Deep Purple

De tijd staat even stil

[MP 329/330] Heavy metal is tegenwoordig vaak onverteerbaar, omdat risicoloos de geijkte formule herhaald wordt. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat het genre in tien jaar tijd nauwelijks aan modernisme onderhevig is geweest. De grondleggers van het genre zijn echter terug. Deep Purple heeft in de enige echte samenstelling de draad weer opgepakt. De zwaarste concurrent is nu de eigen reputatie. De elpee heet Perfect strangers – zwaar metaal maar niet digitaal. Dit is een klein beetje Fanclub Corner.

Een verhaal over Deep Purple zou een halfjaar geleden, na het vermelden van de hoogtepunten van het bestaan, in trieste bewoordingen geëindigd zijn. Zelden was in de geschiedenis van de moderne muziek zo krampachtig getracht een groep na het verlies van de prominentste leden in stand te houden. Waarom die moeite? Simpel: Deep Purple was een zo tot de verbeelding sprekende supergroep dat de naam alleen al garant stond voor een behoorlijke platenomzet, ongeacht wie er deel uitmaakte van de band.
Toen het doek viel bestond Deep Purple nog maar uit de harde kern van Jon Lord en Ian Paice, de mindere god David Coverdale en de nog minder getalenteerde Tommy Bolin en Glenn Hughes. De echte smaakmakers hadden hun biezen al veel eerder gepakt. Weg waren zanger Ian Gillan, gitarist Ritchie Blackmore en bassist Roger Glover. Die drie waren het, samen met Lord en Paice, die de enige echte Purple-samenstelling uitmaakten.

Toch waren die vijf niet de grondleggers; de ontstaansgeschiedenis van Deep Purple is een complex verhaal van steeds wijzigende bezettingen. Voordat het beroemde kwintet met de Deep Purple in rock het fundament voor het heavy metal genre legde, waren er al verschillende elpees verschenen, die echter buiten beschouwing zullen blijven omdat ze de aandacht maar afleiden van het echte Deep Purple.
Deep Purple in rock (1970) is een van langspeelplaten die de tand des tijds doorstaan. Speed king is de beginselverklaring. De toelichting luidt: ‘Just a few roots, replanted’. Het tempo is moordend, de tekst een stoet van rockclichés, gelicht uit het werk van Chuck Berry en Little Richard. Het dominerende zware bas/drum/gitaar-geluid komt uit de Cream-school, gelardeerd met hammondorgelgolven en de onnavolgbare zang van Ian Gillan.
De plaat is alleen al door Child in time onsterfelijk: dat voert sinds hitparadeheugenis de Top 1000 aller tijden aan, bereikte tweemaal de Top 10 en sleepte de hele plaat mee naar een ontstellend lang verblijf in de elpeelijst.

Met iedere volgende plaat werd de eigen sound verder vervolmaakt. Fireball, dat in 1971 verscheen, bevat onder meer de tune van het tv-programma Wereld op wielen, al was het daar niet speciaal voor geschreven. De stevige stampers worden afgewisseld met het voor de band ongebruikelijk folky Anyone’s daughter.
De lijn wordt doorgetrokken naar Machine head (1972), die meer klassiek geworden werk bevat dan de voorganger: Highway star, Smoke on the water, Lazy en Space truckin’.
Opvallend was het succes dat de band in Japan ten deel viel, en het was logisch dat als er een live-elpee zou komen, die daar opgenomen zou worden: Made in Japan werd dat in 1972.
Het tourschema bevatte weinig rustpauzes, en de spanningen die onderhuids sluimeren kwamen aan de oppervlakte. De volgende elpee, Who do we think we are, uit 1973, laat een verdeeld Deep Purple horen. Op zichzelf hoeven vertroebelde verhoudingen een goede plaat niet in de weg te staan (denk bijvoorbeeld aan de witte dubbelaar van The Beatles) maar in dit geval was er ook sprake van muzikale desinteresse. De plaat was meer een marktvuller annex contractuele verplichting dan een bezield product. De elpee wordt nog net boven de middelmaat getrokken door eerste nummer Woman from Tokyo, maar daarna gaat het bergafwaarts en zakt het peil onder Deep Purple-niveau.
Er was geen parlementaire enquête voor nodig om uit te zoeken wat er gaande was. Het ging om botsende ego’s, met name die van Gillan en Blackmore. Het gevolg was dat Ian Gillan aan zijn stutten trok en vervangen werd door David Coverdale. Korte tijd later verdween ook Roger Glover, ten faveure van bassist Glenn Hughes. Als in 1975 ten slotte ook Ritchie Blackmore de brui eraan geeft, is het einde nabij.

Tommy Bolin heeft nog een tijd deel uitgemaakt van de band, maar als die dan ter ziele is gegaan blijkt hoezeer er wordt terugverlangd naar de In rock-samenstelling. In diverse archieven, waaronder dat van de BBC, wordt naarstig gespeurd naar onuitgebracht Purple-materiaal, dat regelmatig op de markt komt. Daarbij wordt de roep om een reünie steeds luider.
In de pers wordt bericht over astronomische bedragen die de vijf in het vooruitzicht zijn gesteld voor een enkel optreden, maar alle (vermeende) aanbiedingen worden afgeslagen. Als echter het bericht uitlekt dat er inderdaad sprake is van een reünie, strijden verbazing en scepsis om voorrang.

Begin november verscheen naast de aankondiging van een voorjaarstournee bij Polydor de elpee Perfect strangers. Opvallend is hoe weinig de heren zijn veranderd, niet alleen uiterlijk (Jon Lord is wat buikiger geworden maar overigens goed geconserveerd) maar vooral muzikaal.
Dat de plaat tot de best verkopende van het vierde kwartaal van 1984 behoort is meer dan terecht. Al bij de eerste seconden is duidelijk dat dit de echte Deep Purple is. Lord’s orgel, Ian Gillan die boven alles uit torent. Nobody’s home maakt duidelijk dat heavy metal het zonder elektronische percussie en synthesizers kan stellen.
Het verschil met de concurrenten komt aan het licht: daar waar sprake is van invloed van klassieke componisten ontspruit die aan de breinen van Lord en Blackmore, die hun inspiratie vinden bij de klassieken zelf. Veel heavy metalaars gaan niet verder dan het lenen bij andere bands.
Dat Deep Purple het beter doet hoor je in het melodieus opgebouwde A gypsy’s kiss. Het titelstuk opent met orgelgeweld. Onder het stampend zware bas/drum/gitaar-geluid dat volgt speelt Lord een schitterende, subtiele solo. Op de plaat staat geen Child in time, maar zo’n kind wordt maar eenmaal geboren.

Vervuld van jeugdsentiment haal ik Made in Japan tevoorschijn. Knullig gerestaureerd met cellotape waar de hoes onder het dagelijks gebruik te lijden had. Koptelefoon op, bassen en hoog maximaal, volume net onder de pijngrens. Is dat geknetter applaus of stof?
Highway star is de energieke opener. Blackmore’s solo heeft een melodieuze, naar een climax voerende structuur, die in het hedendaagse headbangwezen ver te zoeken is.
Smoke on the water is klassiek van opbouw: gitaarintro, ondersteund door applaudisserend publiek, Paice valt in, een paar maten verder Glover’s bas, dan Gillan en Lord en we zijn op weg. De rondzingende microfoon in de solo hoort daar gewoon bij. En wat is stereo toch een prachtige uitvinding, als je Ritchie en Lord hoort duelleren.
The mule is de inleiding van een minutenlange drumsolo – in 1972 was ik net zoals nu een van de weinigen die daarvan hielden.
Strange kind of woman hoort bijgezet te worden in het museum van onvergetelijke live-opnames. Dat duet van Gillan en Lord, waar hoor je dat tegenwoordig nog? Ian zingt kukeleku en Jon tovert onmiddellijk een kukelekugeluid uit zijn orgel.
Lazy zet in met orgel-orgieën die ik twaalf jaar geleden niet begreep en nu maar een beetje. Een hele plaatkant is er gereserveerd voor Space truckin’ – geen Henk Wijngaard in een baan om de aarde maar wel tegen de twintig minuten Deep Purple op komeetsnelheid.
Stel je voor dat Roxy Music weer op tournee zou gaan, met Brian Eno!

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.