Tamara’s bankbelevenissen

Tamara was er na een paar maanden aan gewend geraakt dat haar ouders uit elkaar waren. Haar vader was bij zijn vriendin ingetrokken, die woonde in Grooterwaal. Tamara had een tijdje in angst geleefd: stel dat er een officiële echtscheiding van zou komen, met een omgangsregeling, en dat ze dan om de week bij haar vader zou moeten wonen. Haar vader was oké, dik oké zelfs, maar dat mens die zijn vriendin geworden was. Fuck allemachtig, Tamara had haar een keer gezien. En dan haar twee kinderen, die had ze toen ook gezien. Jongens, een tweeling van zestien. Als ze nou knap geweest waren. Of althans minder puisten hadden gehad. En ook nog Grooterwaal. Ze had er de nodige keren over uitgehuild bij haar hartsvriendin Nina, die haar probeerde op te beuren. Niet dippen, joh. Ze waren toch vriendinnen? Nou, dan kon Nina in de vakantie in Grooterwaal komen logeren, als Tamara daar zat. Wie weet hoe geweldig leuk dat zou zijn.
Het kwam er niet van. Niet omdat Nina niet welkom was in het nieuwe huis van de vader van Tamara, niet omdat de scheiding of de omgangsregeling niet doorging maar omdat het ineens uitraakte tussen Tamara’s vader en zijn vriendin. Die in een klap zijn ex-vriendin geworden was.
Grote opluchting, eind goed, al goed. Haar vader weer terug naar huis, naar zijn vrouw, naar zijn dochter, zijn dierbaren. Waar hij thuishoorde.
Eh, tja, dat ging dus een beetje niet door. Hij had grote spijt van zijn vertrek naar Grooterwaal, hij had er nog veel grotere spijt van dat hij ooit wat met dat verschrikkelijke loeder begonnen was en die twee kinderen van haar waren helemaal de hel op aarde geweest. Hij had gewoon een beetje last gehad van zeg maar een midlifecrisis, daar kunnen mannen nu eenmaal last van krijgen, vooral vaders. Daar had Tamara’s moeder toch zeker wel begrip voor?
Een mooi verhaal. Tamara vond dat er wel een kern van waarheid in kon zitten, maar haar moeder dacht daar anders over. Die had inmiddels een vriend opgedoken die haar zeer beviel. Het was goddank niet gebeurd dat die vriend in het huis van Tamara was komen wonen en dat ging hopelijk ook niet gebeuren – maar haar vader kwam er in elk geval voorlopig niet in. Zou daar wat op te vinden zijn?
Tamara overlegde met Nina. Het was een van die gesprekken die je doen vergeten dat je eigenlijk bijeengekomen was om samen huiswerk te maken.
‘Zullen we zorgen dat mams nieuwe vriend verdwijnt?’ zei Tamara. ‘Dan kan mijn vader weer bij ons komen wonen.’
‘Cyaankali,’ zei Nina. ‘Dan heb je de meeste kans dat hij niet meer terugkomt als hij verdwenen is.’
‘Is dat in poedervorm?’ vroeg Tamara.
‘Geen idee,’ zei Nina. ‘Het zou ook vloeibaar kunnen zijn.’
‘Hm.’
‘Hoezo?’
‘Nou,’ zei Tamara, ‘ik heb wel eens een thriller gelezen, daarin kreeg iemand cyaankali naar binnen en toen zakte-ie meteen in elkaar. Enorm schokken en stuiptrekken. Er kwam geloof ik ook nog een zwik bloed uit z’n mond gegolfd.’
‘Mooi toch?’
‘Ja, maar dan klettert-ie bij ons tegen de grond als er wat van dat spul in z’n koffie gedaan is. Dat moeten we niet hebben, zo’n lijk in huis, bah.’
‘Lijkt me ook niet,’ zei Nina.
‘Het zou eigenlijk moeten gaan zoals met een bolletjesslikker bij wie het misgaat. Wat cyaankali in een plastic zakje dat in z’n maag stukgaat, na een paar uur. Dat z’n maag ineens uit elkaar barst. Een soort inwendige ontploffing waardoor ook nog z’n longen geperforeerd raken zodat hij in zijn bloed stikt. Precies wat-ie verdient. Als-ie lekker in z’n eigen huis in bed ligt.’
‘Of in de auto zit onderweg naar huis.’
‘Nee, dan heb je kans dat-ie een ongeluk veroorzaakt waarbij er onschuldige slachtoffers vallen.’
‘Het is nog een ingewikkeld gedoe, iemand vergiftigen,’ vond Nina. ‘Hoe denk je ’m trouwens zo ver te krijgen dat-ie een plastic zakje met cyaankali slikt?’
‘Daar moeten we nog maar een tijdje op studeren. Als je een idee krijgt hoor ik het graag.’
Het cyaankaliplan raakte geruisloos in de vergetelheid toen Nina een leuke jongen gespot had die gedurende een paar weken de aandacht van haar en Tamara volledig opslokte. Nina zag hem soms lopen als ze naar school fietste (hij zat niet bij hen op school). Ze zag hem soms fietsen als ze naar de supermarkt liep (zou hij onderweg zijn naar zijn eigen school?). Zenuwslopende gebeurtenissen die je leven volledig overhoop kunnen gooien als je veertien bent. Nee, dan gaat het niet om zoiets onbenulligs als een midlifecrisis, dan gaat het om een meer dan levensbedreigende situatie. Zucht zucht zuchterdezucht.
Tamara leefde erg met Nina mee maar niet de hele dag want ze had ook dingen aan haar eigen hoofd. Haar vader zat sinds het met de vriendin en haar twee zoons verleden tijd was in een hotel waar hij tot inkeer was gekomen en van waaruit hij pogingen ondernam om weer door zijn vrouw in genade aangenomen te worden. Tot dusver had hij daar nog geen succes mee gehad en zolang er geen cyaankali werd ingezet zat dat er ook niet in, was Tamara bang.
Het leven in een Buisdorps hotel beviel Tamara’s vader niet erg; hij moest dringend een woonruimte zien te vinden. Hij had geluk: de zoon van een collega was gestopt met zijn studie. De jongen had het een jaar of drie geprobeerd maar het uiteindelijk opgegeven: het studentenleven was niet te combineren met het volgen van een studie. Daarvoor zat hij te vaak in de kroeg en hij had ook nog eens een kamer boven een kroeg. Je kunt niet eeuwig eerstejaars blijven en daarom kapte hij er maar mee. De studentenkamer werd verruild voor de kamer die hij bij zijn ouders had. Die was groter en nog gratis ook.
De collega van Tamara’s vader had met de makelaar gesproken en die vond het wel een goed idee dat een van de kamers boven het café voor de verandering eens niet door een student bewoond werd. Een volwassene met een goede baan kon de huurverhoging die de makelaar in gedachten had waarschijnlijk makkelijk betalen.
Tamara vergezelde haar vader toen die de kamer boven café Den Olden Buys ging bekijken. Wat klein, dacht ze, voor iemand die gewend was aan een compleet huis met een eigen badkamer, toilet en keuken. En een vrouw en dochter. Maar haar vader was allang blij dat hij het hotel kon verlaten.
Hij was van plan binnenkort naar zijn vrouw terug te keren, zo gauw die tot bezinning was gekomen, en hij had daarom geen zin om de kamer te gaan opknappen, al was dat dringend nodig. Het behang zag er niet uit, het tapijt ook niet, en het meubilair – nou ja, dat was er niet.
Er moest een inboedeltje aangeschaft worden. Tamara’s vader had geld maar hij had het niet over voor zoiets hopelijk kortstondigs als wonen op deze studentenkamer. Geen denken aan dus dat hij nieuwe meubels kocht. Of een heel weekend vloekend bezig was met het in elkaar zetten van een IKEA-bed, een IKEA-bureau, een IKEA-kast en een IKEA-bankstel. Trouwens, er was niet eens ruimte voor een compleet bankstel. Een tweezitsbank, hij mocht blij zijn als daar na het neerzetten van een bed, een bureau en een kast nog ruimte voor was.
Nadat de kamer geaccepteerd was gingen ze naar de Kringloop. Terwijl haar vader er op zoek was naar een inboedel, ging Tamara op de kledingrekken af.
‘Een jurk uit de jaren vijftig gezien,’ zei ze de volgende dag tegen Nina. ‘Gaaf!’
‘Gekocht?’ vroeg Nina.
‘Bijna. Ik wilde gaan vragen wat-ie moest kosten, maar toen zag ik mijn vader staan praten met een verkoper. Jurk weer opgehangen en gaan kijken wat pa wilde kopen. Dat was het begin van de dikke pret.’
Tamara hing de jurk terug in het rek en liep naar haar vader, die bij een tweezitsbank stond. Of eigenlijk bij twee. Ze waren donkerblauw en zagen eruit als nieuw. Mooi, vond Tamara. En dat vond haar vader kennelijk ook.
‘Dat gaat echt niet,’ hoorde ze de verkoper zeggen.
‘En waarom dan niet?’ zei haar vader.
‘Het zijn banken die bij elkaar horen. We verkopen ze niet los.’
‘Ik heb geen ruimte voor twee van die banken.’
‘Dan spijt het me,’ zei de verkoper en liep weg.
Tamara ging op een van de banken zitten. Hij zat lekker. Haar vader nam naast haar plaats.
‘Ik kan ze toch niet alle twee kwijt,’ zei hij.
‘Dan geef je er een weg,’ zei Tamara.
‘Aan wie dan?’ zei haar vader somber. Maar toen klaarde zijn gezicht op. ‘Verdomme, daar zeg je wat. Goed idee, meis! De andere bank geef ik weg!’
Hij stond op en liep naar de verkoper, Tamara achter hem aan.
‘Het moet maar,’ zei haar vader. ‘Ik neem ze alle twee. Wanneer kan er bezorgd worden?’
De verkoper keek op zijn horloge.
‘Het is halftwee, ik verwacht de jongens met een uurtje hier. In principe kan er om een uur of vier bezorgd worden, als het in Buisdorp is.’
‘Het is hier in Buisdorp, in de Buisstraat.’
‘Zijn er trappen?’
‘Ja, er zijn trappen,’ zei Tamara’s vader. ‘Binnentrappen. Drie binnentrappen.’
Nadat de koop gesloten was keerden Tamara en haar vader terug naar de kamer. Dat wil zeggen: ze gingen eerst beneden in café Den Olden Buys een cappuccino drinken op de goede afloop.
‘Weet je al aan wie je de tweede bank gaat geven?’ vroeg Tamara toen ze haar cappuccino op had.
‘Ja, ik heb wel een idee,’ zei haar vader. Hij keek naar de klok die aan de muur hing. ‘Zullen we naar boven gaan? De sjouwers kunnen elk moment komen.’
Hij had gelijk: ze waren nog maar net op de kamer aangekomen of daar ging de bel. Hup, weer naar beneden.
Er stond een bestelbusje van de Kringloop voor de deur. Twee sjouwers (de ‘jongens’ waren dik in de veertig) hadden een van de banken al uit het busje gehaald en op de stoep neergezet. Toen Tamara en haar vader naar buiten gekomen waren tilden ze de bank op en begonnen die behoedzaam het halletje van het café in te dragen.
‘Een smalle trap,’ stelde een van de sjouwers vast.
‘En lelijk steil,’ zei de ander deskundig. ‘En dat met die hitte.’ Want het was zo’n late lentedag die aanvoelt als hoog zomer.
De bank maakte een degelijke indruk en was dan ook aan de zware kant, zelfs voor twee sjouwers. Toen ze de overloop naar de volgende etage bereikt hadden zetten ze de bank neer en hijgden een minuutje uit.
‘Gaat het, heren?’ vroeg Tamara’s vader, die vooruit gelopen was en vanaf binnentrap nummer twee de verrichtingen – of liever gezegd de onderbreking daarvan –gadesloeg.
‘Het valt niet mee, meneer,’ zei de sjouwer die de meeste lucht had, op een toon alsof hij hoopte dat de vader van Tamara zou begrijpen dat er op een flinke fooi gerekend werd.
Trap twee werd in een iets trager tempo dan de eerste genomen en trap drie ging helemaal van sjok sjok sjok, kreun kreun kreun, hijg hijg hijg. Maar uiteindelijk stond de bank in de kamer. De sjouwers namen om beurten een slok water uit de kraan van het keukentje dat zich buiten de kamer bevond. Degene die het hevigst gehijgd had – hij leek bovendien rugklachten te hebben – stak zijn hoofd eronder. Hij keek uit zijn ogen alsof hij een hartaanval voelde aankomen.
En toen was bank twee aan de beurt.
De banken waren identiek maar het was alsof de tweede drie keer zo zwaar was als de eerste. Dit keer werd er niet alleen op de overloop halt gehouden voor een adempauze, het gebeurde ook halverwege de eerste trap en halverwege de tweede trap, en de derde trap werd zelfs in drie etappes genomen.
De sjouwers waren aan het einde van hun Latijn maar ze hadden het geklaard: bank twee stond naast bank een. Tamara hoopte dat haar vader gauw iemand voor de tweede bank zou vinden, je kon in de kleine kamer je kont niet keren. Als je bij het bed wilde komen moest je over een van de banken heen wandelen. Zou de deur trouwens nog wel dicht kunnen?
Haar vader gaf de sjouwers ieder tien euro. Tamara vond het weinig, gezien de geleverde prestatie. Gelukkig kwam er nog wat bij.
Haar vader vroeg: ‘Bezorgen jullie alleen?’
‘Nee,’ zei een van de sjouwers. ‘We halen ook op. We moeten straks een gasfornuis en een koelkast ophalen.’
‘Als we nog puf hebben,’ zei de ander, die de indruk wekte dat hij die puf niet meer had.
‘Ik heb wel wat voor jullie,’ zei Tamara’s vader.
Het kostte hem nog twee tientjes aan fooi maar daar gingen de sjouwers met de tweede bank de trap af.
‘Ik ben ze achterna gelopen, om te zien hoe het ging,’ zei Tamara. ‘Weet je wat er op de laatste trap gebeurde?’
‘Nou?’ zei Nina.
‘Ze lieten ’m gewoon naar beneden glijden. Er braken twee poten af en de trapleuning kwam van de muur, ha ha ha.’
‘Gaaf,’ zei Nina, zonder te lachen. ‘Maar wat denk je, hoe zou hij heten?’
‘Wie?’
‘Ja, hallo zeg, die jongen natuurlijk. Met dat haar.’

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.