Zappa zien

[Onderstaande foto’s werden met primitieve middelen gescand. Te zien zijn achtereenvolgens: driemaal Hammersmith Odeon, januari 1979, Rotterdam januari 1979, Brussel mei 1982, Rotterdam mei 1982.]

Woensdag 16 september 1992
Eerste klas het land uit, zo uitbundig heb ik nog nooit getreind, ook al is het alleen de heenreis. Co en Elise hebben voor rekening van de NOS dezelfde trein geboekt en ik kan het me gelukkig veroorloven het klasseverschil te overbruggen door 65 gulden toeslag te betalen op mijn retourtje tweede klas. We zullen elkaar in Utrecht treffen.
Soms zit er muziek in je hoofd die er niet meer uit wil. In het mijne zat de laatste dagen Frankfort Special, uit de Elvisfilm G.I. Blues. En dan met name: ‘Is this train the Frankfort Special? Ja, ja – ja ja!’ – want mijn reisdoel is Frankfurt.
Het was weer het oude liedje. Dagen van tevoren maakte ik een lijstje met hoogbenodigdheden, de dag voor vertrek zat alles in de reistas en de ochtend van vertrek keerde ik die om omdat het niet anders kon of ik was iets vergeten te pakken.
Hopeloos, ik.
Maar vanwaar Frankfurt? Frank Zappa is in Europa voor een korte tournee met het Ensemble Modern: drie avonden Frankfurt, twee avonden Berlijn en drie avonden Wenen.
Ik sta op het perron en kijk uit naar de trein maar vooral naar Co en Elise. Een bejaarde man spreekt me aan.
‘Weet u waar de trein naar Den Haag stopt?’ vraagt hij.
‘Nee,’ zeg ik.
‘Nou, ik dacht, omdat u hier staat te wachten…’
‘Maar niet op de trein naar Den Haag.’
Daar komen Co en Elise – en daar de trein.
Er kon weinig misgaan: de concertkaartjes lagen klaar. Ik had van iemand het telefoonnummer van de Alte Oper in Frankfurt gekregen. Mijn slechtste Engels is nog altijd beter verstaanbaar dan mijn beste Duits, dus ik begon meteen maar in het Engels.
Voor alle drie de concerten waren nog de duurste (DM 99) kaartjes beschikbaar.
‘Do you have a credit card?’
‘No I don’t. Is that a problem?’
‘No no, that’s no problem.’
Ik moest het nog zien maar als het inderdaad no problem was zou ik mijn kaartjes vanmiddag bij de kassa in ontvangst nemen.
Ik ga naar alle Frankfurtse concerten, Co en Elise alleen naar het eerste, morgenavond. De dag erna, vrijdag, reizen ze terug: die avond zal Co op Radio 4 een vier uur durende uitzending aan Zappa wijden, waarin opgenomen de complete première-uitvoering.
‘Ik zal je het voorlopige draaiboek even laten zien,’ zegt Co. ‘Kijk, ik begin met Zappa’s gesproken aankondiging van de vorige radiospecial en dan meteen er achteraan Frankfort Special van Elvis. Ken je dat?’
De concertkaartjesbestelling was een makkie, een hotel vinden iets om maaglijder van te worden. De toeristengids waar ik beslag op gelegd had stamde uit 1987. Hotels van de eerste, tweede en derde categorie stonden erin. Plus telefoonnummers.
Het eerste hotel nam niet op. Het tweede hotel was geen hotel meer. Het derde hotel had geen plaats. Het vierde hotel van de derde categorie kostte 220 mark per nacht.
Ten slotte had ik beet bij Hotel Arosa, dat plaats had en bovendien maar 70 mark per nacht vroeg.
Meer dan ooit is het een internationale muzikale missie. Aad is vannacht om vier uur met Newyorker Rob per auto uit Spijkenisse richting Heidelberg vertrokken, alwaar bij Uli thuis een tijdelijk epicentrum is ingericht. Er zullen daar ook nog kameraden uit IJsland (Iceland Bob), Italië (Italian Bob) en Canada (Mark) logeren, ik verwacht in Frankfurt bekenden uit Engeland aan te treffen. Bovendien zijn er bevriende Belgen onderweg.
Om acht over twee zijn we in Frankfurt. Co en Elise hebben van de NOS hotel Hamburger Hof toegewezen gekregen. Het ligt aan de Poststraße, naast het station. De Mainzer Landstraße waar ik moet zijn loopt parallel aan de Poststraße, zodat ik niet lang hoef te sjouwen met mijn bagage.
‘Bel mij aan het eind van de middag op, dan spreken we wat af,’ zegt Co. ‘Als ik er dan nog niet ben, laat dan een boodschap achter, dan bel ik je terug.’
De Mainzer Landstraße bestaat. Hotel Arosa zit op nummer 316. Ik kan rechts en ik kan links en ik ga rechts. Nummer 63, nummer 61… Omgekeerd en overgestoken. Nummer 70, nummer 72… 25 minuten en een lamme arm later: nummer 316. Neonreclame met de sobere tekst Hotel Arosa.
De ingang is een garage. Aan het einde ervan zit een deur. Ik ga naar binnen en bereik na twee trappen beklommen te hebben een soort receptie met een vriendelijke heer uit een ver verwijderd zuidelijk land.
Ik heb flink geoefend, toch hapert het als ik zo beleefd mogelijk Duits probeer te spreken. Ik kan niet kiezen tussen ‘Ich brauche’ en ‘Ich möchte’ en het komt eruit als: ‘Ich bröchte’.
Er is op me gerekend en daarom krijg ik kamer 18. Die heeft helaas geen televisie; ik had me verheugd op de in de gids vermelde RTL+ keuzefilm 2: Berühren des Dudelsacks ist verboten.
Een tafel, een bed, een kast. Een wastafel, een douche. En de deur kan op slot. Ik berg de inhoud van mijn tas in de kast op en hevel 300 mark van mijn nekhangmapje naar mijn broekzak over.
Het is schitterend weer. Mijn jas hoef ik niet aan. Het kan volgens mijn plattegrondje niet missen: almaar rechtdoor. Mainzer Landstraße uit, Taunusanlage uit, dan sta je voor de Alte Oper. Tegenover de rechter zijkant, naast een cafetaria, zit de voorverkoopkassa. Uit de computer komen kaartjes met mijn naam erop.
Te vroeg om Co en Elise lastig te vallen. Ik besluit nog een halfuurtje rond te wandelen beland bij een kiosk. Bingo: de uitgave Journal Frankfurt bevat een uitgebreid aan Zappa gewijd omslagverhaal. Met een extra exemplaar voor Co wandel ik naar de Poststraße.
Vijf uur; de bewoners van kamer 304 zijn er nog niet. Ik laat het tijdschrift en een boodschap achter: ‘Het valt mee, het is erger dan ik dacht. Ik zit in kamer 18.’
Vitaminen, daar komt het op reis op aan. Halverwege de Mainzer Landstraße bevindt zich een supermarkt. Het wemelt er, evenals overal in deze buurt, van de buitenlanders. Kleine pakjes sinaasappelsap, dat is wel zo gemakkelijk. En om tussendoor wat te smikkelen een pak kaakjes. En laat ik ook wat Milky Ways nemen.
Als ik op de hotelkamer net de vijfde Milky Way op heb gaat de telefoon.
‘Heb je al gegeten?’ vraagt Co.
‘Een paar Milky Ways.’
‘Naast ons hotel hebben we een Chinees ontdekt. Kan je hier over ongeveer een halfuur zijn?’
De Duitse Chinees serveert net als de Nederlandse nasi goreng. Met een paar glazen cola erbij heb je aan mij dan geen kind meer. (Het is misschien wel handig om de afdeling Eten meteen maar af te handelen, zodat ik de komende belevenissen niet telkens hoef te onderbreken voor het beschrijven van een maaltijd. Gecumuleerd weergegeven behelsde mijn voedselinname tijdens deze reis: 1 melk, 1 thee, 12 koffie, 1 spa, 11 cola, 3 pakjes sinaasappelsap, 5 orange juice, 2 boterhammen, 5 harde tot keiharde broodjes, 10 milky ways, 1 nasi goreng, 5 kaakjes, 1 patat, 4 Hamburger Royal mit Käse, 2 Fish Mac, 4 Cheeseburgers, 6 McNuggets, 1 Big Mac en een halve pizzapunt.)

Donderdag 20 september 1992
Om halfzeven ben ik klaarwakker. Ik neem een douche, ik kleed me aan, ik scheer me en ik moet. De wc op de gang is bezet. Hoge nood, maar geen nood: boven zullen ze er ook wel een hebben. Er zijn er zelfs twee: de ene heeft men na gebruik verzuimd door te trekken, de andere ontbeert wc-papier. Vlak voordat het leed niet meer te overzien zal zijn, komt de wc op mijn etage vrij, ik neem plaats.
Er loopt een beestje over de vloer.
De receptionist is een andere heer dan die van gisteren maar ook hij is zo te zien uit een ver verwijderd zuidelijk land afkomstig. De deur naast de receptie kan open en ik sta in de eetruimte. Het plafond en de wanden zijn geheel van hout: jongens wat zal dat branden!
Wil ik koffie of thee? Ik ben niet thuis, dus ik wil koffie.
Er zijn geen andere gasten te bekennen, hoewel ik ze gisteravond behoorlijk leven heb horen maken. Nee, toch een gast. Een bijna letterlijk boomlange volledig kaalhoofdige Afrikaan.
‘Gutenmorgen.’
Ik hoef alweer geen jas aan, het wordt een goddelijk zonnige dag. Ik loop de Mainzer Landstraße en de Taunusanlage af en sla bij de Alte Oper rechtsaf. Bij boekhandel Hugendubel koop ik pocketbiografieën van vooraanstaande regisseurs: Alfred Hitchcock, Federico Fellini en Russ Meyer.
Co en Elise zijn er nog niet, ik dood in hun hotel de tijd met lobby watching, zoals Oliver Hardy zijn jeugdhobby noemde: het gadeslaan van de gasten. De receptionist is een nare man die geen geduld heeft en bovendien zo ontoereikend Engels spreekt dat hij niet weet dat er bij telefoneren geen sprake is van een prefax, maar een prefix.
Een lange, magere Indiër wil naar huis bellen.
‘I give you a line,’ zegt de receptionist. ‘Then you can start with the prefax.’
‘No no. Don’t need a fax!’ roept de Indiër.
Co en Elise arriveren. Co moet nog even telefoneren: de KRO zit achter hem aan en wil hem om halfzeven rechtstreeks in de actualiteitenrubriek Echo horen over de Zappaconcerten.
De lobby is inmiddels vergeven van de Chinezen. Hun aantal wisselt voortdurend: een paar lopen er naar buiten, anderen gaan met de lift naar boven, komen weer terug enzovoort.
Ze hebben ruzie, de Chinezen. Ze zijn boos op elkaar en op het hotel. Daar stapt weer een zwik Chinezen in de lift, daar komt er weer een terug. Hij stapt uit, bedenkt zich en gaat weer terug naar boven.
De grappigste Chinees is een corpulent kereltje met een veel te hoog opgehesen pantalon en een colbertje dat hem op enige afstand lijkt te volgen.
‘Zullen we wat gaan drinken?’ stelt Co voor.
De Chinezen zijn in twee elkaar vijandig gezinde groepen naar Hamburg vertrokken en de receptionist staart verwezen voor zich uit. Vijf jongemannen in trainingspak komen binnen gemarcheerd en marcheren verder in de richting die het bordje Toilette aangeeft.
‘Do you have a room?’ vraagt de receptionist argwanend.
‘Ja ja!’
Als ze uit de wc terugkomen is het wantrouwen niet geweken.
‘What is your room number?’
‘Ja ja!’
En weg zijn ze weer.
‘Dan gaan we nu wat drinken,’ zegt Co.
Hoi, Aad! Hi, Rob! Tag Uli! Het is zaterdag milieudag; op het plein voor de Alte Oper worden kramen opgebouwd. Aad vertelt dat alles in gereedheid is gebracht. In Heidelberg zal iemand de videorecorder bedienen – de première van vanavond wordt rechtstreeks door het abonneestation Premiere uitgezonden.
In 1974 kocht ik mijn eerste Zappa-elpee, Roxy & Elsewhere. Maar het begon eigenlijk al eerder. In 1972, toen ik nog niet eens een platenspeler had. Bij ons in de buurt was een Konmar supermarkt geopend die ook grammofoonplaten verkocht. Begerig keek ik, als ik er op zaterdag met mijn vader boodschappen ging doen, de uitgestalde grammofoonplaten. Ik herinner me nog dat ik gefascineerd werd door twee hoezen: die van Waka/Jawaka en 200 Motels.
Twee jaar later, ik had inmiddels een platenspeler en een bescheiden collectie platen, kwam Paul op een ochtend de klas binnen met de dubbelelpee 200 Motels die hij in de Piet Heinstraat gekocht had.
Volgens Paul ging er niets boven Zappa, dus ik naar de Piet Heinstraat. 200 Motels was niet meer voorradig, het werd Roxy & Elsewhere.
Thuis hoorde ik het meteen: die muziek hoorde bij mij. En toen ik de elpee The Grand Wazoo kocht dacht ik dat ook. En hoe verscheiden het oeuvre van Zappa ook is, dat ben ik bij elke nieuwe aanschaf blijven denken.
Paul, intussen, kreeg genoeg van Zappa of had dringend geld nodig: hij verkocht een deel van zijn verzameling en zo kwam ik voor een tientje per plaat in het bezit van Waka/Jawaka, Fillmore East en Chunga’s Revenge en ook nog platen van Yes en Chicago. Mijn Zappaplatenbezit werd omvangrijk.
In 1978 zag ik hem, zogenaamd ten behoeve van een schoolkrantrecensie, voor het eerst optreden, in Ahoy. Het jaar erop zag ik Zappa vier keer in Londen: een reeks legendarische februariconcerten in de Hammersmith Odeon, waaruit hij veel materiaal selecteerde voor latere albums.
Terug in Nederland schreef ik een recensie waar Muziekkrant Oor onvoldoende in zag – ik kreeg de recensie terug, plus het telefoonnummer van Co, die toen al in kleine kring een reputatie als Zappakenner had opgebouwd.
Co wil een whisky en een bier en een ongeopende Underberg, voor in de zaal. Elise deelt Co’s bier en ik neem een cola.
We staan in de ruimte naast de Alte Oper waar drank geschonken wordt.
‘We kunnen straks binnendoor lopen,’ zegt Elise.
‘Nee, kan niet, er zit een touw,’ zeg ik.
‘Volgens mij loopt er alleen een streep over de vloer,’ zegt Co.
‘Dat bedoel ik,’ zeg ik.
‘En dan durf jij niet verder,’ zegt Co. ‘Ik dacht dat alleen kippen dat hadden.’
Zappa’s samenwerking met het Ensemble Modern is de eerste keer sinds die met Pierre Boulez dat hij zich weer met ‘klassieke’ musici inlaat.
In het verleden liepen plannen steeds stuk: er was geen geld, er was geen tijd om behoorlijk te repeteren. Ditmaal was er kennelijk wel geld (er wordt door onder andere Siemens en BMW gesponsord) en tijd. Vorig jaar hebben de 25 leden van het Ensemble Modern een aantal weken bij Zappa in Los Angeles doorgebracht. Hij gebruikte die periode om de musici te trainen als waren het leden van een rockband (voor een rocktour placht Zappa een maand of drie te repeteren; in die tijd leerden de musici een stuk of honderd composities).
Zappa bestudeerde de musici en leerde hun specifieke vaardigheden kennen, op basis waarvan hij een aantal nieuwe composities schreef en enkele oude bewerkte, die onder de noemer The Yellow Shark aan het publiek gepresenteerd zullen worden.
In juli is er in Duitsland gerepeteerd, de afgelopen weken ook. Tijdens de persconferentie en uit interviews bleek dat zowel Zappa als de musici meer dan tevreden zijn: we zullen horen!
Ik zit op de negende rij. Naast mij een keurige dame, van een jaar of zeventig. Er is voornamelijk abonnementspubliek aanwezig.
Eveneens in de zaal, op de rij achter het mengpaneel, zitten vrouw en kinderen van Zappa. Het is tien over acht, het zaallicht gaat uit. Er wordt een tape gestart en onheilspellende synclaviermuziek begeleidt de druppelsgewijze opkomst van de muzikanten. Percussie wordt toegevoegd aan de ingeblikte muziek. Rechts op het toneel verschijnt een danser die The Yellow Shark torst; een gele fantasievis die een anonieme fan jaren geleden bij Zappa voor de deur deponeerde. Als de maker ervan zich meldt, mag hij een jaar lang gratis naar alle concerten van het Ensemble Modern.
De haaidrager gaat links af door een deur, door dezelfde deur komt Zappa op. Hij zwaait naar het publiek, maakt een buiging en zet zich op het dirigeerstoeltje.
In de twee uur die volgen worden er strijkkwintetten en blaaskwintetten gespeeld, een stuk voor twee piano’s, stukken voor het hele ensemble, twee semi-improvisatienummers en als klap op de vuurpijl het door twee leden van de Canadese dansgroep Lalala Human Steps met een soort acroballet vormgegeven G-Spot Tornado, dat met een geweldige gongslag aan het einde de avond uitluidt.
Het ogenblikkelijke applaus dat opklinkt is ovationeel en houdt minutenlang aan. Er zijn open doekjes voor dirigent Peter Rundel, de dansers, de leden van het ensemble en componist Zappa.
Er wordt een muziektape gestart; bij popconcerten het sein dat men geacht wordt de zaal te verlaten. Maar het publiek blijft applaudisseren en de tape wordt gestopt. Bij wijze van niet-geplande toegift wordt G-Spot Tornado nog een keer gespeeld, nu zonder dansers. Als aan het eind de gongslag komt, houden de tweeduizend toeschouwers zich muisstil tot de klank volledig weggestorven is: om rillingen van te krijgen.
Ik loop in hoog tempo door de Mainzer Landstraße. In het donker onder een viaduct door, het deert me niet. Mijn hoofd gonst nog van de muziek. Mijn wandelgang is moordend, maar ik wil voor elf uur bij Arosa zijn want dan gaat het nachtslot erop. Ik zit nog zo in de muziek dat ik het hotel gewoon voorbijloop, wat ik me uiteindelijk gelukkig realiseer.
Ik trek mijn schoenen en sokken uit: hier en daar een blaar. Niks van aantrekken, van de pijn, dat is het beste. Ik zet de schaar in een blaar, laat ’m leeglopen en beloon mezelf met vier Milky Ways. 

 Vrijdag 18 september 1992
Waarom de schijn van gezond te eten ophouden? In plaats van de in plastic verpakte kaas nuttig ik bij het ontbijt mijn harde bolletje met jam.
Co en Elise reizen vanochtend terug. Ik ga ze uitzwaaien – niet in de laatste plaats om erachter te komen waar zondag mijn eigen trein vertrekt.
‘Ik heb goed nieuws,’ zegt Co. ‘Na afloop werd er gisteravond een tape met synclaviermuziek gedraaid. Weet je hoe die compositie heet? Martin!’
Co heeft vannacht de DAT-opname van het concert beluisterd op geluidskwaliteit, straks in de trein gaat hij er ten behoeve van de uitzending verder mee aan de slag. Voor dat programma moet hij om zes uur in de Avondspits van Frits Spits reclame maken, en vervolgens zendt hij van acht tot twaalf uit.
Bij het afscheid biedt hij me een Milky Way aan.
‘We willen je niet onverzorgd achterlaten.’
Ondanks het voedselpakket ga ik bij McDonald’s wat eten. Het is me al vaker opgevallen, ik heb een antenne die ervoor zorgt dat ik op het juiste moment op de juiste plaats zit om de juiste mensen tegen te komen.
Als ik mijn maal verorberd heb zie ik Zappa’s lijfwacht Dave met een hamburger de zaak verlaten. Ik haal hem in, spreek hem aan en vraag hoe de tournee met Diana Ross is verlopen (vorig jaar, toen hij de tournee van Zappazoon Dweezil begeleidde, vertelde hij me dat hij haar zou bewaken). Helaas huurde ze een andere lijfwacht.
Ik druk Dave op het hart Zappa de groeten te doen. Hij vraagt waarom ik dat zelf niet doe. Om twee uur vertrekken ze naar de Alte Oper voor repetities. Als ik het niet verder vertel is er een kans dat ik Zappa te spreken krijg.
Om kwart over een ben ik bij de achteringang. Of zou ik bij de zij-ingang moeten zijn? Er is maar één officiële toegangsweg, en die voert langs een slagboom. Die zal ik in de gaten moeten houden.
Het is te warm om onafgebroken in de zon te zitten; ik kan Zappa straks niet met een zongeblakerde kop onder ogen komen.
Het wordt twee uur, het wordt kwart over twee, het wordt kwart over drie. Er kwam daarnet wel een BMW het terrein opgereden maar die was Zappaloos.
Terwijl ik zit te wachten, nadert er een jongedame. Ze spreekt me aan.
‘Nee,’ zeg ik, ‘Zappa niet gezien. Maar ga toch zitten.’
Ze heet Isolde en laat zich Isy en ook Easy noemen. Sinds 1979 kent ze Zappa. Ik verneem een aantal van haar amusante avonturen, zoals een waarin zij met Zappa in haar Fiatje door Heidelberg reed, Zappa’s limousine erachteraan.
‘Ik hoorde vanmiddag twee keer een ambulance in de richting van zijn hotel rijden,’ zegt ze somber.
We spreken af dat we elkaar hier tegen halfzeven weer zullen treffen, dan ga ik op weg naar Hotel Arosa. Ik hoor er Amerikaans praten. Een jongeman staat voor de receptie, een jongedame zit op de trap te klagen over hoofdpijn.
‘Zijn jullie hier voor Zappa?’ vraag ik op goed geluk.
‘Nee, niet speciaal. Maar we willen vanavond wel naar het concert gaan,’ zegt de jongeman, die Andy heet. ‘Weet je of het uitverkocht is?’
‘Volkomen uitverkocht,’ weet ik zeker.
‘Too bad.’
Andy gluurt links en rechts: geen receptionist te bekennen.
‘Ik zal wel even kijken,’ zeg ik, hier inmiddels kind aan huis, en steek m’n hoofd om de hoek van het kantoortje. De receptionist ligt op de grond, met zijn benen omhoog, en mediteert. Als hij geestelijk neergedaald en lichamelijk overeind gekomen is en Andy zijn sleutel gegeven heeft, informeer ik naar zijn land van herkomst.
Hij komt uit Iran. Zijn collega’s komen ook uit Iran. Ze komen hier vrijwel allemaal uit Iran.
Isy zwaait al van verre.
‘Geen Zappa?’ zeg ze.
‘Geen Zappa,’ zeg ik.
Ik zie in een groepje Spencer staan, bekend van de tour uit 1988.
‘Zijn Jim en Murray er niet?’ vraag ik.
‘Jim is naar Australië geëmigreerd,’ zegt hij. ‘Murray komt morgen.’
Tijdens die 1988-tour zag ik Zappa optreden in Brighton en Londen. Bij een van de Londense concerten werd het nummer Dickie’s Such An Asshole gespeeld. Daarin zit een marimbaloopje dat percussionist Ed Mann die avond niet naar behoren speelde. Zappa tikte af en liet het hem nog een keer spelen. En toen nog een keer.
Een paar weken later werd Ahoy aangedaan. ’s Middags stond ik bij de artiesteningang en verzamelde handtekeningen van arriverende bandleden. Terwijl Ed Mann zijn handtekening zette zei ik onnadenkend: ‘Are you going to play Dickie’s Such An Asshole right tonight?’
Ik geloof niet dat Ed het prettig vond om te horen want tijdens het voorstellen van de band zei Zappa ’s avonds – maar dat hoef ik hier niet te herhalen, zijn monoloog heeft een plek gekregen op de cd Make A Jazz Noise Here.
Zappa schijnt nog niet gearriveerd te zijn, hoewel zijn BMW (kenteken M-NU 8954) bij de achteringang staat. Het gerucht gaat dat Zappa er vanavond niet bij zal zijn. Hij lijdt al zo’n tweeënhalf jaar aan prostaatkanker, volgens het interview in Journal Frankfurt hadden de dokters hem twee jaar terug nog een halfjaar gegeven. Tot nu toe is het kwakkelen geweest, goede en minder goede dagen wisselen elkaar af.
Voordat het concert begint loopt er een man het toneel op die een mededeling te doen heeft.
‘We weten allemaal dat Frank Zappa ziek is,’ begint hij, en tweeduizend aanwezigen houden de adem in. ‘Hij heeft al zijn krachten gegeven om dit evenement, The Yellow Shark, mogelijk te maken en hij is volkomen uitgeput. Hij kan er tot zijn grote spijt niet bij zijn. Het is erg vervelend, maar het belangrijkste is zijn gezondheid, daar hebt u hopelijk begrip voor.’
Er klinkt applaus. Schuin achter mij zitten twee zwaarlijvige voetbalsupporterachtige figuren met baard die een petje op het hoofd hebben en een glas bier de hand. De ene roept op orkaansterkte: ‘Frank, we love you!’ en ik denk: die schreeuwt straks de strijkkwintetten aan stukken.
In de pauze loop ik naar het mengpaneel waar zich enkele naasten van Zappa bevinden.
Lijfwacht Dave verontschuldigt zich: ‘I’m sorry we kept you waiting.’
‘You had a good reason, unfortunately.’
‘Waarschijnlijk is Frank er morgenavond wel. Hij was gewoon te moe.’
‘Zeg,’ zeg ik, ‘ken jij Isy?’
‘Oh yes, I know her. A strange lady.’
Buiten kan ik Isy niet missen.
‘Zal ik zo’n T-shirt kopen?’ vraagt ze, wijzend op de shirts die illegaal verhandeld worden.
‘Doe maar niet,’ zeg ik. ‘Moet je kijken wat voor frisse tekst er achterop staat.’
Er staat: Farewell tour 1992.

Zaterdag 19 september 1992
Een luide knal: onweer, gevolgd door een lokale wolkbreuk.
‘Het blijft tot zondag droog,’ had Isy gezegd.
Andy heeft het concert helaas gemist, hij was het niet eens geworden met de zwarthandelaren.
‘Ik ben al vijf maanden onderweg,’ zegt hij als we aan het ontbijt zitten. ‘We vertrekken straks naar Geleen. Ik ben in Chili geweest, in Japan, overal.’
‘En dat terwijl de dollar maar keldert.’
‘Dat komt goed uit. Ik word in guldens betaald.’
‘What line of business are you in?’
‘I’m a dancer.’
Andy maakt deel uit van de Second Hand Dance Company, die voornamelijk danst op rap, maar ook op Mahlers Eerste en op Australische aboriginal music.
‘Heb je die kramen bij de Alte Oper gezien?’ zeg ik. ‘Ze verkopen er allerlei percussie-instrumenten.’
‘Ik maak zelf ook percussie-instrumenten.’
Andy woont in Binghamton, New York.
‘Daar speelde Zappa in ’88 ook,’ zeg ik. ‘St. Patrick’s Day.’
‘Ja, dat weet ik. Wij traden diezelfde avond in een andere zaal op. Wij hebben daar nogal wat fans zitten en we hebben zo’n beetje hetzelfde publiek. We stalen elkaars publiek die avond.’
Ik loop de stationshal in en koop alle kranten die over Zappa schrijven. Bij McDonald’s bestel ik een kop koffie en lees de overwegend lovend tot zeer lovende kritieken.
‘Hi!’
Spencer en zijn makkers schuiven aan. Ze zijn gekomen om Murray van de trein te halen.
‘Ik zal je het adres van Aad geven,’ zeg ik tegen Spencer. ‘Hij kan je aan een video van de première helpen.’
Een ommetje. Ik passeer een kibbelend junky-echtpaar. Hij schreeuwt dat zij hem iets afhandig heeft gemaakt. Zij schreeuwt nietes. Hij slaat haar in haar gezicht. Zij geeft hem een schop in het kruis. Hij geeft haar een duw. Zij springt boven op hem. Samen hooguit honderd kilo wegend rollen ze over de stoep. Er valt een lepel op de grond. Een voorbijganger haalt de vechtenden uit elkaar. Verder schreeuwend steken ze de straat over.
Het is kwart over een. Af en toe kiekeboet de zon tussen de wolken door. In de buurt van de Hauptwache speelt een orkestje van halfbejaarde cowboys bluegrass en country, onder meer Jackson. De zanger heeft een onblanke donkerbruine stem.
Even later begint op een podiumpje ertegenover een act voor twee komieken.
Komiek 1: ‘Zeg, Flipsen, je bent vandaag alweer 25 jaar aan de zaak. Vertel de mensen daar eens wat over.’
Komiek 2: ‘Ja, dat klopt. Ik ben vandaag alweer 25 –’
Komiek 1: ‘Goed, goed, Flipsen, ik weet dat je prachtig kunt vertellen maar je denkt toch niet dat het de mensen hier wat kan schelen dat je 25 jaar aan de zaak bent?’
Om halfdrie is Isy er nog niet. Er zou toch niets gebeurd zijn? Vlak voor de Alte Oper is het plein gezellig druk met derdewereldkraampjes en een podium waarop een man met gitaar voor amusement zorgt. Hij zingt niet maar doet tussen de instrumentale composities door mededelingen over zijn privéleven die er niet om liegen. Hij schijnt in de loop der jaren veel last te hebben gehad van onbeantwoorde liefde maar kan het leven tegenwoordig weer aan.
Na zijn verbale en muzikale ontboezemingen wordt het toneel ingenomen door twee Zuidamerikaanse heren in kleurrijke klederdracht die onder begeleiding van een trommelende Duitse dame authentieke Aztekendansen demonstreren.
De trommeldame legt uit wat de betekenis van het gebodene is. Zo is er een dans gewijd aan het bereiken van de 52-jarige leeftijd, bij welke ouderdom volgens Aztekentraditie een nieuwe levensfase begint (Zappa wordt, hopelijk, in december 52).
Het schijnt dat de negatieve gedachten die wij op aarde hebben zich in de stratosfeer of daaromtrent nestelen en vanaf die plek kwaad uitrichten. Het kwaad kan gelukkig bestreden worden met Aztekendans.
‘Ik heb slecht geslapen,’ zegt Isy.
De Azteken hebben behalve de negatieve gedachten met hun authentieke dans ook de wolken verdreven.
Daar komt Piet aangewandeld.
‘Hoi Piet!’
‘Hoi Martin!’
‘Jij kent ook iedereen,’ zegt Isolde.
Piet is vanmorgen pas naar Frankfurt afgereisd en is zeer te spreken over het radioprogramma van Co, gisteravond.
‘Ik heb ergens met Aad afgesproken,’ zegt hij. ‘Maar ik weet niet waar. Nou ja, ik zie wel.’
Als hij net vertrokken is, komt Aad met Uli en Iceland Bob van de andere kant aan. Aad heeft mijn videoband bij zich, waarop de Premiere-uitzending van Zappa en het Ensemble Modern, donderdagavond.
Ik loop met Isy een rondje rond de Alte Oper.
‘Denk je dat Zappa vanavond komt?’ vraagt ze.
Het zou wel leuk zijn als hij erbij was, want vandaag is het mijn 25ste Zappaconcert sinds 1978.
‘Ik heb hem veel vaker zien optreden,’ zegt Isy.
‘Maar jij hebt nooit voor kaartjes hoeven betalen.’
‘Nee, dit is de eerste keer.’
Als we de achteringang bereikt hebben, zien we de BMW staan: grote kans dat hij er dus is. Door die vervloekte Azteken hebben we zijn aankomst gemist.
Ik zend zulke negatieve gedachten de stratosfeer in dat ze tot kerst danswerk hebben.
We mogen Zappa niet weer mislopen. Als we nu voor de toegift de zaal verlaten en naar de achteringang gaan, dan zijn we zeker op tijd.
Alsof het gisteren maar een griepje was komt Zappa het toneel opgewandeld en dirigeert de ouverture. In de pauze spreek ik Spencer, die in onderhandeling is geweest met Zappa’s echtgenote Gail over de distributie van T-shirts en dergelijke door zijn bedrijfje.
Voordat de toegift begint verlaat ik de zaal. Het ovationele applaus is op de galerij te horen. Ik loop naar buiten en ga linksom. Als ik bij de achteringang ben, nadert Isy van de andere kant.
‘Hoorde je dat hij steeds zo nadrukkelijk fine zei?’ zegt ze. ‘Dat was voor mij bedoeld. Dat was een keer een secret word toen ik mee was op tournee.’
Er is verder niemand in de buurt. Als Zappa meteen het gebouw verlaat kunnen we misschien nog een kort goed gesprek voeren.
Wachten en wachten. Zappa’s BMW staat geparkeerd tegen het stenen trapje dat hij af moet. De weg naar het linker voorportier wordt versperd door een eng ventje in uniform, een klein Übermannetje, een Überbub, met wie niet te redeneren valt.
Ik zeg: ‘Ik mag er straks zeker wel even langs om een handtekening te vragen, hè?’
‘Nein.’
‘En als Zappa het zelf goedvindt?’
‘Nein.’
We gaan dus maar aan de andere, onbewaakte kant van de auto staan. Na een kwartier beginnen de fans die een beter uitzicht op de deuropening hebben te applaudisseren, Zappa en lijfwacht Dave komen naar buiten, voorafgegaan door dochter Diva.
Zappa knikt naar de fans, kijkt Isy aan en stapt in de auto. Hij zakt meteen onderuit en sluit zijn ogen.
Isy is verdrietig.
‘Hij keek me aan, en ik voelde dat het de laatste keer was.’
Het terras wordt juist opgebroken, maar er zijn nog een paar staanplaatsen met tafel en de afhaalbalie is geopend.
Isy heeft genoeg aan een halve pizzapunt, ik neem de andere halve.
Er komt een dikke jonge Duitser bij ons staan. Hij heeft twee hele pizzapunten bij zich en vijf programmaboekjes.
‘Waarom heb je vijf programmaboekjes?’ vraagt Isy.
‘Ik heb er ook een paar voor m’n vrienden gekocht.’
‘Dan heb je dus vier vrienden,’ zegt Isy en schatert.
Een aanstekelijke schaterlach.
‘Ik zou hier een handel in teiltjes water moeten beginnen,’ zegt ze. ‘Voor mensen die last van hun voeten hebben gekregen van het rondlopen door Frankfurt.’
‘Nog niet eens zo’n gek idee,’ zeg ik.
Isy belooft dat ze gauw zal schrijven en ik beloof dat ik gauw zal terugschrijven. En daar is haar taxi al.
Voor het laatst loop ik door donker Frankfurt naar mijn hotel. Dorst krijg je ervan, van zo’n halve pizzapunt. Bij een cafetariakraam aan de Mainzer Landstraße koop ik een blikje cola. De kraam heet Zur Zappsäul.

Zondag 20 september 1992
Uitslapen lukt niet, dus op mijn gemak kan ik na het douchen, scheren en tandenpoetsen pakken. In mijn reistas zat nog een andere tas, terug heb je meer bij je dan heen. Voordat ik een kledingstuk in een tas stop pluis ik het na op beestjes want ik heb er in deze kamer al twee mogen doodmaken. Een kroop er langs de spiegel, een zat er in de kast.
Ik eet een broodje, ik drink twee kopjes koffie, ik haal m’n bagage op. Nog steeds hoef ik geen jas aan. Vlak bij het station sla ik een zijstraat in. Op de grond ligt een dode duif, even verderop nog een vogel, even groot als een duif, maar dan zwart – ik weet niet wat voor soort het is (ik ben Jan Wolkers niet).
Ik bekijk het dier en schrik: er druppelt bloed uit z’n snavel. Ik zet m’n tassen neer en ga op m’n hurken zitten. Er komt iemand langs.
‘Zou dat beest aangereden zijn?’ vraag ik.
‘Nee, ze hebben gif gestrooid.’
Het dier beweegt niet, geeft alleen bloed op.
‘Hij lijdt, hij moet uit z’n lijden verlost worden,’ zegt de voorbijganger en loopt door.
Uit zijn lijden verlossen, hoe doe je dat? Bovendien durf ik niet (ik ben Jan Wolkers niet). Ik streel voorzichtig het koppetje. Het beest maakt eerst een afwerende beweging met een vleugel, laat zich dan strelen. De vogel begint te schokken en komt op z’n rug te liggen. De pootjes zijn gestrekt, omhoog gericht, de klauwen openen zich en verkrampen dan.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.