtmatige Overheidsdaden, waardoor ik niet voor tweeën sliep, en dan droomde van allerhande absurde arresten: Vrouwe Elske, Het Rotterdams Pothuis, De Rhedense Koe – bij wijze van ezelsbruggetje: Vrouwe Elske, de Rhedense pot. Ja, die dingen blijven je je hele leven bij. Jammer eigenlijk dat ze maar zo zelden van pas komen… En om vier uur stond ik dan weer op, bezorgde tot zeven uur kranten, studeerde verder tot het examen begon, en slaagde met een zeven gemiddeld! Dat kwam, misschien wel interessant om te vertellen, doordat mijn 4½ voor economie vanwege het slechte landelijk gemiddelde met een punt werd opgehoogd tot een 5½, en vervolgens tot een 6 afgerond. Toch is economie in feite niet zo moeilijk. Je moet alleen effe Keynes wezen, en de dubbelcumulatieve accumulatietheorie van Fröddelweiss en Hoogsappel uit je hoofd leren.
Maar als we het over werken hebben…
– Ik ben een keer copywriter geweest. Iemand die mij kende, kende iemand die in de reclamewereld zat. Kent u die wereld? Niks voor mij. De man uit de reclamewereld had dringend een copywriter nodig, en meende wat aan mij te hebben. Hij verzocht me een tekst te schrijven voor een gezamenlijke actie van het Wereld Natuur Fonds en een landelijke kruideniersketen, waarvan ik alleen de initialen zal noemen: V.G. Waar ging het om? De consument, de doelgroep, meen ik, kocht kruidenierswaren, en ontving na betaling bij de kassa een zakje met plaatjes waarop dieren stonden afgebeeld die waren uitgestorven of die nog moesten uitsterven. De plaatjes dienden op een wereldkaart geplakt te worden, en die wereldkaart bestond uit drie panelen, elk gratis verstrekt bij aanschaf van f 25,– aan boodschappen. Mijn copywriten behelsde het samenvatten van de technische gegevens van de bedreigde dieren. ‘Dan zeg je maar dat de Bultrug Walvis een grote lul heeft’, schaterde mijn opdrachtgever, die vanwege zijn bolle feestwinkelwangen en zijn buitensporige snor niet alleen in de reclamewereld, maar ook als presentator van een accordeonsmartlappenprogramma furore had kunnen maken. Goed, ik aan de slag. Nu was het mij persoonlijk worst dat al die dieren op het punt stonden uit te sterven, want in de eerste plaats komt er geen mier onder een auto zonder dat de Heer daar een bedoeling mee heeft, en in de tweede plaats moet je er toch niet aan denken dat er nooit eens wat uitsterft – dan zouden we nu nog met die stinkende dinosaurussen opgescheept zitten! Nou, neem me niet kwalijk, maar we hebben onze handen toch al meer dan vol aan hondenpoep en ander mestoverschot, dacht ik zo! Ik schreef de teksten, stuurde ze op, en wachtte en wachtte. Na een paar maanden belde ik maar eens naar een filiaal van V.G. Zeg kruideniertje, wanneer gaat die geweldige actie beginnen? Die ís al begonnen? Dan kom ik er nú aan! Op de fiets gesprongen, naar V.G. gereden, afgestapt, nou ja, zoals dat dan gaat, hè? Ik zei tegen de bedrijfsleider dat ik de tekstschrijver in hoogsteigen persoon was, en de dom uit zijn ogen kijkende middenstander betrok meteen. Hij had nog nooit zo’n waardeloze actie meegemaakt! Die actie liep maar dan ook helemaal niet! Ik vroeg of ik wat dierplaatjes en wereldkaartpanelen mee kon krijgen, want die neet van een holle bolle reclamesnor had wel tijd gehad voor praatjes en infantiele grappen, maar mij fatsoenlijk presentexemplaren sturen ho maar. Ik zie mezelf nog terugfietsen, inwendig de slappe lach. Niets kan ooit nog mijn goede humeur bederven, herinner ik mij dat ik dacht, niet wetende dat het weldra zou gaan hagelen.
Met alle respect, dat kan men toch geen werken noemen.
– Nee, daarom heet het ook copywriting. O, wacht, zou ik haast vergeten: ik ben ook nog popjournalist geweest, en is dat werken of is dat geen werken? Ik had tijdens concerten van Queen in de Brusselse Vorst Nationaal en de Leidse Groenoordhallen, ik spreek nu van april 1982, foto’s gemaakt, en erna een verslag geschreven. Ik belde het legendarische Muziek Parade, en vroeg of er misschien belangstelling was. Kom maar langs, jubelde het in mijn ongelovige oren. Het Redactionele Opperwezen las, terwijl hij onder een andere dan zijn eigen naam een internationaal telefoongesprek voerde, de eerste vier regels van het verslag, bekeek twee of drie foto’s, en vroeg of ik genoegen nam met driehonderdvijftig gulden. De volgende weken belde ik hem driemaal daags op, om te informeren of hij het wel zo bedoeld had, maar twee maanden later lag Muziek Parade inderdaad met mijn vier pagina’s beslaande reportage in de winkel.
Hoe liep het af, als ik vragen mag?
– Ik leverde een paar jaar artikelen, maar toen verkocht het Redactionele Opperwezen het blad plotseling aan iemand die van mijn diensten geen gebruik meende te hoeven maken, zodat hij zes maanden later failliet was, wat ik nog met gebak en solopolonaise gevierd heb.
De journalistiek was voor u geen eindstation op het loopbaantraject.
– Ach, je blijft natuurlijk uitzien naar iets dat goed betaalt.
Is de hoogte van het salaris dan zo belangrijk?
– O nee, het maakt mij niet uit wat ik verdien, zolang het maar lekker veel is. En het doet er ook niet toe wat voor soort werk ik verricht. Het gaat mij er in de eerste plaats om dat ik er geen blijvende ziekte aan overhoud. Als je toch nagaat… Van lassen krijg je lasogen, van accordeonspelen een permanente grijns, van beeldschermtypen schele hoofdpijn… Misschien is lijkwagenchauffeur wel het enige gezonde beroep… Hoewel, daarvan krijg je op den duur waarschijnlijk

RIJ-ECZEEM

Schuchtere zonneschijn maakte eind december 1981 het trotseren van de vrieskou mogelijk, en vastberaden begaf ik mij te voet naar een erkende rijschool. Ik had mij dapper voorgenomen half januari met rijles te beginnen, om zo eind februari, begin november het brevet van rijvaardigheid te behalen.
Het had mij heel wat doorzettingsvermogen gekost dit besluit te nemen, en dat ik nu zo opgewekt de rijschool binnenstapte, kwam alleen doordat ik wist dat ik pas over drie weken achter het stuur zou hoeven te kruipen. Ik dorst eerlijk gezegd niet zo goed, en was er vast van overtuigd dat ik het alleen in een Mini zou kunnen leren, omdat dit geinige kabouterwagentje mij een soort opgewaardeerde skelter leek te zijn.
Ik verbleekte tot albino en werd één met het sneeuwlandschap, toen de rijschoolhouder mij vertelde dat er in de eerste plaats niet met Mini’s gelest werd, en dat er in de tweede plaats meteen plaats was. Als ik hier even tekende, zou ik de volgende ochtend worden opgehaald.
De rijinstructeur die mij was toegewezen zat toevallig in het kantoortje koffie te drinken. Hij kwam mij bekend voor – hij was toch zeker niet… Ja, verdomd, hij was het wel: ik had vroeger nog met hem in een pupillenelftal gevoetbald!
Hij herkende mij ook, en verscheen daarom de eerste les gekleed in een ijshockeykeeperkostuum. Met één paniekoog op de beijzelde weg gericht, één oog in de ban van het verwarrende dashboardknoppengeheel, en met mijn derde oog vergeefs op zoek naar innerlijke rust, wilde ik starten. Maar, dat had ik toch behoren te weten, de motor mag de eerste vijf lessen niet gebruikt worden. Hij was uit het vooronder getakeld, en voor een kleine onderhoudsbeurt bij de garage afgeleverd. De bodem was ter hoogte van de pedalen opengebroken, en daardoor kon ik het voertuig als een postprehistorische Fred Flintstone voorttrappelen.
Enkele meters voor ons strompelde een door kortingen in belubberde toestand verkerende langdurig onvrijwillig werkloze, die op zijn sandwichbord kenbaar maakte het liefst, ter ondersteuning van het regeringsbeleid, voor zo weinig mogelijk (en bij voorkeur voor helemaal geen) loon zo smerig mogelijk werk te doen. Tevens zwaaide hij de verplichte zwarte vlag en melaatsenratel, ten teken dat het mijn eerste les was, en dat hij om zijn ultraminimale uitkering niet in gevaar te brengen, onder geen beding gevoederd mocht worden.
Op den duur, terwijl de dooi doorzette, gelukte het sturen, schakelen, pedalen intrappen (en bij dit alles de overige weggebruikers zoveel mogelijk in leven laten) mij vrij aardig, en de verbeten valiumpjes verorberende instructeur adviseerde mij met klem in godsnaam ook de theorielessen te gaan volgen.
Zes dinsdagavonden waande ik mij weer op school, midden in een les sociologie. De docent legde uit, wij spraken tegen, hij raakte verhit, wij hielden aan, hij bond wat in, wij gaven wat toe: theepauze! (These – Antithese – Synthese – Thee zetten.)
‘Meneer Zuivergraat, als ik zeg “Onbewaakte Overweg”, waar denkt u dan aan?’
‘Eh, nou, eh, tja…’
‘Dat hangt er natuurlijk van af. Als u “Onbewaakte Overweg” zegt, terwijl ik aan het kweken van onbespoten tomaten denk, dan denk ik aan het kweken van onbespoten tomaten. Maar als u “Onbewaakte Overweg” zegt, terwijl ik aan iets anders denk, dan denk ik aan iets anders.’
‘Ah, als dat meneer De Jong niet was. Vroeg ik u soms wat?’
‘Ja.’
‘O ja? Wat dan?’
‘U vroeg: ‘Vroeg ik u soms wat?’’
‘Bent u de leukste thuis?’
‘Ik ben overal de leukste!’
Een van de theorielessers was een gepensioneerde rijbewijsbezitter, die op doktersadvies bijgeschoold kwam worden in verkeerssituaties. Hij had in de jaren dertig gewerkt als vertegenwoordiger in luxe accordeons en als huis-aan-huisvrouwenarts, en hij zat vol anekdotes over de paardentram, die door zijn roekeloze rijgedrag dikwijls op hol was geslagen.
De theorieleraar staarde aan het slot van zo’n bonte dinsdagavond voor zich uit alsof hem eindelijk duidelijk was geworden dat er van het leven voor de dood weinig te verwachten valt.
Mijn praktijkrijden, intussen, escaleerde en accelereerde tot het de wagen met opzet in een slip gooien, en er zat dus niets anders op dan het examen aan te vragen. Op 22 april was het zover. Drie voorafgaande nachten had ik geen oog dichtgedaan, en als ik overdag even gestrekt ging, droomde ik prompt van zakken, in werkwoordelijke zin.
De gevreesde ochtend moest ik eerst om zeven uur in Hoek van Holland zijn om Engelse vriendin Jane van de boot te halen. In het kader van een muzikale expeditie zouden wij naar Brussel reizen, waar die avond in de Vorst Nationaal het eerste van vier aldaar en in Leiden bij te wonen concerten plaatsvond. Het was werkelijk niet mijn bedoeling, omdat zoiets een ‘uitdaging’ vormde, extreem lastige omstandigheden voor mijn rijexamen te creëren; tegen het mij opgelegde examentijdstip was geen beroep mogelijk, en ik achtte de kans klein dat Queen desgevraagd het tourschema om zou gooien.
Stijf van de rustgevende en de wakkerhoudende preparaten, die elkaar op de bijwerkingen na ophieven, schudde ik de examinator de hand. Een redelijk sympathieke man, die mij (een Omen!) vertelde dat hij op dezelfde dag jarig was als ik, had hij op het formulier gelezen. Onderweg nog reuze gezellig met hem geconverseerd, ach, waar maakten de mensen zich zo druk om, zo’n rijexamen viel best mee. Maar toen hij mij in een vlaag van onbarmhartigheid liet zakken, kreeg ik toch zin hem goedschiks of kwaadschiks de vriendelijke kop van de romp te trekken.
Theorie was geen punt (38 punten zelfs, van de 40), maar de praktijk moest over, want hij had op de rem getrapt, net toen ik dat zelf wilde doen, maar probeer dat achteraf maar eens uit te leggen, aan zo’n gluiperige rijksrat.
Ik kon Jane nu niet demonstreren hoe snel de oude Opel Kadett van mijn vader op hooguit twee wielen een bocht kon nemen, en kocht twee treinretourtjes Brussel.
De tijd kroop gelukkig, maar onafwendbaar naderde de herkansingsdatum: 6 juli, de verjaardag van mijn zusje. (Het tweede Omen!) Ditmaal pitte ik vier voorafgaande nachten op een laag pitje, en op de avond van de vijfde juli staarde ik nietsziend naar een of ander accordeonconcours op de televisie. Om kwart over elf belde S. uit de T.-straat in A., die alleen thuis was en naar de l.p. Z.A. van F.Z. luisterde, en over een paar weken met haar halfzusje N.N. naar het waddeneiland T. op vakantie zou gaan. Op mijn beurt vertelde ik dat ik D.V. over tien uur in een V.W. herexamen zou doen, en voor we deze problematiek uitputtend besproken hadden, was het half een geworden.
Ik moet die nacht geslapen hebben, want ’s morgens hoorde ik de wekker niet aflopen. Ongeschoren en onontbeten maakte ik dat ik nog bijtijds op het herexamen verscheen, waar ik geconfronteerd werd met… dezelfde examinator! (Het derde Omen: The Final Conflict!) Zulke bovennatuurlijke beproevingen horen thuis in de graalliteratuur, waar ze simpelweg met een mythologische knokpartij en lekker veel bloedverlies klets boem hatsjekidee mes door je lijer, binnen twee pagina’s beslecht worden, maar mij overkwam het op klaarlichte dag in de echte grotemensenwereld, en ik was er mooi klaar mee.
Wijs geworden ging ik onderweg niet op ’s mans geouwehoer in, en ik slaagde glansrijk, zij het met de hakken over de sloot.
Toen ik een week of wat later halfdood terugkeerde van een bus-boot-busreis naar Engeland (daar zou ik u nog verhalen van kunnen vertellen!), was het rijbewijs net gearriveerd. Ik onttroggelde mijn vader de oude Opel Kadett, om het op een gediplomeerd scheuren te zetten.
Eerst, want dan hoefde ik alleen over brede asfaltwegen te rijden, zocht ik mijn oma op, die in De Knekelburcht bij bejaardengymnastiek geblesseerd was geraakt, en nu met een gipsen pols kampte. Terwijl ik uit alle macht haar tijdelijke wagentje door de gangen duwde, en zij verzweeg dat dit op de handrem stond, vertelde ik dat ik zelfstandig met de Kadett gekomen was, waarop zij afwezig zei dat ze geen trek had in een broodje.
We dronken gezellig een kopje thee, keken naar Tommy Cooper, die in een Nederlands amusementsprogramma te gast was, en ik at met of zonder oma’s goedvinden de koektrommel leeg. Ik nam afscheid, en stapte weer in, om met de zakkende zon in de achterruit en in de achteruitkijkspiegel verblind naar Leiden te tuffen, waar ik, als ik de sleutelstad tenminste zonder te verongelukken wist te bereiken, bij kennissen de gevel uit het pand zou proberen te parkeren.
Leiden was weliswaar al geruime tijd ontzet, maar daarom nog niet berekend op hedendaags autoverkeer, en ik verdwaalde in een hopeloze doolhof van eenrichtingsgrachten, die toereikend moet zijn om elk toekomstig gemotoriseerd beleg het hoofd te bieden. Ik gaf het zoeken op, en trachtte weer op de snelweg te komen.
Hee, dat was ook toevallig: de snelweg! Mijn voeten beroerden in de maat gas- en rempedaal, en ik zong een lustig lied:
‘Hompompompompompompompom, tot je lul er blauw van ziet!’
Na een kilometer of tien passeerde er in volle vaart een ANWB-bord, waarop werd gewaarschuwd dat de gemeente Amsterdam in aantocht was. Ik schoot de eerste de beste afrit op, een verkeerde oprit weer af, en meende door een uitgekiende draai van 180 graden weer op de baan naar Den Haag te komen. Maar wat was dit nu? Waar was ik in hellesnaam terechtgekomen? Als ik verkeerd bleef rijden, was ik straks nog verder van huis… Ja, daar was geografisch geredeneerd geen speld tussen te krijgen… Wat was de actieradius van een oude Opel Kadett eigenlijk? Ho, liever geen paniek nu, dat was nergens goed voor. Kalm blijven. Wacht. Goed uit je doppen kijken. Probeer je te oriënteren… Eerst tot tien tellen, dan diep ademhalen. En voor de zekerheid nóg maar een keer tot tien tellen. Een minuut je ogen dicht, driemaal in de rondte van je hopsasa. Als je dan je ogen opent, zul je zien dat je gewoon thuis ligt te slapen. Pfff. Wacht eens, was dat daarboven niet de zogenoemde dinges, de Poolster? Als ik die nu in de achteruitkijkspiegel gevangen hield, dan ging ik misschien wel automatisch goed – en anders probeerde ik wel zo’n praatpaal, als ik er eentje kon vinden, in deze donkere duisternis.
Via zijpaden, landweggetjes en onverharde karrensporen, reed ik tegen middernacht Wassenaar binnen. Het was zaterdag, en de meeste inwoners van het villadorp waren met zakken vol zwart geld onderweg naar het casino van Scheveningen. Bij een stoplicht een paar kilometer verderop (ik had Den Haag veilig bereikt) stopte er een Jaguar naast me. De chauffeur had een snor, droeg sporthandschoenen, een zesmaal om zijn strot gedraaide sjaal en een geruite pet. Hij rookte een pijp, en drukte het gaspedaal zo opruiend in, dat het uitdagende motorgeloei mijn meest latente instincten tot leven wekte. Ik schakelde in, hield het stuur in een zelfbewuste greep om bij groen als eerste weg te kunnen spuiten, trapte het gaspedaal tot op de bodem, en liet de koppeling opkomen. Als ik de transmissie naar de eerste versnelling had overgebracht was er niets gebeurd, maar nu stoof ik, van nul tot twintig in twee seconden, volle kracht achteruit.
Béng!
Koelbloedig de wijze theorielessen in praktijk brengend, sloot ik snel alle raampjes en vergrendelde de portieren, want daar naderde de aangebrande aangereden achterligger. Wild tierend en gebarend stond hij naast me, en riep allerlei bekakte verwensingen waarin mijn chauffeurscapaciteiten in twijfel getrokken werden. Ik knikte hem met getuite lippen sussend toe tot hij enigszins gekalmeerd leek te zijn, duwde het driehoekige ventilatieraampje open, en legde voorovergebogen uit dat ik deze wagen even geleend had omdat ik naar stervensbegeleiding moest, een haastklus. Mijn eigen wagen bevond zich voor een kleine onderhoudsbeurt, een onschuldige observatie, in de garage; bij déze Kadett zat de eerste versnelling een ietsepietsepietsepietsie anders, dus zodoende. (Ik besefte dat het de eventuele justitiële afwikkeling weinig ten goede zou komen, als ik spontaan bekendmaakte dat ik pas één dag het rijbewijs bezat, hoewel het over tien minuten natuurlijk al twee dagen waren.)
De man haalde, toen hij bij mij geen bewijsbare tekenen van alcohol of verminderde toerekeningsvatbaarheid kon bespeuren, de schouders op, gromde zoiets als: ‘Zo zat hab ik hat nag nooit medegemaekt’, inspecteerde zijn turbojapanner op averij, en reed, nogmaals naar zijn voorhoofd wijzend, luid toeterend weg. Pas toen hij in de verte een hoek om was, durfde ik een fuck-offgebaar te maken.
Uiterlijk transpireerde ik tot ruitbeslagens toe, en innerlijk hoopten de zenuwscheuten zich op. Ik startte weer, maar gaf daarbij te veel of te weinig of helemaal geen gas, of misschien had ik juist wel of juist niet moeten choken, of eerst op mijn blote knieën met mijn uitlaat naar het westen gericht de God Van Kleine Motorvoertuigen moeten aanroepen – u raadt het al, ik kreeg de wagen met geen mogelijkheid aan de praat. Geholpen door geamuseerd toegestroomde omstanders, duwde ik de Kadett de berm in, en ging op zoek naar een telefooncel om mijn vader te raadplegen.
Zijn schamper grinniken verried dat hij dit, en wel erger ook, had voorzien. Nee, stelde hij gerust, waarschijnlijk niks aan de hand. Ik had ’m gewoon verzopen. Ik kon maar beter de bus nemen, dan zouden we de Opel morgenochtend ophalen; verzuipen ging bij auto’s vanzelf over.
Ik liep terug, en haalde de papieren uit het handschoenenkastje, dat officieel geloof ik dashboardkastje heet. Over de correcte benaming van deze onbeduidende bergruimte nadenkend, sloot ik het portier af. Voor ik het probleem van de naamgeving had kunnen oplossen, werd mijn aandacht afgeleid door de auto die ik had aangereden – die was namelijk teruggekeerd. De eigenaar had bij nader inzien toch nog een bumperbump ontdekt, en wilde zo snal mogelak gald habban.

Gelukkig hoef ik maar zelden ergens naartoe, want als ik ergens moet zijn, is het nog maar de vraag of ik er wel kom. Wanneer ik mij buiten de vertrouwde kom van Groot Den Haag tussen het snelverkeer begeef, neem ik, om op tijd te bestemder plekke te arriveren, een veiligheidsmarge van vijf minuten à zes uur in mijn rijschema op. Het Rotterdamse knooppunt Kleinpolderplein nader ik één bonk zenuwen. Laatst liep het er weer eens onverbeterlijk mis. Je kunt, van Den Haag komende, omhoog en links, middenlangs links en rechts, en gelijkvloers rechts, en hoe het ging ging het: ik reed volkomen verkeerd, en moest bij een benzinestation de weg vragen. Ik vond het een beetje lullig om de pomphouder alleen met een domme vraag lastig te vallen, dus voor de vorm gooide ik eerst de tank vol. Ik vergat van tevoren de benzinemeter te controleren, en dacht er al helemaal niet aan dat ik de vorige dag nog getankt had: er ging iets minder dan twee liter in. Toen ik even later om en om en om en om reed, kookte ik nog van tentoongespreid imbecilisme, en overwoog ernstig nog eens om en om en om en om te rijden, en dan volgas richting Den Haag te scheuren, want als het zo moest gaan hoefde het voor mij niet meer.
Tot een metropool als Hilversum weet ik, na een keer of acht verschrikkelijk de mist in te zijn gegaan, wel op de automatische piloot door te dringen. Maar daar aangekomen een adres vinden – that’s different zoek!
De modale gang van zaken is deze: ik vertrek vanuit de stelling dat Hilversum een vrij kleine gemeente is, en bega daarmee mijn eerste, maar in verhouding tot wat komen gaat vrij onbeduidende vergissing. Vervolgens rijd ik zonder kennis van straten laan in, plantsoen uit, in de allengs devaluerende hoop het gezochte adres zo vanzelf op mijn weg te vinden.
Na een kwartiertje of drie zoek ik bijstand. Helaas zijn de mensen die zich in Hilversum op de openbare weg wagen meestal slechts op bezoek om bekende televisienederlanders in het wild tegen te komen; échte Hilversummers blijven liever binnen, uit angst bekende televisienederlanders in het wild tegen te komen.
Terwijl de tijd verstrijkt (een mens heeft niet het eeuwige leven), en de benzinemeter in het rood zakt (een kleur die zich ook steeds nadrukkelijker op mijn gezicht begint af te tekenen), ga ik geweldig hyperventileren, schokschouderen, schuimbekken en oprispen. Grommen, roekeloos rijden, hoge snelheden, abrupt remmen, zondigen tegen gebodsborden, permanente flatulentie – gewoon om bang van te worden.
Tegen beter weten in blijf ik toevallige passanten de weg vragen. De beoogde informant rijd ik het liefst op de stoep klem; dreigend roep ik oudere dames een gezocht adres toe en een verwensing na, als zij in plaats van mij gehoorzaam van dienst te zijn, hun boodschappentas panisch buiten mijn bereik houden en een tuinpad opsnellen, want door al die opruiende televisiedocumentaires van tegenwoordig denkt iedereen maar als lust- of roofmoordslachtoffer te kunnen fungeren.
Toen ik een paar jaar geleden op de burelen van een gesubsidieerd noodlijdend jongerenblad werd ontboden voor het opluisteren en luister bijzetten van een redactievergadering, sloeg de schrik mij om het hart, want ik moest ervoor helemaal naar de middelgrote Zuid-Noord-Brabantse gemeente R. Ik ontvouwde vooroorlogse wegenkaarten, raadpleegde een tweedehands globe, zocht mijn toevlucht tot kromme passer en kapot kompas, en besloot de trein maar te nemen.
Ik liet qua reistijd niets aan het toeval over, en dat was maar goed ook, want ik belandde in plaats van in een supersnelle intercitytrein in een strooptrage stoptrein, en dat ik niet gewoon over Utrecht was gegaan scheelde ook minstens een uur.
Uitgeput hield ik op het aantal haltes te tellen; ik viel in slaap, en droomde dat de trein een noodstop moest maken omdat er zich veeteelt op de rails bevond. De koe loeide luid, en ik werd wakker.
In mijn coupé was een uitgelaten meute dienstplichtige militairen neergestreken. Luidruchtig zongen ze dat ze afzwaaiden en zonder hemd of broek op wacht stonden, en daarbij dachten aan een kennelijk uiterst begerenswaardige jongedame, die collectief aanbeden werd. In een aanstekelijk hoempalied dat een uitbundige polonaise tot gevolg had, werd de stelling geponeerd dat het leven in het Brabantse land goed was; ’s nachts na tweeën placht men er ‘naar beneeën’ te komen, en men gaf zich dan over aan lichaamsbeweging die rijmde op ‘na vieren’.
In R. moest ik volgens mijn informatie zo dicht in de buurt van het station zijn, dat het te lopen was. Een heerlijk opmonterend herfstzonnetje scheen, en de matige wind blies mij vanzelf in de goede richting: wat kon mij gebeuren!
De vergadering zelf doet hier niet ter zake; zoveel temeer mijn terugtocht, die ’s avonds om negen uur aanving. De zon was spoorloos verdwenen, een diepe duisternis achterlatend. De temperatuur was gehalveerd, de windkracht verdubbeld.
Natuurlijk, natuurlijk. Natuurlijk had ik op de terugweg gewoon de heenweg in omgekeerde richting moeten afleggen, achteraf helemaal met u eens. Maar tijdens de slaapverwekkende vergadering had ik, duf naar buiten turend, wat geografische hoofdberekeningen gemaakt, en de uitkomst daarvan verschafte mij een mogelijk aanzienlijk kortere route.
Dus wat dacht u?
Daar liep ik dan evenwijdig aan de spoorbaan, zonder dat ik in de nabije verte het station ontwaarde. In de looppas, meneertje De Jong: het was nu negen uur zes, en stipt negen uur negen zou de trein met of zonder mij vertrekken!
Hoewel het bij mijn weten geen koopavond was, en ik trouwens nergens een winkel bespeurde, was het opvallend druk; veel voetgangers op de been en auto’s op de baan, die (het zou toch niet glad wezen?) allemaal stapvoets reden. Bij een lantaarnpaal stond een onverantwoordelijk luchtig geklede jongedame op iets of iemand te wachten, en bij de volgende lantaarnpaal passeerde ik nog een jonge vrouw die zonder jas van huis was gegaan. Zij riep mij iets toe, maar ik had geen tijd halt te houden en haar op mijn gemak aan te horen, want mijn trein.
Mijn door een sportloze levenswandel ondermijnde conditie noopte mij vaart te minderen en in een slentertempo te vervallen; pas nu realiseerde ik mij dat ik in een onzedelijke buurt verzeild was geraakt. Brrr, het werkterrein van heroïnehoertjes (zich prostituerende junkvrouwen), en wie weet zelfs hoeroïneheertjes (mutatis dito) – opgepast een beetje, zo meteen sleurde een verslaafde ronselaar mij een Turks bordeel voor rituele geslachtsgemeenschap binnen, waar ik met een arm schaap onbetaalbare bestialiteiten moest bedrijven!
Ik schrok op uit deze sombere overpeinzing, want de vrije doorgang was onmogelijk gemaakt door een uit vetlagen opgetrokken mokkel van plezier (al kon ik me nauwelijks voorstellen dat er plezier te beleven zou zijn aan intieme omgang met iemand die je door te gaan verliggen kon dooddrukken). Met een tongval die geen andere scholing deed vermoeden dan een praktijkopleiding Alcoholisme & Tandeloosheid, stelde ze mij voor ‘pret’ te gaan maken. Van nature heb ik dan misschien wel eerbied voor bepaalde Fellinieuze vormen van vermaak, ik achtte het toch niet verstandig mij door deze volvette genotsvrouwe (met mogelijkerwijs besmettelijke intiemwratten) voortijdig naar een heldhaftige venerische ondergang te laten voeren.
Ik maakte een schijnbeweging die haar deed misgrijpen, en verliet in draf de walmende poel van Brabantse ontucht. Uitgeput van het hoerenrennen, en druipend van gelukkig alleen eerlijk zweet, bereikte ik het perron nog juist op tijd om de trein te zien wegrijden.
Mijn afwijzende houding jegens de loodzware lichtekooi kan gemakkelijk aanleiding tot misverstanden geven, en daarom haast ik mij met de hand op mijn hart te verklaren dat ik heus geen principiële afkeer heb van vrouwen aan de verkeerde kant van de zestig – maar van een zachte G krijg ik nu eenmaal geen harde L.

Wat is er eigenlijk van die Opel Kadett geworden?
– Weet u, er zijn dingen in het leven, waar je sociologisch niets mee kunt beginnen; die Opel Kadett is namelijk niet meer. Hij is heengegaan, naar de Grote Sloper, in de ouderdom van 12½ jaar, na een moedig gedragen rijdensweg van 120.000 kilometer. Bij het stervensproces, dat ik tot aan de verplichte autonasie heb mogen begeleiden, wil ik liever niet te lang stilstaan, want mijn persoonlijke betrokkenheid naar de Opel toe was best wel groot, en het heeft een behoorlijke tijd geduurd voor ik over een stuk verdriet heen was, en ermee om kon gaan. Begin 1985, de auto was mijn eigendom geworden, ontdekte ik vochtplekken in het inwendige, en natuurlijk, achteraf zeg je: hád ik maar dit, hád ik maar dat. Wás ik maar bijtijds naar een specialist gegaan. Maar ik redeneerde: ach, misschien gewoon een open raampje bij een regenbuitje, meer niet… Gek, het lijkt wel of je het op zo’n moment niet wílt zien… Na een aantal maanden trad er geurende schimmelvorming op, en zelfs dat verontrustte mij niet. Sterker, ik speelde nog met de gedachte de wagen mettertijd te laten evolueren tot een mobiele botanische tuin, met ingebouwde paddenstoelen en ecologische krioeldiertjes. Weer later, het had dagen achtereen geplensd, en ik had tijdens deze natte moesson de Opel niet gebruikt, trof ik onder de bestuurdersstoel een enorme plas water aan. Ik ging, struisvogelig tot en met, een beetje hozen met een oud theekopje waar toch een barst in zat, maar ergens besefte ik dat er voor de auto geen weg terug was, en ja, dan word je toch wel even op jezelf teruggeworpen, want je omgeving kan je niet helpen, je moet er in je eentje doorheen, ook al is het geen Citroën maar een Opel, en naar jezelf toe zien te vertalen wat er precies voor plaatje op tafel ligt, en dit vervolgens ingevuld en wel in de groep of op de werkvloer gooien. Ik weet het: ieder krijgt in het leven zijn deel, maar het ene kruis is het andere niet. Er brak een periode van droogte aan, en onverstoorbaar reed ik verder. Maar bij de geringste motregen veranderde de zwaar beproefde bolide in een visloos aquarium, en noodgedwongen ging ik op zoek naar een voordelig aangeboden duikbril met zuurstoffles. Daarbij stuitte ik op een annonce van een slopersimperium, dat f 950 beloofde voor een rijdend wrak. Ik belde op, en kreeg te horen dat dit formidabele bedrag alleen werd uitgekeerd bij inlevering van sommige auto’s jonger dan bouwjaar 1979. Als ze voor elk eerder jaar honderd gulden in mindering brachten, zou ik erop moeten toeleggen. Maar ten slotte heb ik ’m toch maar naar een autocrematorium gereden, want rijden zonder lieslaarzen was ondoenlijk, en de stank bleef weken in je kleren zitten.
Hoe is het gesteld met de socio… Sorry, de technologische aspecten van het autorijden, uw kundigheid op het gebied van kleine reparaties en dergelijke?
– Die kundigheid is totaal afwezig. Wat mijn ogen zien, dat maken mijn handen kapot. Ik heb, sprekende nog van de Kadett, zaliger nagedachtenis, maandenlang rondgereden met een waterloze ruitensproeier, omdat ik niet wist hoe die te vullen, en ik bovendien de motorkap niet open kreeg. Ik trok behoorlijk hard aan vermoedelijk de juiste hendel, maar ik wilde me niet schrap zetten, want stel je voor dat ik iets forceerde… Ja ja… Ach jee, die Kadett… Daarna verwierf ik een oude Opel Ascona. Het duurde tweeënhalf jaar voor ik te oliepeilstok gevonden had. Als er te weinig lucht in de banden zat, ging ik met een smoesje bij de garage langs, en liet dan meteen de bandenspanning controleren, want zelf oppompen bij de benzinepomp? Bij mij loopt er altijd alleen maar lucht uit. Heeft u dat ook?
Zeker veel bekeuringen en aanrijdingen meegemaakt?
– Dat valt erg mee. Ik reed op een ochtend naar mijn werk, toen kwam van links ene mevrouw Roskam met haar auto bij mij naar binnen rijden. Ik dacht nog: als u mij ten dans wilt vragen zult u vroeger moeten opstaan. Maar ja, evengoed werd mijn oude Opel Ascona total loss verklaard, en kreeg ik van de verzekering 650 gulden, waarna ik ’m voor 350 aan een argeloze vriendin van mijn zus verpatste. Daarna kocht ik een Seat Ibiza GLX 1.2, en daarmee ben ik in België op de snelweg nog bijna verongelukt, heel komisch was dat, achteraf. Maar nog even die oude Opel Ascona; ik ben een keer aan de dood ontsnapt, toen de benzinetank lek raakte. Het was kort voor kerst. ’s Middags had ik getankt, en de wagen voor de deur geparkeerd. Toen ik ’s avonds wilde wegrijden, was de tank half leeg. Ik schreef er een mooi gedicht over, maar daarmee was het probleem niet structureel verholpen. Ik maakte een afspraak met de garage, dan konden ze meteen de bandenspanning controleren, maar ik had niet veel hoop, want ik wist hoe het indertijd met de lekke tank van mijn vaders Wartburg gegaan was. Hij had de nog aanwezige benzine door toepassing van de wet van de communicerende vaten, zodat hij zelf ook nog een aardige slok binnenkreeg, overgeheveld in twee emmers, die een hele nacht onafgedekt in de badkamer hebben gestaan, terwijl ik vlakbij met gevaar voor eigen leven lag te slapen. Moet u nagaan… Maar nu mijn eigen tank: ik had de wagen ’s morgens afgeleverd, en ging ’s middags kijken of de garage al ontploft was. Het pand stond er nog, en de Ascona ook. Het geluk was weer eens met De Jong, want iemand had die ochtend eenzelfde type Ascona ingeruild, en de patente tank ervan was door de monteur getransplanteerd. Een delicate operatie, dus ik gaf een flinke fooi. Ja, zo’n man gaat als een volleerd hersenchirurg te werk, een heel precies gepriegel is dat.
Onhandigheid, een labiel richtinggevoel, eh, u heeft nog andere onfrisse karaktereigenschappen opgesomd waar regelmatig internationaal voor gecollecteerd wordt – ik vraag mij af: bent u in deze maatschappij wel te handhaven?
– Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar nu u onder de gordel begint te slaan, moet me toch van het hart dat ik mij al op jeugdige leeftijd meermalen een meester heb betoond in het

ZELF HUISHOUDEN

Het was zeg maar juli 1978, en mijn leefgenoten waren afgereisd naar Oostenrijkse jodelstreken, om daar besneeuwde bergketens te beklauteren. Ik bleef achter om poedel en planten in leven te houden, maar vooral uit afkeer van wintersport buiten het seizoen. (Het viel nog te bezien of er ginds wel sneeuw lag!) Bovendien had ik iets tegen die opgefokte pseudofolkloristische tabakpruimende dijenkletsende accordeonhoempaënde houthakkersdansers, want ik had namelijk een beetje een trauma. Een trauma van niks, in feite, maar goed, elk trauma is er een, en je moet tevreden zijn met wat je hebt. Heel even over mijn trauma’tje: vaak denk ik terug aan die verschrikkelijke Tirolerbroek, die mijn ouders in een Duitse C&A voor mij kochten, toen ik vijf jaar was en nauwelijks iets in te brengen had. (Wacht eens, het was nog veel tragischer: ik heb dagen lopen zeuren om die Tirolerbroek te krijgen!) Het was een echt lederen, tot korte broek met bretels omgesmolten paardenzadel. Aan de voorzijde bevond zich een optimistisch grote gulpklep, van het soort dat later in flauwe filmkluchten furore zou maken. De knopen waren te groot voor de knoopsgaten, en het leer was zo stug, dat wc-bezoek vaak op zelfbewatering uitdraaide.
(Nu ik het toch over die tijd heb – ik bezat ook een debiel groen boswachtershoedje met een authentieke boswachtershoedenveer erop, en bovendien een speelgoedpadvindersriem, maar dat mag eigenlijk niemand weten.)
Hoe dan ook, voor mij die zomer geen Alpenpret, en dus zagen monkelend vanachter hun burgermensjesvitrage spionerende omwonenden mij dagelijks als een manisch huisman met enorme boodschappentassen uitrukken, om onder meer donkerbruine Dokobrokken voor de hond in te slaan. Ook bezocht ik regelmatig Kruidenpaleis Aknee BV, waar het personeel haast een homeopathische hartverlamming kreeg, omdat een echte man en geen weke welzijnsbaard met een lesbisch ziekenfondsbrilletje op en een tuinkabouterskostuum aan natuurmiddelen kwam kopen.
En ik houd niet eens van eten! Als het kon zou ik eenmaal per jaar eten, bijvoorbeeld met kerst, wanneer culinaire matigheid als zonde geldt. (‘Vreten op aarde, en in de mensen geen maagbezwaren. En verder wensen wij iedereen die dat nog niet heeft een zalig uiteinde toe.’) Wat zou dat een verademing zijn, je in één schroksessie ongans eten aan kilocalorieën en overdadige vetzuren: veertig volkorenbroden, tachtig potten pindakaas, een kilo oude kaas of tien, paar sneetjes roggebrood, peper en zout naar smaak, wat magere yoghurt, dertig pizza’s, vijftig rijsttafels, twintig kilo katjesdrop, een doos buisjes Norit, et vretera.
Nee, mensen die mij voor een gezellig etentje uitnodigen, doen daar mij, en vooral zichzelf, geen plezier mee. Ik aarzel altijd tussen het behoedzaam met mijn vork omploegen van het gebodene tot een Oud-Hollandse Kleffe Prak, en alles met gevaar voor eigen ingewand in hoog tempo van het bord in de muil schuiven.
Mijn maag speelt spontaan op, wanneer ik terugdenk aan die week met het voetbalelftal in een bos nabij de middelgrote Noord-Noord-Brabantse gemeente R., dat trainingskampje waar wij gezondheid zouden opdoen voor het nieuwe pupillenseizoen. Als de weersgesteldheid geen roet in het eten gooide, genoten we het ontbijt en de overige maaltijden voor de blokhut aan een grote tafel, die meen ik ambachtelijk was gevijld uit een omgezaagde of -gepiste oude eik. Met van huis meegekregen wegwerpbestek (dat desondanks stevig genoeg bleek om iemand voor het leven te tekenen) hakten we in afwachting van het opdienen op de tafel in, onder het scanderen van de reclameleus: DAG MENEERRR DE KNORRR!!!
En van tafelmanieren had behalve ik niemand gehoord.
Moet ik mijn sociologische stelling nog toelichten, wanneer ik poneer dat een groepsgewijs eetgelag vrijwel altijd tot onbetamelijke tafeltaferelen leidt? Nederlanders, op vakantie in het buitenland, lijken geen groter genoegen te kennen dan de argeloze Spaanse ober wijs te maken dat ‘Klootzak!’ ongeveer hetzelfde betekent als ‘Goedemorgen, eerwaarde!’ in het Spaans.
Halverwege de jaren zeventig vierden wij het einde van een schooljaar met een Chinees etentje. Het restaurant kreeg kennelijk wel vaker scholierengebroed over de vloer, want men dirigeerde ons bij aankomst snel naar boven, waar in een feestzaaltje een door het aaneen schuiven van tafeltjes ontstane mammoetdis stond. De boekhoudleraar zat met zijn echtgenote tussen ons in, en keek alsof hevige onlustgevoelens hem parten speelden. Toen er even stilte gehouden was (een meditatiemoment dat iemand benutte om keihard te boeren), zei de leerkracht: ‘Eet smakelijk!’, maar daar trokken wij ons natuurlijk niets van aan.
Mede door de exorbitante bierconsumptie steeg de stemming, en daalde het niveau van de conversatie, die aanvankelijk nog voor alle leeftijden was geweest.
Een ober informeerde of het gesmaakt had.
‘Ja, maar vraag niet waarnaar.’
Pieter, die naast John zat, vroeg aan Roberto, die daar weer naast zat, of hij even de schaal met kip in rode saus wilde aanreiken. Roberto nam, zijn duim demonstratief in de saus, de schaal op, en zei tegen John: ‘Geef eens door.’ John zei: ‘Nee’ – en de schaal met kip in rode saus stortte op het tapijt.
Ik schaamde mij diep hierbij aanwezig te moeten zijn.
Na afloop, terwijl de boekhoudleraar en zijn even rood aangelopen echtgenote dampend van haat met een gehuurde ijltaxi naar het station of misschien wel naar het vliegveld gereden werden, trok de hele groep richeltuig naar het Rex Theater, waar een knokfilm draaide die veelbelovend Shout at the Devil heette.
Unisono oprispend zaten we op de achterste balkonrij. Leo herkende in de pauze een meisje dat op de voorste balkonrij onzichtbaar trachtte te worden. Door zijn gebrek aan opvoeding kon Leo zich over grote afstand verstaanbaar maken, en het meisje beleefde de avond van haar leven.
Leo’s door drank ingegeven toenaderingspogingen bleven beperkt tot onsamenhangende lokroepen en gebrulde voorstellen die men met de beste wil van de wereld niet eerbaar kon noemen. Dat hij zijn voortplantkundige voornemens ter plekke in de praktijk bracht, werd verhinderd door twee mindervalide portiers, die aan beide uiteinden van onze rij hun karretje op de rem hadden gezet.
Tijdens mijn weken van zelf huishouden gaf ik mij bezeten over aan kookexperimenten die het experimentele stadium gelukkig maar zelden te boven kwamen. Mondjesmaat succesvol was mijn poging (ja, in ’t nette hoor, met e-i) een macaronischotel te bereiden. In mijn kookkundige onkunde kocht ik een kilo macaroni in, redenerend dat ik eventueel bij Aknee BV nog meer zou kunnen kopen, mocht deze hoeveelheid ontoereikend blijken te zijn.
Ik voegde de macaroni toe aan een pan met ‘ruim kokend water’, dat mij dan ook gloeiend om de oren spatte. Na de vervolgens zonder blessures verlopen kookfase (‘af en toe roeren’), goot ik de macaroni af. Het goedje bleek in die acht minuten zo raadselachtig in volume te zijn toegenomen, dat er in de pan geen ruimte meer restte voor kaas of ham – twee ingrediënten die toch een smaakbevorderend effect zouden sorteren, als ik af mocht gaan op het uitentreuren geraadpleegde instructieve standaardwerk Smakelijk eten – door Mevrouw C.M. Albach-Heeck, oud lerares Amsterdamse Huishoudschool, 3e druk, herzien door Mevrouw A.G. Del Baere-Roovers, lerares Amsterdamse Huishoudschool; een uitgave van Mulder & Co, Amsterdam. (U begrijpt, deze magistrale keukenhandleiding kan ik wel aanbevelen, als zij nog leverbaar is.)
Nu goed, niks aan te doen, dames Albach-Heeck en Del Baere-Roovers; dan maar zonder kaas en ham.
Door het opzienbarende opbollen was de macaroni zo uitgedijd, dat de glibberige substantie (had ik trouwens wel zout toegevoegd? Voor de zekerheid maar doen; beter ergens mee dan om verlegen zitten) de pan uitrees. Ik durfde het deksel er niet al te ferm op te persen, uit angst de macaroni daarbij om te zullen vormen tot één kiloklont deegkneedsel.
Na een dag of drie smikkelen en smullen kon de pan weer naar behoren worden afgesloten. Deze mijlpaal werd bereikt op het moment dat de elleboogjes mij de neus uitkwamen, en ik bij de gedachte aan het naderende avondmaal in zelfbedacht Napolitaans geweeklaag uitbarstte.
Door permanent maaggerammel en -geborrel bezocht, besloot ik het voorlopig voor gegeten te houden, en de pan boven de wc-pot leeg te scheppen, wat door het dagenlange aanbranden nog een heel karwei was, dat pas na de inzet van divers timmermansgereedschap geklaard kon worden.
En na zes keer doortrekken was de macaroni uit mijn leven verdwenen.
Niet in het minst ontmoedigd, waagde ik mij vervolgens aan de vervaardiging van een spinazie-met-eischotel naar eigen inzicht. Toen kennissen daags nadien de onafgewassen restanten ervan op het aanrecht aantroffen, informeerden ze terugdeinzend of ik met een scheikundedoos in de weer was geweest.
De frituurpan is een nuttige keukenhulp, mits in kundige handen. Een benedenbuur, bekend met mijn begrensde scheppend talent en mijn onbegrensde creatiedrift, drukte mij met tranen in de ogen op het hart vooral toch met bezinning te werk te gaan, en mij niet te laten leiden door wilde ideeën en onbeteugelde impulsen. Hij vertelde dat hij eens een feest had bijgewoond waar bitterballen ontdooid werden. Er heerste zo’n gezellige sfeer, dat niemand eraan dacht dat in de keuken de frituurpan al zo’n driekwartier op twaalf stond te loeien. De rest van de avond, en een aanzienlijk deel van de nacht, was men zingend op elkaars schouders in de weer om de geëxplodeerde bitterballen van het plafond los te bikken.
Ik nam goede nota van de emotionele adviezen, en het moet gezegd: mijn ballen hebben het plafond nimmer bezoedeld.
Overigens kan ik het iedereen aanraden: zelf je eten kopen, bewerken en opeten, het heeft wel iets, ergens. Maar is er onder u iemand, hallo daar, die mij kan wijsmaken dat het menselijk gesproken mogelijk is dat een huishouder op één dag, naast het bestieren van het keukengebeuren, ook nog kans ziet alle sokken gestopt en stof gezogen te krijgen? Onder de overtuigendste inzendingen verloot ik een riante set ongebruikte pannenlappen.

Hoe onderging de poedel uw verzorging?
– Heel curieus dat u daarnaar informeert, want op 1 februari 1981 heb ik een primitieve versie van dat verhaal in het openbaar voorgelezen, en na afloop werd ik aangeklampt door iemand die mij diezelfde vraag stelde. Ik gaf natuurlijk geen antwoord, want waar bemoeien ze zich mee. Maar laat ik u voor de aardigheid een ander hondenverhaal vertellen. Ik was een jaar of tien, en ik kwam tussen de middag uit school. Aan het portiek vastgebonden, met zijn riem aan de leuning, zat een zielig hondje. De bovenbuurvrouw kwam net de deur uit, en ik liet haar trots mijn vondst zien. ‘Is het een mannetje of een vrouwtje?’ wilde ze weten. Wist ik veel. ‘Dan moet je ’m even omkeren’, zei ze. Maar ik had geen flauw idee wat ze daarmee bedoelde, zo onschuldig was ik in die tijd nog! Mijn moeder vond het ook een zielig hondje, en daarom mocht het even binnenkomen. Ik gaf het zielige hondje wat melk te drinken, en hoopte maar dat ik het zou mogen houden, want het was een heel erg lief zielig hondje. Maar van mijn moeder moest ik het naar het asiel brengen, dus ik traagwandelde naar het enige asiel dat ik kende, het asiel in Rijswijk, terwijl er veel dichterbij een Haags asiel was, maar dat wist ik dus niet. In Rijswijk werd het zielige hondje geweigerd, omdat ik uit Den Haag kwam. Ik keerde op mijn dooie akkertje met het lieve zielige hondje naar huis terug. Mijn moeder was hevig verontrust, want zij had het lange wegblijven als kid- en dognap geïnterpreteerd. Het hondje mocht voorlopig blijven, en ’s middags na school ging ik er fijn mee spelen. Mijn vader, die om vijf uur van zijn werk kwam, vond het ook wel een lief zielig hondje, en heel misschien zou ik het heel misschien mogen houden. Ik wist dat als mijn ouders ‘misschien’ zeiden, dat zij dan ‘vooruit maar’ bedoelden! Die nacht sliep het beest in de gang. Nadat ik wakker geworden was, ging ik gauw kijken hoe mijn lieve zielige hondje het maakte. Het was niet alleen een lief zielig hondje, het was ook een ziek hondje, want het had diarree. Overal in de gang lagen diarreeplakkaten, alsof er bruine vliegende schotels geland waren. Met mijn vader heb ik het lieve zielige zieke hondje toen als gevonden hond bij een politiebureau afgegeven. Ik hoopte dat ze er nog een gezonde politiehond van zouden kunnen maken, want het zou wel heel zielig zijn als het de rest van z’n leven ziek in de cel zou moeten blijven. Zielig hè? En over zielig gesproken. Ik kan niet ouder dan vijf geweest zijn. Eindelijk gaf mijn moeder toe: ik kreeg een kat. Een oom van haar werkte op de Calandkade, een soort garage herinner ik mij dat het was. Hij of een collega had een kat te vergeven, en mijn moeder wilde het dier wel hebben. Het was een vooruitdanmaarsituatie. Goed, ik met mijn moeder mee die kat ophalen. Maar wat gebeurt? Dat beest blijkt geen kater te zijn maar een poes, of juist andersom. In elk geval zei mijn moeder: dan gaat het niet door. En wij weer terug zonder kat. Wie doet dat nou! Toen was ik vijf jaar!
En die pannenlappen, denkt u die nog kwijt te raken?
– Ik reken nergens op. Vorige keer kwamen er geen inzendingen binnen. Een gevorderde versie van dat verhaal heeft namelijk in Muziek Parade gestaan, en weinig opgroeiende lezers zullen het risico hebben willen lopen de lappen te winnen.
Goh. Hoorde een dergelijk verhaal wel in een muziekblad thuis?
– Tja, dat kon je je bij de rest van de inhoud ook afvragen, want ik was na een paar maanden opgeklommen van journalist tot Plaatsvervangend Redacteur, dus dan weet u het wel. Wat is dat eigenlijk alweer lang geleden… Ik vraag me wel eens af wat er van de andere Muziek Parade redactieleden en plaatsvervangend redactieleden geworden zal zijn… Misschien dat een enkeling nog op vrije voeten is… Een medewerkster werd na haar vertrek bij Muziek Parade door Playboy uitgeroepen tot Playmate van de maand oktober, terwijl datzelfde blad van mij een nota bene schriftelijke bijdrage meende te moeten weigeren!
Over schrijven gesproken: kunt u wat meer vertellen over hoe u schrijft?
– Maar daar heb ik nog helemaal niets over verteld!
Ik bedoel, een kijkje in de schrijverskeuken kan sociologisch van groot belang zijn.
– Nou, het rare is dat ik slecht eet als ik schrijf. Eigenlijk is schrijven helemaal geen lolletje. Het is echt niet zo dat ik denk: ha fijn, ik ga vandaag weer schrijven. Ja, dat dénk ik wel, maar ik bedoel dat de mensen denken dat ik dat denk. Ze denken: schrijven is beter dan werken, je kunt beter schrijver zijn dan hersenchirurg of socioloog, want dat is aanpoten. Maar voor de schrijver zelf ligt dat natuurlijk heel anders. In de eerste plaats… Nee, wacht… Hè, gatver, ik geloof dat ik het helemaal verkeerd zit te formuleren! Ha ha ha, krijg nou wat! Nee, schrijven is mijn lust en mijn leven, dat wilde ik eigenlijk zeggen. Okee, je hebt even last van een postscriptale depressie wanneer een tekst voltooid is, maar het schrijfproces zelf is iets formidabels – meer plezier kan je niet hebben met je kleren aan.
En zonder kleren aan?
– Geen idee, ik heb nog nooit met zonder kleren aan geschreven, echt waar niet. Ik wil niet beweren dat ik een hoger bewustzijnsniveau bereik, maar ik ben toch behoorlijk verstrooid als ik schrijf. Ik verlies langzamerhand alle begrip van tijd, weet niet meer hoe laat of welke dag het is, trek rare bekken en stoot bedenkelijke klanken uit als ik tijdens het in het net typen een typefout maak, en er hoeft maar dát te gebeuren of ik vlieg iemand aan. Van ’s morgens vroeg tot het moment waarop je ogen dichtvallen in de weer zijn met noteren, contempleren en concipiëren. Maar je ligt nog niet afgemat in je nest, of de slapeloosheid slaat toe. Nieuwe invallen en mogelijk geniale denkbeelden doemen op in een niet-aflatende stroom van uitbundige Eureka’s, en voor je het weet ben je klaarwakker. Dan krabbel je gehaast (want een inval of mogelijk geniaal denkbeeld kan zich over vele pagina’s uitstrekken, en we hebben niet de hele nacht de tijd) een paar vellen papier vol. De volgende ochtend is de felle uiteenzetting deels onleesbaar, en bevat voor de overige drie procent aanmerkelijk minder briljante vondsten dan tijdens de nachtelijke exaltatie… En je komt nergens meer toe, hè? Huishouden is er niet meer bij. Vindt u het gek dat hier overal rommel heerst? Binnenkort, als ik klaar ben met het in het net typen van de allernieuwste versie van mijn Engelandverhaal, ga ik beslist grote schoonmaak houden. Als ik schrijf komt daar toch niets van terecht. Het lijkt wel of mijn hersens er dan alleen zijn om het proces van gedachten van mijn hoofd via de pen op papier krijgen tot een goed einde te brengen, want voor de rest functioneer ik ver onder mijn kunnen. Meestal heb ik als ik schrijf muziek opstaan, en als daar het geluidseffect van een rinkelende telefoon in verwerkt is, spring ik bij het gerinkel op, en draaf naar het toestel: ‘Hallo, wie daar?’ Als er aangebeld wordt, kijk ik eerst verduft om me heen, en ga dan pas zien wie er eventueel voor de deur staat. Vanmorgen heb ik u geloof ik ook een tijd laten wachten. Tja, als ik schrijf ben ik ook zo geconcentreerd bezig, ik voel me soms net een hersenchirurg, wil u dat wel geloven?
Een mooi, afwisselend beroep, hersenchirurg.
– Nou en of. Vroeger wilde ik zelf ook hersenchirurg worden, maar van mijn ouders moest ik eerst de middelbare school afmaken. Daarna kwam het er niet meer van, u weet net hoe dat gaat. Zonde eigenlijk… Net als de socioloog tracht de hersenchirurg de mysteries van het bestaan te doorgronden, en een verklaring te vinden voor raadselachtige fenomenen, zoals de déjà-vu-ervaring… Ach, nou ja, zelf ben ik schrijver, en dat is ook best wel een mooi beroep, of niet soms?
Inderdaad, u schrijft, daar zullen we het maar niet meer over hebben. Maar leest u ook?
– Dat komt er ook nog bij, ja. Heerlijk hoor, als ik tijd heb. Een goed boek, een goeie sigaar – en dan lezen maar! Een slechte sigaar desnoods, als het maar een goed boek is. Dan mag het wat bij betreft regenen dat het giet. En te bed, nee, niet regenen, maar lezen. En dan zonder sigaar natuurlijk, vanwege brand. Behalve als regent en het dak boven je bed lekt, maar dat is weer zonde van je boek. Het kussen opgeschud, leeslampje erboven – tot op zekere hoogte kan ik mij niets aangenamers voorstellen. En het aardige is, voor lezen in bed hoef ik niet speciaal tijd vrij te maken, want ik ben namelijk, hoe zal ik het zeggen, nu ja, ik ben eigenlijk

CHRONOLOGISCH ZIEK

(De werktitel van dit onvoltooibare verhaal luidde: ‘Vier Decenniën Ziek’ – vanwege die drie ie’s, en omdat ik successievelijk de jaren vijftig, zestig, zeventig en tachtig wilde gaan ‘behandelen’. Deze titel vond ik bij nader inzien te hovaardig: waar haalde ik het lef vandaan te suggereren dat het vanaf mijn vijfde decennium ‘beter’ zou gaan! De alleszins realistische mogelijkheid ‘Tien Decenniën Ziek’ verwierp ik acuut: van de gedachte dat ik zou moeten opsommen wat ik allemaal nog zou kunnen oplopen werd ik namelijk al niet goed.)
Aan alle gangbare kinderziektes heb ik mogen lijden, behalve aan de bof; waarschijnlijk omdat die bij volwassen mannen meer effect sorteert: we zullen zien! Als peuter kreeg ik de mazelen, die resulteerden in een middenoorontsteking, waaraan ik bij wijze van souvenir een gaatje in mijn trommelvlies overhield – het begin van een knipkaart op de Keel-, Neus- en Oorarts.
Ik mocht niet zwemmen, en mijn haar kon alleen met inachtneming van strenge veiligheidsvoorschriften gewassen worden. In het mijzelf wassen blonk ik niet uit; ik vond het zonde van de tijd. (Ik vind altijd haast alles zonde van de tijd, en verdoe veel tijd met het besluiten dingen die zonde van de tijd zijn toch maar niet te doen; als ik alles wat ik zonde van de tijd vind zonder dralen wél zou doen, zou mij dit enorm veel tijd besparen.) Ik zat op het aanrecht, en werd door mijn moeder gewassen. Hoewel dit door derden gewassen worden in feite neerkwam op de verwezenlijking van mijn luiheidsideaal, vond ik deze bedoening toch in de eerste plaats een vernederende betutteling, en ik jengelde eens net zo lang tot ik het zelf mocht proberen.
‘Ga je gang’, zei mijn moeder, en deed demonstratief een stapje terug.
Mijn knuistjes kneedden het zeepblok, dat prachtig wegschoot, en ik amuseerde me opperbest, maar mijn moeder, die beweerde dat ze nog meer te doen had, drong erop aan dat ik als de sodemieter met het eigenlijke reinigen begon. Tegensputterend smeerde ik wat zeep op mijn vingertoppen, en depte voorzichtig mijn neus, voorhoofd en kin.
‘Nou, komt er nog wat van?’ sprak mijn moeder streng. ‘Schiet op een beetje. Echt wassen, en niet aaien. En heel je gezicht!’
Ik kreeg zo’n opstandige dan-zal-je-het-weten-ook-aanval, dat ik met twee zeephanden ruw mijn gezicht bewerkte, tot mijn wijdopen ogen aan toe, die daardoor nog bijna blind werden.
Wanneer ik verkouden was, sloeg het onmiddellijk op mijn oren; ik hoorde gerommel als van een stereofonische aardverschuiving, en mijn kussensloop vertoonde ’s morgens een tweedimensionaal geel landschap als een Oorschachtest.
Om mij niet bloot te stellen aan de dodelijke tocht die in het openbaar vervoer heerste, namen mijn ouders mij in een taxi mee naar de oorarts. De dokter bestreed de aandoening met uitspuiten of doorprikken of iets in die orde van oorwroeterij. De eerste keer dat ik zijn weerloze prooi was, vroeg hij wat ik leuker vond: een plaatselijke of een algehele verdoving. Ik koos voor plaatselijke, want dat klonk als minder erg. Maar toen hij op het punt stond met een injectienaald mijn oor binnen te dringen, had ik toch liever een totale uitschakeling.
Ik lag op een bedbrancard, kreeg de narcose toegediend, en voelde de behandeling alsof ik klaarwakker was, alsof ik droomde dat ik geopereerd werd.
Van mijn amandelen deugde ook al niet veel. Ze hoefden niet verwijderd te worden, zoals bij Ringo Starr (was maar waar, dan was ik in een keer van de amandelellende af geweest), het volstond telkens ze te pellen. Voor de dokter was het een peulenschil – hij verrichtte de ingreep voor hij aan zijn spreekuur begon, bij een stuk of zeven kinderen achterelkaar – voor mij viel er veel minder te genieten.
Mijn vader leverde me ’s morgens om zeven uur nuchter af, en ging dan koffie drinken tot de pellerij achter de rug was. Indertijd was er een ziekenfondsziekenhuis gevestigd aan de Gedempte Burgwal. Helemaal bovenin het patiëntenpakhuis zat de Keel-, Neus- en Oorafdeling. De geligwitte eindeloze Eschertrap met de poepbruine leuning betekende een soort trage tocht naar het schavot; bij elke tree voelde mijn maag weeër.
Voorafgaande aan de behandeling kreeg ik een kalmeringsprikje in mijn dij – het was vooral die injectie waar ik zo tegenop zag. (Ergens onvindbaar in een la of kast moet, als een typografisch litteken, mijn inentingsboekje liggen. Van de injecties die ik als baby kreeg herinner ik mij gelukkig niets meer, van die op school werden toegediend helaas veel. Als we er al niet meer op rekenden, als we stille hoop hadden dat het pas volgend jaar weer zou hoeven, stoof de schoolzuster opgewekt de klas binnen, en schaterde dat het weer raak was. Niet meteen hoor, maar over twee weken, zodat we fijn nog een paar nachtjes slecht konden slapen. En we hoefden echt niet bang te zijn, want zij, zuster Sanders, had speciaal voor ons de allerdunste naald uitgezocht, dus we zouden er niets van voelen. Misschien niet, nee. Maar het in de rij staan voor de injectie was al iets om Amnesty over aan te schrijven. De lucht van de desinfecterende jodium hing overal, en deed sommigen met een zucht flauwvallen. Ik had en heb een gruwelijke afkeer van injectienaalden; ik vermoed dat ik in een vorig leven door de Inquisitie veroordeeld ben tot een verblijf in de Iron Maiden, die met ijzeren pennen beklede staande sarcofaag, waar men na de prikkuur barbecuerijp uit vandaan gehaald werd. Jaren geleden hoorde ik in de supermarkt de onmenselijk schelle, haast Groningse stem van de schoolzuster om een blik extra fijne doperwten vragen. Ik keek geschrokken om, en zag dat ze het werkelijk was. Ik maakte dat ik snel wegkwam, want stel je voor dat ze haar wagentje gevuld had met de allerdunste kaasprikkertjes!)
Een voor een werden we de behandelruimte binnengeroepen. Omdat ik zo bijdehand was om me flink te houden, was ik als laatste aan de beurt. De zuster nam me bij de hand, en leidde me naar De Stoel: een IJzeren Gevaarte, waarschijnlijk op een veiling verworven uit de failliete boedel van Kafka’s Strafkolonie. Mijn voeten raakten de grond niet; aan de leuningen en poten zaten leren riempjes waarmee mijn armen en benen tegen het bewusteloos spartelen werden vastgemaakt. De dokter trok handschoenen aan, net zulke als mijn moeder bij het aardappelen schillen gebruikte, maar dan doorschijnende. Evenals de zuster en de broeder droeg hij een mondmaskertje voor tegen de besmettelijke adem, en had hij een medische muts op. De zuster naderde met een op een oude Solexhelm gelijkend kapje, en hield dit voor mijn neus en mond. Ze zei dat ik zo hard mogelijk moest blazen, en toen ik om aan het verzoek te voldoen zo diep mogelijk ademhaalde, kreeg ik de afschuwelijk smerig ruikende narcose binnen. Die was weer niet toereikend om mij geheel buiten westen te brengen; ik sliep, en droomde dat er met een staalborstel in mijn keel werd rondgewroet. Dan hoorde ik iemand fluisteren dat ik wakker moest worden, en misselijk sloeg ik mijn ogen op. Ik werd van de riemen bevrijd, uit De Stoel getild, en naar de wachtkamer gedragen. De rode bank, die er zich uitstrekte langs de muren, waar hij met zwarte ijzeren stangen aan bevestigd was, lag vol kinderen die al geamandelpeld waren. Wezenloos staarden ze voor zich uit of dommelden wat, hielden een wit metalen bakje onder hun kin, en kwijlden daar bloed in. Gelukkig hoefde ik niet te spugen.
Mijn vader kwam terug van het koffiedrinken, sloeg een grote badhanddoek om me heen, en droeg me de trappen af en een taxi in. Pas toen we de Wagenstraat indraaiden hield ik het niet meer, en maakte van de handdoek een bloeddoek.
Thuis werd ik in het bed van mijn ouders gelegd. De dokter had gezegd dat ik veel ijs moest eten, maar het slikken deed pijn, en mijn keel voelde aan of ik een screamtest voor een griezelfilm had gedaan.
Toen ik een poosje geslapen had, kreeg ik een cadeautje. Mijn vader had het al uitgepakt: een klappertjespistool, waar een rozerood papierrolletje met donkergrijze kruitnoppen in zat. Op het moment dat ik het wilde aanpakken, ging het pistool met een harde knal en stinkende kruitstuif af; dubbel zielig van de amandelen en het huilen om de knal viel ik in slaap.

Om de twee jaar moesten we naar een vrouwelijke schoolarts, die ons mat en woog, en de jongens op balbezit controleerde. Ook keek ze de oren na. Mijn moeder, die erbij moest zijn, vroeg dan gewoontegetrouw of het gaatje in het trommelvlies er nog zat, en tot haar stomme verbazing kreeg ze een keer te horen: ‘Nee, ik zie geen gaatje. Maar gaat u voor de zekerheid even bij de huisarts langs.’
De huisarts, die kennelijk over nauwkeuriger meetapparatuur beschikte, keek ook, en zei: ‘Nee, ik zie geen gaatje. Maar gaat u voor de zekerheid even bij de specialist langs.’
Vroom en Dreesmann verkocht op de speelgoedafdeling grote en kleine poppenkastpoppen. Ik rook mijn kans uit mijn wonderbaarlijk genezen oor geschenken te slepen, en zeurde van: ‘Hee mam, krijg ik twee grote poppenkastpoppen als het gaatje goed is, ja?’
‘Natuurlijk, dan krijg jij twee grote poppenkastpoppen.’
‘O, enne… als het gaatje er nog zit, krijg ik dan twee kleine?’
‘Hè, doe niet zo eng, zeg.’
De oorspecialist, die natuurlijk de allerbeste onderzoeksapparatuur in huis had, keek even, en zei toen: ‘Ja hoor, er zit nog een gat.’
Maar omdat mijn moeder moest huilen kreeg ik lekker toch de twee grote poppenkastpoppen.

In een periode van oorlogsdreiging en na natuurrampen worden noodgedwongen vaak de belangrijkste uitvindingen gedaan, en sedert mijn geboorte had de medische wetenschap, niet alleen op het gebied van de hersenchirurgie, enorme vooruitgang geboekt. De oorarts legde uit dat het mogelijk was mijn trommelvlies door een huidtransplantatie te dichten. Toen hij mij dit plan voorlegde kreeg ik de bibberatie, maar later sprak ik iemand die bij Laakkwartier al bij de junioren voetbalde, en die dezelfde ingreep had overleefd, en als een fluitje van een cent kenschetste (‘Geen centje pijn!’). In het blije vooruitzicht dat ik eindelijk ook zou kunnen leren zwemmen, gaf ik mij gewonnen, en de operatiekamer werd voor begin januari 1968 geboekt.
Mijn vader bracht mij op het gebruikelijke vroege uur naar het ziekenhuis. De portier schreef me als patiënt in. Er kwam op zijn bellen een zuster aansnellen, en we gingen met de lift naar de ziekenzaal. Het was een oud gebouw, daar aan de Gedempte Burgwal, alleen geschikt om door mensen die ziek waren bewoond te worden. De bedden van de kinderzaal waren allemaal bezet (waarschijnlijk door zieke weggelopen weeskinderen, want het was pas kerst geweest) en ik mocht op de volwassenenafdeling liggen.
Ik was er niet de enige, er bevonden zich nog negen volwassenen op de zaal, en die deden net of ze helemaal niet ziek waren. Ze kwamen gewoon uit bed om aan de grote tafel in het midden van de afdeling de maaltijd te gebruiken. Ik mocht niets hebben, want ik moest nuchter blijven, opdat ik niet alles zou uitkotsen als ik geopereerd werd. Ik verveelde me te pletter, en las wat in de nieuwe Pep, en in mijn lievelingsboek, Mik en Spruit op de Miljoenenjacht, maar ik kon me niet concentreren. Ik legde de lectuur op het nachtkastje, en keek naar buiten – aan de overkant van de straat stond op de gevel geschilderd dat daar een verhuisfirma gevestigd was.
Om twee uur kwam er een zuster. Er was mij verteld dat ik de narcose ditmaal in de vorm van een prikje zou krijgen. De zuster trok mijn pyjamabroek naar beneden, en stak toe. Na een paar minuten raakte ik in paniek: er gebeurde niets! Ik bleef gewoon klaarwakker! Had de narcose dan geen effect? Stel je voor dat ze niet in de gaten hadden dat ik bij kennis was, en zonder verdere verdoving in mijn oor begonnen te snijden! Maar dan besefte ik dat het maar een nerveus makend kalmeringsprikje geweest was.
Een uur later schoor de zuster met een tondeuse het haar boven en achter mijn rechteroor weg, maar ze liet de rest gelukkig zitten, anders zou ik net zo kaal geweest zijn als Sjors, die blind was geworden toen Knebbeltje hem van de trap had laten vallen. O nee, Sjimmie was door die val blind geworden, en Sjors had toen een auto-ongeluk gehad, en was per abuis kaalgeschoren. Sjors en Sjimmie, die beleefden nog eens avonturen! Vooral die met de Bibberziekte vond ik gaaf, want mijn oma beefde ook, door de ziekte van Parkinson. Tegen de Bibberziekte, en dus waarschijnlijk ook tegen de ziekte van Parkinson, hielp alleen Oranide, maar oma zei dat dat helemaal niet waar was.
Toen de zuster klaar was met scheren, haalde ze het bed van de handrem, en duwde het de zaal uit, de gang door en de lift in. We stegen tot de bovenste verdieping; vlakbij de operatiekamer werd ik in de gang geparkeerd. Weer moest ik minutenlang wachten, tot de grote deur openging. Het was maar één deur; ik had gehoopt dat ik met het bed door een hele rij openzwaaiende deuren geduwd zou worden, alsof ik Geheim Agent 86 was.
Er waren een heleboel zusters en broeders. Ik werd van het bed op de operatietafel getild. De narcotiseur smeerde met een watje vieze bruine jodium op mijn arm, gaf me een injectie, en zei: ‘Tel maar hardop tot tien.’
Ik telde ‘Een Twee Drie’, hoorde mezelf ‘Vier Vijf Zesss’ tellen, en was uitgeteld.
Van eng dromen of iets van de operatie merken was geen sprake; ik werd heerlijk geopereerd, en wist van niets. Toen ik zo’n twee seconden later bij kennis kwam, zag ik door de mist mijn ouders aan het bed zitten. Ik had vreselijke dorst, en nam een paar gulzige slokken van het glas water dat tegen mijn lippen gehouden werd. Voor ik ze goed en wel doorgeslikt had, kwam alles weer terug, en moest het bed verschoond worden. Meteen sliep ik weer in.
Na een paar uur werd ik definitief wakker. Mijn ouders waren er nog. Ik had nog steeds een droge keel, maar niet meer zo erg. Hee, wat voelde mijn hoofd raar aan. Er zat overal verband, leek het wel. Mijn moeder hield me een spiegeltje voor. Zo! Er zat niet zomaar een verbandje, nee, om mijn hoofd was een gave scheve tulband gewikkeld, net zoals bij de oom van Selina, in Sjors en Sjimmie en de tijger! Ik was bijna net zo stevig ingepakt als die nare Knebbeltje, die bij het auto-ongeluk van Sjors aan het stuur gezeten had, en ook gewond was geraakt!
Het bezoek mocht niet lang blijven, want ik moest nog veel rusten. Toch werd ik de volgende ochtend al om vijf uur gewekt, en door een zuster gewassen. Daarna mocht ik tot zeven uur verder slapen; bij het ontbijt kreeg ik alleen thee.
De dokter die me geopereerd had kwam zien hoe ik het maakte – nee, ik had helemaal geen pijn, alleen een beetje een drukkend gevoel aan mijn hoofd, maar dat kwam zeker van dat verband, hè?
’s Middags waren mijn ouders weer present, en ook mijn zusje en grootouders waren meegekomen. Naarmate de narcosenaweeën weken, voelde ik mezelf steeds interessanter worden, en ik wilde gezellig aan de meegebrachte zak zoute stengels beginnen, maar die mocht ik pas hebben als ik alles weer mocht hebben. Mijn zes maanden oude zusje deed met haar mollige poppenhandjes speelse uitvallen naar het tulbandverband, maar hoefde gelukkig niet een schone luier om, waar ze anders altijd sterk in was.
Die avond voelde ik me weer helemaal de oude. Om halfelf ging voor de zieke mensen op de zaal het licht uit, maar het was allemaal zo spannend, dat ik nog lang wakker lag. Ik wilde wat lezen in Mik en Spruit, maar nu het buiten zo donker en binnen zo stil was, vond ik die griezelige scène in die griezelige Egyptische grafkamer een beetje te griezelig. (‘Mik hijgde naar adem, terwijl Spruit zo bleek werd als een dode’ – p. 116.)
De tweede ochtend dat ik in een ziekenhuisbed wakker werd, mocht ik weer normaal eten. Mijn ontbijt bestond uit thee, melk en twee witte boterhammen: een met kaas en een met jam. Die met kaas at ik voorzichtig op, want het kauwen deed pijn aan mijn oor; de jamboterham bracht mij in tweestrijd, want ik had wel veel honger, maar ik lustte geen jam. Ik deed wat ik in mijn kinderslimheid de volgende dagen ook zou doen: toen de boel werd afgeruimd, en er gevraagd werd of ik de boterham met jam nog wilde hebben, hield ik me slapend.
Pas na een paar dagen mocht ik uit bed. Twee zusters ondersteunden me. Ik zwaaide mijn benen buitenboord, en kreeg stekende koppijn. Toen mijn voeten de grond raakten weigerden mijn knieën dienst. Ontredderd zat ik een kwartiertje op een stoel, maar geleidelijk aan kwam ik weer op krachten. Ik kon als vanouds lopen, en ging meteen op onderzoek uit, want ja, waar zat ik hier eigenlijk?
Het sneeuwde, en die buitenpret liep ik mis (het liefst was ik in mijn ochtendjas de straat op gerend) maar binnen viel er ook veel te beleven. Een zieke van de vrouwenzaal naast ons zag al dat verband, en vroeg of ik met mijn hoofd onder een auto was gekomen. Ik antwoordde iets onverstaanbaars, omdat ik door de shock van het ongeluk natuurlijk nog geen verstaanbare dingen kon zeggen.
Aan beide uiteinden van de gang was een lift. Ik liep naar de verst verwijderde, en vertrok naar de begane grond, waar ik tegenover de receptie uitstapte. Het was spreekuur, en ik trok heel wat bekijks, terwijl ik (net de Onzichtbare Man van de REM-televisie, die had ook een heel hoofd van verband!) naar de andere lift liep.
Het verband stond goed, maar zat slecht, want het zakte steeds over mijn voorhoofd. Op een avond klaagde ik hierover tegen een zuster. Zij greep de achterkant van het verband beet, en gaf er een opwaartse ruk aan. Ik kon goed tegen pijn, maar heb haar nadien niet gevraagd dit nog eens te doen.
Soms kwam er een nieuwe zieke op de zaal. Tegenover mij lag al twee dagen een leverzieke man, die ik niet aan durfde te spreken, omdat hij zo’n geel gezicht had, alsof hij uit zijn neus gepist had. Hij ademde piepend, rispte op en raspte na, en maakte ’s avonds geluiden die mij wakker hielden. Op een nacht hoorde ik hem tussen twee rochelaanvallen om een zuster roepen. Ik drukte op de alarmknop boven mijn bed, en er verschenen hulptroepen die Geelman medicamenten toedienden; misschien heb ik zijn leven gered, of lijden gerekt.
Op 10 januari kreeg ik een delegatie van mijn klas op bezoek. Ze gaven mij, terwijl ik als ik gezond was al niet van fruit hield, een fruitmand, en een stapeltje in opdracht van juffrouw Kokofaan geschreven beterschapsbrieven.
Tien dagen bleef ik in het ziekenhuis; de dag voor ik ontslagen werd, knipte de dokter met een joekel van een schaar het verband los. Er bleef nog een gaasje achter mijn oor zitten, want daar was de huid die op mijn trommelvlies geplakt was weggesneden.
Er volgden nog maanden van doktersbezoek. Met een kabouterstofzuigertje werd het oorinwendige van bloedkorsten gereinigd. De dokter mat de druk die mijn trommelvlies kon hebben, en testte met een stemvork het gehoor.
Ik kon nu eindelijk leren zwemmen, maar als een vis heb ik mij in het water nimmer gevoeld – meer als een roofdier, dat, in gevangenschap grootgebracht, op z’n oude dag in de jungle wordt teruggezet.

n mijn persoonlijke prijzenkast bevindt zich een medaille: oranje, met blauwe verticale strepen en een grijs verkleurd kruis, dat meldt: ‘NWB Avondvierdaagse’. Ik heb dat ding niet gevonden, gestolen of aan een verloren weddenschap overgehouden; nee, eerlijk verdiend. Maar wat moet ik ermee? Een medaille is een nutteloos voorwerp, maar je neemt niet de moeite ’m te weigeren, en vergeet ’m naderhand weg te gooien. Ik heb meer van die troep, zoals een vaantje, van toen het hele gezin een keer van Den Haag naar Zoetermeer en terug fietste, en de vragen op het deelnameformulier correct beantwoordde. (Vraag 1: Welke grote fabriek kom je in Zoetermeer tegen? Vraag 2: Wat wordt er bij Nutricia gemaakt? Vraag 3: Vind je Nutricia Chocomel lekker?) Een ander vaantje kreeg ik na een sportdag, die ik als Plaatsvervangend Sportredacteur van de schoolkrant met door de directie gefinancierde consumpties vanuit de kantine verslagen had.
Liefhebbers van medailles en lintjes zijn zieligmensjes die zichzelf serieus nemen, en die als kind op school al naast hun schoenen liepen van trots, wanneer de juf onder een vlekkeloos volgeschreven schriftpagina een stempel zette (tien stempels een lolly). Het waren kinderen van wie je hoopte dat ze nog eens fataal onder een rijdende trein of auto zouden lopen, want ze hadden altijd hun huiswerk gemaakt, organiseerden sportdagen, zaten op accordeonles, en noteerden als de leerkracht even de klas uit moest de namen op het bord van kinderen die herrie maakten. Maar nee, zulke kinderen belandden nooit met hun accordeon onder een rijdend voertuig, en werden later meestal ambtenaar, om in die functie de burger die aan hun loket kwam ongestraft het bloed onder de nagels vandaan te halen.
Drie keer heb ik meegedaan aan de avondvierdaagse. De hele klas deed mee, er was een ijsje in het vooruitzicht gesteld, je kwam er gewoon niet onderuit. De gymleraar zei: ‘Schiet op, geen flauwekul, iedereen gaat mee’ – en dan had je maar te gaan.
De eerste avond liepen we, om erin te komen, niet ver. De tweede avond wel, de derde nog verder, en de laatste etappe was zo lang, dat-ie overdag gelopen werd. Het tempo lag vermoeiend laag, omdat er natuurlijk weer rekening gehouden moest worden met slome duikelaars en manke leraars.
We zongen – dat kwam er ook nog bij. Het helse ‘Potje met vet’ kende wel honderd coupletten (ik wilde schrijven ‘koepletten’, maar dat is dierenmishandeling), en uiteraard bevatte het repertoire ook ‘Een karretje op de zandweg reed’, en meer van zulk tinneflawaai.
De jongens zongen bij de avondvierdaagseloop: ‘Hup de meiden zijn niks (2x) / Ze weten geeneens wat voetballen is / Ze hebben een kieper / Dat is een genieper / De bal komt eraan / En de kieper laat ’m gaan!’
De aldus diep vernederde meisjes zongen op dezelfde wijs een even verwoestend bedoelde tekst, waarmee zij vergeefs trachtten de nietswaardigheid van de jongens aan te tonen.
De wandelroute was vooraf niet bekendgemaakt. Soms verlieten we de openbare weg, en doorkruisten het bosgebied bij de Vliet. Het was mijn tiende verjaardag. Ik had een Velona horloge cadeau gekregen, zodat ik de hele tocht op de seconde af wist hoe laat het was. Door het onafgebroken naar de wijzerplaat turen was ik wat achterop geraakt. Met een korte spurt probeerde ik weer aansluiting bij het peloton te krijgen, maar we marcheerden juist door dicht struikgewas, en in mijn vliegende vaart struikelde ik en kwam ten val. Toen ik overeind krabbelde, was mijn eerste zorg het horloge, dat niet meer tikte. Vervolgens inspecteerde ik mijn broek, en trof ter kniehoogte een scheur aan, en in dezelfde regio een bloedvlek waar ik nauwelijks aandacht aan schonk.
Thuisgekomen en broek uitgetrokken, ontdekte ik een raar wondje, net bezijden mijn linker scheenbeen. Het was er wat rood uitgeslagen, en als ik over de plek wreef, was het net of binnenin iets bewoog. Enthousiast bracht ik mijn moeder van dit opwindende verschijnsel op de hoogte. Zij was zelf minder buiten zinnen van vreugde, en nam me de volgende ochtend mee naar de dokter. Deze keek even, pakte een pincet, en begon doodgemoedereerd in mijn beenwond rond te wroeten! Na een tijdje had hij beet, en trok een splinter hout van wel ik-weet-niet-hoe-lang te voorschijn – En Het Deed Geen Pijn!
Ondanks mijn dwangmatige korstpulken heelde de wond, maar er bleef wel een fraai litteken achter. Het zit er nog, het beenhaar groeit er keurig omheen. Dit litteken is het enige dat ik op verjaardagen durf te tonen, en uit kan leggen als een oude oorlogswond.

Echt ziek zijn was niet altijd leuk, want ik kreeg veel smerigheid toegediend: oordruppels, neusdruppels, apothekershoestdrank (die wel hielp, maar lang zo lekker niet was als een drogistendropdrankje), en niet te vergeten die walgelijke witte koortsdrank, waarvan de nasmaak ondanks een toetje van pepermunt nog uren tot kokhalzen leidde.
(Begrijpt u nu misschien waarom ik maar geen drugsjunk geworden ben? Na tien jaar verplichte neusdruppels snuif ik niets hallucinerenders dan zelfgemaakt snot, en als ik alleen maar denk aan injectienaalden passeert er al een verdovende overdosis traumata voor mijn geestesoog.)
Nee, liever dan echt ziek was ik schoolziek. Gesimuleerd hoofdpijntje, misselijkheidje of griepje – heerlijk om dan op de bank te liggen en televisie te kijken. Want daar was schooltelevisie toch voor? Die was toch speciaal voor kinderen die te ziek waren om naar school te willen?
Naar de radio luisterde ik als ik ziek was niet, want daaruit kwamen arbeidsvitaminen, die nihil geneeskrachtige werking hadden, omdat ze vergeven waren van de accordeonhoempa en de Duitse Schlager. Ik haatte Duitse Schlagerzangers, want ze probeerden uit alle macht op de poppen van de Thunderbirds te lijken, zonder te beseffen dat je daarvoor toch minimaal je wenkbrauwen moet kunnen bewegen.
En als er geen schooltelevisie was, kon ik urenlang lezen. Vaak kreeg ik vanwege mijn uitgebeelde ziekte een boek naar keuze cadeau. Buiten, tussen Sint en kerst, sneeuwde en vroor het. Twas knus. Tevreden zag ik de witte vlokken uit de grijze lucht neerdwarrelen en wachtte ongeduldig op de thuiskomst van mijn vader, die in de Bijenkorf op zoek was naar De smokkelhond van Slimme Wang (geïllustreerd door Gerard van Straaten). Mijn moeder was intussen naar Hus gegaan om beschuitbollen te kopen, die ze, met extra dik pindakaas besmeerd, als bijdrage tot een spoedig herstel, in stapels van drie serveerde.
(De Husbakkerij was het toneel van een pril lachsucces. ‘Mevrouw Hus’ verkocht witgespikkelde ronde chocolaatjes, die herenflikken heetten. Ik was er dol op, en vroeg, als ik mee was boodschappen doen, of mijn moeder ook herenflikkers wilde kopen. Hier werd door iedereen zo om gelachen, dat ik het verzoek dikwijls herhaalde, al had ik geen idee wat er eigenlijk te lachen viel. Jaren later gingen we een dagje naar België, en toen kwam ik er pas achter dat politieagenten daar flikken genoemd worden!)

Wat was dat nou weer? Een bultje op mijn rechter bovenste ooglid! Op school werden er al denigrerende opmerkingen over gemaakt door leerlingen die stiekem griezelfilms voor boven de achttien gezien hadden. De huisarts was ook onder de indruk, en stuurde me door – niet naar die goeie dokter Li-Pei-Foe in Jodpoerra die Sjimmie weer had laten zien, maar naar een Haags oogziekenhuis.
Haast niets is zo erg als een oogonderzoek. Mijn hoofd werd door een assistent in de bankschroefgreep genomen. Dokter Andalou lichtte met een lepeltje het ooglid op, en begon met een puntig instrument rond te kietelen. Na een minuutje peuren zag hij het al – nee, dat was gemakkelijk te verhelpen, dat kon wel weggesneden worden; zoiets was in een oogwenk gepiept. Maakte ik binnenkort even een afspraak?
Als zevenjarig ravottend kind had ik de angst bij het over een hek klauteren met mijn ogen in het prikkeldraad te zullen belanden; als twaalfjarige verruilde ik die angst voor de vrees bij hekklimpartijen met mijn steeds edeler wordende delen te blijven haken. Nu, nog geen twee jaar later, was ik weer geheel door oogkwetsneurose bevangen.
Even wegsnijden, jawel! Blind terwijl u wacht! Ach, kom nou toch gauw zeg. Op mijn ogen! En trouwens, echt last had ik van dat bultje niet, en ik was mans genoeg om wie er grappen over maakte in elkaar te hengsten. Ik smeerde er wat van de voorgeschreven verzachtende zalf op, en liet de aandoening op z’n beloop – zo erg liep die nu ook weer niet in ’t oog.
En zie: voor het eerst in mijn ziekteontwikkeling verdween een ongemak zonder medische tussenkomst. Helaas viel deze genade mij niet ten deel bij wat ik in het onderstaande onder de leden had.

In Den Haag is het goed vloeken: met de diverse verwensingen die als typisch Haags bekendstaan, zou men gemakkelijk een deeltje in de reeks Mongoloïde Babbeldialecten kunnen vullen. Een van de aardigste heb ik altijd ‘Krijg de bloedpoep!’ gevonden – maar toen ik die zelf kreeg, vond ik het schijtlollige advies ineens veel minder aanleiding tot schaterlachen geven.
Aambeien zijn geloof ik geen taboe meer, omdat ze vooral in de beste families worden aangetroffen. Het is daarom zo jammer dat ze geen literaire rage geworden zijn, zoals zoveel andere ex-taboes. Op de radio hoorde ik laatst dat volgens de jongste voorzichtige schattingen (zo jubelde tenminste de meneer die van de handel in zetpillen leefde) zo’n zeven miljoen ingezetenen eraan lijden (of zonder het te beseffen ermee besmet zijn, want de incubatietijd kan enorm zijn).
Misschien wel jarenlang had ik geen last van een inwendige aambei, omdat je die latent kunt cultiveren. Maar eind 1984 sloeg het bij mij intern op hol, en werd elke ontlastingspoging een zware bevalling, die met veel bloedverlies gepaard ging. (Ik hoop niet dat ik het tijdperk van de mannelijke zwangerschap nog mee moet maken, en een tijdelijke draagbaarmoeder ingeplant krijg.)
Ongeveer een maand lang maakte ik mezelf wijs dat de drogistenzetpillen uitkomst boden, omdat de pijn verdween, en ik weer lachend kon fietsen (zij het nog niet zonder zadel). Ik vond het eerlijk gezegd ook wel een komieke handeling, tweemaal daags bij jezelf zo’n anaaltorpedo lanceren.
Na tientallen guldens aan deze dubieuze zelfgenezing te hebben besteed, las ik in de krant een advertentie waarin aambeientissues (anale inlegkruisjes) werden aangeprezen. Ik kreeg daar zo’n onbedaarlijke lachaanval van, dat ik de resterende zetpillen schuddebuikend door de wc spoelde, en (het was begin januari geworden) de huisarts consulteerde.
Zonder zijn handen aan een onderzoek vuil te maken, kon hij zeggen dat er vandaag de dag wel wat aan mijn gebrek te doen was. (NB. Men spreekt vaak van een ‘gebrek’ in de zin van een ‘tekort’, maar daar beneden was duidelijk sprake van een ‘surplus’.)
Had ik voorkeur voor een bepaald ziekenhuis? Ach neu, ik niet, maakte het wat uit dan? Nee hoor, het maakte niet uit. Doet u het Westeinde Ziekenhuis dan maar, dokter. In mezelf mompelend redeneerde ik dat dit een verstandige keuze was, omdat mijn zusje daar indertijd heelhuids ter wereld gekomen was – ik bedoel natuurlijk op de kraamafdeling, anders zou het een wel heel buitensporig buitenbaarmoederlijke zwangerschap geweest zijn! En trouwens, dat ziekenhuis werd later elders herbouwd.
Bij betreding van de aankomsthal van het nieuwbouwziekenhuis, las ik op een bord dat ik me bij de balie moest melden. Ik gehoorzaamde, en stond versteld van de high-tech nieuwerwetsigheden waarmee het personeel was uitgerust. Het leek wel een luchthavenincheckbalie: beeldschermen, computers, digitalia… Waar waren de door de gangen dribbelende nonnen uit de tijd van mijn zusjes geboorte?
De receptioniste tikte mijn persoonlijke gegevens in een pasje. Ik bad dat de reden van mijn bezoek daar niet gedetailleerd op vermeld zou hoeven worden, want in dat geval zou ze ongetwijfeld, met dat gebrekkige onderwijs van tegenwoordig, luid naar een collega vijf meter verderop, over de belangstellend in mijn richting gedraaide hoofden van bemoeizuchtige wachtenden heen, geroepen hebben: ‘Schrijf je AAMBEIEN met E-I of I-J?’ ‘Weet ik veel, wat denk je zelf?’ ‘Aardbeien is in elk geval met I-J, dat weet ik zeker.’ ‘Ja, lekker, met slachtroom.’
‘Het zit zo,’ legde ik de specialist uit, ‘de huisarts dacht dat er het beste gesneden kon worden.’
‘Zo zo. Zullen we eerst maar niet kijken wat er precies aan de hand (! – MDJ) is? Laat de broek maar zakken, en dan op ellenbogen en knieën op de behandelbank.’
Hij was een vriendelijke beer van een geneesheer, met een bril die tijdens het onderzoek niet besloeg. Dat onderzoek duurde namelijk maar kort, want bij de minste aanraking of aanstalten daartoe, slaakte ik geweldige au-kreten, die de mensen in de wachtkamer op de vlucht zouden kunnen doen slaan.
‘Nee, dat wordt niets. Voor ik goed kan bekijken wat er loos is, moet de boel eerst tot rust komen.’
Ik moest de komende drie weken (‘Voor of na het eten, dokter?’) een zitbad nemen, en bij de apotheek een recept voor pijnverdrijfzalf verzilveren.
Onderweg naar huis kreeg ik allerlei invallen, die te wijten waren aan mijn gevoel van voorlopige opluchting. Ha! Nog een mazzel dat ik niet in de dertiende eeuw leefde, zoals Methusalem te Jong! Als ik met die aambei in handen van de Inquisitie was gevallen, zouden ze zonder twijfel geconcludeerd hebben dat de Antichrist zich erin schuilhield! De volgende keer zou ik een beetje met die dokter gaan keten. Vragen of hij meteen ook maar een nieuwe knalpot wilde monteren.
Drie weken lang was het een heidense heksentoer om dat zitbad te nemen, want ik had namelijk alleen een stadouche. In de badkamerwastafel wilde ik maar liever niet plaatsnemen, want ik voorzag bij een dergelijke klauterpartij een slapstickravage, waarbij de wastafel het begaf, de gevel bezweek, en ik in compromitterende houding driehoog uit de rooilijn zou steken, met alle insinuerende krantenkoppen van dien.
Bij een handel in huishoudelijke kankerzooi kocht ik een zo groot mogelijke afwasteil van plastic (‘Kan ik ’m eventueel ruilen als-ie niet past? Het is voor aambeien.’), die ik thuis met lauwwarm water vulde, en waarin ik voorzichtig ging zitten. Een halfuur moest ik dit zien vol te houden; tijdens de eerste zitting kroop de tijd, dus in het vervolg las ik de krant er maar bij. Als ik de hoofdredactionele kolommen en de politieke commentaren bestudeerd had, begluurde ik de kennismakingsadvertenties, waarin lezers zich tegen betaling aanboden voor mensonterende handelingen van het genre dat ik op dat moment geheel gratis onderging. (Ik had niet meteen in de door dat in dergelijke annonces het woordje ‘dom’ een afkorting is.)
De drie weken waren om, de zalf was nagenoeg op, ik droeg een permanente afdruk van de rand van de teil op m’n lijf, was liters bloed kwijtgeraakt, en verscheen met een beschamende hoeveelheid zelfbedachte oliedomme opmerkingen voor de dokter. Ook ditmaal was het onderzoek te pijnlijk voor woorden, maar hij zag nu wat eraan scheelde.
‘We moeten dat spiertje even doorsnijden. U kunt meteen wel een afspraak maken.
Nee maar, eindelijk, na al die jaren, weer een heuse operatie – en volgende week al!
Nadat de formaliteiten geregeld waren, was mijn eerste gang naar de bibliotheek, waar ik voor een nog onbekend aantal dagen lectuur leende. Mijn eigen boeken nam ik liever niet mee naar het ziekenhuis; er kon gemakkelijk een bloemenvaas over omkieperen, en als je een dierbaar werk voorzichtig naast je bed op de grond dacht te leggen, deponeerde je het in een ongeleegde open po. Ik zocht vier dikke romans uit, voldoende voor een paar daagjes aangenaam langzaam ziekenhuislezen. Hè, hopen maar dat ’t er knus was, dan las je ’t lekkerst.
Toen ik een dag voor de operatie opbelde, en vroeg of al bekend was op welke zaal ik te liggen kwam, werd er gezegd dat ik na de ingreep meteen weer naar huis kon.
Het was elfstedenwinter: sneeuw, ijzel, vorst, kortom: het weer van alle zieken. Er scheen een bedeesd zonnetje, en het waaide niet te hard. Warm ingepakt kuierde ik op mijn gemak naar de halte van lijn tien. Ja, gek misschien, maar ik was helemaal niet zenuwachtig. Dat kwam natuurlijk doordat ik een volwassen vent van bijna zevenentwintig was. Ach ja, die was wel wat gewend, een volwassen vent!
En terwijl de tram onder een knetterende bovenleiding het ijselijke traject reed, kreeg ik warempel weer een lollige bui, die nog bijna in de slappe lach ontaardde. In de eerste plaats zou, zo stelde ik me voor, de operatiekamer vermoedelijk overeenkomst vertonen met het laboratorium van Baron von Frankenstein, en nabij een van de Poorten der Hel gebouwd zijn. Dit beeld was al om te gillen – maar dan de chirurgijn: die had waarschijnlijk een lasbril op, en een vlammende acetyleenbrander in de aanslag. Of nee, leuker nog, hij had zo’n mijnwerkershelm op, met een koplamp. Eerst ging hij reinigend te werk met een theepottuituitragborsteltje of een schoorsteenvegersplumeau, dan zou hij ‘Hoei!’ roepen, aan de echo horen waar de verstopping zat, en op dit knelpunt staafjes dynamiet aanbrengen. Intussen stond zijn eenogige, bocheltorsende assistent, gekleed in een bloedbespat slagersvoorschoot, zijn messen aan een enorme slijpsteen te scherpen, terwijl op de achtergrond een accordeonkwartet een toepasselijk begrafenismoppie speelde.
‘Ik kom voor een operatie’, glunderde ik, alsof ik een winnend lot kwam incasseren.
‘Eh, ja, komt u maar mee’, zei de verpleegster, en ging mij voor naar een soort uitvaartrouwkamer. Om twee uur (hadden we vandaag toevallig niet Walpurgisnacht?) zou het feest beginnen, maar ik moest al om een uur present zijn, en dat was het over een halfuur. Toen ik driekwartier uit het raam gestaard had, verzocht de verpleegster mij haar te volgen naar de omkleedruimte. (‘Legt u ze maar op de mijne!’)
‘Uw kleren aan de kapstok hangen, en graag dit aantrekken.’
Ik hees mij in een ruim vallend operatietuniek, zette de transparante badmuts op (model Martin toont thans onze nieuwe zureregenbestendige najaarscollectie), en nam voetstoots aan dat de oversized slobbercondooms als operatiesokken bedoeld waren. Koude vloer!
De verpleegster informeerde of ik al zover was. J-ja, bibberde ik. Mooi, dan kreeg ik nu een klysma. Aha, dacht ik, een zogenaamd lavement – en ik herinnerde mij dat er vroeger bij mijn vader op de zaak iemand werkte die de oliespuit even inbracht als de stofwisseling hem te traag verliep.
‘Het is misschien een beetje een onprettig gevoel’, zei ze, toen ik op de behandelbank lag. Ik kreeg een slangetje binnengeduwd, en in mij werd een vloeistof geloosd. Ze raadde me aan het middel zo lang mogelijk, het liefst de volle twintig minuten, binnen te houden.
‘Maar ik heb mijn horloge afgedaan!’ zei ik. (Onder alle omstandigheden ben ik tot de meest stompzinnige opmerkingen in staat, dat bleek maar weer.)
‘O, nou, dan klop ik wel op de deur als het zover is.’
Ik bleef buikelings liggend achter, mij in gerede afvragend wat toch wel de aantrekkingskracht mocht zijn die het lavement op sommige seksueel avant-gardisten heette uit te oefenen. Maar dat de eventuele prikkeling ervan mij ontging, kwam natuurlijk doordat ik hier gewoon in alle rust een roddelblad lag te lezen, en niet zwaar gekneveld boven een kolkende gierput hing, en door een ongeneeslijk aan slechte adem lijdende tandeloze machochel van een boerendochter, met een karwats van ijzerdraad werd afgeranseld.
De roddelbladarts, die met een brillenpoot diepzinnig in zijn mond en met wenkbrauwen tot halverwege zijn voorhoofd de nieuwste wondermiddelen tegen kanker en kraaienpootjes beschreef, stelde mijn aandoening helaas niet aan de orde, en ik bladerde door naar de huwelijksmalleur van een geknakte clown, die toen zijn vrouw hem overspannen verlaten had in een banksaldoverlichtende Gentse sekte was gegaan, en al zijn wereldse bezittingen belangeloos had afgestaan aan de inmiddels eveneens voortvluchtige geestelijk leider ervan, ene Swami Nonkel Nol; dol makende tegenspoed, die hoogst ongelegen kwam, want een vrouw, wat geld en spirituele bijstand had de clown hard nodig, omdat de kosten van zijn alcoholverslaving zo hoog waren opgelopen, dat hij zijn eigen hersenoperatie niet eens kon betalen! En toch avond aan avond volle zalen, je snapte niet hoe zo’n clown het klaarspeelde, al was die lach natuurlijk maar schmink.
Toen er op de deur geklopt werd, was ik mijn eigen ongemak alweer vergeten. In de riooljournalistiek verder lezend, nam ik op de wc plaats. De dochter van de clown vertelde in tranen over de dagelijkse dronkenschap van haar vader, die dan met zijn clownspak aan, gebit uit en gulp open over straat zwalkte. Ter verwerking van al deze ellende zou het arme kind een verhaal over de situatie thuis schrijven, en aan de jeugdpagina van een krant sturen.
Wat nu gedaan? Het moest al ruim halftwee zijn. Ha, er werd weer op de deur geklopt. Ja, kom maar binnen met uw knecht!
De verpleegster verzocht mij te voorschijn te komen; zij moest een volgende reetlijder een doorsmeerbeurt geven. Doelloos liep ik de gang door, en nam maar weer bij m’n plunje plaats. Nou, mensen, kwam er nog wat van? Werk aan de winkel! M’n voeten bevroren zowat.
Een vrouw die minstens tweehonderdvijftig kilo moest wegen, kwam mij ongevraagd gezelschap houden. Ze kakelde honderduit over haar lamme arm, die weldra onder handen genomen zou worden. O, dacht ik, ik dacht dat je met het oog op je rug een hoge schoen aangemeten kreeg.
Ze wilde weten wat mij scheelde.
‘Dat wordt zo dadelijk over de intercom omgeroepen’, zei ik, want mijn mededeelzaamheid kent grenzen. Trouwens, niet om ’t een of ander, maar waarom rotte die rare totebel niet op?
Ik overwoog mij uit protest slapend te houden, dat ze goed zouden voelen hoe lang ik hier al zat, want dit werd langzamerhand toch te gek. Kwam je keurig op tijd voor een operatie, kreeg je zoiets. Ach, ik had het kunnen weten. Als ziekenfondszieke was je maar een nummer. Je dacht dat je aan alle kanten gedekt was, maar als puntje bij paaltje kwam werd je dubbel gepakt. Die homeopaten hadden het zo gek nog niet bekeken, met hun natuurgenezing. Nou, ging ik volgende keer toch mooi naar zo’n homeopaat! Dag meneertje Koekepeertje! Natuurgeneest u mijn aambei maar eventjes terwijl ik wacht! Of nee, ik moest geen homeopaat hebben, maar een ha ha, een ha ha haaa, een ha-ha-haptonoom! De naam zei het al, ha ha ha! Die hapt een aambei er gewoon af, ha ha ha! Tsjongejongejonge, wat een lol om m’n hol. Nou, schiet op, duurt ’t nog lang? Ah, kijk eens aan, daar hadden we mevrouw de verpleegster weer.
Mevrouw de verpleegster zei dat meneer de chirurg helaas wat verlaat was.
Nee hè? Meneer de chirurg zat zich natuurlijk in de kantine warm te snijden in een taaie biefstuk! Oei, dat was weer een goeie van mezelf. Nee, mijn gevoel voor humor wilde me maar niet in de steek laten!
Zou eigenlijk, alle gekheid op een stokje, in de medische hiërarchie de hersenchirurg boven de aambeienchirurg staan? Wanneer iemand eerst aambeienchirurg was, en vervolgens hersenchirurg werd, dan zou je toch zeggen dat hij was opgeklommen, waar of niet?
Een kwartier was verstreken. Ik liep achter de verpleegster aan, de grote operatiekamer in. De ruimte had de afmetingen van een middelgrote bouwkeet; gelukkig geen publieke tribune met joelende studenten. Wel veel vreemde apparatuur: meterkasten, gereedschapsrekken, droogtrommels… Enfin, ik zou straks wel vragen waar alles precies voor diende.
‘Dag’, zei de aambeienchirurg.
‘Hoi’, zei ik.
Ik klom op de operatietafel, en hing mijn knieën als een man van de wereld in de zwangerschapsonderzoeksstijgbeugels.
‘Wilt u niet eerst even de broek naar beneden doen?’
Op mijn rechterdij werd een merkwaardig plakkaat met snoeren eraan bevestigd – ik voelde me een geaard stopcontact, of zou het een soort bliksemafleider zijn?
Ik vroeg me af op welke wijze de narcose zou worden toegediend, en alsof hij mijn gedachten geraden had, zei de chirurg: ‘Dan geef ik u nu vier injecties als plaatselijke verdoving.’
Stel u voor! (Of doe dat eigenlijk maar liever niet.) Vier naalden die diep in u gestoken worden, op een plaats die ik niet nader zal toelichten.
Sodemieters! Hoe verbeet ik die pijn? Daar had je het nou. Dat kwam er nou van. Waar bleef ik nou met mijn ‘dolkomische invallen’, mijn ‘aanstekelijke grollen’, en mijn ‘briljante adremvermogen’? Hè? Hè? O!
Over mijn weke delen werd een groen laken gedrapeerd. Waarschijnlijk om lekker veel bloedverlies op te vangen; in elk geval niet om deze doorgaans erogene zone zedelijk te bedekken, want ik was bij voorbaat al ten prooi aan het gezegde: ‘krimpen van pijn’.
De chirurg: ‘Voelt u de verdoving al?’
De De Jong: ‘Grmgmghgrgmgh!’
De chirurg: ‘Mooi. Dan nu even de tanden op elkaar!’
De De Jong: ‘Gdzmmlfhbbn! Krgdbldpp!’
Het was hier ook ijskoud ook, niet normaal meer. Merkten ze dan niet dat ik verschrikkelijk lag te bibberen van de kou ook? En wat voerden ze daar beneden verdomme toch uit? Een elektrieke slagroomklopper? Een krultang op batterijen?
Om niet flauw te vallen van de pijn en de waandenkbeelden, keek ik de zeldzaam mooie verpleegster maar in de zeldzaam mooie ogen, die natuurlijk niet voor niets zo zeldzaam groot werden.
(Haar minnaar, die avond: ‘En, nog wat meegemaakt op je werk?’ Zij: ‘Moh, niks bijzonders, beetje schoorsteenvegen.’)
Als ik omhoog keek, zag ik dat over de gehele oppervlakte van de ruimte tegen het plafond een tekstballon werd opgeblazen. Denkwolkjes brachten een verbinding met mijn kruin tot stand, en ik zond gauw een bericht omhoog, dat ik teruglas als: ‘AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAARGH!’
Na een klein halfuur was de tortuur voorbij, en werd de wond verbonden. Ik kreeg een verbandconstructie om die aanvoelde als een gipsen luier.
Drie maanden niet eten! Dan een halfjaar vloeibaar! Nooit meer bruine bonen, wat ik u bidden mag!
Groggy kwam ik overeind. De chirurg stopte me een paar recepten toe, en ik liep op eigen gelegenheid naar het kleedhok, waar ik met paranormale krachtsinspanning sokken, broek en schoenen in hopelijk die volgorde aantrok.
Waar was ik? Westeinde Ziekenhuis. Waar zat die apotheek? Boomsluiterskade. Ging ik daar met een taxi naartoe? Nee, daar ging ik niet met een taxi naartoe. O, dan ging ik daar vast en zeker met de tram naartoe. Nee, daar ging ik vast noch zeker met de tram naartoe. Nou, we geven het op – hoe ging ik daar in hemelsnaam dan wel naartoe? Hou u vast: daar ging ik gewoon lopend naartoe! Wat was ik dus? Feilloos geraden: niet goed bij mijn hoofd.
Het lopen ging voetje voor voetje. Sneeuw en ijzel: er was voor een gezond mens al geen doorkomen aan. Elke stap betekende een pijnscheut. Om de pijnscheuten eerlijk te verdelen, verzette ik bij het lopen afwisselend mijn rechter- en linkerbeen. Eerst strompelde ik door glibberige vooroorlogse achterafstraatjes naar de binnenstad. Rechtsaf het Spui op tot de Bierkade, links oversteken, een twee in de maat: Boomsluiterskade.
Helaas, dames raamhoeren, mijn strak gespannen pantalon stond niet bol van de nauwelijks in toom te houden bronst, doch herbergde een gipsen luier, die op mijn erewoord geen beeldhouwkundig-faecalische seksuele variant vertegenwoordigde.
Na driekwartier voortbewegen had ik de apotheek bereikt. Ik moest twintig minuten op de bereiding (ja, in ’t nette hoor, met e-i) van de medicamenten wachten, drong een kwartier later tot de tramhalte door, en was binnen het uur thuis.
Wat had ik allemaal meegekregen? Een zak verband (nee, geen zakverband, ha ha haaa!), wat pijnstillende pillen (die ik niet zou slikken, want ik wilde het als een man dragen), en een fles laxerende smurrie, die ik bij opkomende zwangerschap moest ophouden in te nemen. Het flesje had het hele etiket nodig voor de inhoudsomschrijving:
EMULSUM PARAFFINI C. PHENOLPHTALEINI FNA.
Ik kroop kreunend onder de dekens, en was meteen vertrokken; pas de volgende nacht was de pijn zo erg geworden, dat ik geen houding kon vinden waarin ik comfortabel sliep.
Ik lag de eerste dagen languit op de bank, en las drie delen Russische Bibliotheek in paperback, badend in het binnenvallende zonlicht, en verwarmd door de behaaglijk brandende kachel.
Twas  weer knus.

Een misplaatste vraag misschien, maar hoe voelt u zicht momenteel?
– Het is natuurlijk een aflopende zaak, daar kan je niet omheen. Als je de veertig ruimschoots gepasseerd bent, heb je niet veel meer van het leven te verwachten. Je reageert minder op prikkels van buitenaf, je leest wat vaker de overlijdensadvertenties om te zien of er nog bekenden gesneuveld zijn, en soms denk je: heeft het eigenlijk nog wel zin die nieuwe schoenen te kopen?
Neem me niet kwalijk dat ik het zo op de man af zeg, maar ondanks alles maakt u een redelijk fitte indruk.
– O ja, grote kans dat ik de ochtend haal. Maar ik heb empirisch ondervonden dat ze in mijn familie aanleg hebben op den duur dood te gaan; daar probeer je je uiteindelijk bij neer te leggen, maar niet iedereen kan dat. Een neefje van mij weigert soms zijn huiswerk te maken, omdat hij ‘later toch dood gaat’, en zijn ouders, die al bijna veertig zijn, en dus helemáál tot aan het strottenhoofd in het graf staan, weten daar niets tegen in te brengen, en wijden zich maar weer met vereende krachten aan hun alcoholisme. Toch heeft het ouder worden ook z’n voordelen, want je weet op een gegeven moment wel zo’n beetje hoe de dingen in elkaar zitten. Dat gaat spelenderwijs. Je moet bijvoorbeeld altijd tandpasta gebruiken als je je tanden poetst. Weet u waarom? Als je geen tandpasta op je tandenborstel doet, en de tandenborstel ongezien in je mond steekt, dan kan er altijd een pissebed of een kakkerlak op zitten. En je leert, door ervaring hard geworden, minder te hechten aan het leven van familieleden. Maar het merkwaardige is, gemiddeld een keer of zes per jaar zit je toch weer met nieuwe schoenen aan het bij droevige accordeonmuziek zakken van de kist bij te wonen. En ik heb toch al zo’n bloedhekel aan begrafenissen… Ik ga er alleen heen als er iemand dood is gegaan.
Wat denkt u, is er leven na de dood?
– Wat maakt mij dat nou uit? Als er leven na de dood is merk ik dat vanzelf wel, en als er geen leven na de dood is merk ik dat niet.
Stel je voor dat je na je dood met alle fouten die je tijdens je leven gemaakt hebt geconfronteerd wordt…
– Of met je schoonmoeder.
Houdt u zich, over leven en dood gesproken, bezig met onze plaats in het wereldruim, de sociologische, of desnoods hersenchirurgische aspecten van het ontstaan van het heelal en zo?
– Vrij algemeen, en ik ben het daar wel mee eens, waarom ook niet, wordt de Big Bang-theorie aangehangen. Maar omtrent wat zich daarna afspeelde lopen de meningen uiteen, zoals men het er ook niet over eens schijnt te kunnen worden of wij ons nu vooruit of achteruit door de Tijd bewegen. Ik vraag mij persoonlijk zelfs af of er wel zoiets als Tijd bestaat. Ja, we hebben een notie van Tijd, maar dat zegt natuurlijk niets over het bestaan ervan. Ze zeggen bijvoorbeeld dat de Tijd verstrijkt, maar de Tijd verstrijkt helemaal niet: wij verstrijken.
Maar hoe zit het dan met reïncarnatie?
– Daar heb ik geen verstand van, hoor. Maar ik vind wel dat men daar wat al te lichtzinnig over theoretiseert. Al dat gedoe met schriftelijke cursussen regressiehypnose en zo… Ja, zo kan ik het ook! Dat leidt dan tot televisiereportages over mensen die beweren: in mijn vorige leven was ik dominee in een middelgrote Brabantse gemeente, en speelde niet onverdienstelijk accordeon. Kijk, je kunt je misschien nog wel voorstellen dat je honderd jaar geleden in een ander lichaam huisde, maar dat andere personage was dominee, terwijl je in dit leven als aangeboren atheïst in je levensonderhoud tracht te voorzien, om over accordeonmuziek nog maar te zwijgen! Wat is het verband tussen jou en die accordeon spelende Brabantse dominee, als ’t al geen pastoor was? Hoe kom je erbij dat jij dat geweest bent? En trouwens, áls reïncarnatie bestaat, dan kan het best zijn dat je niet in de toekomst opnieuw geboren wordt, maar in het verleden. Dan is het déjà-vu-verschijnsel ook meteen verklaard. Maar ach, dominee, pastoor… nergens wordt zoveel onzin over verkondigd als over godsdienstige zaken. Het heeft ermee te maken dat veel gelovigen hun Albestierder voor een Malle Eppie houden die zich de hele dag kopzorgen maakt over wat zijn schepselen met hun voortplantingsorganen zoal aan capriolen uithalen. Heeft u enig idee van de afmetingen van het heelal? Hoe klein de aarde is in verhouding tot dat heelal? Hoe klein de mensen zijn in verhouding tot het aardoppervlak? En, zonder dat ik persoonlijk wil worden, hoe klein de menselijke geslachtsorganen zijn in verhouding tot het menselijk lichaam? En hoe minder dan nietig die geslachtsorganen dus zijn in verhouding tot het heelal? Je beledigt zo’n Albestierder toch als je gelooft dat die Albestierder zich druk maakt over wat nietige mensen op een nietige planeet met hun belachelijk nietige geslachtsorganen doen? Als die Albestierder niets beters te doen heeft, mag die Albestierder zich wel eens laten nakijken, vindt u ook niet?
– Graag nog even terug naar het begin der dingen.
– Ja, nou, eerst even een klein probleem uit de wereld helpen. Zodra je het hebt over het ontstaan van het heelal, wordt er meteen geroepen: ja, maar wat was er daarvoor dan? Hoe breng je het de mensen aan hun verstand dat er voor het begin niets was, zelfs niet niets? Nou, door een simpele vergelijking. Neem ons Afgrijselijke-Jeugdboek. Straks is het er. Dus over tien jaar wordt er gezegd: tien jaar geleden was het er. Dus daarvoor was het er nog niet. Ja, wordt er dan tegengeworpen, maar voordat dat boek er was moet er toch ook al iets geweest zijn? Nou, nee dus. Dat boek was er nu eenmaal niet voordat het er was.
– Maar plotseling was het er wel, net als de Big Bang.
– Precies. Er is een stroming die beweert dat er seconden na de Big Bang een soort oersoep ontstond. Nee, niks van waar, roept de laatste tijd de Scatologenbond, dat is een drukfout. Het moet zijn: oerPOEP. Beide visies zijn uiteraard te verdedigen. Volgens de scatologische analyse was de Big Bang een voorhistorische kosmische Scheet, die diarree deed ontstaan, welke zich door de Tijd bewoog, en evolueerde tot een indikkende mestmassa, die middelpuntvliedend overging in een reeks uitdijende drollen. Door de hitte en de stank stolde de faecalische substantie tot een Bolus, de harde kern van een planeet. De hitte nam toe, de stank nam toe, er kwam gas vrij, en (het woord zegt het al) een ‘damp’kring werd gevormd. Op de Noordpool vinden verdwaalde Zuidpoolreizigers regelmatig van die bevroren uitwerpselen, coprolieten, die ze voor versteende dinosauruskeutels aanzien, maar die eigenlijk gewoon meteorieten zijn… Overigens is de vraag hóe het heelal ontstond helemaal niet interessant – het gaat erom waaróm. Maar goed, je hebt verder nog de vrij gecompliceerde micro-macrokwestie: bepaalde molecuulstelsels vertonen op microkosmisch niveau, dus zeg in de menselijke bloedbaan, qua structuur overeenkomst met sterrenconstellaties op macrokosmisch niveau. Dan kun je primair twee kanten op. Zeggen: die sterrenconstellaties zijn op hun beurt de microkosmische structuur van een nog veel groter lichaam, of: die microkosmische molecuulstelsels zijn de macrokosmische manifestatie van minuscuul leven op subatomair niveau. Nou, in dat laatste geval denk je mijns inziens wel tweemaal na voor je in het wilde weg een scheet laat.
– Maar als Tijd werkelijk niet bestaat, hoe ziet u de toekomst dan? Ligt die vast?
– Natuurlijk ligt die vast. Het heden ligt vast, het verleden ligt vast, de toekomst ligt dus ook vast. Het is toch zo simpel als wat. Kijk, als je door een telescoop naar een verre planeet tuurt, dan neem je die planeet niet waar zoals ze er op dit moment uitziet, maar zoals ze er een X-aantal jaren geleden uitzag, omdat ze zoveel lichtjaren van ons verwijderd is. Zou men op dit moment vanaf die planeet door een telescoop naar de aarde kijken, dan zou men de aarde zien zoals die er een X-aantal jaren geleden uitzag. Om het wat eenvoudiger te zeggen: stel u een punt in de ruimte voor dat een jaar nodig heeft om een signaal dat wij uitzenden te ontvangen. Op dat punt in de ruimte ervaren ze onze wereld dus zoals die een jaar geleden was. Wat er in het komende jaar met de aarde zal gebeuren is voor hen een verrassing, maar die komende gebeurtenissen liggen wel vast, want ze zijn ons op aarde al overkomen. Voor ons is die vulkaanuitbarsting al geschiedenis, voor hen een gebeurtenis die nog zoveel maanden op zich zal laten wachten. De toekomst ligt dus vast, omdat wat gezien vanuit punt A nog moet gebeuren, vanuit punt B gezien al gebeurd is. Met andere woorden: alles is al gebeurd, of alles gebeurt altijd, afhankelijk van het waarnemingspunt. Vanaf punt C gezien zitten we nog midden in de Franse Revolutie, vanaf punt D gezien zijn we verwikkeld in allerlei malligheid die ons pas over een paar jaar zal overkomen. Trouwens, de onmetelijkheid van het heelal is natuurlijk ook maar relatief. Alles wordt namelijk gemeten met de maat van de mens. Stel nu eens dat u en ik intelligente mieren waren die in een op straat geworpen schoenendoos leefden. Op zeker moment hadden we met ons mierenverstand de inhoud van de schoenendoos berekend en waren we tot de conclusie gekomen dat deze schoenendoos een gigantisch groot universum was. Maar zo’n schoenendoos is natuurlijk niet groot, die mieren zijn klein! Die mieren zijn zo klein, die hebben waarschijnlijk niet eens geslachtsorganen! Dus voor hetzelfde geld stelt dat hele heelal qua afmetingen helemaal geen reet voor, maar lijkt het heel wat omdat de mens maar een meter eenenzeventig meet. Nou ja, ik althans. Enfin, dat is misschien een zienswijze waar u met uw verstand niet bij kunt. De mensen vinden al gauw iets raar, terwijl ze andere dingen heel gewoon vinden. Ik bedoel, je kunt zien als er licht is. Als het donker is kan je niks zien.
– Dat is bekend.
– En als het licht uit is, en je hebt bovendien je ogen dicht, dan kan je dus niks zien.
Natuurlijk niet.
– Maar als je met het licht uit en je ogen dicht slaapt, dan zie je wel degelijk: in je dromen!
– Ja, logisch.
– Nee, niks logisch. Omdat iedereen droomt vinden we het normaal dat we als we slapen dingen beleven, dat we kunnen zien. Maar als slechts een enkel mens zou dromen, en daarover zou vertellen, dan zou erom gelachen worden. Je moet niet klaarstaan met een oordeel over dingen waar je geen verstand van hebt. Tweeduizend jaar geleden wisten ze toch ook niet dat eb en vloed met de maan te maken hebben? Het zou me trouwens niks verbazen als dat een fabeltje blijkt te zijn, want niemand heeft nog kunnen verklaren hoe het mogelijk is dat er bij volle maan net zoveel eb en vloed als bij halve maan, want bij halve maan is de aantrekkingskracht natuurlijk ook de helft. Bij zo’n half maantje zouden er dus ook een half ebje en een half vloedje moeten zijn. Maar ja, dat is waarschijnlijk lastig te controleren, want de maan schijnt ’s nachts en dan is het donker op het strand, zeker als het maar een half maantje is. Hoe het ook zij, ik voorzie, en daar hoef je geen helderziende voor te zijn, een tijdperk waarin de sociologie en de hersenchirurgie naar elkaar toe zullen groeien, in elkaars verlengde komen te liggen. Sociologische en hersenchirurgische ontwikkelingen zullen ertoe leiden dat genetische modificatie in het ziekenfondspakket wordt opgenomen, en dat betekent onder meer dat men op doktersre­cept zijn geheugen kan laten manipuleren; door genetische manipulatie kan men zich dan dingen herinneren die nooit gebeurd zijn. De déjà-vu-ervaring is wat dat betreft nog maar het begin. Het beroep van schrijver zal binnen het bereik van de onderontwikkelde leek komen – Heersen over Tijd, Ruimte en Waarheid, voor velen is het nog een utopische toekomstdroom, maar straks is het de keiharde werkelijkheid.
– Ja ja. Iets anders: danst u?
– Absoluut niet. Als paringssubstituut vind ik het ritueel tekortschieten, al komen Limbo en Lambada aardig in de buurt. Maar als sociologisch verschijnsel heeft de dans uiteraard mijn belangstelling wel. Zo kreeg iemand jaren geleden midden op een drukke dansvloer een epileptische aanval – nog geen maand later was de halve wereld aan het breakdansen! Dat zegt toch wel iets, zou ik zo zeggen.
– Als ik zo eens op mijn horloge kijk, geloof ik dat we ons gesprek maar moeten afronden.
– Is het al zo laat dan? Goh, waar blijft de tijd. Heeft u genoeg sociologisch interviewmateriaal voor het Afgrijselijke-Jeugdboek, denkt u? Ik heb eventueel nog wel een paar goeie bakken. Misschien dat u die kunt gebruiken, anders is het allemaal zo serieus.
– Nou, snel dan. Maar wel sociologische moppen graag!
– Nogal wiedes. Hier: op achterruiten van auto’s staan vaak van die geinige spreuken, zoals: WINDSURFERS MAKEN HUN EIGEN WIND, of: STUDENTENHOEREN DOEN HET MET BALLEN. Maar wat vindt u van deze: INCONTINENTEN DOEN HET IN HUN BROEK! Boewahahahaaa!!! Is-tie goed of niet? En kent u die van die banaan die in enen recht ging staan? Dat is helemaal een bak om je te bescheuren! Brigitte Bardot komt bij de groenteboer en –
– Nee, sorry, hier moet ik het echt bij laten. Is er, ter afsluiting, nog iets waar u mee zit, en dat ik nog niet aangeroerd heb?
– Ja, maar daar blijft u van af ook! Boewahahahaaa!!! In hun broek!!! Hebbu ’m door?
– Bijzonder grappig, ja. O, zou ik haast nog vergeten: Wat zijn uw persoonlijke plannen voor de nabije toekomst? Liggen die vast?
– Zeker. Een dezer dagen ga ik hier echt de rommel opruimen. Maar zodra u vertrokken bent, ga ik eerst verder met mijn verslag van reizen naar Engeland in het net typen, de allernieuwste versie, die ik u nog wel zal sturen voor het boek. Het is een hele klus om te typen, want ik heb namelijk tamelijk veel

ENGELAND GEVAREN

De oorlog heb ik zelfs niet onbewust meegemaakt, maar ik behoor wel tot de generatie die weet wat het betekent op schoolreis te moeten gaan. Toen ik op de kleuterschool zat, reden we met de Jan Plezier naar het pretparkje Drievliet, dat je te voet sneller bereikte. In de eerste klas van de lagere school was het reisdoel Diergaarde Blijdorp; de klassen twee tot en met vijf gingen we per bus naar een dierentuin die elk jaar verder van Den Haag gesitueerd was. Naar de reden hiervan konden we slechts gissen: een dierentuin is een dierentuin is een dierentuin, en wordt geen grotere attractie naarmate je langer onderweg bent om er te komen – integendeel. De zesde klas was de laatste, en vanwege deze bijzondere omstandigheid trokken we voor niet minder dan drie dagen naar een jeugdherberg in een bosgebied nabij de middelgrote West-Noord-Brabantse gemeente R. Wie zoiets aan den lijve ondervonden heeft, zal kunnen beamen dat een dagtochtje naar de dierentuin zo gek nog niet is.
Behalve de meester en juf van beide zesde klassen, gingen er ook twee moeders van leerlingen mee. De ene moeder speelde accordeon, maar de ergste moeder was de moeder van een uitermate lelijke dochter. Darwin vertelde heus geen sprookjes, want moeder bood al evenmin een appetijtelijke aanblik. Als we het ’s avonds op de jongenszaal te bont maakten met kussengevechten en het opgewonden voordragen van seksuele verlanglijstjes, drong moeder Godzilla geboren Wratzwijn vals lachend binnen, om met nachtzoenen snelrecht te spreken, maar voor zij zich aan dit rondje bestiaal pederasme kon bezondigen, klonk alom demonstratief gesnurk.
Op de middelbare school hoefden wij onze tijd niet te verdoen met schoolreisjes – behalve één keer, in een soort feestjaar, waarin mogelijkerwijs gevierd werd dat het gebouw 75 jaar overeind was blijven staan. (Deze school is toevallig onlangs gesloopt. Alsof men, wat aardig lijkt te lukken, alle sporen tracht uit te wissen, worden veel gebouwen waar ik in verbleven heb afgebroken. De huizen in de straat waar mijn grootouders woonden zijn met de grond gelijk gemaakt, zogenaamd ten behoeve van nieuwbouw. De lagere school en de aangrenzende bibliotheek zijn ook verdwenen. En de kantoorboekhandel waar ik jaren en jaren geleden Kluitmanpockets kocht, hield een paar jaar terug opheffingsuitverkoop. Als ik dit niet snel in het net typ, word ik nog door een sloperskogel getroffen.)
We gingen met bus en boot naar Londen. ’s Morgens vroeg vertrokken we, ’s avonds laat kwamen we aan. Ons hotel was een bouwvallig pand, en ik hoef me dus niet af te vragen of het inmiddels gesloopt zal zijn, want het is ongetwijfeld langs natuurlijke weg ingestort.
De meeste tijd besteedden we aan uitstapjes naar de obligate toeristentrekpleisters: Tower, Wassenbeelden, Wachtaflossing en verwante flauwekul. Ik heb alles een keer gezien, en had het toen wel bekeken.
Van de ondergrondse was ik wel onder de indruk – wat een fabuleus transportmiddel! De plattegrond met routes en lijnen was vrij eenvoudig te begrijpen, en in no time was je waar je wezen moest.
Boven de uitgang van de ondergrondsetrein stond geschreven:
OBSTRUCTING THE DOORS CAUSES DELAY AND CAN BE DANGEROUS
wat soms herschreven was tot:
OBSTRUCT THE DOORS CAUSE DELAY AND BE DANGEROUS!
In de ondergrondse kan je de spreekwoordelijke Engelse welgemanierdheid leren kennen. Trap er voor de aardigheid eens iemand keihard op z’n tenen. Tien tegen een dat de ander zich nederig verontschuldigt. Herhaal dit interessante experiment ter vergelijking in een Haagse tram: bots bruusk tegen iemand op. Ik geef u de verzekering dat een verontschuldiging zal uitblijven. Sterker, wanneer ú sorry zegt, en uzelf daarmee als aanrander bekendmaakt, is de kans groot dat u dit op een messteek in buik of rug komt te staan, met een plathaagse scheldkanonnade om het af te leren op de koop toe.
En dan die Londense straten! Geen hondenpoep te bekennen! (Trafalgar Square even buiten beschouwing gelaten: Nelson heeft weliswaar de Franse vloot te kakken gezet, tegen de darmsalvo’s van overvliegende duiven richt hij met zijn pilaar weinig uit. Als het een beetje regent – en dat doet het in Londen altijd – verandert het gebied tussen leeuwen, fontein en duivenvoerkraam in een excrementale glijbaan, waar menigeen als ten behoeve van een verborgencameraprogramma een horizontale houding aanneemt.)
En ronduit verbijsterend, het Londense verkeer! Steek je een straat over, dan doe je dat met gevaar voor eigen leven, want alle auto’s hebben haast. Tenzij je een zebrapad gebruikt. Wat er dan gebeurt kunnen wij ons nauwelijks voorstellen: wanneer je één voet op het zebrapad zet, komt al het verkeer, ongeacht de snelheid en de haast, onmiddellijk tot stilstand! Wie ook op dit gebied vergelijkend sociologisch onderzoek wil opstarten: ga gerust uw gang, maar probeer liever eerst in Londen de oversteektruc uit, want wie bij ons op een zebrapad zijn voorrangsrecht opeist, kan dat niet navertellen.
Gezond is dat voorbeeldige Britse verkeer overigens niet: als je een dag door Londen hebt gelopen en je snuit je neus, dan tref je in je zakdoek zwart snot aan.
Van de in reisfolders aangeprezen toeristenbestemmingen hield ik niet, maar wel vond ik de London Dungeon fascinerend. De Dungeon biedt een overzicht van het Britse kerkerleven door de marteleeuwen heen. De staatsopsluitcentra voor besmettelijke pestlijders, krankzinnigen (Bedlam!) en misdadigers die zich wederrechtelijk een boomgaardsvrucht (een wormstekige appel) hadden toegeëigend.
Een getralied gat in de vloer zag ik voor een luchtkoker of een interne slijkafvoer aan, maar het bleek een strafputje te zijn, waarin de gedetineerde staande verbleef, zodat hij gemakkelijker op een heilzame douche van kokende olie of pek en veren getrakteerd kon worden. De beklemmende sfeer in de Dungeon werd geaccentueerd door het morbide gerommel van een op gezette tijden door een nabije tunnel passerende ondergrondsetrein.
Na de schoolreis haalde ik mijn ouders over op hun kosten het jaar erop in gezinsverband een tocht naar de wereldstad te ondernemen, zodat ik ze gratis kon rondleiden. We bezochten vanzelfsprekend ook de Dungeon, die ik in het door mij uitgestippelde reisschema op een bezoek aan de Tower had laten volgen. Via Tower Bridge was het een blaaropwekkende wandeling, maar een mens gaat nu eenmaal niet voor zijn plezier met mij op vakantie.
‘Kijk,’ zei mijn vader, die indertijd de Walter and Conniecursus niet had afgemaakt, terwijl hij wees op het verklarende tekstbord naast een achter tralies weggeborgen wassenbeeldengezin, dat vanwege The Plague dermatologisch studiemateriaal vormde; ‘die hebben plak gehad.’

Soho: de naam roept olalala- en schrikbeelden op. Je kan er niet ongewapend over straat gaan, beweert men, met al die louche cocaïnecasino’s en heroïnehotels. Nou, volslagen lullepraat! Ik ben er noch bij nacht, noch bij ontij ooit met de dood bedreigd. Ik rubriceer de wijk onder ‘Toeristenbuurt’. Veel pubs en nachtclubs, Chinese restaurants en washuizen, en inheemse middenstandsbedrijven in erotische feestartikelen en geïllustreerd drukwerk voor de eigenhandige onanist. Er was ook een tweedehandsmarkt waar het altijd regende, ook wanneer honderd meter verderop de zon scheen. Vaak liep er een oude man rond met een waarschuwingsbord waarop de toezegging: THE END IS AT HAND – ik maakte in februari 1979 foto’s van de man en zijn bord, dus veel schot zat er niet in de zaak, tenzij hij reclame maakte voor zijn eigen aanstaande ondergang. De onheilsprofeet trachtte passanten te strikken voor zijn ware geloof, maar wie verstandig was negeerde hem, want naar verluidt zal de wereld pas vergaan als iedereen bekeerd is.
Ergens in Soho bezocht ik eens een winkel waarvan het adres overeenkwam met dat van een in mijn reiswijzer aanbevolen Art Gallery. De ramen waren kunstzinnig grijs geschilderd, en het was inderdaad een doodordinaire pornografische kleinhandel, met uit een klucht weggelopen klanten als voornaamste bezienswaardigheid: oudere mannetjes in regenjas, vermomd met onder meer onechte baardgroei, een clownspruik van kale haren, en soms wel twéé ooglappen. Een concurrerend bedrijf, meer een groepssekssupermarkt dan een buurtsekskruidenier, liep ik kokhalzend voorbij, want de etalage bevatte een vrouwvijandige citruspers, een pijngrensverleggende notenkraker, en een decoratieve, multifunctionele, op een melaatse arm gelijkende kunstknoert, met een eikel als een bokshandschoen (ook als ploertendoder te gebruiken). De winkel was, zag ik in het voorbijgaan, voorzien van een beveiligingsinstallatie. Ik bedacht dat er waarschijnlijk lichten zouden gaan branden en sirenes loeien, wanneer iemand zonder iets gekocht te hebben, met een erectie de zaak probeerde te verlaten.

Daags voor mijn vertrek, begin december 1980, ontving ik het hartelijke luchtpostbericht dat men mij geen kaartjes kon leveren voor de drie Queen-concerten in de Londense Wembley Arena, die het doel van mijn reis waren. With compliments, Harvey Goldsmith Entertainments Limited.
Geen nood, dacht ik, ik kwam er ook zonder toegangsbewijs wel in: het zou wel raar lopen als het raar zou lopen!
Ik liet in de mij toegewezen kamer van hotel M. mijn bagage achter, en begaf mij per ondergrondse naar Wembley. Het was nog vroeg in de middag; bij de sporthal was niemand te bekennen. Ik liep rechts langs het gebouw tot het hek dat zich enige tientallen meters voor de artiesteningang bevond. Een groepje volwassenen werd juist door de portier het terrein opgelaten. Ik loog hem voor dat ik journalist was, en dat zich in het gebouw de bescheiden bevonden die dit uitwezen. Ik mocht doorlopen en voegde me bij de eerder binnengelatenen, die kennelijk wel van de pers waren. Een Arenafunctionaris leidde ons naar een kleedkamer. De reporters lieten er hun jassen en tassen achter. Op een tafeltje lag een stapeltje donkerblauwe jacks met de opdruk:

CALL A HAND
CROWD CONTROL

Ik kan altijd alles gebruiken, en moffelde een jas in mijn schoudertas weg. De journalisten verlieten de kleedkamer. Zij sloegen linksaf, ik ging rechts. In de zaal (iets groter dan Ahoy, maar zonder wielerbaan, toen Ahoy er nog wel een had) werden klapstoelen geplaatst. Wat zou mijn verweer zijn, als er gevraagd werd naar de reden van mijn aanwezigheid?
Een van de stoelenplaatsers was een oude grijze man, die niet al te kwaadaardig uit zijn ogen keek. Ik klampte hem aan met een hoe-gaat-het-ermee-dat-is-ook-lang-geleden praatje, en beweerde dat ik hem hier afgelopen juni ter gelegenheid van de twee Zappa-concerten ook uitgebreid gesproken had. Ik improviseerde me met succes in het zweet, want toen ik maar bleef zeveren, gaf de man toe zich mij duidelijk te herinneren. Nadat ik hem voor de vorm een paar maal een stoel had aangereikt, nodigde hij me uit in de personeelskantine een kopje thee te gaan drinken. Ik hield me er een halfuur schuil.
In de zaal was men begonnen het geluid te testen. Ik kwam te voorschijn, en keek op veilige afstand toe. Een paar meter van mij vandaan stonden een man en een vrouw, beiden begin dertig, zo te zien. Als ik ze aansprak kon dat twee gevolgen hebben, van hetzij kwalijke, hetzij weldadige aard. Zij hadden hier iets in de melk te brokkelen, en zouden a) mij zonder pardon laten verwijderen, of b) mijn aanwezigheid als een zegen ervaren, en positief sanctioneren. Maar ik schatte de situatie verkeerd in: ze hadden nergens wat mee te maken, want het waren Australische toeristen, die gewoon even door de openstaande voordeur waren binnengewandeld.
De ruimte achter het podium was zowel streng verboden terrein als een veilige haven, want wie er rondliep had daar vrijwel zeker toestemming voor, en werd dus met rust gelaten. Er was een tijdelijke kantine ingericht. Op de deur hing een bord met de tekst:

QUEEN CREW ONLY

Ik stapte koelbloedig binnen voor een kop koffie, die gratis verstrekt werd. De man die mij en de echte journalisten de weg gewezen had, knikte me vriendelijk toe. Hij heette Jim, en ging, zo legde hij uit, over de veiligheid Binnen, Buiten, Boven en Beneden de Arena. (Deze Jim werd in zijn soort nog een soort beroemdheid: hij is als veiligheidsopperhoofd vereeuwigd in videodocumentaires over Queen en de Rolling Stones.)
Toen Jim begrepen had dat ik uit Holland afkomstig was, begon hij een verhaal over de heibel met de Hell’s Angels tijdens de concerten van de Stones in het FC Den Haag stadion in 1976, waar ik ook bij geweest was, ik bedoel bij een van de concerten.
Om vier uur arriveerde de band voor de sound check. Ik bleef zo lang mogelijk in de kantine zitten. Aan een tafeltje tegenover mij zaten de vier limousinechauffeurs te kaarten. Een van hen had iets op zijn rug geplakt zitten dat verdacht veel leek op een backstage pasje. Quasi onderweg naar elders, liep ik op de chauffeur toe, en maakte hem op de rugplakker attent.
‘Would you take it off, please?’
Would I!
Ha, een officieel backstage pasje, nee, dat namen ze me niet meer af: eerlijk verdiend, voor wat hoort wat, en wie wat bewaart heeft wat, want de aanhouder wint!
De chauffeur waarschuwde me dat het pasje alleen geldig geweest was voor het concert in Birmingham, eergisteren. Hij vertelde, nu ik hem toch aan de praat had, dat hij gitarist Brian May vervoerde, en dat hij in Oost-Europa geboren was.
Hee, was dat even toevallig! Daar kwam ik namelijk zelf ook vandaan, vanuit Engeland geredeneerd!
Toen het voorprogramma uitgespeeld was, vergezelde ik de chauffeur naar de gastenloge (Special Enclosure). Ik toonde mijn verlopen pasje aan de geen oplichting vermoedende plaatsaanwijzer, en volgde het concert vanaf een onbetaalbare onbetaalde zitplaats, pal naast het podium.
De volgende ochtend verslikte ik me in de scrambled eggs, en was meteen wakker, toen de radionieuwsdienst, verzorgd door de BBC, berichtte dat John Lennon in New York vermoord was. De ochtendbladen besteedden er de grootst mogelijke koppen aan. ’s Middags verschenen er edities met een uitgebreide kleurenbijlage, spoedig gevolgd door herdenkingsmagazines in vierkleurendruk. Platenzaken richtten hun etalages in met Lennon- en Beatlesplaten, want het was tenslotte kerstinkooptijd.
Om halfvier arriveerde ik bij de Wembley Arena. Bij het binnengaan van de artiesteningang kwam ik Jim tegen. Hee, was ik daar nou alweer? Ja, inderdaad, daar was ik nou alweer; maar het was in orde hoor, ik maakte een meerdaagse reportage. Aha – maar ik wist toch zeker wel dat dat pasje niet meer geldig was? Haha – maar natuurlijk wist ik dat; het pasje voor vandaag lag in de kleedkamer, bij m’n spullen: ik was hier vanmorgen namelijk ook al geweest.
‘I see.’
Binnen viel er weinig te beleven. In de hot dogs die in de QUEEN CREW ONLY kantine te krijgen waren had ik, omdat de smaak van die van gisteren nog af en toe op kwam rispen, niet veel trek.
Er werd geen sound check gehouden. Ik hield het niet vol langer dan een paar uur naar mijn schoenneuzen te turen, en besloot iets te gaan ondernemen. Hoe laat was het momenteel in het vaderland? Naast de backstage kantine stond een Doctor Who-achtige telefooncel. Ik belde mijn vader, en feliciteerde hem met zijn verjaardag; ik was blij dat ik niet met cel en al op z’n Star Treks in atomen werd ontbonden, en door de tijd verplaatst naar een optreden van Caruso, hoezeer ook zo’n antieke Night at the opera de moeite waard zou zijn.
Ik had nog een uur of wat om me naar hartenlust te vervelen. Ik kreeg zin om ‘Ik koop deze tent!’ te roepen, zoals Frans T. tijdens de schoolreis naar Engeland in het Palace Theatre had gedaan, waar wij waren neergestreken om Jesus Christ Superstar te zien.
Er naderde een jongere die een te zenuwachtige indruk maakte om tot het personeel te behoren. Hij stelde zich voor als David Mortimer, en bleek interim-journalist te zijn bij een dag- of weekblad dat hij nog moest verzinnen.
Ik had een mapje bij me met het jaar ervoor in Ahoy van Queen gemaakte kleurenfoto’s, zodat ik als de nood aan de man kwam kon aantonen dat ik ook nog fotograaf was. David bekeek de foto’s met bewondering, want zoals de meeste Engelsen bezat hij zelf een waardeloos instamaticprul voor een rolletje van zestien opnames met ingebouwde flitser die het alleen deed als het niet hoefde en het rolletje per post naar de ontwikkelcentrale zodat het zoekraakte op de heen- of terugreis of anders gemiddeld hooguit drie foto’s gelukt maar dan toch nog bewogen of overbelicht of onderbelicht of ondersteboven, want Engeland was en bleef een armoedig land.
David was ongezien via de hoofdingang binnengekomen (dat moest ik bij een volgende gelegenheid toch ook eens proberen), en niet van zins vrijwillig weer te vertrekken. U zult denken: twee imbecielen, één gedachte, maar ik besefte dat er verhoogd risico school in ons teamsgewijs hier rondlopen.
Catastrofes deden zich echter niet voor. Aan de backstage bar stond Pete Townshend, die nogal somber voor zich uit keek, en niet in de stemming voor een goed gesprek leek. In de Special Enclosure zat ik weer naast de Oost-Europese chauffeur. Ik vroeg hem of hij kon bewerkstelligen dat Brian May wat van mijn foto’s signeerde. Ja hoor, geef maar op, zei hij; het was no problem.
Begeleid door Brian op akoestisch gitaar, zong Freddie een hartverscheurende versie van Lennons Imagine, en wie vooraan stond zag dat hij daarbij huilde. (Vier jaar later, in september 1984, toen Queen viermaal in dezelfde zaal optrad, verscheen er in een roddelkrant een reeks ‘onthullingen’ over Freddie, gedaan door een ontslagen lijfwacht of chauffeur. Hij beweerde dat zijn gewezen werkgever zeer ontstemd was geweest over het gitaarspel dat hem bij het zingen van Imagine begeleidde, en na afloop van het concert in de kleedkamer vernielingen had aangericht; het zou jammer zijn als dit verhaal verzonnen was.)
David stelde voor dat ik hem aanstaande middag zou opwachten, dan konden we onder het mom van ons beider journalistendom wederom zien binnen te komen.
Ach, het was al tweemaal goed afgelopen, waarom de derde keer niet weer?
Die derde dag besteedde ik de ochtend aan winkelen. Ik kocht onder meer bij de firma Dunn in Oxford Street voor dertig pond een huismerk bolhoed. Krankzinnig duur, zeker, maar ik kreeg vijf jaar garantie, en als ik bijvoorbeeld in die periode langs een bouwstellage liep en mij trof een baksteen op de bol, dan kon ik (of een van de nabestaanden) zo een nieuwe hoed komen uitzoeken.
’s Middags kwam David een uur later dan afgesproken aanslenteren. We gingen op vertoon van mijn nu driedubbelovergehaald verlopen pasje langs de hekportier, maar onze verdere opmars werd bij de artiesteningang verhinderd door een het gezag vertegenwoordigende brulmans van het type dat in komische films bij elke dialoog een stukje long uit zijn lijf mag schreeuwen.
En waar gingen wij naartoe, heren?
Ik was zo onverstandig David het woord te laten doen, zodat we binnen de kortste keren uitgewezen werden. Goed, dan maar via de hoofdingang, ze konden het krijgen zoals ze het hebben wilden. Ongehinderd liepen we daar binnen, ietwat gepikeerd en mopperend dat het ergens een grof schandaal was, dat wij, twee journalisten die toch gewoon hun werk probeerden te doen, et cetera ad ridiculum.
Voor we het beseften, stonden we weer voor de schreeuwgrage uitsmijter, die binnendoor was gelopen. Ik zag in dat verder bekvechten inopportuun was, en maakte rechtsomkeert. David meende echter dat hij zich wel eruit (of liever: erin) kon smoezen, en was weldra in gescheld verwikkeld. Buiten brieste hij dat hij het er niet bij zou laten zitten; hij ging zijn hoofdredacteur inschakelen, dan zouden ze wel anders piepen.
Ja, get maar lost, mompelde ik, want hij begon me aardig de keel uit te hangen.
Zonder veel hoop begaf ik mij weer naar de achteringang, waar zich wat fans verzameld hadden. Een Britse Blondheid was met de portier aan het argumenteren. Toen ik naderde, dook aan de andere kant van het hek ook de meesterschreeuwer op. Hij maakte de portier met een priemende wijsvinger duidelijk, dat ik onder geen beding hoe dan ook mocht worden doorgelaten.
De Blondheid, die Jane heette, hervatte haar pogingen zich langs de portier te praten – een kleine dikke, met waterige varkensoogjes (de portier, bedoel ik). Jane beweerde ene Charlie te kennen, die ergens over ging, en die beloofd had haar via de artiesteningang binnen te zullen laten, en het ging nu om de vraag of deze Charlie zich al dan niet in het gebouw bevond. De oude portier negeerde Jane even om tegen mij een verhaal af te steken over de tijd dat hij in Hollywood naast Bette Davis gewoond had, met wie hij als hij (of zij, dat weet ik niet meer) gewild had, zo had kunnen trouwen.
Het was allemaal reuze gezellig, maar Jane noch ik kreeg het voor elkaar binnengelaten te worden. Doorzeuren, hoe verleidelijk ook, had geen zin, want de portier hield zich niet alleen steeds dover (‘Eh?’), hij begon ook met een zwaarder accent te spreken. Ik troonde Jane, die inmiddels was gaan huilen, mee. Zij was voorlopig beter af dan ik, want hoewel ze er kennelijk de voorkeur aan gaf via de artiesteningang de Arena te betreden, was ze toch maar mooi in het bezit van een plaatsbewijs, en zou ze vanavond het concert kunnen meebeleven, terwijl ik…
We konden het beste om bij te komen iets gaan eten, en in alle rust een strategie overdenken. Ik vroeg Jane of ze in de buurt een restaurant wist.
‘Hier rechts, geloof ik.’
We liepen een kwartier zonder resultaat in die richting, en vervolgens op goed geluk een halfuur terug.
‘I’m a Gemini’, legde Jane uit. ‘They’re the worst.’
Zij ook? Then we were doomed! Bestond er niet een Engels gezegde dat luidde: Birds of a feather…? Maar misschien liep het allemaal wel los, want spreekwoorden en gezegden sloegen doorgaans nergens op, zoals bijvoorbeeld ons eigen ‘Wie de schoen past trekke hem aan’ – ik bedoel, grotere onzin is nauwelijks te verzinnen, want hoe kan je nou een schoen passen zónder ’m aan te trekken?
Wonder boven wonder vonden we een Chinees restaurant. Ik liet Jane wat voor ons beiden bestellen, want ik had in het verleden op dat gebied schandelijk gefaald. Bij bedoelde gelegenheid had ik voor vertrek in een Haags Chinees restaurant, waar men een tweetalige menukaart verstrekte, de Engelse termen voor de gerechten overgeschreven. Met die vertaling op zak bezocht ik zelfverzekerd een eethuis in Soho, waar de serveersters jurksplitten tot aan hun oksels hadden. Ik kreeg de kaart, en spiekte op mijn briefje – niets wat daarop stond kwam ook maar in de verste verte overeen met wat dit restaurant te bieden had! In verwarring bestelde ik iets dat door de serveerster met gefronste potloodwenkbrauwen genoteerd werd. Tien minuten later kreeg ik een enorme schaal voorgezet, gevuld met een soort ochtendurine, waarin drijvend stukjes vreemd vlees en blaadjes sla. Terwijl ik at probeerde ik er niet aan te denken dat in het gebouw ernaast waarschijnlijk een illegale abortuskliniek of een katholieke katercastratiecentrale gevestigd was.
Jane vroeg of Queen ook in Holland optrad. Ja hoor, zei ik, 27 november jl. nog, in Leiden. Brussel was overmorgen aan de beurt, en de dag erna ook, en dan was ik uiteraard ook van de partij. Jane dacht dat het misschien een goed idee was bij de volgende tournee samen iets internationaals op touw te zetten, zoals een logeerpartij met concertbezoek. Wat dacht ik daarvan?
Na het diner namen we een taxi naar de Arena. De zaal was al open – hoe kwam ik in kotsnaam binnen? Laten we eerst nog even wat gaan drinken, stelde ik voor. We liepen naar het tegenover de Arena gelegen Squash Centre. Aan de bar stonden uitzwetende squashers vruchtensap te drinken, en… Nee hè? Ja hoor: zich van geen imminent onheil bewust, stond onze grote vriend de oude hekportier er een pint te drinken. Toen ik hem uitgelaten op de rug tikte, draaide hij zich om, bromde ‘Bloody hell, it’s them again’, en kreeg een haast nog rodere neus. Hij dronk snel zijn glas leeg, excuseerde zich met ‘Well, I’m off to me local’, en nam jas en pet van de kapstok.
Terwijl ik een bestelling plaatste, werkte mijn brein koortsachtig. Maar natuurlijk! De Oost-Europese chauffeur! Wat was het telefoonnummer van de Arena? Hier dat telefoonboek, squashbarkeeper!
Ik belde op, en kreeg na veel doorverbindingen en eindeloos uitleggen dat het in orde was omdat hij mijn backstage pasje had, de chauffeur aan de lijn. Kortaangebonden liet hij weten dat hij uitgemeten had gekregen dat hij maar aan iedereen backstage pasjes liep uit te delen.
Right. Very sorry en zo, maarre… Hoe zat het met de foto’s die ik hem in goed vertrouwen ter signering had afgestaan? Ah, fijn, die kon ik bij de portier achter ophalen. Swell. Nou, hartelijk dank dan, en cheerio!
Vooruit maar weer. Ik trakteerde Jane op een Queen-T-shirt dat buiten illegaal verkocht werd, en terwijl zij naar binnen ging, liep ik ‘We’ll meet again’ neuriënd achterom. De avondportier vroeg wat er van mijn dienst was. Eh? Foto’s? Yes hoor, die lagen in zijn hok – kom erin en loop maar even mee. Het hek werd geopend, en nu ik wederom op verboden terrein was beland, werkte mijn brein op dubbelvolle toeren. Het zat namelijk zo, legde ik geduldig uit, ik was een journalist from Holland, en had door omstandigheden die te ver voerden geen pasje ontvangen voor de voorstelling van vanavond, maar mijn journalistenapparatuur lag sinds eergisteren in een van de kleedkamers.
We zullen eens gaan vragen, besloot de portier. We liepen naar de artiesteningang, en hij klopte aan. De deur zwaaide open, en er puilde een veiligheidsgorilla naar buiten, die aanstalten maakte mij fysiek te lijf te gaan, hoezeer ik ook riep dat ik slechts even was aangewipt om mijn rechtmatige bezittingen op te halen.
‘After the show, mate! Get it?’
Mijn zoveelste vernederende aftocht, maar ditmaal hadden ze me goed giftig gemaakt, zodat de gevolgen waarschijnlijk niet te overzien zouden zijn.
Tegen een kaartcontroleur bij de hoofdingang deed ik het allengs droever wordende relaas van mijn in een kleedkamer verkommerende fictieve cassetterecorder. De controleur schudde meewarig het hoofd. Dat iemand die helemaal uit Holland gekomen was zoiets moest overkomen! Hij briefde mijn tegenspoed over aan een superieur, die meteen in actie kwam. Hij verdween in een kantoortje, voerde een telefoongesprek, en binnen de kortste keren stond er een man voor me, die zich op zijn visitekaartje voorstelde als Sladen, Assistant Manager van de Arena.
‘What seems to be the trouble, sir?’
Juist, begreep hij, dus mijn apparatuur lag nog in een kleedkamer? Nou, dan gingen we die toch fijn saampjes even ophalen! We gingen.
Ik wees een willekeurige deur aan, die ontsloten werd: een leeg vertrek.
Oh no! Ook that nog! Wat must ik now beginnen?
‘Tja…’ zei de Assistant Manager. ‘Bel mij morgenochtend op kantoor op, dan weet ik of er iets gevonden is.’
‘Ach neen! Morgenvroeg reeds gaat mijn plane!’
‘Dan kan ik helaas verder ook niets doen. Hier heeft u in elk geval een kaartje voor vanavond.’
Vanaf een zitplaats op de tribune, gewoon tussen het betalende publiek, woonde ik het optreden bij; ik had alleen het voorprogramma gemist. Na de tweede toegift kuierde ik naar de genodigdenzone, om eventueel de chauffeur nogmaals te bedanken voor de foto’s. Met het visitekaartje van de Assistant Manager als legitimatie kwam ik achter het podium. Sjouwers waren bezig de boel in te pakken voor de reis naar Brussel. Veiligheidsman Jim bracht ik op de hoogte van de jongste ontwikkelingen.
Tjongejongejongejonge, jammer van je apparatuur, zeg. Hee, had ik het al gehoord van die goser met wie hij mij gisteren had zien praten?
Die journalist, bedoelde hij?
Ja, nee, nou, dat was het mooie, die gozer was helemaal geen journalist! Hij was onder valse voorwendsels binnengedrongen, in de kraag gevat en aan de politie overgedragen!
Tsss, het is toch wat, zei ik. Ja, eerlijk gezegd geloofde ik zelf ook niet veel van dat verhaal dat hij journalist was.
Zonder dat ik er erg in had verstreek de tijd. Toen ik op mijn horloge keek, realiseerde ik me dat de laatste ondergrondsetrein al vertrokken was. Mijn geld was praktisch op – wat nu? De eerste ondergrondsetrein afwachten en mijn vliegtuig missen? Of dat eindeloze eind naar het hotel gaan wandelen en mijn vliegtuig missen? Komt tijd, komt onraad. Als de nood het hoogst is, is het verstandig een begrafenispolis op zak te hebben, want mijn leven begon zo langzamerhand op een persoonlijke tragedie te lijken.
De limousines reden voor. Brian May kwam als eerste uit de kleedkamer. Stel dat ik hem te hulp riep – hopelijk zou zijn lijfwacht dan tot molestatie overgaan, zodat ik per ambulance naar het hotel vervoerd kon worden, of, beter nog, als stoffelijk overschot per lijkvlucht linea crepera naar huis, in het harnas gestorven.
Ik bedankte Brian voor het signeren van de foto’s, en bracht, toen de lijfwacht op afstand bleef, de diefstal van mijn journalistieke benodigdheden ter sprake. Mijn portemonnee was in deze versie voor alle zekerheid ook ontvreemd.
‘Waar moet je naartoe?’ vroeg Brian.
‘Richting British Museum.’
‘Wij gaan de andere kant op… Heb je genoeg aan vijf pond voor een taxi?’
Omstreeks halfeen reed de taxi voor. De deur van het hotel zat toen ik die eindelijk bereikt had al op het nachtslot.
Mijn vliegtuig zou om kwart over acht vanaf Southend Airport vertrekken. Uiterlijk halfacht moest ik daar dus zijn. Een uur om vanaf Liverpool Street Station Southend te betreinen, driekwartier met de ondergrondse naar Liverpool Street Station, dat was bij elkaar kwart voor zes, plus nog een halfuur om te pakken – kon ik om geen risico te lopen om vijf uur gewekt worden, nachtportier?
Om twee uur kwam ik uit bad. Drie uur slapen? Nee, dat had geen zin, dat zou averechts kunnen werken. Ik kon veel beter proberen wakker te blijven; ik had tenslotte een hele rustdag voor de boeg, want ik hoefde overmorgenavond pas in Brussel te zijn.
Laat ik maar met pakken beginnen, hakte ik de knoop door. Mijn reistas vulde ik tot uitdijens toe met kleding en andere orthodoxe vracht. Meer zorgen baarde het restant te verschepen goederen: een partij grammofoonplaten, pockets, grootformaatboeken, en veel absurde troep (zoals een feestwinkelnepappel waar je in moest knijpen, waarna er een soort opgeblazen condoom uit omhoog schoot, waar de douaniers hopelijk hartelijk om zouden moeten lachen).
Ik had in de HMV-shop een platenkoffer gekocht, en die kwam nu goed van pas. Het formaat ervan bedroeg (b x h x d) 35 x 32 x 19 centimeter, en dat klinkt misschien niet als gigantisch, maar in volgestorte toestand was het gewicht van Guinness Book gehalte.
Het werd halfvier.
Ik kon eigenlijk voor hetzelfde geld beneden gaan zitten. Daar kreeg ik een ‘goed idee’. Zou de nachtportier mij aan een schrijfmachine kunnen helpen? Ik was namelijk journalist!
In kromme rugpijnhouding in een wegzakfauteuil, de machine op kniehoogte op de gammele koffietafel voor me, begon ik te typen. Een weergaloos primeurverhaal! Heet van de naald! Hoe het Engelse volk reageerde op de laffe Lennonmoord! Dit was pas leven! Dit was pas journalistiek! En van je hela hola!
Toen de nachtportier naar de keuken was vertrokken om koffie te gaan zetten, drong de situatie pas goed tot me door. Een doodstil hotel, een ongeschoren schrijver, het kabaal van de schrijfmachine – zonder nadere toespeling mijnerzijds schiet de bijbehorende griezelfilm u vanzelf te binnen.
Om vijf uur had ik een respectabel aantal woorden getypt, maar ik maakte mij geen illusies over de journalistieke waarde ervan. Nu ja, ik kon er later altijd nog literatuur van maken.
In de machine zat een tweekleurig lint, zwart en rood. Van het rood dat onder de hamertjes lag kreeg ik communistische koppijn, dus ik ging op zoek naar het schakelaartje dat het lint naar zwart zou doen verspringen. Maar er zaten zoveel uitsteeksels, knoppen en frutsels aan het vooroorlogse apparaat, dat ik uit eenvoudige kansberekening had kunnen afleiden dat de slaagkans van mijn pogen circa nihil was. Primair gevolg van mijn gevinger aan de typecontraptie was dat een spoel losschoot en plons in de koffie belandde. Ik leverde de machine in bij de niets gezien hebbende nachtportier, en vroeg of hij wist hoe laat de eerste ondergrondsetrein vanaf Tottenham Court Road vertrok.
‘Zeven uur.’
‘Maar mijn vliegtuig!’
‘Kunt u geen taxi nemen?’
‘Geen denken aan, de poen is op!’
Hij bladerde een dienstregeling door, en ontdekte dat op een nabijgelegen station een lijn al in bedrijf was. Een minuut of vijf lopen, hooguit. Als ik meteen vertrok, haalde ik het makkelijk.
Over mijn rechterschouder hing de reistas, afwisselend in mijn linker- en rechterhand droeg ik de massieve platenkoffer, waarvan de ruwe handgreep mijn vingers ontvelde. Een zeurderige motregen volgde me, alsof ik de Zwarte Zwadderneel was.
Hoe zat het ook alweer, was mijn bolhoed van vilt? En zo ja, zette dat uit of kromp dat bij vochtig worden? Ik voelde eens aan de hoed, en had er een hard hoofd in.
Als ik de koffer rechts droeg, kon ik op mijn horloge kijken: ik was al tien minuten onderweg, dat haalde ik nooit! Eindelijk ontwaarde ik het bord van het ondergrondsestation. Met een onverantwoordelijke snelheid draafde ik de roltrap af, en hoorde de onbereikbare trein luchtverplaatsend wegrijden.
Vijf minuten uithijgen plus vijf minuten nagelbijten plus vijf minuten ijsberen, en de volgende trein arriveerde. Ik berekende dat ik met enig geluk nog de laatst mogelijke verbinding met Southend kon halen, en spurtte bij aankomst te Liverpool Street Station naar het tweede perronnencomplex, vond de trein, en viel twee minuten voor vertrek een lege coupé binnen.
Gered. Deze trein sloot nog aan op mijn vliegtuig en vliege versa. Jongens wat een opluchting. Ha, heerlijk, heerlijk: mij nu héél even uitstrekken, en héél even lui de ogen sluiten…
Ho ho ho, daar kwam dus mooi niets van in! Ik moest er niet aan denken als ik eraan dacht: Southend was niet het eindpunt, en als ik eenmaal sliep, zou ik misschien wel meerijden tot halverwege het derde kabinet Thatcher!
Nee, verstandiger was het wakker te blijven, en voor de twintigste keer nagaan of mijn paspoort zich nog in dezelfde binnenzak bevond als bij de negentien voorgaande paniekinspecties.
Door de geweken spanning kwam ik tot mijzelf, en voelde hoe nodig ik moest pissen. Het was een oude trein, met cabines over de hele breedte van de wagon, zonder gangpad van voor naar achter. Nergens een bierblikje dat ik zou kunnen gebruiken – en trouwens, als ik afging op de blaasdruk, dan mochten ze me wel een fors fust voorzetten.
Er zat niets anders op dan tussen twee stations een raampje te openen. Waarschijnlijk zou ik dan, als in een roman van Agatha Christie, bij een spoorwegovergang gadegeslagen worden door een oud vrouwtje met een verrekijker dat nachtvlinders observeerde: fel verlichte coupé, ik staande op bank, liederlijke landschapsontheiliging, krantenkoppen over hartverlamming oud vrouwtje en nieuw ontdekte perversie, vlucht naar ambassade, internationale Kamervragen, bilateraal conflict, Nederland door Britse chantage gedwongen het verkeer ook links te laten rijden, in het Britse onderwijslesmateriaal wordt de Evolutieleer ongeldig verklaard, en voortaan moeten de kinderen er leren dat de apen van de Nederlanders afstammen.
Ook school er gevaar in het raampje. Dat diende, omhooggeschoven, permanent in die stand te blijven. Want als ik ’m buitenboord hield en dat raam schoot ineens naar beneden, dan betekende dat een verlate besnijdenis volgens de verdovingsloze methode van professor Guillotine. Ten slotte hoopte ik maar dat iemand in de coupé achter mij niet net zijn hoofd uit het raam zou steken om even een frisse neus te halen.
Ja, ik geef het toe, nogal weerzinwekkende toestanden, die ik moest meemaken en veroorzaken – maar de realiteit van het journalistenbestaan is nu eenmaal minder romantisch dan men zich vaak voorstelt.

Over het Engelse eten ben ik slecht te spreken. In een hotel is meestal continentaal ontbijt bij de overnachting inbegrepen. Het bestaat uit te sterke thee die met te veel melk te slap is gemaakt, en toost met vier smaken jam. Legendarisch, die toost, maar zoals zoveel legendes onverteerbaar als je er je tanden in zet.
Er bestaan grofweg twee soorten hoteltoost: zwart geblakerde en klefbleke. De kleffe is zonder kauwen door te slikken, en met de geblakerde kan je iemand desgevraagd een oog uitsteken.
Het Engelse ontbijt bevalt mij iets beter. Ik bestel doorgaans scrambled eggs en sausages. De kruimeleieren krijg je op toost geserveerd, en het is geen eenvoudige onderneming die ei-overladen toost te snijden zonder dat de bordvulling wegschiet en op de grond een doffe ellende aanricht.
Jane had in juni 1982 een paar vrije dagen, en we verbleven in hotel M., waar we het Engelse ontbijt nuttigden. De middag dat ik de sleutel inleverde en met handenvol koffers wilde vertrekken, zei een hotelbediende: ‘One moment, sir’, want hij had nog een bonusrekening van tien pond, vanwege onze niet-inbegrepen scrambled eggs.
Op wat muntjes na had ik geen contant geld meer, en girobetaalkaarten evenmin. Bovendien was het zondag, en kon ik dus niet naar het postkantoor om telegrafisch draadloos wat te laten overkomen; zoiets was trouwens gedoemd te mislukken: Martin de Jong, Internationaal Betalingsverkeer en Het Noodlot – een optelsom van risicodragende faalingrediënten… Eh, kon die rekening mij niet nagezonden worden, zoals in knokfilms usance was?
Sorry, sir, dat ging echt niet.
‘What? This is an outrage! I shall personally inform the ANVR, do you hear! You filthy swine! Begone! Get thee to a nunnery! I vomit on your grandfather’s testicles, you pestilent son of an embalmer’s nightmare! Go sit on a pogo stick and hop away to hemorrhoid hell!’
Nu ja, één pot gênante kletspraat mijnerzijds, en ik wil hier liever niet herhalen wat mij allemaal nog meer ontviel. De situatie bracht mij aan de kook, maar het personeel bleef er koud onder.
Jane had behalve een treinkaartje voor de thuisreis slechts vier pond in haar portemonnee. O ja, herinnerde ze zich, ze had nog een pasje om iets geldtransactioneels met een muurbank te kunnen doen.
Ik gaf mijn fototoestel zolang in bewaring, als waarborg dat ik niet zou trachten gauw naar een ander werelddeel te ontkomen, en we liepen vervolgens richting Trafalgar Square, waar ergens in de buurt een financiële kauwgomballenautomaat zat. Jane stopte haar pasje erin, tikte een bedrag in (klik klik klik), en uit het apparaat floepte een vers tienpondsbiljet te voorschijn. Terug in het hotel rekende ik nors af. Ik lag wat achter op mijn schema, maar het viel gelukkig mee.
Op zondag bleek er vanaf het Southendse treinstation geen pendelbus naar het vliegveld te rijden. Met mijn laatste bijeengezochte muntjes betaalde ik de taxichauffeur, en gaf hem het onbenutte buskaartje als fooi.
Nou, mensen, dat was weer op het nippertje: een kwartier voor vertrek bij de incheckbalie – ik geef het u te doen!
Ja ja… Een kwartier voor vertrek… Ha ha haaa! Maar dan had ik wel precies een uur eerder moeten arriveren!!!
Vliegtuig gemist…
O, schande over mij en mijn eventuele driedubbele nageslacht! O, oneer! O, shame! O, agony and disgrace! Get me to a nunnery!
Het was hoogseizoen, alle vluchten zaten die dag verder vol. Pas de volgende ochtend zou er heel misschien plaats zijn. In de tussentijd kon ik, berooid, belast en beladen, de nacht uitgehongerd in de verlaten wachtruimte doorbrengen, als een door de samenleving verstoten straatslijper slapend op een oncomfortabele bank, als een aërodynamische clochardaccordeonist in glijvlucht met bedelstaf en al aan lager wal neergestreken, en…
Maar ik meen dat ik het over eten had.
Eens, maar nooit meer, bestelde ik een Spanish Omelet (Spaans Omelet), want de dagelijkse gebakken vis bezorgde me het loodzuur, en ei met olé leek me wel een geinigheidje, voor een keer. Van olé heb ik niets gemerkt, en ei vormde al evenmin het hoofdbestanddeel van wat er opgediend werd; dat bevatte diverse componenten die ik niet kon thuisbrengen, alsook, prominent meegebakken, extra grote doperwten.
Voortaan hield ik het maar bij oerdegelijk junkfood. Hier eet ik het niet, maar daar vind ik het wel wat hebben. Er zijn in Londen ook zoveel hamburgertenten, dat je Oost-Indisch blind moet zijn om er niet steeds een binnen je gezichtsveld te vinden.
Bij de eerste culinaire kennismaking met het snelvoedsel, hapte ik onwennig en met intuïtieve tegenzin in een zogenoemde cheeseburger, maar die viel en beviel zo goed, dat ik meteen een tweede bestelde. Ik wist niet precies wat er aan voedingswaarde in opgeslagen was, maar al etende kwam ik blaadjes sla en stukjes komkommer tegen, dus over het vitaminegehalte hoefde ik me gelukkig geen kopzorg te maken. Bij wijze van broodnodige variatie verslond ik ook familiepakken Kentucky Fried Chicken (in het Kroonjaar 1977 de onvergetelijke Royal Jubilee Box!) met daarbij het liefst een literkarton ijskoude cola.
Thuis vertelde ik wilde indianenverhalen over wat ik tijdens de voorbije Engelandvaart weer aan bagger verorberd had, en aangezien deze met ongeloof werden aangehoord, besloot ik voor de aardigheid de volgende keer een eetdagboekje bij te houden. Tot mijn vraatzuchtige verrukking ontdekte ik bij die gelegenheid na de kwartponder en de halfponder de driekwartponder: een kolos van drie verdiepingen vlees en onnoemelijk veel groenteachtige toevoegingen, die nauwelijks door mensenhanden te hanteren was. De reis was er een van zeven dagen, en ik consumeerde:
Vier broodjes fricandeau, een vliegtuigontbijt, twee eieren, vijf sausages, driemaal toost met scrambled eggs, twintigmaal toost met jam, vijf lasagna’s, een hot pizza, driemaal knäckebröd met kaas, een Toblerone Extra Groot, twee ice cream toetjes, drie blokken chocola, acht blikjes cola, twaalf bekers cola, tweemaal een halve liter lager, zestien koppen thee, tien koppen koffie, een pot koffie, een glas melk en tien glazen orange juice. (They call me Mister Vitamin!)
Maar denkt u alstublieft toch niet dat ik alsmaar als een varken vrat – ik heb heus wel eens copieus boven mijn stand getafeld.
Met mijn zusje, die van het Redactionele Opperwezen mee mocht op journalistieke missie, had ik midden december 1983 een aantal Sohose Italiaanse restaurants geprobeerd. We wilden voor de verandering iets hamburgerigs gaan doen, maar toen viel haar blik op het kleine eethuisje Imperia, aan de Charing Cross Road.
Goh, wat een aardig klein eethuisje, dacht ik nog.
Imperia bleek een prijzig eethol te zijn, waar hoofdzakelijk zakenlieden in driedelige kostuums het middagmaal gebruikten, en een dellige secretaresse over een kaarsvlam heen in de ogen staarden, terwijl onder de tafel hun voeten alvast een paringsdans uitprobeerden.
Zelfs bij de ingang stond er een Italiaan in de houding.
‘Thank you very much’, zei hij, en ontdeed ons van onze jassen, nog voor wij op het menu de prijzen hadden kunnen ontcijferen.
‘This way please, table for two, thank you very much’, Manuelde een tweede ober, en leidde ons naar een tafeltje achterin de pijpenla. Mijn stoel stond tegen de muur, en het tafeltje werd tot tegen mijn ruggengraat aangeschoven.
‘I’m so sorry, thank you very much.’
Met een ‘thank you very much’ overhandigde de derde ober ons ieder een kaart, waarop van de wijnen het jaartal, de streek en, het indrukwekkendst van al, de prijs vermeld stond.
Wilden wij al bestellen, ‘thank you very much’?
Twee lasagna’s en twee cola graag, ober.
‘Thank you very much.’
Telkens wanneer er iets opgediend werd of een ober maar vermoedde dat wij in zijn richting keken, klonk er ‘thank you very much’. Door de frequentie waarin deze hartelijkheid werd uitgesproken, begonnen wij op den duur te betwijfelen of het wel gemeend was.
De bak lasagna was ver beneden het formaat dat we in de Pizza Hut gewend waren, maar daar stond tegenover dat de prijs veel hoger lag, ‘thank you very much’.
Deze lunch ging mijn reisbegroting te boven, maar vooruit, het kon lijden voor een keertje, want we waren daags tevoor op het nippertje aan een terroristische aanslag ontsnapt, en dat mocht best gevierd worden. Kort nadat wij op Heathrow landden, ontplofte er voor het warenhuis Harrods een autobom. Verschillende ondergrondsestations werden uit voorzorg afgesloten, want meer aanslagen waren toegezegd. ’s Avonds, toen we door Oxford Street wandelden, raasden er politie-Rovers met zwaailicht en sirene langs.
BOMB BLITZ AT HARRODS, luidde de zevenkoloms kop van de Sunday Times van 18 december. Een foto erbij van de gigantische rookontwikkeling, en een kleiner portret van Thatcher, die zo onthutst mogelijk keek boven het onderschrift ‘Crime Against Christmas’. ‘Horror At Harrods – page 16’.
De volgende ochtend gingen we kijken, en zagen dat boven het geamputeerde gebouw een politiehelikopter de boel in de gaten hield. Bobbies op alle straathoeken stonden met elkaar in mobilofooncontact. Bij het verlaten van het ondergrondsestation was me een aanplakbiljet opgevallen:

ENTER A DIFFERENT WORLD AT HARRODS

Meer in de persoonlijke sfeer lag de rampspoed die mij ten deel viel tijdens een reis die ik uit financiële overwegingen met bus en boot ondernam. Voor iets meer dan geen geld, en daarom veel minder dan draaglijk ongemak, kon ik met een zo goed als failliete reisorganisatie de oversteek maken.
Om acht uur vertrok de bus vanaf het Haagse Centraal Station. Ik nam midden op de achterbank plaats, zodat ik mijn benen kon strekken. Maar al in Rotterdam kon ik opschuiven, want drie daar ingestapte Brabantse deernen moesten met alle geweld naast elkaar zitten. Ik schoof zwijgend een plaatsje op, want hun zachte G was te verschrikkelijk voor een woordenstrijd.
Van mijn bolhoed had ik meer last dan gemak; eronder zat de koptelefoon van mijn walkman, die trouwens aan een kanaal defect raakte, nog voor we het Kanaal over waren – als het zo doorging zou het wel eens op een very Tragical Misery Tour kunnen uitdraaien.
Op de nachtboot had ik geen slaapcabine, maar wel ongelimiteerde bewegingsruimte in de laagste klasse. Hoog boven de toegang tot de wc hing een bord met het opschrift MIND YOUR STEP, en als je dat met het hoofd in de nek trachtte te lezen, struikelde je vanzelf over de hoge drempel waarvoor gewaarschuwd werd.
Het schip had die dag al een oversteek gemaakt, en lang niet alle kots was opgedweild. Met een Liverpoolse kolensjouwer raakte ik in eindeloos gesprek over het Niets. Niet het Niets in sociologische zin, maar het gewone huis-, tuin- en keuken-Niets, dat onder meer de weersgesteldheid, de kansen van het nationale voetbalelftal en de wenselijkheid van salarisverhoging omvat.
Om zeven uur bereikten we Dover. Ik had niet geslapen, maar voelde me niet bovenmatig gekraakt, al was mijn bioritme ongetwijfeld gigantisch van slag. De krijtrotsen waren duidelijk te zien, maar ik kon er het bijzondere niet in ontdekken – gewoon rare rotrotsen, maar dan van krijt, waar niemand wat aan had, verdomme.
Boottoeristen reizen op een koopje, en de douane huldigde dan ook de opvatting dat langs deze oncomfortabele weg de gevaarlijkste misdadigers, krankzinnigen, accordeonisten, snuivers, spuiters, slikkers en verspreiders van besmettelijke ziektes het Verenigd Koninkrijk proberen te infiltreren en te infecteren. Iedere toerist werd ondervraagd alsof hij of zij een beraamd complot op het voorhoofd getatoeëerd had staan (dan wel daar met onzichtbare inkt had aangebracht).
‘Business or pleasure?’ informeerde een geüniformeerde snotneus, die om z’n melkbekkie te verdoezelen een snorretje had laten staan (dan wel met potlood had aangebracht).
Het gevatte antwoord ‘pleasure is my business’ zou waarschijnlijk als souteneus worden uitgelegd, dus ik zei maar dat ik louter voor mijn plezier het prachtige eiland kwam bezoeken.
Waar verbleef ik? In een hotel. Had ik geld bij me? Ja. Hoeveel? Plenty.
De bus vertrok ver na achten naar Londen. In Engeland wordt altijd wel gestaakt, en deze week had het spoorwegpersoneel de boel platgegooid. Ik vond het best, want ik zat lekker toch in de bus, en de ondergrondse bleef gewoon rijden. Maar een gevolg van de treinstaking was dat veel forensen hun intrek in een hotel hadden genomen – en uitgerekend ditmaal had ik niets besproken.
Ik moest razendsnel op zoek naar een slaapplaats, maar ondervond daarbij veel hinder van mijn moeilijke voeten. Ik ben namelijk zo’n halve zool die nieuwe schoenen voor een speciale gelegenheid bewaart, en er dan pas achter komt dat ze knellen. Bovendien had ik verzuimd mijn teennagels afdoende te kortwieken; ik voelde hoe in de neus van mijn rechter Roots een nagel steeds dieper in het vlees gedrukt werd. Aan mijn linkervoet wilde ik maar liever helemaal niet denken, want die was voor vertrek al akelig opgezet geweest, omdat een vijandige wesp er in Yakuzakamikazeduik op neergestreken was.
Van het ondergrondsestation Tottenham Court Road ‘liep’ ik richting British Museum. De hotels die ik onderweg passeerde, zaten ofwel vol, of vroegen een overnachtingsprijs die mij girale krampen bezorgde. Hotel M. sloeg ik over, want kort na mijn conflict over de tienponds ontbijtrekening hadden ze helaas ontdekt dat ik met Jane in een tweepersoonskamer met bad gebivakkeerd had, terwijl ik vooruit, omdat ik niet zeker wist of zij wel van de partij zou zijn, voor een eenpersoons zonder bad had betaald. De mij nagezonden rekening had ik nog niet voldaan, wat ik wel degelijk van plan was ooit te doen, want er bestond misschien een Brits-Nederlands uitleveringsverdrag.
Ik bereikte Bedford Place. Na veel vergeefs aankloppen bij propvolle logementen, vond ik er een hotel dat nog een soort kamer beschikbaar had. Een troosteloos hok, dat ik na het beklimmen van brandgevaarlijke trappen in de nok aantrof. Het behang dateerde uit de tijd van Dickens, en het rook er of de vorige gast onder het bed tot ontbinding was overgegaan.
Geen wastafel of ander sanitair gemak, maar wel een kraakbed met betonmatras, dat de indruk wekte na een verwoestende copulatie van twee zwaargewichten uit de categorie tweehonderdvijftig kilo en meer, louter te zijn gerestaureerd om tijdens een verborgencameraprogramma met een argeloze logé onder de dekens opnieuw in te storten, dwars door alle etages heen.
Een verdieping lager bevond zich de wasruimte. Ik nam er mijn paspoort en portemonnee mee naartoe, want het kamerslot oogde niet bepaald inbraakbestand. Ik liet het bad vollopen, en spoelde intussen het bloed van mijn rechtervoet; met mijn linker zou ik mij kunnen aanmelden als close-up stand-in van de Elephant Man.
’s Avonds lag ik in bed, en keek vol angstige voorgevoelens naar de muurkast. Uit zulke kasten brak in griezelfilms vaak ongevraagd iets naar buiten dat niet van deze wereld was, en dan schaterend de onschuldige slaper op onbeschrijfelijke wijze de dood in joeg; in mijn geval dus waarschijnlijk ten behoeve van een verborgencameraprogramma, want voor zulke programma’s was niets te dol.
Ik was ten prooi aan eenzelfde beklemming als wanneer ik in hotel M. verbleef; dat lag pal achter het British Museum, waar zich honderden tegen hun wil uit een piramide geroofde mummies bevonden van hierdoor geen rust vindende dode antieke Egyptische priesters. Die konden, dood of niet, als ze daar lust toe voelden, zomaar hun geheime kennis op je overdragen (de oude Egyptenaren deden al aan hersenchirurgie), en dan werd je ’s morgens nietsvermoedend wakker met een bochel vol kennis. Hè, jammer dat dit hotelbed geen opklapbed was, dan zou ik voorlopig gered zijn.
Jodium en pleisters lenigden mijn voetnood. Het hinken ging de volgende dag al stukken beter, en de rest van de week bleef het bloedverlies te verwaarlozen.
Op Victoria Station heerste bij mijn vertrek chaos. Nog altijd staakte het treinpersoneel; de touringcarbedrijven konden de drukte nauwelijks aan, en hun geluk niet op. Toen de bus Londen verliet, zakte de zon onder de horizon. Een oma keerde met haar kleinkind naar Nederland terug. Bij het betreden van de bus had ze, puffend dat het zo broeierig was, onmiddellijk een raam opengeschoven. Maar we zaten nog niet op de snelweg of ze vroeg of iemand het wilde sluiten, want er trok zo’n tocht om d’r kop, en de kleine meid was ook al verkouden.
Halverwege het traject Londen-Dover werd er bij een wegrestaurant een korte pauze gehouden. Een jengelig jongetje at patat en ijs, maar dit mengsel viel kennelijk verkeerd, want toen we weer op Dover aanstoven, boog hij zich naar het gangpad, en begon huilend door neus en mond de maaginhoud over te geven. Oma protesteerde niet, toen her en der ramen geopend werden.
De terugboot bevatte meer zuipschuiten dan de heenboot. Klaarblijkelijk waren sommigen al in de bus aan het hijsen geslagen. Twee verwilderde Britse armoedzaaiers met verwilderde Britse armoedzaaiersbaarden hielden een drinkwedstrijd zonder verliezers; ze maakten eerst een fles cognac soldaat, daarna een fles whisky, vervolgens een paar pilsjes, en begaven zich toen opgewekt waggelend naar de railing om ruimte te scheppen voor meer. Ik zag het gebeuren, en probeerde niet aan pannenkoek met slagroom en haring te denken.
Onvergetelijk, zo’n Engelandvaart, maar ook ditmaal was ik blij dat ik weer heelhuids was teruggekeerd, wat natuurlijk te danken was aan mijn familiewapen, dat bestaat uit een grafzerk met erop een verbodentoegangbord en de spreuk ONLY DE JONG SURVIVE!
Een grote vreugde maakte zich van mij meester, toen ik thuis tussen de stapels zakelijke post en een eerste aanmaning van Hotel M. mijn kort tevoren behaalde rijbewijs aantrof. Ik onttroggelde mijn vader de oude Opel Kadett om…
Maar dat is een eerder verhaal.

Het bovenstaande op typefouten controlerend, raak ik ten prooi aan een geweldige reiswee. Toevallig (zo u wilt: noodlottigerwijs) ligt er op mijn bureau een folder van een reisorganisatie, die voor f 85,– een heen en weertje aanbiedt. Als ik nu zorg dat ik echt goed uitgerust aan die tocht begin, en…

Maar meneer De Jong dan toch! Waar zitten uw hersens? U komt dood en kapot terug!
– Krijg de bloedpoep! Ik zit hier in opperste concentratie een tekst op typefouten te controleren, komt u me een beetje in m’n nek blazen, terwijl u zogenaamd al vertrokken was! Wat zijn dat voor achterlijke manieren? Zoiets moet u eens bij een hersenchirurg uithalen, als hij een socioloog aan het opereren is, kunt u lachen!
– Ik wil alleen waarschuwen dat…
– Wat nou waarschuwen? Niks waarschuwen! Ik ga gewoon op vakantie, en als ik gewoon op vakantie ga, dan… dan… dan gá ik gewoon op vakantie! Wat zullen we nou beleven.
– Maar hoe moet het dan met ons boek?
– Ons boek, ons boek. Uw boek, zult u bedoelen. Ik wil er namelijk niets meer mee te maken hebben, met dat waanzinnige boek van u. Wiens mesjokke idee was het eigenlijk? Sociologische interviews, wel ja! Nee, ik doe afstand van de rechten! Ik ga vanavond nog aan een nieuw boek beginnen, en dat schrijf ik helemaal alleen. En er komt geen socioloog of hersenchirurg of accordeonist in voor! En als dat nieuwe boek foutloos in ’t net getypt is, dan… Dan ga ik voor de rest van mijn leven naar Engeland op vakantie. Voor minder dan 85 gulden, want ik neem een enkele reis, en u kunt voor mijn part het heen en weertje krijgen! Wacht, hier, pak aan, hier heeft u de allernieuwste in het net getypte versie van mijn Engelandverhaal, door de auteur persoonlijk op typefouten nagekeken. Neem maar mee, voor uw fraaie boek! Gratis en voor niets! En hier, kijk eens even, een leuke jeugdfoto met een grote hoed, voor op het omslag. En nou als de kweniewat opgedonderd, want ik heb hier ergens nog een geërfde goena-goena kris liggen, en als ik het op mijn heupen krijg, dan krijgt u die tussen de schouderbladen! Hup! Ingerukt! Gaat heen naar het klooster, lammeling! Alfabeet! Vuile accordeonist dat je d’r bent! Baggerkop! Grrr! Grrr! De boze zal je halen! Hup faldericus!

Het zag er werkelijk naar uit dat de schrijver zijn zelfbeheersing ging verliezen. Ik pakte snel de allernieuwste in het net getypte en op typefouten gecontroleerde versie van zijn Engelandverhaal en de jeugdfoto met een grote hoed aan, en maakte dat ik wegkwam, want ik had niet veel trek in een mythologische knokpartij met een geërfde goena-goena kris en lekker veel bloedverlies; ik had namelijk een donkerbruin déjà-vu-vermoeden dat hij daarop aanstuurde. Toen ik weer veilig op straat stond, vroeg ik mij af of het niet verstandiger zou zijn mijn aantekeningen, de nieuwste versie van het Engelandverhaal en vooral die jeugdfoto met een grote hoed aan de eerste de beste openbare prullenbak prijs te geven.
Op de redactie aangekomen, dronk ik een kop sterke koffie, en keek daar kennelijk zeer bedrukt bij, want mijn chef informeerde bezorgd of mijn verkering was uitgeraakt.
‘Nee, met Jardina en mij gaat gelukkig alles naar wens’, zei ik. ‘Maar voor ons Afgrijselijke-Jeugdboek zie ik het somber in.’
Ik gaf een kort verslag van het sociologische interview.
‘Dus die piechem heeft mondeling afstand gedaan van de rechten? Nou, dan zit je volgens mij op rozen, Evert!’
Een week lang was ik druk in de weer met het redigeren van de verhalen en het uitwerken van het sociologische interview.
‘Laat eens kijken wat die kwibus allemaal te vertellen had’, zei mijn chef, toen ik hem het uitgetypte interview overhandigd had.
‘Ik ben benieuwd wat u ervan vindt’, zei ik, en ging moedeloos naar huis.
De volgende ochtend gaf de hoofdredacteur me de stapel papier terug.
‘Over slap geouwehoer gesproken!’ luidde zijn oordeel. ‘Je kan dat sociologische interview maar beter van A tot Z herschrijven.’
‘Maar ik kan de uitspraken van de geïnterviewde toch niet zomaar veranderen?’
‘Waarom niet? Waar ben je anders journalist voor?’
Daar had hij natuurlijk gelijk in, dus zonder scrupules herschreef ik het interview drastisch – en omdat ik toch bezig was heb ik de verhalen ook meteen ingrijpend herschreven. Misschien geen honderd procent correcte gang van zaken, maar het doel heiligde de middelen. Want voor opgroeiende lezers en gevorderde volwassenen is het leerzaam in boekvorm geconfronteerd te worden met de sociologische hersenspinsels van iemand die, vermoedelijk ten gevolge van een onverwerkte onplezierige jeugdervaring, over Tijd, Ruimte en Waarheid meent te heersen. Wat zullen we nou krijgen.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.