Verhuisberichten

Voor het beschrijven van Toms verhuisbelevenissen heb ik gemakzuchtig gebruikgemaakt van een eigen verhuizing. Mijn manier van doen was zoals Mark Tonneur het op pagina 149 van de roman graag ziet: aan een fictief verhaal elementen uit de werkelijkheid toevoegen. De oorspronkelijk in 1994 geschreven tekst werd in 2006 omgewerkt tot een feuilleton dat op mijn weblog te lezen was. De ter gelegenheid van het verschijnen van Sabbatical tot stand gekomen versie hieronder begint met de webloginleiding uit 2006 en eindigt met een uitluiding uit dat jaar.

Inleiding 2006
Dinsdag 2 mei Verhuizen van een Laan naar een Kade – dat klinkt niet als een stijgende lijn. Maar de Laan lag in de Haagse wijk Laakkwartier en de Kade in het groenrijke Loosduinen.
Twaalf jaar geleden stond het Laakkwartier nog niet in een kwade reuk die zelfs door CNN werd opgesnoven, toch kon er bij mijn verhuizing gesproken van een positieverbetering.
Ik was opgegroeid in het Laakkwartier. Ik had er de kleuterschool, de lagere school, een middelbare school en de bibliotheek bezocht, ik had er kranten bezorgd en van mijn negende tot mijn vijftiende bij HVV Laakkwartier gevoetbald.
Toen Laakkwartier naar de eerste klasse van de amateurcompetitie (West II) promoveerde, eind jaren vijftig, had mijn vader deel uitgemaakt van het eerste team, mijn voetballoopbaan was minder glansrijk. Voordat ik in een pupillenelftal werd ingedeeld zat ik in een van de drie zogenoemde ‘combinatie-elftallen’ – samen met andere spelertjes van wie nog bekeken moest worden of zij qua capaciteiten in het eerste, tweede of derde pupillenteam thuishoorden.
Voordat die beslissing genomen werd, in januari 1968, belandde ik voor een ooroperatie in het ziekenhuis en miste daardoor de staart van het seizoen. De jongens met wie ik een combinatie-elftal gezeten had werden allen in het eerste pupillenteam geplaatst, ik in het derde.
Eenmaal werd ik tot mijn verbijstering in het eerste juniorenteam opgenomen, als reserve. Het was een uitwedstrijd tegen het Delftse DHL, aan de Brasserskade. Aan het einde van de tweede helft zag het ernaar uit dat er een speler gewisseld zou worden maar dat feest ging niet door en ik kon me zonder te hoeven douchen weer omkleden. (En werd nadien nooit meer als reserve aan het eerste team toegevoegd.)

De bibliotheek bezocht ik meerder keren per week. Ik leende de spannende boeken van Jules Verne en ook het eerste deel uit de Narniareeks, dat in tegenstelling tot de recente opgefokt gehypte Disneyverfilming een diepe indruk op me maakte.
Toen ik twaalf jaar was voelde ik wel wat voor toetreding tot de volwassenenafdeling van de bibliotheek maar daar moest je dertien voor zijn. Omdat er nog geen automatisering bestond en de lidmaatschapskaart handgeschreven was, kon ik daarop mijn geboortedatum met een jaar vervroegen – niemand die het in de gaten had.
Ik kom nog wel eens in de wijk, er zit een dierenspeciaalzaak die topkwaliteit kattenbaksteentjes verkoopt die elders in Den Haag niet verkrijgbaar zijn. Als sentimental journey heeft zo’n terugkeer naar het decor van mijn jeugd niet veel zin. De kleuterschool bestaat niet meer, de lagere en de middelbare school en de bibliotheek zijn afgebroken, de bibliotheek verhuisde naar een nabije nieuwbouwlocatie.

In mei 1994 stond ik zelf ook op het punt van verhuizen: ik had een woning in Loosduinen toegewezen gekregen. In de periode 4 mei – 24 juli 1994 schreef ik vrijwel dagelijks op de pc Verhuisberichten: een dagboek waarin ik de noteerde wat ik bij het opknappen van de nieuwe woning en dat soort zaken beleefde. Een blog avant la lettre.
Het bewaarde tekstbestand beslaat zo’n 27.000 woorden. Ik heb besloten daarvan een Verhuisfeuilleton te maken. Twaalf jaar na het schrijven bevielen bij herlezing niet alle woorden me nog, zodat ik flink aan de tekst schaafde. Het is geen proces verbaal of een geschiedkundig document, het hoefde dus geen letterlijke reproductie van de tekst van toen te worden. Het schaven ten spijt heeft de tekst de vorm van een dagboek en is dus stilistisch minder verzorgd dan wanneer het om een roman zou gaan.

Verhuisberichten 1994
Woensdag 4 mei Ik sta krap drie jaar ingeschreven als zoekend naar een nieuwe woning. De laatste keer dat ik beleefd om een huis verzocht, kreeg ik te horen dat ik op den duur wellicht in aanmerking zou komen voor een huis dat anderen niet wilden hebben. En dan komt er ineens een bericht van de woningbouwvereniging: men heeft een maisonnette voor me in gedachten, aan een kade in Loosduinen die ik uit mijn hoofd niet ken. Zou het een voormalig drugspand zijn?
Als ik het mogelijk goede nieuws vernomen heb bevind ik mij op kantoor: een goede reden om vervroegd af te reizen. Ik zou koers moeten zetten naar de Kade, maar ik had afgesproken dat ik vanmiddag in Leiden bij Eliane langs zou gaan en afspraak is afspraak. Ze heeft boterkoek gebakken die in geen velden of wegen naar boterkoek smaakt maar die wel erg lekker is en enorm vult. Als ik zie dat een van de vele mieren die vrij toegang hebben tot haar benedenkamer in mijn theekopje is afgedaald, besluit ik dat tijd geworden is om op te stappen.
In Laakkwartier aangekomen rijd mijn eigen huis aan de Laan voorbij en ga op weg naar Loosduinen. Qua timing komt de woning op het juiste moment want binnenkort zal er op de Laan chaos heersen: er wordt een vrije trambaan aangelegd die de in beide richtingen uit twee banen bestaande weg reduceert tot twee enkele zodat men bij het parkeren het achteropkomende verkeer tegen zich opgeknald zal krijgen. Maken dat ik er wegkom, dus.
Loosduinen. Op goed geluk loop ik er rond, hopelijk in de richting van de Kade. Ik zie een bejaardentehuis en een huizenblokkendoos van twee verdiepingen die mij niet vrolijk maken maar ze behoren geen van beide tot de Kade. Die weet ik uiteindelijk te vinden.
Zou dit het echt zijn? Twee woonlagen? Op de bovenste verdiepingen? Met voor en achter vrij uitzicht op waanzinnig veel groen? En beneden nog een fietsenberging ook? Morgenvroeg de woningbouwvereniging om toelichting vragen.

Donderdag 5 mei Om even na negen bel ik de woningbouwvereniging en krijg het voor elkaar dat ik meteen langs mag komen om de zichtsleutel in ontvangst te nemen. De sleutel mag ik tot de volgende dag houden zodat ik mij op mijn gemak een oordeel over de woning zal kunnen vormen. De trappenhuisportiekdeur kan afgesloten worden (en is dat ook) en nergens is graffiti te bespeuren. Ik loop naar de tweede etage en verbaas me op de overloop aangekomen over het schitterende uitzicht: het is of ik midden in de stad buiten woon: een slootje, een parkachtig paadje met een bankje, bomen.
Het valt binnen niet tegen: rechts naast de ingang de afzonderlijke keuken met keurig keukenblok, de praktisch vierkante woonkamer met cv en behang dat niet van rook te lijden heeft gehad. Een trap naar boven: aldaar een zolderkamer met een schuin aflopend dak, maar niet dat je zegt ‘een bedompt hok’. Een flinke badkamer en eveneens boven een toilet – mocht ik door omstandigheden op bed komen te liggen dan kan ik altijd nog naar de plee kruipen en hoef ik niet met mijn zieke of gewonde lijf trap op trap af (behalve om koffie te zetten).
In de gauwigheid heb ik drie muurkasten geteld, alsook drie hang-/legkasten. Beneden stap ik het balkon op, het vrije uitzicht is haast even mooi als aan de achterzijde. Ja, ik denk dat ik hier wel zal gedijen. Maar wat een gigantische operatie zal het worden!

Vrijdag 6 mei Nadat ik de zichtsleutels heb ingeleverd en de woning officieel heb geaccepteerd, word ik zeer op de proef gesteld: ik moet een paar dagen geduld hebben. De aannemer heeft nog het een en ander aan de woning op te knappen zodat ik pas in de loop van volgende week de sleutels zal ontvangen.
De dag is nog lang, het verhuizen moet nog beginnen en ik ben al volkomen uitgeput. Desondanks besluit ik Jan en alleman van het goede nieuws op de hoogte te brengen. Ik rijd naar Leiden, waar Eliane niet thuis is. Bij de warme bakker aan de Lange Mare koop ik drie warme saucijzenbroodjes die ik met de paraplu in de andere hand onderweg naar mijn auto probeer te eten zonder te kruimelen.
Eliane is zojuist bij haar ouders in Wassenaar gearriveerd, moet om halfvier in Den Haag zijn maar laat zich ompraten en zo parkeer ik driekwartier later de Seat aan de Kade, die zij te mooi voor woorden vindt.
Het motregent maar het is hier in weer en wind schitterend. Gistermiddag, toen de zon scheen, was het natuurlijk helemaal paradijselijk.
Eliane heeft honger, ik ook. We lopen door de Loosduinse Hoofdstraat, waar ik van alle gemakken voorzien ben, van lunchroom tot platenboer, van groenteboer tot supermarkt, van boekwinkel tot Blokkerfiliaal. In de lunchroom eet Eliane een pizza en een broodje van het een of ander, ik beperk me tot een espresso en een appelpunt. Ja, ik zit hier goed, verzorgd tot het einde: op een grafsteenworp afstand zit een rouwcentrum.

Weekend 7/8 mei Zo langzamerhand begint tot me door te dringen wat er te gebeuren staat. Onder meer het inpakken en versjouwen van ruim 2700 boeken, bijna 900 cd’s, zo’n 1000 lp’s en 350 videobanden. Vanwege de beperkte huidige ruimte heb ik al boeken in 50 kartonnen dozen zitten en sommige van die dozen zijn niet te tillen. Voordat ik in een kast bergruimte vond, had ik tijdelijk 77 videobanden in een doos opgeslagen en die was haast niet van z’n plaats te krijgen. En het schijnt dat cd’s nog zwaarder zijn dan lp’s!
Ik moet een boekenkast kopen en berekenen hoe groot die dient te zijn. (Ik bedoel eerst berekenen, dan pas kopen.) En straks de boeken volgens een nog uit te kienen systeem in die kast onderbrengen. Daarbij komt dat ik de al ingepakte boeken volgens geen enkel systeem in kartonnen dozen heb geprakt, al weet ik wat in welke doos zit en zijn alle dozen keurig genummerd. (Een uitzondering vormen drie kerstpakketdozen, die volgens mijn schema respectievelijk Kerstdoos 1990, 1991, 1992 heten, terwijl ik geen idee heb in welk jaar ik de betreffende doos ontving.)
Het voorgaande is bij benadering wat mij het hele weekend door het hoofd spookt want er is nog veel meer om je zorgen over te maken. Ik moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat het tapijt wordt bezorgd nadat er geschilderd is en voordat de boekenkast er staat.
Een hoop kopzorg, ik zou de zinnen kunnen verzetten door te gaan trainen: op 12 juni zal ik in Leiden mijn vierde marathon lopen. Maar deze zondag regent het nog steeds en er komt niets van mijn voorgenomen halve marathon. Misschien is het ook wel gekkenwerk, ten tijde van een verhuizing energie verspillen aan hollen. Zal ik volgende de maand maar een halve gaan lopen in plaats van een hele?
Ik breng mijn zus op de hoogte van dit eventuele voornemen en voeg er tussen neus en lippen door aan toe dat ik dan misschien wel in november de marathon van New York loop.
‘Count me in!’ is Ellens eerste reactie en ik doe net of het geld ook mij op de rug groeit. Wel ja, waarom niet, een dag of tien New York, wat kan dat nou kosten, als je van plan bent voor die tijd meer dan je spaargeld aan een verhuizing uit te geven?

Maandag 9 mei Vandaag moeten mijn collega’s het allemaal horen en vooral het bericht dat mijn aanstaande reistijd woning-werkplek praktisch nihil is, slaat in als een bom.
Ik denk dag en nacht na over hoe ik een en ander ga aanpakken en ik weet inmiddels bijna zeker dat ik paarse vloerbedekking wil. Ik wil ook bepaald meubilair en ander wooncomfort, waarbij mijn ogen groter zijn dan mijn portemonnee.
De zon schijnt, hoog tijd de geannuleerde training van gisteren alsnog te houden. Het lopen gaat lekker, misschien doe ik toch maar een hele marathon in Leiden. Wat last gehad van het T-shirt dat onaangenaam over mijn tepels schuurde. Zal wel van de combinatie wind-zweten komen. Als ik thuis het T-shirt uittrek, zie ik op tepelhoogte twee enge bloedvlekken.

Dinsdag 10 mei Het zal binnenkort wel zo druk worden dat ik nergens meer tijd voor heb dus ik besluit vanmiddag nog even bij Eliane langs te rijden. Hopen maar dat ze geen boterkoek gebakken heeft.
Eliane heeft een boekenkast van IKEA, ik heb een aanmerkelijk grotere nodig. Terwijl zij allerlei interessants vertelt, zit ik maar te denken aan maten en gewichten van boeken en boekenkasten en alle spierpijn van dien.
Meestal loop ik over de Nieuwe Rijn naar de auto, nu ga ik voor de verandering langs de andere kant van het water. Ik passeer de etalage van een antiquariaat met daarin een schitterende zeefdruk van Kamagurka: een man zit in een stoel De Avonden te lezen, de wanden achter hem zijn gevuld met talloze exemplaren van hetzelfde boek. Een tweede man kijkt naar de boekenkast en zegt: ‘Je gaat mij toch niet vertellen dat je al die boeken al gelezen hebt!’ Die is voor mij.

Woensdag 11 mei We hebben morgen Hemelvaartsdag en dus vrij en dus neem ik om twaalf uur op kantoor alvast gas terug. Ik bel het Leidse antiquariaat om te zeggen dat ik eraan kom.
De zeefdruk, die maar 200 gulden kost, is beperkt van oplaag (de mijne is nummer 203 van de 250) en door Kamagurka zelf gesigneerd. Je kunt van tevoren een waterdichte berekening maken over hoe je het economischt met je besteedbare verhuisbudget omspringt maar dan heb je geen rekening gehouden met een onvoorziene zeefdruk.
Sinds vorige week spel ik drie jaargangen Consumentengids om te ontdekken wat qua kwaliteit/prijs de gunstigste koelkast, wasmachine en strijkbout is (want alles moet maar nieuw aangeschaft, weg die ouwe troep). Om vervolgens in de winkel te vernemen dat het betreffende model inmiddels is opgevolgd door een apparaat dat nog beter voldoet, wat door geen enkele test gestaafd wordt.

Donderdag 12, vrijdag 13 mei Op de fiets verken ik de buurt rond de Kade. Alom bloemige woonerven. De woonerven gaan over in iets parkigs: volop hardloopmogelijkheden. Als ik het park uitrijd, kom ik bij een winkelcentrumpje. Een gebouw komt me bekend voor. Hier zit Tineke op fitness, herinner ik mij van de keer dat ik haar een lift ernaartoe heb gegeven. En als ik zou willen zou ik elke dag naar het strand kunnen lopen!

Zaterdag 14 mei Vannacht gedroomd dat ik de maisonnette aangeboden had gekregen omdat het er spookte. Vandaag van hot naar her gewandeld om vloerbedekking uit te zoeken. Ik weet niet meer dan dat ik paars wil hebben. Vast staan op dit moment alleen nog de boekenkast en een bureau dat ik in een meubelzaak in de Wagenstraat zag staan. En ik dacht dat ik van de week moe was maar vandaag begint het echt op uitgeput te lijken, terwijl ik van plan ben morgenochtend meer dan een halve marathon te lopen.

Zondag 15 mei Gisteravond, zo kwart over zes, halfzeven, dacht ik: laat ik nog eens hier en daar tapijtwinkeletalages gaan bekijken. Ik liep door de Rijswijkse Herenstraat en was zo in gepeins verzonken dat ik de winkels geen blik waardig gunde. Ik geeuwde maar weer eens en vervolgde de zinloze tocht richting Binckhorst, naar een filiaal van Carpetland. Buiten was het bewolkt en binnen scheen nauwelijks licht zodat ik geen tapijt kon onderscheiden. Dan maar bij McDonald’s ertegenover een kwartponder met kaas en twee McChickens.
En ik weet zelf ook wel dat ik bijtijds naar bed had moeten gaan om uitgeslapen op te staan maar het werd toch weer bij tweeën en pas om negen uur stond ik naast m’n bed. Meer dan een halve marathon? Nee. Toen ik een bord muesli op had weer naar bed. Ik sliep tot bij halftwaalf en vulde de middag met bioscoopbezoek (Naked Gun 33 1/3).
De marathon van Leiden is al over vier weken. Na het eten 21 kilometer gehold in 99 minuten – geen toptijd.

Maandag 16 mei Toen de wekker vanmorgen om kwart voor zes afliep was ik na hooguit vijfeneenhalf uur slaap tamelijk verkwikt (dit zou niet lang duren). Telefonisch inlichtingen ingewonnen bij de instelling voor Gas, Licht en Water; ik moet er binnenkort met legitimatie en huurcontract verschijnen, dan regelen ze binnen drie dagen de diverse aansluitingen.
Bij supermarkt Erika bemachtigde ik vier kartonnen dozen die ik vanmiddag en vanavond gevuld heb met 166 cd’s en 114 boeken. Het nu al inpakken van genoemde cd’s had een speciale bedoening: lange tijd kocht ik als het nodig was een opbergrekje van plastic waar 18 enkele of 8 dubbele in passen maar omdat ik voor die dingen geen bergruimte meer had, begon ik de nieuw gekochte cd’s maar her en der in te passen. In mijn nieuwe huis ga ik het natuurlijk piekfijn inrichten (ik denk aan een stellage van grammofoonplaten en compact discs die het pand een meter of wat zal doen verzakken) en heb daarvoor een x-aantal nieuwe opbergrekjes nodig (als ze tenminste nog in de handel zijn).
Om nu precies te weten te komen hoeveel van die rekjes er moeten komen, heb ik een partij cd’s in dozen geladen en de vrijgekomen opbergrekruimte gevuld met ongeordend gestalde cd’s. Een verschrikkelijke berekening wees uit dat ik zo’n tien nieuwe rekjes moet kopen en als ze niet duurder zijn geworden gaat me dit f 150 kosten. (Waarbij ik het maar niet zal hebben over de mogelijkheid dat ik te zijner tijd besluit tot een geheel nieuw geldverslindend opbergsysteem.)
Over bergruimte gesproken: mogelijk blijkt straks de boekenkast ontoereikend te zijn om mijn volledige boekenbezit te herbergen. Alvast gekeken welke boeken er weg kunnen maar ik kwam niet verder dan vijftig, wat op een collectie van circa 2700 te verwaarlozen is. Zodra ik de doos met Bomansboeken heb uitgepakt, zal ik het kolderverhaal over zijn 25.000 boeken weer eens lezen.

Dinsdag 17 mei Vandaag rustig aan gedaan: vanmorgen bij de supermarkt vier dozen bemachtigd en ze vanmiddag gevuld met 200 cd’s en 75 cassettebandjes. Als ik in dit tempo doorga heb ik binnen een week alles in kartonnen dozen zitten.
De dag begon met enorme neerslag en nu het acht uur ’s avonds en tamelijk droog is, heb ik geen puf meer om te gaan hollen. Mijn toch al weinig strikte trainingsschema krijgt daardoor de zoveelste opdonder; laat ik hopen dat mijn conditie door het inpakken min of meer stabiel blijft, anders wordt het op 12 juni in Leiden een fiasco.

Zaterdag 20 mei Het is gedaan met de betrekkelijke rust: een terugblik op de voorbije dagen. Woensdag en donderdag waren dagen van afwachten maar niet van stilzitten want zo zit ik niet in elkaar. Elke ochtend als ik onder werktijd even de straat op ging om een krant te kopen, nam ik bij de buurtkruidenier een paar lege dozen mee en die vulde ik beide avonden met het restant cd’s: ze zitten nu in elf verpakkingen, en de lege cd-boxen zijn van alle stof ontdaan en opgestapeld. Het stof afnemen deed het ergste vrezen voor het segment boven aan de boekenplanken dat nimmer met een stofdoek in aanraking is geweest.
Donderdagochtend vond ik om elf uur dat ik die dag lang genoeg gewerkt had en nam vrij. Bij twee tapijthallen zocht ik vergeefs naar vloerbedekking die in mijn smaak viel – daarom besloot ik maar gewoon bij het interieurwinkeltje op de hoek te informeren naar de levertijd van de rol die ik al een paar keer met instemming begluurd had.
Op vrijdag sliep ik uit tot halfacht en trok om tien over negen mijn schoenen aan. Op dat moment ging de telefoon. Een dame van de woningbouwvereniging berichtte dat het nog wel even kon duren voor de benodigde keuken- en badkamertegels er waren en dat het misschien wel zo geregeld zou kunnen worden dat ik alvast het huurcontract tekende enzovoort en dat ik daarvoor dan in de loop van de volgende week zou kunnen langskomen. De loop van volgende week? Zou het vandaag niet lukken? Ze raadpleegde haar agenda, en besloot dat ik om kwart voor elf mocht langskomen.
De baliemedewerker die ik nog van de vorige keer kende overhandigde de rekening met verschuldigde bedragen, die ik eerst op mijn gemak mocht doornemen. Nadat ik dit gedaan en vervolgens betaald had, was het wachten op de dame die ik aan de lijn gehad had. Even na elf uur zat ik tegenover haar in een kamertje. Ze nam het huurcontract door en haalde nadat we beiden in tweevoud getekend hadden een plastic zak vol sleutels te voorschijn. Een paar voordeursleutels, een paar brievenboxsleutels, een paar portiekdeursleutels, een paar fietsenbergingsleutels. Snapte ik alles en had ik nog vragen? Ja en nee? Dan had ik vijf werkdagen de tijd om eventuele door mij opgemerkte gebreken door te geven. Veel woongenot!
Ik had gisteren geprobeerd een gemeentelijke instantie op te bellen. Ik wilde weten hoe het zat met de aansluiting van gas, licht en water. Ik belde een wijkelijk steunpunt. De telefoon ging twee keer over: ‘Er is nog één wachtende voor u.’ Vervolgens een paar keer: ‘U wordt als eerste geholpen,’ en toen vond men het aan gene zijde kennelijk welletjes en verbrak de verbinding. Ik probeerde het nog een keer maar gaf na zes keer ‘U wordt als eerste geholpen’ op.
Ik keek nog eens in het telefoonboek en zag dat er in de Loosduinse Hoofdstraat ook een wijkelijk steunpunt van het GEB zat. Het was rustig aan de balie, er was niemand voor me. Ik zei tegen de Surinaamse heer die me vriendelijk toeglimlachte: ‘Heeft u voor mij gas, licht en water?’ en hij nodigde me uit plaats te nemen. Voor gas en licht zou er straks een collega komen, voor water was ik bij hem aan het goede adres. Wat was mijn adres? Ik noemde het en haalde ter legitimatie mijn rijbewijs te voorschijn. Ik vroeg of hij ook mijn huurcontract wilde zien want ik had gehoord dat dit vereist was. ‘Meneer, u heeft zo’n eerlijk gezicht, ik hoef het huurcontract niet te zien.’
Als het meezat zou er aanstaande woensdag iemand langskomen om de meterstand op te nemen. Ze hadden die al in de computer zitten maar voor alle zekerheid werd het ter plekke nog even gecontroleerd. Schikte het mij, woensdag?
‘Hoe laat ongeveer?’
‘Het kan ’s morgens of ’s middags.’
‘Het liefst ’s morgens.’
‘Dan komt er ’s morgens iemand.’
‘Hoe laat precies?’
‘Dat kan ik niet zeggen.’
‘Het probleem is dat ik geen stroom heb, zodat de bel het niet doet.’
‘Dan klopt hij wel op de deur.’
‘Dat kan niet, er is een portiekdeur die op slot zit.’
‘Weet u wat,’ zei de ambtenaar, die zijn geduld nog steeds niet verloren had, ‘ik noteer hier voor u een naam en telefoonnummer en als u dan zelf even de stand opneemt en aan deze meneer doorgeeft, dan is alles in orde. En dan kunt u hiernaast bij mijn collega terecht voor gas en licht.’
Al met al was het kwart over een toen ik na eindeloos sleutelgegoochel de portiekdeur ontsloot en de brievenbox opende. Die was tot uitpuilens toe gevuld met doordeweekse reclame en aan de vorige bewoner gerichte post, waaronder een NCRV-gids en een orgaan van de gereformeerde kerk.
Vreemd dat hij de post er niet zelf uitgehaald had, vreemd dat hij er niet voor gezorgd had dat de PTT en Roparco wisten dat hij ging verhuizen. Met alle post in de rechterhand stond ik voor de voordeur en manipuleerde met de linker het trosje sleutels tot ik die met het juiste label gevonden had. En toen bleek de sleutel niet in het slot te passen!
Een vergissinkje van de woningbouwvereniging, kon voorkomen, een leuk verhaal om mee terug te komen bij de balie. Ware het niet het niet dat het vandaag vrijdag was en dat men, zo had de man van de balie me de vorige keer verteld, op vrijdagmiddag gesloten was!
Vrijdagmiddag tegen halftwee, de sleutel paste niet in het slot en bij de woningbouwvereniging stonden de medewerkers vermoedelijk op het punt naar huis te gaan.
Als een bezetene draafde ik de trappen af. Ik zocht wanhopig naar een papierbak voor het reclamedrukwerk maar de enige bak was een glasbak. Alles maar in de auto en in volle vaart naar het woningbouwpand, dat hermetisch van aanwezigen ontdaan was.
Stel je voor dat ik me vergist had en de verkeerde sleutel in het voordeurslot had geprobeerd te steken. Ik reed terug naar de Kade en probeerde het opnieuw. Geen enkele sleutel paste op de voordeur en bovendien paste geen enkele sleutel op de fietsenberging.
Daar ging het lange weekend boel opknappen. Door deze ongein moest ik me nog haasten ook want ik had afgesproken dat ik met Ellen naar IKEA zou gaan en daarvoor moest ik om halfdrie thuis zijn. Om even over twee had ik in het telefoonboek de lijst met nummers van de woningbouwvereniging gevonden; alle nummers leidden tot een antwoordapparaat waarvan ik de boodschap aanvankelijk niet wenste aan te horen maar de vierde keer wilde ik toch wel eens weten wat men te zeggen had. Er werd gezegd dat ik in geval van nood een bepaald nummer moest draaien.
Aan een vriendelijke dame deed ik mijn sleutelavonturen uit de doeken. Ze zei dat ze meteen een collega ging opsporen en dat die mij zou terugbellen. Daar hoor je nooit meer wat van, dacht ik, maar binnen twee minuten ging de telefoon. De man die mij belde had zozeer begrip voor de situatie, dat hij aanbood een timmerman te sturen om de deur uit de scharnieren te breken en een nieuw slot aan te brengen. Hij ging meteen iemand bellen die mij meteen zou terugbellen.
Ik vond het een vrij rigoureuze oplossing en hoopte maar dat de zaak niet met dynamiet tot een oplossing gebracht zou hoeven worden. Vijf minuten later de telefoon: de aannemer van de woningbouwvereniging liet weten dat hij zich in de Orionstraat op het industrieterrein Binckhorst bevond en dat ik als ik er binnen tien minuten was hem daar nog zou aantreffen, en dat ik dan zijn sleutel zou krijgen.
Ik belde Ellen, vatte samen dat het een te lang verhaal was maar dat zij bij aankomst maar even op het portiek moest gaan zitten, dan zou ik er zo zijn.
Met 80 kilometer per uur reed ik één bonk James Bond over de Neherkade en scheurde op niet meer dan een enkel wiel door de diverse bochten tot ik bij de Orionstraat was. Het bedrijf dat ik betrad leek verlaten; na enig heen en weer gedraaf ontwaarde ik een man die in een kantoortje zijn jas al bijna had aangetrokken.
‘Hoe ziet uw sleutel eruit?’ vroeg hij.
‘Zo,’ zei ik, en haalde een handvol sleutels uit mijn broekzak. Het was een complete collectie, afgezien van die van de voordeur, want die had ik van ellende thuis op tafel laten liggen.
‘Deze heb ik gebruikt,’ zei de aannemer en liet de zijne zien, die er heel anders uitzag dan de mijne, kon ik haast ongezien zien.
‘Als u die gebruikt hebt moet het de goede wel zijn,’ zei ik.
‘Neemt u die dan maar mee.’
‘En u dan?’
‘Ik heb ’m niet meer nodig, we zijn klaar in het huis.’
‘En de tegels in de keuken en de badkamer dan?’
‘Die zijn gisteren gekomen, die hebben we geplaatst.’
‘En de rest?’
‘We hebben alles gedaan wat we moesten doen.’
‘Ook het raam boven?’
‘Er is een nieuw raam geplaatst.’
Opgelucht scheurde ik naar huis, waar Ellen gehoorzaam op het portiek zat te wachten. We reden, in Ellens auto, en zij aan het stuur omdat ik het niet meer had, naar Loosduinen. De sleutel paste als geen andere en de keuken blonk van de nieuwe tegels. In de woonkamer stonden een paar zakken cement maar het zag ernaar uit dat het karwei geklaard was.
Terwijl we alle maten opnamen, kwamen we tot de conclusie dat alles, van boven naar beneden en van links naar rechts, opnieuw geschilderd zou moeten worden en dat ik dat wel even zou gaan doen.
Bij IKEA controleerde ik of de meubels en de tafels en de bedden er wel net zo aanlokkelijk uitzagen als in de catalogus. In de kantine al wist Ellen me ervan te overtuigen dat bepaalde meubelstukken te zwaar op de beschikbare ruimte zouden drukken.
Het kan zijn dat de vermoeidheid me parten speelde – toen Ellen onderweg naar huis zei: ‘Je moet een paar fittingen kopen,’ zei ik: ‘Wat zijn dat?’
Ze moest om acht uur in de bioscoop zijn en ik ging allerlei berekeningen uitvoeren met betrekking tot het plaatsen van boekenkasten en platenbakken, zodat ik omstreeks halftwaalf niet meer uit mijn ogen kon kijken van de slaap.
Geeuwend lag ik in bed en overdacht het een en ander. Terwijl het maar doormaalde in mijn hoofd, raakte ik over de slaap heen en was om twee uur nog niet vertrokken – integendeel, ik kreeg een verdomd goed idee: aan de wanden van de wc-ruimte zou ik planken voor pockets kunnen hangen. Gaap!
Vanmorgen werd ik in kwart over zeven wakker – we zijn eindelijk aangekomen op zaterdag 20 mei. Ik zou met Ellen een aantal interieurwinkels afgaan en daartoe omstreeks twaalf uur bij haar aanbellen maar wilde voordien verf kopen want dat huis knapte zichzelf natuurlijk niet op.
Je kan mij honderd keer vertellen dat twee emmers van vijf kilo verf te zwaar zijn voor een wandeling, toch liep ik er vanaf de tramhalte Rijswijkseweg tot schouderpijns aan toe mee te sjokken alsof ik stage liep voor de kaasmarkt van Alkmaar.
Toen Ellen een uur later koffie inschonk, bracht ik weinig meer voort dan langgerekte geeuwen. ‘Je was zeker laat gaan slapen en vroeg wakker,’ zei ze, omdat ze vroeger ook wel eens verhuisd is.
Morgen gaan we de boel schoonmaken maar vandaag was er nog even gelegenheid voor gewinkel. Geeuwend liep ik naast haar voort om meubels te bekijken waar ik geld noch ruimte voor had.
Er was regen voorspeld en toen ik een uurtje later zonder paraplu naar huis liep, viel die ook, zodat ik een beetje opgefrist raakte.
O ja, de marathon van Leiden: nog drie weken. Als ik vanavond 18 kilometer loop, dacht ik, loop ik er overmorgen zo’n 25, anders wordt het niks. Maar toen ik de korte broek al aan had dacht ik: nee, ik ben te moe, ik loop er morgenochtend wel 25.

Dinsdag 24 mei Toen ik aan deze verhuisberichten begon, kon ik nog niet weten dat ik binnen een maand voldoende stof zou hebben voor een uitzending van Ook dat nog. Maar laat ik beginnen bij afgelopen zondag. Dat vergt enig terugrekenen want zo langzamerhand weet ik niet meer uit mijn hoofd welke dag het is. Gisteren was het bijvoorbeeld maandag, maar ook een beetje zondag, omdat het Pinksteren was. Eerst de echte zondag.
Ik had de wekker om zes uur laten aflopen, at een bord muesli, dronk een kop koffie, rookte een sigaar, las een paar pagina’s in de Hooverbiografie van Anthony Summers en zag dat het begon te motregenen. Het zou later op de dag mooier weer worden dus ik besloot ’s avonds te gaan hollen, en de dag te beginnen met klussen in mijn nieuwe huis.
Ik laadde de potten verf, een evenmin gewichtloze radiocassetterecordercombinatie, de trap en divers schildergerief alsmede brood en frisdrankjes in de auto en was daarmee al bijna kapot. Om halfnegen op weg. Toen ik Loosduinen tot op twee kilometer genaderd was schoot me te binnen dat de stofzuiger zich nog in het Laakkwartier bevond: linksomkeert.
Zo vroeg op de zondagochtend was Loosduinen in diepe rust. Met de trap onder de arm trachtte ik de portiekdeur te ontsluiten maar daarvoor heb je twee handen nodig – dat belooft nog wat voor het verhuizen van de naar schatting ruim honderd kartonnen dozen.
Ik deed de voordeur open, zette de eerste partij goederen neer en haalde de volgende op, in de onberedeneerde angst dat het deurslot bij de volgende poging niet om de sleutel zou passen.
Van even voor tien tot kwart over twaalf, toen Ellen zich meldde, witte ik boven met dubbeldekkende muurverf de schuin aflopende kurkwand. Ik bleef keurig uit de buurt van de scheidingslatjes, totdat ik bedacht dat die ook best wit mochten worden.
Terwijl mijn zus in de keuken het vuil verwijderde, schilderde ik de kurkwand af. We hadden de afgelopen dagen al diverse buurvrouwengrappen uitgewisseld, Ellen vertelde dat er op nummer 94 een oogverblindende roodharige gehuisvest was. Toen ik er de leeftijd voor had waren mijn buurvrouwen of lelijk of in de zestig (en meestal beide), nu leek het niet op te kunnen.
We hielden er om vier uur mee op want ik moest nog hardlopen. En natuurlijk voelde ik me daar na het eten te moe voor. Opstaan als ik even gezeten had viel al niet mee.
Gisteren (maandag en vanwege Pinksteren ook een beetje zondag) liep opnieuw om zes uur de wekker af. Ditmaal overtuigde ik mezelf ervan dat er echt gehold moest worden want er waren nog maar drie trainingszondagen tot de marathon te gaan.
Ik liep een halve marathon. Het kostte me 98 minuten, wat nog niet je dat is. Na een douche en een bord havermout (vooraf had ik een bord muesli verslonden) reed ik naar Wassenaar om Eliane 34 grammofoonplaten die ik niet meer nodig had cadeau te doen. Zij wilde mijn nieuwe huisje ook vanbinnen zien maar moest eerst in Leiden de kattenbak verschonen, zodat we pas omstreeks drie uur Loosduinen bereikten. Om indruk op haar te maken plamuurde ik een paar oneffenheden in de muur waterpas en vond het toen wel weer welletjes.
Ik bracht Eliane terug naar Wassenaar, at een lichte maaltijd, en besloot toen, omdat ik ’s morgens maar zo’n klein eindje gelopen had, nog even heen en weer te fietsen naar de familie Mentink in Leiderdorp. Ik vertelde wat ik allemaal nog moest doen en dat ik waarschijnlijk een mannetje zou laten komen om gaten te boren. ‘Maar dat kan je toch zelf wel!’ riep mevrouw Mentink uit. ‘Dan schat je ons toch te hoog in,’ mengde meneer Mentink zich in het gesprek – zelf kan hij niet eens een autoband verwisselen, wat mij toch maar mooi een keer gelukt was. ‘Is toch heel simpel!’ zei mevrouw Mentink. ‘Je houdt het boortje er tegenaan en dan gaat-ie vanzelf naar binnen.’ ‘U bent geloof ik in de war met iets anders,’ zei ik.
Omdat ik vandaag moest werken, liep de wekker al om kwart voor zes af. Drie uur later had ik de woningbouwvereniging aan de lijn. Een dame die ik nog niet eerder had gesproken vroeg om een ogenblikje geduld en zei daarna dat ik de correcte sleutels om halfelf kon komen afhalen. Aangezien ik niet van plan was daar vrij voor te nemen, zei ik dat ik morgen omstreeks halftwaalf wel langs zou komen.
Veel was er niet te doen op kantoor, om tien uur nam ik de rest van de dag toch maar vrij. Onderweg kwam ik over de Binckhorst, dus ik kon meteen wel even langs de Orionstraat om de aannemer te zeggen dat hij later vandaag of morgen langs kon komen om zijn spullen op te halen. De aannemer zelf was er niet, een medewerker maakte een aantekening.
Ik reed naar huis om kluskleren aan te trekken, kocht bij de HEMA een bezem, een tube vulmiddel en een kleine kwast, en was klaar voor een dagje witten en poetsen.
Het met één hand openen van de portiekdeur had ik nog niet onder de knie en ik moest alle bagage dus weer op de grond zetten.
Hé, wat gek, zag ik door het gordijnloze keukenraam: de ene plastic emmer stond in de andere, terwijl ik ze gisteren toch naast elkaar had gezet.
Lastig was dat toch, elke sleutel apart aan een eigen label. Voordat ik de voordeursleutel in het slot kon steken had ik eerst per abuis die van het portiek en de brievenbox in de aanslag. Ik stak de goede sleutel in het slot en probeerde ’m om te draaien en – de sleutel paste niet meer in het slot!
In mijn vieze kluskleren reed ik naar de woningbouwvereniging. ‘Dag meneer De Jong,’ zei de baliemedewerker. ‘Heeft u vandaag al kunnen lachen?’ zei ik en vatte in het kort de toestand sinds het in ontvangst nemen van de eerste verkeerde deursleutel samen. Het was heel simpel maar daarom niet minder om gek van te worden. Vanmorgen vroeg had de aannemer niet alleen hier en daar nog wat dichtgesmeerd en zijn spullen gepakt maar ook een nieuw slot gemonteerd. Het slot dat er in had gezeten, hoop ik dat ik goed begrepen heb, was een zogenaamd ‘half cilinder’ en er hoorde een ‘heel cilinder’ in te zitten. En de bijbehorende sleutels zou ik morgen volgens afspraak komen ophalen, dus niet kopieën van de sleutel die ik al had.
Morgenochtend komt er iemand van het GEB iets doen, ik moet dus zien dat ik die mensen aan hun verstand breng dat ze beter ’s middags kunnen komen. Ook moet ik Ellen op het ergste voorbereiden want zij staat om halfelf voor de deur. Ikzelf kan morgen om negen uur de sleutel ophalen want het was vrijwel zeker dat men er bij de woningbouwvereniging vanmiddag al over zou beschikken. Als alles dus goed gaat, zijn er straks een heleboel dingen niet verkeerd gegaan.
Het is nu ongeveer tien over halfacht. Er staan naast mijn bureau drie flinke te vullen kartonnen dozen, dus ik vermaak me wel.

Donderdag 26 mei De woensdag begon met een bezoek aan de woningbouwvereniging, waar men na het gebruikelijke ‘Ah, meneer De Jong’ een bos voordeursleutels tevoorschijn haalde. Ik was zeer in mijn schik en stelde een nieuw woningverdelingsysteem voor: wanneer er een woning vrijkwam, dan zou men honderd sleutels moeten laten maken, honderd gegadigden oproepen en die ieder een sleutel geven. Degene die het eerste de voordeur gevonden had waar de sleutel op paste, kreeg het huis toegewezen. De baliemedewerker vond het een mooi idee en een zo mogelijk nog mooier idee alle opgeroepenen 25 gulden te laten betalen.
Met het nadrukkelijke verzoek het nieuwe slot er in godsnaam minimaal een week op te laten zitten, vertrok ik – de onbruikbare fietsenbergingsleutels liet ik achter, daar zou straks nog iemand voor langskomen. En o ja, ik ontving contant 161 gulden terug wegens te veel betaalde huur en men zou ook proberen te regelen dat ik voor alle ongemak drie dagen huur terugkreeg.
Ik reed naar Loosduinen en vond in de brievenbox de eerste aan mij gerichte post: de woningbouwvereniging liet weten dat met ingang van juli de huur met 5,5% ofwel 30 gulden verhoogd was.
De sleutel paste in het slot alsof hij ervoor gemaakt was en ik pakte opgelucht bezem en stoffer en blik om gruis- en stofresten op te ruimen. Toen Ellen tegen halfelf arriveerde had ik bovendien een paar muurgaatjes gevuld met plamuur.
Ze wilde onmiddellijk gaan schilderen maar ik vond dat schoonmaken voorging en ging daar zelf in voor. We waren nog geen uur bezig toen ik het hoog tijd achtte voor koffie met appelpunt en dus togen we naar de lunchroom, waar mijn appelpunt verstopt zat onder een laag slagroom.
Van alles en nog wat en nog veel meer moest ik hebben; tegenover de lunchroom zat een Blokker. Ik kocht een emmer/dweilcombinatie, een pleeborstel en een vuilniszakkenbak, en ook nog vier voordeurbelbatterijen waarvan ik schatte dat ze niet het goede formaat hadden maar waarvan Ellen meende dat ik ze altijd kon ruilen.
De batterijen waren een maatje te klein. Terwijl zij verder ging met schoonmaken haalde ik een groter maatje. Deze pasten precies maar als je op de deurbel drukte ging de bel niet over.
Ik vergat nog te vermelden dat toen we net met schoonmaken begonnen waren, er een afgevaardigde van de woningbouwvereniging voor de deur stond. Hij had de door mij afgewezen fietsenbergingsleutel bij zich en wilde weten waarom ik vond dat die niet paste want hij had de deur er zonder moeite mee open gekregen.
Het kon zijn dat ik een blunder begaan had, ik liep met voor de zekerheid alvast wat gebogen hoofd met hem naar beneden. Om het me nog eens in te wrijven deed hij de deur een-twee-hup open, ik kon weinig anders dan boerenlullig uit mijn ogen kijken en het ook eens proberen – ja, maar, een beetje stroef ging het wel, dat was meneer toch wel met mij eens?
Toen Ellen om een uur vertrok omdat ze andere dingen te doen had, overwoog ik het ook voor gezien te houden maar dan zou het huis helemaal nooit aan kant komen, dus ik begon geeuwend de verf te roeren.
Het ging weer lekker snel, het voordeel van bruinig vinylbehang verven is dat je meteen resultaat ziet. Het witten van het plafond was ondankbaar werk omdat het plafond al vrij wit was; zo wit zelfs, dat nauwelijks te onderscheiden was wat al gedaan was.
Omdat hij tussen een en drie zou komen, belde de man van het GEB om kwart voor drie aan. Toen hij de kast met elektra opengemaakt had, vroeg hij wie het zegel op de meterkast verbroken had. Ik ontkende schuld. Het idee alleen al dat ik zegels van apparaten die met elektriciteit te maken hadden zou verbreken was te bespottelijk voor woorden.
Ik denk, zei ik, dat de aannemer stroom nodig had. Ja ja, zei de elektriciteitsman. En hoe moet dat dan? Wij hebben de stand op het moment dat de vorige bewoner vertrok en dit is de stand op het moment dat u hier komt wonen. En wie gaat dan het verschil betalen?
Hij zei het op die verrukkelijke toon van: ‘Als we dat allemaal zouden gaan doen zou het een mooie boel worden.’ Als de werklui met het boren 0,0000039 cent stroom getrokken hadden zou het veel zijn, maar inderdaad: wie ging dat betalen? Ik voor geen geld.
Omdat ik geen zin meer had, borg ik omstreeks halfvier de spullen op en reed naar huis. Deze avond zou ik nog een flink eind moeten gaan hardlopen maar ik was een beetje aan de moeie kant en bovendien was er morgen weer een dag. De weerman had echter gezegd dat het donderdagmiddag zou gaan regenen. Enfin: om kwart over zeven begon ik aan een rondje van 18 kilometer, waar ik 80 minuten over deed, zodat ik om tien uur zonder tegenzin in bed kroop.
Vanmorgen kocht ik bij de HEMA verf en een reservekwast en slaagde erin voor halfdrie het grootste deel van de slaapkamer te schilderen. De gaten in schuine kurkwand had ik aardig dicht geplamuurd maar helemaal mooi wordt zoiets nooit. Ik besloot de hele wand met structuurverf over te kwasten en reed onderweg naar huis weer langs de HEMA. In totaal heb ik al zo’n 200 gulden aan verf uitgegeven.
Na het eten vulde ik een paar dozen met boeken; er zijn er al ruim 2000 ingepakt, het einde is in zicht. Alleen wordt het een steeds groter probleem de gevulde dozen zo neer te planten dat je er niet voortdurend je nek over breekt. Het is nu even na halfacht; straks neem ik een oppeppende douche en rook nog een sigaar. Morgen komt Ellen weer helpen. Er komt ook iemand van de woningbouwvereniging kijken naar de defecte bel – ik hoop maar dat die dan nog defect is. Ook benieuwd wat hij van de gehavende keukendeur vindt. Voor mij hoeven ze ’m niet over te schilderen want hij gaat toch de fietsenberging in. Ik wil alleen niet als ik mettertijd metterwoon vertrek voor het overschilderen opdraaien.

Zondag 29 mei Hoe het komt weet ik niet maar ik geloof dat ik een beetje moe ben. In de verhuissaga sluipt de sleur binnen. Het is momenteel een kwestie van schilderen, overschilderen en nog eens overschilderen. Vrijdagochtend was ik vroeg op het karwei om de slaapkamer een strijkje te geven; het is vooral dat voor de zoveelste keer dezelfde ruimte onder handen nemen waar je temmes van wordt.
In de loop van de dag verscheen er een monteur van de woningbouwvereniging die de voordeurbel uit elkaar schroefde en het drukknopje verving. Het was een reparatie van niks maar ik was dolblij dat de bel het toen hij kwam niet deed want je krijgt een naam als je mensen steeds voor niks laat komen.
Zaterdag slaagde ik erin tot bij halfacht uit te slapen. Ik kocht alle ochtendkranten, rookte een welverdiende sigaar en trok de stad in. Er waren me al twee dagen geen merkwaardige verhuiszaken overkomen dus het kon niet lang duren tot er weer iets gebeurde om over na te denken. Met twee pakken authentiek Engelse koekjes had ik Marks & Spencer verlaten en stak over richting HEMA. Vlak bij het trottoir keek ik opzij en onwillekeurig iemand aan. Ze keek (willekeurig of onwillekeurig) terug en maakte een zwaaigebaar en glimlachte. Achter de brillenglazen zat tot mijn verbazing Tineke, die volgens Eliane afgelopen woensdag naar Malta was afgereisd voor twee weken diepzeeduiken en diep nadenken.
‘Hoor jij niet op Malta te zitten?’ zei ik.
Ze zei pas aanstaande dinsdag te zullen vertrekken en was dus geen fata morgana.
Maar nou dat brilletje.
‘Hoort dat bij je beroepskleding, die bril?’ (Tineke is advocaat.) Ik kende haar alleen met contactlenzen en wist niet wat ik zag want ze ziet er met bril leuker uit dan zonder.
De rest van de zaterdagochtend en de halve middag was ik met de kwast in de weer. Ik doodde een tweetal binnengevlogen insecten die ik niet had kunnen identificeren en die hopelijk niet drager waren van de vleesetende bacterie die in een uur tijd je lichaam kan doen wegrotten.
Omdat ik geen zin meer had in de slaapkamer, witte ik de wanden van de gang en een stuk plafond. Het is geen werk waar je direct moe van wordt – nee, na verloop van tijd kreeg ik iets over me van: geen zin meer. Om vier uur was ik weer thuis, rookte een tweede welverdiende sigaar, at een bordje havermout en rookte een derde sigaar.
Volgens planning zou ik morgenochtend gaan hardlopen maar omdat het niet regende besloot ik deze zelfde avond al van start te gaan. Ik liep, om een lange afstand kort te maken, twee uur en zeventien minuten en rookte na een verfrissende douche een vierde welverdiende sigaar. Ik was tamelijk moe en knipte al om elf uur het licht uit maar bleef tot halfeen wakker liggen en dacht daarbij over van alles en nog wat na.
Vanmorgen, zondag dus, werd ik na acht uur nachtrust wakker. Met een bord muesli op schoot keek ik naar een praatprogramma op NBC Super Channel. Het ging over een onlangs in Florida (?) aangenomen wet (?) die leerkrachten opdraagt leerlingen bij te brengen dat Amerika en de Amerikaanse cultuur superieur zijn. Een leerlinge High School die telefonisch reageerde stemde hier zeer mee in want zij vond dat de Amerikaanse regering bijvoorbeeld superieur was aan die van Haïti.
Ik had geen puf om op te bellen maar ik had de presentator graag geciteerd uit het boek over J. Edgar Hoover dat ik bijna uit heb en de kijkers herinnerd aan onder meer Watergate, de rassenscheiding die pas dertig jaar tot het verleden behoort, de (inderdaad superieure) georganiseerde misdaad, de oorlog in Vietnam en het blootstellen van dienstplichtige militairen aan kernproeven anno de jaren vijftig.
Het kan gewenning zijn maar er was een soort berusting over me gekomen. Ik had om tien over elf de auto tegenover mijn nieuwe huis geparkeerd en was naar de portiekdeur gewandeld met de bedoeling die te openen. De sleutel ging soepel in het slot maar van omdraaien was geen sprake: de deur was dicht en bleef dicht. Ik probeerde voor de aardigheid de andere sleutels, geen enkele paste.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat tussen vier uur gistermiddag en elf uur vanmorgen mijn sleutel was opgehouden in het slot te passen? Wie had waarom een ander slot in de deur gemonteerd? Het was Jehovahtijd, dus het had geen zin bij de buren aan te bellen met het verzoek de deur open te maken. Mijn voorganger in het huis had als gereformeerde kennelijk in een uitzonderingspositie verkeerd want geen mens kwam naar buiten om naar de kerk te gaan.
Een lachertje, maar het lachen was me vergaan en bovendien berustte ik. Ik liep om het pand heen, controleerde of het slot van de fietsenberging nog om de sleutel ging en probeerde toen het slot van de brandwenteltrap – de portiekdeursleutel paste! Ik ging buitenom naar boven, ontsloot de voordeur en ging gretig schilderen totdat Ellen om halfeen arriveerde. Ik had haar een setje sleutels gegeven, ook zij had de portiekdeur niet open gekregen. Dat ik problemen met dat slot had kwam dus niet doordat ik olms was geworden van alle sleutelperikelen.
Ellen witte de keuken verder, ik bestreek dat deel van de trap dat ik kon bestrijken (voor de bovengedeelten zal iets hoogwerkerigs met een vangnet gearrangeerd moeten worden, ben ik bang) en ten slotte witte ik een aanzienlijk deel van de woonkamerwanden. Het einde van het schilderkarwei komt in zicht, het wordt tijd afspraken te maken met betrekking tot tapijtlevering.

Maandag 30 mei Morgen weer vroeg op, dus ik kan wel even met dit verhuisverslag doorgaan tot ik erbij neerval. Het werd een redelijk goed gevulde dag: halfacht eruit, kwart over negen op de Kade. De portiekdeur kreeg ik moeiteloos open; wat er ook mis mee was, het euvel is vannacht verholpen.
Tot halfeen schilderde ik de hele woonkamer behalve het plafond en de ‘lastige plekjes’ en een aanzienlijk deel van de gang. Om een uur deed ik een paar boodschappen, onttrok via de geldautomaat honderdvijftig gulden aan mijn saldo, tankte benzine en reed naar Leiden.
Er was in tegenstelling tot de meeste maandagen post gekomen; afkomstig van meneer Mentink, die een uit New York afkomstige fax doorstuurde. Een zakenrelatie had onderzocht waar ik moest wezen voor een startbewijs voor de Marathon aldaar en adviseerde onmiddellijk actie te ondernemen.
In Leiden kocht ik een nieuwe korte hardloopbroek van het merk Hummel, dat in grote letters op de rechterpijp te lezen is. Ook bemachtigde ik een startbewijs voor de Leidse marathon. In Vroom & Dreesmann zat een gepensioneerde heer aan een tafeltje propaganda te maken voor het evenement. Hoewel ik al had gezegd dat het mijn vierde Leidse marathon zou worden, legde hij uit hoe het startnummer bevestigd dient te worden.
Eliane was nog niet thuis en ik liet dus maar een pak authentiek Engelse koekjes en een kopietje van de verhuisberichten-tot-gisteren achter. Bij de HEMA nam ik een pot verf en een kwast voor achter de cv mee, keurig tegen etenstijd was ik weer thuis.
Ik luierde een uurtje op balkon, trok de New Balance en de oude korte broek aan en liep in 45 minuten een tienkilometertje. Ter bekroning van de dag schreef ik een brief aan het New Yorkse marathonhoofdkwartier en nu ga ik slapen.

Woensdag 1 juni Het is kwart over vijf en om niet vol zonverbrandingsblaren aan de marathonstart te verschijnen, heb ik het balkon zojuist verlaten. De rest van deze eerste junidag wil ik nuttig vervolgen met het schrijven van dit verhuisbericht, met het vullen van een doos met boeken en met een stukkie trainen – laat ik het niet te dol maken en het bij 18 kilometer houden.
Gisteren was ik even op kantoor om te werken want dat hebben ze graag. Ik bleef tot elf uur, reed naar huis, at een boterham en wandelde naar de stad. Ik wilde Tineke bij terugkeer uit Malta verrassen met een verjaardagsansichtkaart naar de film The Maltese Falcon maar die kon ik nergens vinden. Het werd er een met voorop de lullige tekst Wel Kom Thuis, versierd met een echt kompas dat het niet doet.
Ellen kwam na haar werk langs om te eten en om eindelijk ook in de etalage mijn nieuwe tapijt te zien. Ze vond de kleur gelukkig mooi want ik had de koop al gesloten. Voordat ik naar de stad liep had ik behalve deze vloerbedekking bijpassend keukenzeil uitgezocht; morgenochtend komt men de boel opmeten.
Vanmorgen zowaar tot kwart voor acht op bed blijven liggen. Om halfnegen had ik al aansluiting met het 06-nummer van de PTT, om te informeren naar mijn aansluiting. Het was (wat mij betreft) niet helemaal duidelijk wat het probleem was. Het kon zijn dat ik nog een rekening te voldoen had, meende men (was niet zo), het kon zijn dat de vorige bewoner dat had. Na het raadpleging van de computer legde de telefoniste uit dat het kwam doordat ik niet officieel op het adres sta ingeschreven. Als het goed was zou ik daarover bericht hebben ontvangen en het kon zijn dat dit in de brievenbox van mijn nieuwe huis lag te wachten.
Meteen erachteraan belde ik Casema om te vragen of ik al aangesloten was want de aansluiting werd alvast in de GEB-aanslag voor juni verrekend, terwijl ik als ik nog geen kabel had liever ook nog geen contributie betaalde. Maar hoewel men bij Casema nog geen officiële aanmelding had ontvangen, was er op het betreffende adres een aansluiting die werkte.
Ik was van plan geweest in alle vroegte weer met een kwast op de trap te gaan staan maar ik kon beter eerst naar het stadsdeelkantoor gaan om de adreswijziging door te geven. En dan meteen langs een slotenspecialist voor een extra deurslot en op de terugweg ergens informeren naar een methode om hoog in het trapgat te schilderen.
Bij het stadsdeelkantoor aan de Neherkade moet ik een nummertje trekken. Ik trek nummer 52, nummer 38 is aan de beurt. Het gaat minder rap dan bij de slager; na vijf minuten mag nummer 39 naar voren komen. Om het wachten te korten loop ik bij de slotenspecialist langs, die ook alles van verfwerk en verwante ellende afweet. Het veiligheidsslot kan vrijdag geplaatst worden; ik hoor nog hoe laat ongeveer.
Wat het trapgat betreft ben ik ook aan het juiste adres, want ze hebben er werphengelachtige uitschuifstelen waar een verfroller op past. Desnoods kan ik plat op de grond gaan liggen, dan nog haal ik de nok. De verkoper wil dit brok vernuft demonstreren maar ik zeg dat ik zo wel even terugkom want ik heb een nummertje getrokken.
Als ik de stadsdeelraad betreed verspringt het net van 52 naar 53, zodat ik met geheven nummertje onder het uitroepen van ‘hierzo!’ doorloop naar het loket.
Het adres veranderen is een handeling van niets maar een bewijs ervan ten behoeve van de PTT kost f 6,95. Nou ja, dat kan ook nog wel bij het slot van f 122 en het uitschuifding van f 53.
Rijkelijk verlaat ontsluit ik om kwart over elf de portiekdeur die, zij het stroef, in één keer opengaat. Het uitschuifding is te mooi om meteen al te gebruiken; tot bij halfdrie sta ik op de trap om het woonkamerplafond te witten. Een kolerekarwei, want om de haverklap moet je de trap verplaatsen en bovendien moet je alle windrichtingen bestrijken zodat er alom spierpijn optreedt en op mijn rechterduim de eerste blaar zich aandient.

Donderdag 2 juni Een kleine correctie op gisteren: ik vergat te vermelden dat het bloedheet was, wijselijk beperkte ik de looptraining tot zo’n twaalf kilometer. Maar goed ook, want vandaag werd bekendgemaakt dat de ozonlaag inmiddels zo verpulverd is dat het dodelijk kan zijn zonder hoed in de zon te lopen.
Nu de recentste ontwikkelingen. Tegen halftien was ik op de Kade­. Omdat er morgen iemand een extra veiligheidsslot op de deur komt zetten, besloot ik te beginnen met het witten van de regio rond te voordeur. Bij de HEMA had ik in alle vroegte twee emmertjes verf en een kwastje gehaald en daarmee de totaaluitgaven aangaande de verhuizing op f 1251,95 gebracht.
Toen de gang bijna gedaan was arriveerde de maatopnemer van de tapijtwinkel. Hij vroeg onder het meten waar ik nu nog woonde, ik zei dat het de Laan was en dat ik daar net op tijd weg was omdat het leed binnenkort vanwege de wegwerkzaamheden niet meer te overzien zou zijn en bovendien de kerk aan het einde van de laan gesloopt zou worden.
‘Ja,’ zei het vloerbedekkingsgenie, ‘en er komen ook steeds meer buitenlanders.’
‘Daar heb ik geen last van,’ zei ik.
‘Er zitten natuurlijk ook goeie buitenlanders tussen,’ gaf hij gluiperig toe.
Het afschilderen van het woonkamerplafond en een bereikbaar deel van het trapgat hield me tot bij halftwee bezig. Ik vond het wel weer mooi en ging naar huis. Ik haalde f 150 uit de muur, deed boodschappen, schrobde de duivenstront van de auto (ook aan de Kade kan je maar beter niet onder een boom parkeren) en at twee borden opgewarmde macaroni.
Om acht uur zou ik bij Eliane op de stoep staan maar ik vervroegde de afspraak naar vijf uur, opdat ik vanavond met een redelijke levensverwachting in bed zou kruipen.
Eliane en Janine waren bezig met het bakken van pannenkoeken van flinterdun flensjesformaat waardoor ze uit een geringe hoeveelheid beslag niet minder dan zeventien exemplaren wisten te toveren. Gelukkig hoefde ik niet mee te eten want ik zag mijn zorgvuldige marathondieet alweer in rook opgaan. (Ik doe veel aan muesli en andere koolhydraathouders; of dat helpt weet ik nog niet.)
Onderweg naar de auto kocht ik bij Kooyker een paar pockets: Justine van De Sade, Perfecte vrouwen van Dowling en De kracht van het alleenzijn van Storr. Op de snelweg weerstond ik een barre regenbui en morgen moet ik zorgen dat ik voor achten vertrokken ben want ik sta op een invalidenparkeerplaats die vanaf dat moment voor validen verboden is.

Vrijdag 3 juni Als het waar is dat je zo oud bent als je je gedraagt moet ik een jaar of vijf zijn. In plaats van naar mijn lichaam te luisteren en te gaan slapen zit ik dit nu te tikken. Het is tien voor elf, op de televisie achter mij wordt het eerste deel van de serie Pole to Pole herhaald en ik ben vanaf zes uur vanmorgen in touw.
Die invalidenparkeerplaats waar ik melding van maakte was loos alarm want de auto stond precies achter het vak, zodat ik helemaal niet voor acht uur hoefde te vertrekken. Desondanks deed ik dit en stond al om halfnegen met een kwast in de hand. Dit was het ergste: de laatste stukjes met verf invullen, langs plinten en kozijnen, op de onmogelijkste hoogtes en laagtes.
Thuis had ik na het bord muesli een kop mokka oploskoffie gedronken en een sigaar gerookt maar pas in dit huis moet ik. Bij deze eerste zitting merk ik pas dat de wc-bril aan de ruime kant is; kennelijk was het een demonstratiemodel dat ik geacht word door een persoonlijke bril te vervangen.
Om halfelf gaat de intercombel, de timmerman die een veiligheidsslot zal aanbrengen meldt zich. Hij is een oude man met een gehoorapparaat. Terwijl ik bij het helse lawaai van de boor naar een ander vertrek vlucht vraag ik me af hoe dat geluid door een gehoorapparaat zal klinken. Ik geef de man een fooi, omdat hij die niet had verwacht schudt hij blij verrast mijn hand.

Zaterdag 4 juni Dat het vandaag (en morgen naar verwachting ook) onafgebroken regent, is een waterdicht excuus om niet te hoeven trainen. Ik begon de dag met een bezoek aan de tapijthandel, waar ingewikkeld gereken uitwees dat de totale bedekking van alle vloeren f 3775 gaat kosten. Omdat ik het opmeten van de luxaflexmaten niet helemaal vertrouwde, reed ik naar de Kade om het over te doen. Bovendien pakte ik de keukendeur in vuilniszakken in – dit om te voorkomen dat de boel de komende jaren in de fietsenberging vol schimmel en beestjes komt te zitten.
De slaapkamerdeur had ik ook niet nodig, die lichtte ik dus eenvoudig uit de scharnieren. Goeddeels op het gevoel met zo’n gevaarte de binnentrap afdalen was echter weer andere koek. De eerste elf treden gingen zonder neerstorting maar toen bleken mijn schoenen te weinig profiel te hebben en ik duikelde met deur en al omlaag, zodat er een miniem bloedspettertje op de pas geschilderde muur kwam.
Ik zou om halfeen bij Ellen opduiken maar kon het niet laten bij de American Discount te vragen of de bestelde Zappabiografie al was aangekomen. Natuurlijk namen ze geen genoegen met de titel Frank Zappa en moest ik, zonder haperen, de volledige titel noemen: Frank Zappa – the Negative Dialectics of Poodle Play. Het boek was er nog niet.
Bij de HEMA kocht ik nog maar weer eens een kwastje en wat grondverf en plamuur voor het keukenraam. Toen naar Ellen, met wie ik op pad zou gaan voor luxaflex, spiegels en rails om planken aan op te hangen. De winkel waar zij haar luxaflex had gekocht was opgeheven, de spiegelhandel was op zaterdag gesloten en in de doe-het-zelfzaak was het zo druk dat we het wachten tot we geholpen werden maar opgaven. Tegenover Ellens huis zat echter ook een doe-het-zelfzaak, waar we voor rails slaagden. Ernaast een zonweringsfirma en ook daar hadden we succes, zodat we maandagochtend alleen nog even voor spiegels moeten.
Thuisgekomen las ik Echt verliefd uit, rookte twee of drie sigaren, at een bord havermout, deed een dut en besloot om een uur of halfzes maar weer eens naar mijn nieuwe huis te rijden om een paar deuren in te pakken en nog wat te kwasten.
Tijdens het inpakken ging het denken natuurlijk gewoon door. Ik overwoog of het niet een betere oplossing zou zijn die toch al weinig fraai ogende boekenkasten te annuleren en ervoor in de plaats overal planken op rails aan te brengen. Witte muren, witte rails en witte planken alom, dat had wel wat. Vooral met daarbij dat paarse tapijt en die lichtmintgroenachtige imitatie-luxaflex en dat zwarte andere bureau.
Ja, dat had ik inmiddels ook besloten: ik nam niet het bureau dat ik al bijna gekocht had maar een van IKEA waar ook een rijdbaar ladenblok onder paste. Gisteravond had ik ook al besloten een ander bed te nemen, zodat maar weer blijkt dat in het leven niets zeker is.
Mijn trainingsschema is door meteorologische invloeden omgezet naar: maandag­avond een ontiegelijk lange afstand lopen, donderdagavond een kalm half marathonnetje, en dan zondag op hoop van zegen een wedstrijd van alles of niets.

Zondag 5 juni Zo’n twee uur geleden zette ik de computer aan om dit te gaan schrijven. Ik was al bijna begonnen, toen ik dacht: eerst maar een uurtje gaan slapen. Het was zeven uur, en om kwart over acht zou de VPRO de Watergatedocumentaire in één keer uitzenden en omdat ik het begin van deel drie bij de BBC gemist had, wilde ik de VPRO-versie opnemen. Die is inmiddels een uur aan de gang en ik voel me fit genoeg voor een verslag.
Telkens weer neem je je voor niet meer naar de weerman te luisteren, toch trap je er in. Gisteren had het de hele dag gehoosd, vandaag stond vervolgneerslag op het menu, dus ik besloot maandagavond maar te gaan hardlopen en zette de wekker dus niet. Toen ik om en nabij acht uur wakker werd scheen de zon, die de rest van de dag zo nu en dan bleef schijnen.
Op de Kade pakte ik het onbedekte deel van de derde te verplaatsen deur in en nam stoffer, blik, bezem en stofzuiger om de fietsenberging uit te kammen. Ik vond er spinnenwebben en haastig wegschietende engspinnen maar ik stond mijn mannetje. Na het uitmesten wilde ik niet op Ellen wachten en volbracht het naar de berging sjouwen van de deuren in mijn eentje.
Een deur is zwaar en bij windstoten lastig te manoeuvreren maar ik zette door en verloor daarbij massa’s zweet. Na een blikje krachtdrank en een boterham grondde ik het tuimelraam boven, schuurde het keukenraam beneden en plamuurde dit laatste object. Plamuren vind ik ondankbaar werk, na driekwart geklaard te hebben liet ik de rest aan Ellen.
Er stond iets groots op het programma: het trapgat. Ik doopte de aan de uitschuifstok bevestigde roller in de verf en verloor daar voor ik de muur bereikt had ongeveer de helft van. Toen de bel ging daalde ik behoedzaam af om de zorgvuldig vastgetapete kranten niet te ontzetten en zag Ellen door het keukenraam naar binnen grijnzen. Ze was er met haar sleutel in geslaagd zo ver te komen, ze moest nu ook de voordeur maar zelf openmaken, vond ik, en kluunde weer naar boven.
Tot dan toe had ik al het schilderwerk met de kwast gedaan. Het trapgatproject was mijn eerste omgang met een roller en het ging uiterst matig. Maar het ging. Dat wil zeggen: op een gegeven moment hoorde ik een geluid dat ik het best kan omschrijven als knap: de uitschuifstok brak doormidden. Het bovenste stuk viel op de grond en de breuk was niet meer te herstellen. De verslagenheid was groot. Het einde was in zicht aan het komen en het karwei liep nu onvoorziene vertraging op. De rest van de werkdag vulde ik met het witten van lastige hoekjes maar het heilige vuur was gedoofd.
Terwijl Ellen doorging met het gronden van het een of ander, reed ik om drie uur naar huis om alsnog te gaan hardlopen. Er stond nog steeds veel wind en erg soepel ging het niet maar ik liep de halve marathon in 96 minuten, zodat er schot in komt. Dat wil zeggen: wat de eerste helft betreft. Die enorm lange trainingsafstand die ik me voorgenomen had zat er alweer niet in, die ga ik volgens gewijzigd plan nu woensdag lopen. Doe ik dat niet dan vrees ik het ergste voor Leiden.
Het is nu vijf over halftien, ik ga tot na middernacht naar Watergate kijken. Morgen geradbraakt weer op.

Maandag 6 juni Voordat ik op deze herfstige D-Day aan een diner van groentesoep begin een korte samenvatting van de verrichtingen. Ik stond vanochtend niet geradbraakt maar anderszins gammel op: met buik- of maagpijn. (Ik vergeet altijd welk gebied tot de maag en welk tot de buik behoort.)
Ellen weet doorgaans precies hoe alles zit en moet, dus met iets van triomf kan ik melden dat zij er vandaag flink naast zat. Bij IKEA had ik lijstloze spiegels van 26 x 165 cm gezien die f 49 kostten (daar moest ik er twee van hebben) en een vierkante aanbouwspiegel die mij ook niet duur leek. Ellen ontraadde me de aanschaf want als je bij een glashandel spiegels op maat liet snijden was je veel goedkoper uit.
En zo stonden we om een uur of tien in de glashandel. Ik informeerde naar twee spiegels van het formaat 26 x 165 en een van 80 x 60 cm en kreeg te horen dat deze tezamen meer dan 200 gulden kostten. Ik hield het maar bij die ene van 80 x 60 en was toch nog f 57,75 kwijt.
Bij de ijzerhandel hadden we al acht sets rail van 1 meter en acht sets van 1,5 meter gekocht, alles werd in de achterbak van mijn Seat gedeponeerd. Ik moest een straat met verkeersdrempels uitrijden en hoewel ik wist dat scherven geluk brengen, reed ik zo langzaam mogelijk.
Er viel nog veel te schilderen. Tot bij halfdrie was ik in de gang bezig en voltooide goeddeels de woonkamer. Het vulmiddel dat ik gebruikt had om een stuk vloer te egaliseren bleek in de voorbije nacht tot afbrokkeling te zijn overgegaan.
Bij de HEMA kocht ik verf, onderweg naar huis deed ik de firma Lenta aan, waar de afgebroken uitschuifstok vandaan kwam. Ik toonde het doormidden gebroken ding, de verkoper vroeg of ik wild tekeer was gegaan tijdens het schilderen. ‘Nee, dat doe ik altijd heel voorzichtig,’ zei ik, hoewel de waarheid was dat ik mijn eigen kracht niet kende. Ik kreeg gratis een nieuw exemplaar mee, waar ik zeer zuinig op zal zijn.

Woensdag 8 juni Als ik op de bank lig ben ik niet minder moe dan wanneer ik dit zit te tikken dus ik kan net zo goed even bijpraten. Maandagavond schoot ik lekker op: de woonkamer en de benedengang zitten volkomen in de verf. Alleen het befaamde trapgat en een paar stukjes van de bovengang moeten nog. En hier en daar nog wat in de keuken doen. Hoe dan ook: de laatste loodjes.
Gisteren was het weer een werkdag, die gepaard ging met grieperigheid en veel slaap – ik bedoel slaap hebben en helaas niet liggen slapen. Toen ik thuiskwam was de koek dan ook op, geen puf om nog wat te gaan klussen. Ellen was zo lief geweest op eigen houtje het lijstwerk in de keuken in de lak te zetten – zelf zonder mijn supervisie of andersoortige betrokkenheid blijft er dus schot in de zaak zitten.
Vandaag was het half om half; een halve dag (tot elf uur) werken, de rest vrij. Om tien over elf was ik op de Binckhorst om egaliseerspul te kopen want het vulmiddel dat ik gebruikt had was gaan verbrokkelen. Een medewerker van de bouwmarkt slofte de hele zaak op en neer en bracht me ten slotte bij een baal van twintig kilo, die ik wat te gortig vond voor nog geen vierkante meter egaliseerwerk.
De volgende halte was IKEA, waar ik twee spiegels van 29 x 165 cm en een klok voor aan de muur kocht. Dat klinkt als niks bijzonders maar die spiegels moesten wel de auto in en helemaal van Delft naar Loosduinen. Ik meed de verkeersdrempels en de klinkerwegen maar helemaal gerust zit je met zoveel breekbaars toch niet achter het stuur.
Op de Kade pakte ik alle plankenrails uit, plaatste ze tegen de muren waar ik ze hebben wilde en ontdekte dat ik nog vier stuks van anderhalve meter hebben moest. Ik reed naar de ijzerhandel waar de andere ook vandaan gekomen waren en sloeg mijn slag. Vervolgens weer een bouwmarkt; daar vond ik een minieme verpakking van vijf kilo egaliseercement. Dit op de vloer smeren zal nog wat worden.
En opnieuw moet ik mijn beklag doen over de weersverwachting. De dag zou namelijk bewolkt beginnen en zonovergoten eindigen – onnodig te zeggen dat het omgekeerde het geval was. Om een uur of twee begon het eerst zachtjes en toen voluit te regenen. Net als maandag valt er een soort druilerige stuifregen, zodat ik het ergste vrees voor mijn hardlooptraining van vanavond. Want vanavond zal er toch gelopen moeten worden als ik zondag goed voorbereid aan de start wil verschijnen.
Het is nu kwart over vier en als het om zes uur nog niet droog is, zit er niets anders op dan dat ik de training naar morgen verplaats; er is voor morgenavond regen voorspeld, dus alle kans dat de zon dan schijnt. Het mag geen al te lange afstand worden, anders ben ik zondag te moe voor de race en mag ik blij zijn als ik het tempo van Willem-Alexander haal – die doet volgens geruchten ook mee. (Hij lijkt me te gewichtig voor zo’n afstand; ik vermoed dat hij onderweg hier en daar door zijn lijfwachten gedragen zal worden.)
Enfin, genoeg gespeculeerd: hoog tijd de macaroni op te zetten. Ik ben druk koolhydraten aan het stapelen; elke ochtend een bord muesli, de komende vier avonden macaroni en als ik tussendoor nog wat weg kan krijgen een bord havermout.

Zaterdag 11 juni Als ik me wat beter voelde zou ik me niet zo beroerd voelen. Omdat ik mezelf altijd wegcijfer heb ik de vorige keer niet gemeld dat ik wat grieperig was. ‘Wat grieperig’ werd donderdag behoorlijk grieperig en momenteel (zaterdagavond zeven uur) is er nog niet veel verbetering opgetreden.
Donderdagmiddag haalde ik bij Eliane in Wassenaar haar Leidse voordeursleutel op. Ze zat op het terras met een dikke jas aan omdat ze wat grieperig was. Haar moeder was het eveneens en Ellen voelde zich ook al niet haar dat. Ik begin te vermoeden dat het heerst.
Om een hoop zorgen samen te vatten: ik heb sinds afgelopen zondag niet getraind en vrees voor morgen dus het ergste. Het enige wat ik heb kunnen doen is koolhydraten stapelen – borden muesli, havermout en macaroni tot ik geen lepel meer kan zien.
Wat het eigenlijke onderwerp van deze verhandeling, de verhuizing, aangaat: het einde komt in zicht. Omdat ik een paar dagen verzuimd heb te berichten weet ik niet precies meer wat wanneer gebeurd is maar vanmorgen heb ik na een aspirientje het praktisch laatste schilderwerk verricht en een stukje vloer naar vermogen geëgaliseerd.
Vrijdag kwam Peter gaatjes boren. Hij was er om halftwaalf; ik had vanaf tien uur met mijn zieke lichaam zitten wachten en kreeg om elf uur gezelschap van mijn zieke zus. Omdat ik van het nietsdoen gek werd reed ik even naar IKEA heen en weer om een spiegel te kopen.
Peter had van Ellen gehoord dat hij ‘een paar’ gaatjes moest boren maar zodra hij de te bevestigen massa rails had gezien verdween hij weer om extra dozen pluggen en schroeven te gaan kopen.
De muren bleken deels mee, deels tegen te vallen. Sommige waren boorbaar, andere vergden een sterkere boormachine van een bepaald soort dat ik niet heb onthouden. Nadat Ellen hoestend naar huis was gegaan, zette Peter het op een boren, terwijl ik het restant trapgat schilderde. Een klus waar ik gelet op mijn vigerende gezondheidstoestand verder liever geen woorden aan spendeer. Tot zes uur veranderde Peter een aantal wanden in gatenkaas en als straks alles klaar is kan ik zeggen dat ik in een boekenkast van een huis woon.
Vanmorgen heb ik als gezegd geëgaliseerd. Hiervoor gebruikte ik egaliseercement waarvan de verpakking nogal vaag was wat de mengverhouding betrof. Aan een emmer water diende ik al roerend cement toe te voegen. Ik had natuurlijk bij lange na geen emmer vol nodig; ik deed een tikkie water in een plastic bakje, deed er cement bij, kreeg een klont die nog wat water moest hebben, voegde te veel water toe, vervolgens iets te veel cement enzovoort, zodat ik uiteindelijk ruim tweemaal de vereiste hoeveelheid bereid had.
Het mengsel leek op een soort babydiarree die steeds van het plamuurmes droop – er waren speciale spatels voor in de handel maar die had ik niet gekocht omdat Ellen er een had die ik niet had omdat zij gisteren vergat die mee te nemen. Uiteindelijk bewerkstelligde ik een egalisering waar de tapijtleggers hopelijk niet al te honend op zullen reageren.
Vanmiddag heb ik geprobeerd wat te rusten maar tot verbetering van de conditie heeft het niet geleid. Ik weet niet wat ik precies onder de leden heb; de aandoening breekt niet door maar suddert door. Waarschijnlijk zal ik morgen op vijftien kilometer van de finish aan een koortsaanval bezwijken. Heb ik net zo’n beetje berekend hoeveel planken er aan de muren moeten, blijk ik aan zes planken genoeg te hebben. Morgen gezond op, maar ik reken nergens op.

Maandag 11 juni Gisterochtend zag het er even naar uit dat de vooruitzichten ongunstig waren. Om ongeveer zes uur liep de wekker af en met een nog even grieperig gevoel als toen ik was gaan slapen stond ik op. Het moet uit de lengte of uit de breedte; aangezien ik weinig had kunnen lopen, besloot ik de voorraad koolhydraten maar te maximaliseren. Om kwart over zes at ik een bord muesli, om halfacht twee borden macaroni, om halfnegen een bord havermout en om halftien een beschuitbol. Het geheel lardeerde ik met kopjes koffie, sinaasappelsap en twee sigaren.
Toen ik op de Lange Mare aankwam zag ik dat er bij Eliane voor de deur een spandoek over de weg hing met de tekst: 3M MARATHON NOG 1 KILOMETER zodat de verleiding zich voordeed me tot bij drieën op Elianes kamer schuil te houden en dan naar buiten te stormen richting finish.
Ik ruimde de rommel die de katten veroorzaakt hadden op, kleedde me om en nam, omdat ik me zo rillerig voelde, een aspirientje. Ik stopte twee aspirientjes voor onderweg bij me, zoog op een Trachitol en hapte een paar druivensuikertjes weg.
Onderweg naar de Groenoordhallen werd ik links en rechts gepasseerd door hardlopers die zich aan het inrennen waren. Ik liet me niet gek maken en wandelde kalmpjes voort; ik vind inrennen en het losmaken van spieren door rek- en strekoefeningen grote onzin.
Bij de Groenoordhallen begon de loopkoorts eindelijk op te komen. Eindelijk, want de afgelopen dagen had ik heel die marathon niet aan mijn hoofd gehad. Er liepen honderden lopers rond, er waren kramen, er was hoempamuziek en de zon scheen. Gelukkig echter ging die zonneschijn niet gepaard met een temperatuur van 27 graden, zoals vorig jaar – het was een graad of 18, hooguit.
Toen het startschot klonk was, voor mij althans, de minuut van de waarheid aangebroken, want doordat ik een week niet had kunnen trainen zou het kunnen zijn dat ik in die eerste meters al ontdekte dat het niets zou worden. Maar het ging lekker; ik had tien minuten voor vertrek een flesje AA leeggedronken en had een reserveflesje in mijn linkerhand.
Omdat ik bang was voor het vatten van kou had ik over mijn wedstrijd-T-shirt een extra T-shirt aangetrokken. Ik was van plan geweest het als we op weg gingen in de bosjes te gooien maar ik besloot het gewoon in m’n rechterhand te houden – dan kon ik er zweet en eventuele tranen en bloed mee wegdeppen.
Het tienkilometerpunt passeerde ik na 43 minuten, het twintigkilometerpunt na 90 minuten, zodat het tot dan toe lekker ging. De route was nagenoeg gelijk aan die van vorig jaar, ik wist dus waar de rotstukken zaten. Het eerste rotstuk brak na zo’n 28 kilometer aan, toen we een rondje door Zoeterwoude maakten – een ontmoedigende slinger, waarbij je aan het begin mensen ziet lopen die dat gedeelte al voltooid hebben. Ben je er zelf doorheen, dan is het natuurlijk een genot te zien dat anderen dat stuk nog voor de boeg hebben.
Bij het verlaten van Zoeterwoude ben je het dertigkilometerpunt gepasseerd en dan is het in principe gewoon een kwestie van doorbijten. Je neemt wat meer de tijd voor een slokje bij de verfrissingsposten en als je denkt van: pfff, dan stop je met rennen en leg je een paar minuten wandelend af. Omdat ik het de vorige keer op die manier gered had maakte ik me geen zorgen om het wandelen.
De tweede helft van de afstand nam ik op gezette tijden een slokje van de AA-drank, maar tegen het einde smaakte niets me meer. Ik had gelukkig een volle maag en ook mazzel dat er door de toeschouwers niet met tuinsproeiers gesproeid werd; twee marathons geleden raakte ik van zulke goedbedoelde besproeifestijnen tot in mijn schoenen doorweekt, waardoor alles ging plakken en soppen en ik haast niet meer vooruit kwam.
Nu schuurde zelfs mijn T-shirt niet langs mijn tepels en bestond eigenlijk het enige ongemak uit wat pijnlijk wordende voeten. Van gebrek aan lucht heb ik nog nooit last gehad, van mijn milt evenmin – ik zou niet eens kunnen zeggen waar die precies zit.
Alle positieve voorgaande berichten ten spijt was het natuurlijk een verschrikkelijke ploetering. Een steun was dat er meer volk op de been leek te zijn dan vorig jaar. Vooral op bepaalde punten in Zoeterwoude was dat een aangename verbetering. Een bijkomstigheid bij het zo nu en dan opduiken van plukjes publiek was dat ik er dan voor moest zorgen een hardlooptempo’tje aan te nemen want als je toeschouwers wandelend passeert krijg je allerlei onzinnige aanmoedigingen naar je hoofd geslingerd.
Ik bedoel, iedereen mag roepen of applaudisseren wat hij of zij wil maar als loper heb je daar totaal niets aan. Als je kapot bent en men roept van ‘doorgaan!’ dan raak je daar niet minder kapot van. Aan de andere kant krijg je wel een injectie als je tussen twee terrassen vol oléroepers laveert, met in je oren een band die loeiend hard Oerend hard speelt.
De laatste zes kilometer over de Singels zijn het zwaarst maar als je zover bent gekomen weet je dat je de marathon gaat halen. Ik heb op dat traject maar een paar keer gewandeld en de rest in een nog behoorlijk tempo gerend. Als er bij een café dat je passeert André Hazes klinkt, kan je daar alleen maar om grijnzen.
De Haarlemmerstraat is een winkelstraat, hoewel de winkels dicht zijn bekijk ik een paar etalages, om mij voor te bereiden op de laatste anderhalve kilometer, die mij onder meer over de Lange Mare zullen voeren, waar Eliane klaar zal zitten om te juichen.
Het is er een heksenketel qua muziek en geschreeuw, Eliane ontwaar ik niet. Met een acceptabele looptechniek bereik ik de finish; de klok in de buurt van de 3.26.50. (Onderweg passeerde ik renners die een soort spastische huppelgang hadden ontwikkeld en duidelijk het einde van hun krachten bereikt hadden.)
Ik krijg een joekel van een medaille omgehangen die aanmerkelijk groter is dan de vorige keren en sla het aangeboden flesje AA af. Ook de bierpomp passeer ik maar dankbaar aanvaard ik het flesje Extran energy (op yoghurtbasis) dat Ellen presenteert.
Met een grote handdoek om naar de Lange Mare. Met de onderweg meegenomen sleutel ontsluit ik Elianes deur en zie in haar kamer Poolse Ada, die meldt dat Eliane zich in de ‘bathroom’ bevindt. Het blijkt de keuken te zijn – ze zat niet voor de deur naar me te juichen omdat ze eerst naar de finish was gegaan en terug een binnendoorweg had gekozen.
Ik neem een douche, eet een beschuitbol en voel me beter dan ooit na een marathon. Meneer Mentink zou ondanks zijn 53 jaar de halve marathon lopen en naar menselijke maatstaven moet hij op dit moment thuis achter een glas bier zitten. Ik bel hem dus op en krijg zijn echtgenote aan de lijn, die laat weten dat haar heer en meester zojuist brakend in bed is gekropen onder de aankondiging dat zijn hardlooploopbaan ten einde is. Zijzelf heeft toegezegd hem te zullen vermoorden als hij het nog eens in zijn hoofd haalt zo’n enorme afstand te lopen. Hoe precies zijn eindtijd was geweest had mevrouw Mentink niet kunnen achterhalen, aangezien de voormalige atleet niet meer tot communi­catie in staat was. We horen het nog wel.
Met mijn blessures valt het erg mee. Alleen op mijn tenen zitten een paar blaren uit de middencategorie; eentje is vrij fors en de inhoud spuit dan ook bij het doorknippen in mijn gezicht. En o ja, dat nageltje is een beetje paarsig en zal er binnenkort wel afvallen maar het is gelukkig niet de nagel van een grote teen die ik moet prijsgeven, zoals na mijn eerst City-Pier-City toen ik in plaats van de huidige New Balance-schoenen Nikes droeg die een half maatje te klein bleken te zijn.
Het is een grappig om met je medaille omgehangen onderuitgezakt te zitten en buiten de nakomertjes langs te zien zwoegen. Als we de auto opzoeken, komen, vijf kwartier na mijn aankomst, de laatste lopers over de Lange Mare – op de hielen gezeten door politiemotoren, een ziekenwagen en wat organisatievoertuigen, inclusief sirenes en toeters.
Op de brug aan de kop van de Witte Singel, vlak bij de parkeerplaats van mijn auto, besluit ik een klein ijsje te nemen. De ijscoman ziet mijn medaille en voegt daarom vier, vijf bolletjes aan mijn bestelling toe, die ik dus in korte tijd naar binnen moet schrokken. Maar een topatleet draait zijn hand daar natuurlijk niet voor om.
Ik rijd Eliane en Poolse Ada naar Wassenaar en zet met Ellen koers naar de McDrive voor drie Big Macs want je hebt na zo’n marathon behoefte aan extra vitaminen.
De avond bracht ik in luiering door. Nadat ik Ellen om kwart voor zeven thuisgebracht had ging ik plat op de bank liggen, rookte twee sigaren en keek naar Columbo. Ik hield de ogen open tot de aflevering om tien uur afgelopen was en strompelde toen naar bed. Mijn maag was op dat moment van streker dan ik gedacht had en ik voelde zelfs een braakstuip maar hoefde niet boven de emmer te hangen die ik veiligheidshalve naast mijn bed had geplaatst.
Het in slaap komen viel niet mee want het lichaam was wel afgemat maar de geest nog ongebroken en het maalde maar door, ondanks dat ik bewust en onbewust wist dat de wekker vanmorgen om tien voor zes zou aflopen.
Dat gebeurde inderdaad – ik benutte de volgende vijftig minuten met me voorbereiden op de reis naar kantoor. De benen en vooral de rechterknie deden wat zeer en het stoten van tenen tegen dit of dat ging gepaard met blaarsteken.
Tot bij enen slofte ik op het werk rond en dacht toen: ze kunnen de zenuwen krijgen. Toen ik om kwart over een thuis was belde ik de PTT nog maar weer eens, om te informeren naar mijn aansluiting. Ditmaal werd ik doorverbonden met iemand die het even ging uitzoeken en weldra meldde dat er een vergissing was gemaakt, zodat er als er geen nieuwe vergissing gemaakt wordt woensdag telefoon wordt aangesloten.
En toen was het twee uur geworden en ging ik gestrekt voor een dut, die een uur later verstoord werd door de deurbel. Een heer met een vuilniszak vol waren vroeg of ik de Gammafolder die hij mij toonde ontvangen had. Ik wist het niet zeker, dus ik zei: ‘Ja.’ Hierop greep hij in de vuilniszak en overhandigde een Knarrenschraubendreher, een geval met verwisselbare kruiskop- en gewone schroevendraaiers, vier in totaal. Na een gegeeuwde bedanking probeerde ik weer in slaap te komen maar dat lukte niet meer.
Op dit moment, vijf voor halfzeven, is de toestand aldus: ik heb pijn in mijn rechterknie en allebei mijn dijen. Morgen rijd ik in de middagpauze naar het nieuwe huis om de stofzuiger daar te stallen, dan zal ik het verder maar rustig aan doen, hoewel ik natuurlijk niet uitsluit dat ik diezelfde avond weer met de schilderkwast in de weer zal zijn.

Woensdag 15 juni Het lichaam heeft zich hersteld. Maandag had ik de hele avond last van een pijnlijke knie, dinsdag was die geweken (de pijn bedoel ik, de knie zit er nog). Vanmorgen werd ik als 36-jarige wakker. Geen tijd voor polonaises of gebakstraktaties want Peter zou om tien uur voor de deur staan om zijn gaatjesboormissie te voltooien. Ik hoefde niet louter toezicht te houden, er stond een grote schoonmaak op het programma. Morgen komt er tapijt en dan moet alles stofvrij en geschilderd zijn.
Het schilderen zat wel goed, het ontstoffen viel vies tegen. Boven was ik met de stofzuiger zo klaar, beneden zorgde het gaatjes boren voor zoveel stuifbaar gruis dat ik tot in mijn oren volgestoft raakte, vooral bij gebruik van stoffer en blik die ik hanteerde om de nieuwe stofzuiger te ontzien.
Toen ik rond het middaguur het bovenachterraamgebied aan het schilderen was, nestelde een benedenbuurvrouw zich in de tuin en moest zo nodig haar benen van hier tot daar insmeren en aan het zonlicht prijsgeven zodat ik langer dan strikt noodzakelijk op dezelfde plek aan de gang bleef.
En over buurvrouwen gesproken. Tegen het einde van de middag hoorde ik door het boren heen het geluid van harde elektrische bluesmuziek door de wand die ons scheidt. Na verloop van tijd werd de muziek een tandje zachter gezet en terwijl die op dat niveau bleef spelen, verliet de buurvrouw met een vuilniszak haar woning. Ik zal morgen een kaartje met excuses voor de booroverlast bij haar in de bus doen.
Nu ga ik er gauw een eind aan maken en de dag met een sigaar besluiten want morgen wil ik om zeven uur in mijn nieuwe huis zijn en de boel voor het laatst een beurt geven.

Donderdag 16 juni Vandaag is er zoveel gebeurd (en morgen zal er ook veel gebeuren) dat ik de helft vergeet als ik nu geen verslag schrijf. Maandagmiddag, bijvoorbeeld, heb ik nog met de PTT, ik bedoel KPN gebeld over het uitblijven van de telefoonaansluiting. Ditmaal zochten ze het meteen voor me uit en kwamen erachter dat er geen enkele reden was om mij niet aan te sluiten, zodat ik gisteren telefoon had.
Vanmorgen was ik om zes uur wakker om de tapijtleggers te vlug af te zijn. Ik ontbeet en rookte een sigaar en bereikte om acht uur de Kade. Van al het stuifgruisruimen was de onderste laag van het gewitte behang groezelig geworden, dus moest de kwast er weer aan te pas komen. Ik bracht de lege verfemmers naar de fietsenberging en drie vuilniszakken naar de berg die zich voor de portiekdeur bevond.
Om negen uur dorst ik met de stofzuiger de buurvrouw overlast te bezorgen. Vervolgens ploeterde ik met stoffer en blik en hamer en plamuurmes om de onopzuigbare stofhoopjes en verf- en cementklodders te verwijderen en ging hiermee door tot om vijf over tien het busje van de tapijtheren voorreed.
Onvoorstelbaar, de hoeveelheid vloerbedekking, ondertapijt, zeil en latten die naar boven gebracht werd: ik zette maar gauw koffie. De man die de vorige keer de maat was komen nemen was kennelijk de baas van de beide anderen want nadat hij instructies verstrekt had vertrok hij weer.
De leggers legden houtjes langs de wanden en begonnen die vast te spijkeren. De herrie die dit opleverde maakte dat ik maakte dat ik wegkwam voor een paar boodschappen. Toen ik in het trappenhuis liep kon ik het hameren horen, op de hoek van de straat ook nog (ze hadden de ramen en balkondeur geopend voor de frisse lucht).
Ik kocht vier ansichtkaarten met het woord SORRY erop voor omwonenden en een katkaart voor de buurvrouw die de meeste hinder van het boren had gehad. In een lunchroom, het schrijven onderbrekend voor een hap appelpunt of een slok cappuccino, bood ik achter op de kaarten mijn verontschuldigingen aan voor de overlast die ik veroorzaakt had.
Op de katkaart schreef ik dat ik het de vorige dag gortig had gemaakt met boren en dat ik wist hoe erg dat boren kon zijn want ik had jarenlang boven een tandarts gewoond. Ik legde uit dat er vandaag nog overlast van het tapijtleggen zou zijn en volgende week van de laatste boorronde. Ik verzocht haar als het te erg werd aan de bel te trekken of de versterker op volle kracht te zetten en dat ik blues prima vond maar liever geen André Hazes hoorde (want die had onlangs een galmend lied over het Nederlands elftal op de markt gebracht).
Ik kocht voor de tapijtheren twee oranjegebakjes en gooide de kaarten op de terugweg in de brievenbussen van drie benedenburen en mijn naaste buur. Bij mijn terugkeer bleken de leggers al flink opgeschoten te zijn: in de keuken lag zeil, in de woonkamer tapijt. En verdomd, voordat ik de sleutel in het slot stak meende ik al wat te horen: ze hadden de draagbare radiocassetterecorder die ik in de badkamer goed verstopt dacht te hebben gevonden en op een populair station afgestemd. Er klonk André Hazes. En ze zongen mee. De rest van de dag hoorde ik ook de andere Oranjeliederen en de tune van Goede Tijden Slechte Tijden nog.
Om halfeen gingen de tapijtleggers een uurtje eten en kon ik de radio uitzetten. Over het tapijtleggen niets dan lof. Ik ruimde hier en daar wat rommel op en ging toen ze aan het middagkarwei begonnen boodschappen doen.
Een paar weken geleden had ik op de Laan een folder van de drogist DA in de bus gekregen. Die was gewijd geweest aan de aanstaande vaderdag. Er stond een vragenlijstje in aan de hand waarvan je kon uitvinden wat voor type man jij of je vader was. Er waren drie types: de stapper, de sportieveling en de klusser. Na alle ja-/neevragen beantwoord te hebben ontdekte ik dat ik tot geen der types behoorde.
Bij elk type paste een bepaald soort aftershave. Ik was behalve geen der typen uit de vragenlijst ook al geen aftershavetype maar vooruit. De in de folder vermelde aftershavemerken werden alle in een geschenkverpakking verkocht en ik besloot de voor alle drie de types vader bestemde geurlijnen te kopen.
‘Ik moet drie geschenkverpakkingen uit de folder hebben,’ zei ik. ‘Een voor een verjaardag, een voor Vaderdag en een voor Schoonvaderdag.’
Mijn vader is dood, een schoonvader heb ik niet en ik ken niemand die op zijn verjaardag een van mij ten geschenke gekregen hoeveelheid aftershave op prijs zou stellen. Nee wacht, gisteren was ik zelf jarig. Zie je wel.
De verkoopster pakte de folder erbij. Elke DA-drogist voert kennelijk z’n eigen folder, die met de drie types vader hadden ze hier niet. Geschenkverpakkingen waren maar in zeer beperkte mate aanwezig, in godsnaam kocht ik dus maar drie verschillende geuren van hetzelfde merk, die afzonderlijk verpakt werden.
Op elke verpakking kwam een andere feeststrik – op de eerste bovendien een sticker met iets als ‘leve vader’ erop, bedoeld voor mijn dode vader. Toen er op de tweede een sticker moest, liet de verkoopster weten dat ze er geen met ‘leve schoonvader’ had. Geeft niet, zei ik, die krijgt hij toch van zijn dochter, zet daar ook maar ‘leve vader’ op. Om later te weten welke vader welk pakje kreeg, zette ik op de eerste ‘leve vader’-sticker de letter J, de eerste letter van de voornaam van wijlen mijn vader. Het derde setje hoefde geen sticker, dat was voor die verjaardag – mijn eerdergenoemde eigen verjaardag.
En omdat ik voor f 44,85 aan geschenkdoosjes aftershave had gekocht, kreeg ik er gratis twee monsters van andere merken bij.
Weer buiten, met een plastic tas vol geur, wilde ik een weegschaal gaan kopen maar ik besloot deze onderneming uit te stellen omdat ik ontzettend moest pissen. Snel terug dus naar huis.
De door de tapijtheren ontdekte radiocassetterecorder bracht een Oranjekraker voort. Ik rende meteen de binnentrap op naar de bovenverdieping en het toilet aldaar. De werkers waren er juist bezig met leggen, ze hadden voor het gemak de wc-deur uit de scharnieren gelicht.
Ik weer naar beneden. Een beetje man doet het dan maar in de gootsteen maar ik had nog geen vitrage voor het keukenraam en er kon elk moment een buur langskomen om te bedanken voor de kaart die ik in de bus had gedaan.
Wat nu? Beneden. De fietsenberging. Daar stonden de lege verfemmers van vijf liter elk, het moest raar lopen wilde ik het daar niet mee redden. Voordat ik dit weerzinwekkende plan ten uitvoer kon brengen kwamen de heren van het tapijt naar beneden om daar verder te werken zodat ik naar boven stoof.
Het werk schoot aardig op. Het was een gekkenhuis, vandaag. Niet alleen dat tapijt, ook nog post uit Amerika. Koortsig scheurde ik de envelop open en vond binnenin een folder over de Marathon van New York, alsmede een lijstje met Nederlandse reisorganisaties waartoe ik me zou kunnen wenden. Wilde ik op eigen gelegenheid gaan dan kon dat ook. Dan hoefde ik alleen maar een aan mezelf geadresseerde envelop met twee antwoordcoupons te sturen. Precies dus wat ik al gedaan had maar dan zonder een zotte brief erbij. Als ik dat deed zou ik een inschrijfformulier ontvangen. En als ik dat inzond werd het gevoegd bij de overige duizenden die al binnen waren, waarna er geloot werd. En een startbewijs kostte $ 70, betalen kon alleen per creditcard die ik niet had.
Ik belde een reisorganisatie en vernam dat het best mogelijk was een paar extra dagen aan zo’n marathontrip te plakken. Het probleem was alleen dat de reis al maanden volgeboekt zat. Bij de volgende die ik te pakken kreeg had ik succes: het reisbureau, dat in Uden zat, had nog startbewijzen en plaats. We zouden dan wel vanaf Brussel moeten vertrekken want Amsterdam zat vol. Nou ja, dat moet dan maar – morgen heb ik hopelijk alle informatie in de bus.
Om vier uur hielden mijn tapijtmakkers het voor gezien – ze hoeven alleen nog de trap te bekleden, dat gaat morgen tussen halftien en een gebeuren. Ik ruimde na hun vertrek op, reed naar huis, at chinees, deed boodschappen en was om zes uur bij Ellen om met haar voor een bankstel te gaan kijken. Bij Habitat vonden we iets dat wel wat leek maar we houden wat de kleur betreft een slag om de arm want het kan zijn dat de luxaflex erbij vloekt.
Het werd al met al een fikse wandeling door de binnenstad, die ook nog langs de boekhandel voerde, vanwege de voor mijn verjaardag ontvangen boekenbonnen. Ik ben te moe om de titels precies te noemen, maar ik kocht onder meer tweemaal Céline, eenmaal Nabokov, eenmaal over Nabokov en twee delen uit de reeks Science Fiction/Fantasy klassiekers.

Vrijdag 17 juni Was ik moe? Toen ik vanmorgen van huis ging wist ik niet meer waar ik mijn auto geparkeerd had. Gisteren keek ik bij het vertrek naar huis in de brievenbox, die een envelop bevatte. Er zat een huisvlijtkaart in: een tweemaal dubbelgevouwen vel papier met voorop een rood feestlint en een uit een tijdschrift geknipte foto van een huis.
Beste Martin,
veel geluk in je nieuwe huis!
groetjes, Max en Irene (nr. 26)
Vanmorgen bevatte de brievenbox een kaart met Bart Simpson erop die Peace, Man toewenste. Achterop: Hier een kaartje van de buurvrouw. Normaal ben ik niet zo moeilijk. ik maak ook wel eens herrie. Maar ik had gewoon een rotdag gehad (en ik werd een klein beetje gek van die boor) Gelukkig hou ik niet van André Hazes ik ben meer een blues gek, dus dat zit wel goed. Groetjes van Trea
Tegenover mijn balkon was wat puin gestort voor de grofvuilophaal en ik voegde daar tapijtrestanten aan toe. Vervolgens droeg ik een aantal vuilniszakken naar de fietsenberging en wachtte op de komst van de tapijtknakkers. Toen zij gearriveerd en van koffie voorzien waren, vertrok ik voor boodschappen. In de brievenbox post van het marathonreisbureau: een inschrijfformulier en informatie. Het formulier zag er prima uit, dus ik belde om te zeggen dat ik dat formulier vanavond ging invullen en of ze mij en mijn supporter Ellen maar wilden noteren.
Nog overenthousiast belde ik Ellen, die echter minder uitzinnig was toen ze hoorde dat we via Brussel zouden vliegen. Waarschijnlijk had ze gelijk zodat ik de reis vanmiddag maar weer annuleerde: volgend jaar is er weer een marathon.
Om halfeen lag er overal tapijt en kon er afgerekend worden. Ik had voor beide leggers 25 gulden fooi op zak maar door een onvoorzienigheid viel de rekening 40 gulden hoger uit, zodat de fooi navenant zakte – ik had verder geen contanten bij me.
Thuis nam ik een douche, rookte een sigaar en ging met het staaltje van de luxaflex naar Habitat om te controleren of de bank erbij vloekte. Ik vond dat het meeviel maar toen ik op de bank was gaan zitten merkte ik dat die eigenlijk niet zo lekker zat. Waarschijnlijk wordt het dus iets van IKEA maar dat weten we straks: over een halfuurtje ga ik er met Ellen heen om veel geld uit te geven.

Zaterdag 18 juni Waar waren we gebleven? Ellen kwam gisteravond om even na kwart over zes langszij, in colonne reden we naar IKEA. Ik had gedacht dat het vanwege de voetbalgekte wel rustig zou zijn maar waarschijnlijk had iedere voetbalhater dat gedacht, zodat het er wemelde.
Eerst wat gaan eten? Nee, in het restaurant puilde het ook al uit. Dan maar een bankstelletje kopen. We zagen meteen wat ik hebben moest en vonden bij een terminal een juffrouw die de bestelgegevens intikte. Konden we bij haar via de computer meteen een bureau en een bed claimen? Dat kon.
Na een uurtje geschuifel en een tussenstop bij het restaurant bereikten we de kassa, waar ik f 2100 zoveel mocht pinnen. Vervolgens naar de afhaal- en transportafdeling. Daar zag de medewerker dat ik twee tweepersoonsbedden had gekocht – was dit de bedoeling? Tien minuten later stond ik bij de klantenservice, waar de cheffin van de kascontrole eraan te pas moest komen want zoiets had men nog nooit meegemaakt. Het werd sluitingstijd en achter mij groeide de rij wachtenden aan maar uiteindelijk kreeg ik contant restitutie.
Een bed en de rest neem je niet zomaar even op je nek, ik liet praktisch alles dus maar thuisbezorgen. En dat kon vandaag (zaterdag) al gebeuren! Lastig was dat men elk moment tussen elf uur ’s ochtends en zeven uur ’s avonds kon voorrijden.
We reden de draagbare goederen naar de Kade en toen moest ik gas geven om op tijd thuis te zijn voor Pole to Pole. Ik lag al met al bij enen in bed en sliep ononderbroken tot acht uur.
Ontbijtje, kopje koffie, krantje, sigaartje, op weg. Ik stofzuigde de vloerbedekking en liep daar op mijn sokken overheen – wat voelde dat lekker aan! Toen ik om halftwee met een kopje uitrustkoffie op het balkon zat reed de IKEAwagen voor. Een ondergeschikte bracht in zijn eentje alles wat een enkel persoon kon dragen boven, zijn chef hielp alleen bij het tillen van het tweezitsbankje. Alles op rolletjes dus, behalve dat ik twee bedden had ontvangen.
Het wachten was op Ellen, die zou helpen de meubelen even in elkaar te schroeven; ook zouden we naar BCC gaan voor diverse apparaten. Ze reed om een uur of halfvier voor, we stapten meteen in mijn auto voor de aankopen. In totaal waren we twintig minuten in de zaak en die tijd koos ik een gasstel, een koelkast, een wasmachine en een wasdroger uit. Ellen wilde de Consumentengids bij de keuzebepaling betrekken maar ik had geen trek in plussen, minnen en hokjes voor de duidelijkheid van de gebruiksaanwijzing of het energieverbruik.
Aanstaande donderdag wordt alles bezorgd en vanwege de omvangrijke besteding (f 2300) hoef ik geen bezorgkosten te betalen. Ik zette Ellen voor de deur af en ging toen op pad voor kaasbroodjes of zoiets hartigs. Toen ik teruggekeerd was, was mijn moeder, die het tapijt kwam bezichtigen, er al. Ellen stond over de losse stukken meubel gebogen. Ze wist van tevoren dat ik haar louter door mijn aanwezigheid op haar zenuwen zou werken en vroeg of ik niets te doen had.
Het werd de badkamer, die nog gewit moest. Maar het was me allemaal te veel geworden. Moeizaam tilde ik de lekkende kwast van de emmer naar de wand en smeerde lusteloos op en neer. Bij elke streek verloor de kwast een paar haren dus ik verruilde het gereedschap voor een roller en zette een petje op voor tegen de spatten.
Na een kwartier gaf ik het op en ging beneden kijken hoe Ellen het maakte. Met enorme koppijn boog ze zich over de fauteuil en kondigde aan naar huis te gaan want ze kon niet meer. Morgen zou ze misschien nog even langskomen, de rest van de week moest ik het maar op eigen kracht zien te rooien.
Ik probeerde aan de bijna voltooide fauteuil zelf verder te monteren maar wist dat dit niets zou worden. Vervolgens stortte ik mij op de verschillende delen bureau. Ik ontdekte na veel vloeken wat de gebruiksaanwijzing bedoelde maar staakte de pogingen toen bleek dat ik zes handen tekort kwam.
Ik kon niet meer, ik wilde niet meer, ik gaf het op. Ik ging naar huis om dozen te vullen met boeken en dat nieuwe huis te vergeten. Lusteloos pakte ik Couperus, Joyce en Dickens in en ging toen maar aan dit verslag werken. Toen ik bijna hier was aangeland belde Ellen om te zeggen dat haar hoofdpijn na een slaapje verdwenen was en dat zij morgenochtend vroeg zou komen om het karwei te klaren. Ze beweerde dat het bed geen problemen zou opleveren en na deze optimistische boodschap ga ik maar naar het voetballen kijken.

Maandag 20 juni Veel zin heb ik niet en tijd nog minder, maar het moet. Als ik namelijk nu niet schrijf over wat ik gisteren en vandaag deed, ben ik het morgen weer vergeten. Het kortetermijngeheugen begint af te nemen en ik heb gemerkt dat mijn IQ aan het einde van een dag met zeker tien procent is afgenomen. En dat afnemen begint met de dag eerder. Vanmorgen wilde ik Ellen bellen maar het enige telefoonnummer dat me te binnen wilde schieten was dat van Tineke.
Eerst even gisteren. Ik dacht voor dag en dauw op de Kade te arriveren maar Ellen was me voor. Ze zat zonder hoofdpijn aan de fauteuil te frunniken en slaagde er nog voor ik erin geslaagd was koffie te zetten in het meubelstuk zitklaar te maken. (Daarbij dient wel te worden aangetekend dat mijn koffiezetten over moest omdat ik het filter onjuist geplaatst had.)
Na de fauteuil kwam de bank en die vereiste al mijn spierkracht. Omdat we nog maar net bezig waren zat de stemming er nog in zodat het vruchteloos wringen ons geschater ontlokte. Na een paar uur hadden we de bank gemonteerd, tegen drieën was het bureau een eenheid.
De bedmontage kostte enige moeite, inclusief het ontvellen van diverse vingers. Ik had gedacht dat we het wel ruim voor etenstijd zouden rooien maar had me verkeken op de ladebak voor onder het bed.
Twee zijstukken en een dwarsstuk werden aan elkaar bevestigd, daarna moest een stuk hardboard ertussen geschoven worden. Dat ging met geen mogelijkheid en omdat de dag al aardig gevorderd was en de lol er inmiddels af, gingen we min of meer met ruzie uit elkaar. Je wordt snel prikkelbaar van knutselen, vooral als je daar allebei aanleg voor hebt.
Voor vandaag zag ik het somber in want ik zou in elk geval terug moeten naar IKEA om verhaal te halen vanwege die bak. Bovendien moest ik een hele dag werken. Ik doe dat soms graag maar liever niet als er andere dingen zijn die mijn aandacht opeisen.
In de middagpauze reed ik naar de Kade om de constructie-instructie van de ladebak op te halen, na werk naar IKEA. Op de beddenafdeling verklaarde de verkoopster dat ze zelf ook wel eens zo’n bak in elkaar had gezet en dat dit nauwelijks een probleem was geweest.
Omdat ik er toch was, kon ik misschien wel een ladenblok voor naast mijn bureau meenemen. Ik had geen hulptroep maar het blok woog volgens de computer slechts 29 kilo, dus ik waagde het erop. Het paste qua volume prima in de achterbak maar lag qua gewicht niet lekker in de hand. Er waren geen handgrepen maar hardplastic linten om de doos gespannen en die sneden haast dwars door mijn vingers heen. Hoe ik het gevaarte boven heb gekregen, ik weet het niet meer.
Het liep tegen halfvijf toen ik begon met het witten van de badkamer. Ik ging door tot de verf op was en het kwart voor zeven geworden was. Ik stofzuigde de woonkamer en pakte het ladenblok uit. Het hoefde niet gemonteerd te worden, behalve dan de wielen die er onder hoorden maar die doe ik er niet onder want ik ben niet van plan met dat ding door de kamer te gaan rijden.
Nu is het negen uur geweest, ik kap er mee. We zijn er bijna maar er zijn nog talloze kleine dingetjes te doen die tezamen een onvoorstelbaar groot ding vormen. Zo moet berekend worden hoeveel planken er nodig zijn (Peter komt zondag boren), Eliane moet nog in het visiteschema worden opgenomen, er moeten honderden kilo’s dozen versleept worden enzovoort.

Vrijdag 24 juni Het is elf uur in de avond en bloedheet, maar daar ligt het niet aan. (Ik moest even met de cursor omhoog om te zien dat ik maandag voor het laatst genotuleerd heb. De reden van het hiaat is niet luiheid maar een overvolle agenda. Dat is vervelend want ik moet nu uit het hoofd terugredeneren om te achterhalen wat ik precies heb uitgespookt en wanneer en eventueel waarom.)
Dinsdagavond vervoerde ik de beide Bose 501 Series II luidsprekers die elk tegen de dertig kilo wegen, afgezien nog van de laag stof die zich erop en erom bevestigd had. De avond erna verhuisde ik de Sony TC 733 taperecorder, die jarenlang ingepakt had gezeten en die ik meer als een kunstwerk dan als een geluidsopnametoestel beschouw. (Ook dit apparaat heeft een aardig gewicht.)
Ik berekende hoe lang de planken voor aan de muur moesten zijn en hoeveel steunen van welke lengte erbij hoorden. De hele partij (afgezien van de haken, die heb ik meteen meegenomen) wordt morgen gratis bezorgd en zit als het goed is zondag aan de muur. Donderdagmiddag om halfeen reed er een vrachtwagen van BBC voor, twee krachtpatsers brachten de gekochte waar zwetend boven. Gelukkig hadden ze alles op straat uitgepakt en de verpakking weer ingeladen want de fietsenberging zit propvol kartonnen troep.
Het enige punt van spanning was de ‘luxaflex die er nog niet was. Donderdagmiddag belde ik de leverancier, die zou een hartig woordje spreken met de fabrikant. Toen ik vanmorgen na van zeven tot halfelf gewerkt te hebben eens ging kijken, vertelde de winkelier dat hij de fabrikant van Melchior stijfgevloekt had en hem als er vandaag nog niets geleverd was zou zeggen dat hij de pest kon kijken. Ik moest vanmiddag nog eens terugbel­len. Ik deed dit om drie uur en zei simpelweg: ‘Als ik het woord Melchior uitspreek, gaat u dan vloeken?’ Hij lachte en liet weten dat de partij er was. Morgen ophalen dus!
Na het bezoek aan de luxaflexman was ik nog naar Leiden gereden. Ik had zes delen vooroorlogse Zola bij me en wilde die om mijn financiële positie te verbeteren aan een antiquariaat verpatsen maar geen van de drie die ik bezocht zag er wat in. Ik overwoog de stapel ouwe troep, die ik indertijd voor een buitenkans aanzag en van een Texelse hotelhouder overnam, in de gracht te gooien. Eliane vond het wel wat – en anders gooit zij de boeken maar uit het raam.
Ze reed mee om mijn zo goed als ingerichte huis te bewonderen en deed dit ook. Ik was al zo’n twee weken achtereen vroeg opgestaan en laat gaan slapen, zodat ik blij was dat ik vanmiddag op een redelijk tijdstip (halfvijf) thuis was. Ik kroop natuurlijk niet meteen in bed.
Ik had een paar dagen lopen nadenken over een aardig verhuisbericht en alvast een aantal Joop Klepzeiker-adreswijzigingen gekocht. Een voorgebakken kaart alleen vind ik te gemakzuchtig, ik besloot er een representatief fragment van dit verhuisrelaas aan toe te voegen.
De halve avond zwoegde ik aan het perfectioneren van drie pagina’s tekst en een inleidende brief. Omdat de Klepzeikerkaart met vulpen lastig te beschrijven lijkt, moest ik iets anders bedenken. Het uittreksel uit het bevolkingsregister paste dubbelgevouwen precies achterop de kaart.
Het uittreksel heb ik uiteraard ietwat gemodificeerd: de handtekening van burgemeester Havermans verving ik door een kruisje, ik voegde er mijn telefoonnummer aan toe en ten slotte vulde ik de ruimte boven de ondertekening op met de toevoeging: IQ: n.v.t.
Voor het geval dat ik de komende dagen geen tijd heb voor een terugblik een vooruitblik: morgenochtend de luxaflex ophalen, dan de houtbezorging afwachten, vervolgens naar de HEMA en daarna misschien de planken ophangen. Zondag is Peter er om twee uur, als het bier koud genoeg staat en de zon niet te veel warmte afgeeft kunnen we misschien nog wat aan de ladebak doen. (NB. Volgende keer schrijven over de onbegrijpelijke gebruiksaanwijzingen van de koelkast en de kookplaat.)

Zaterdag 25 juni Eerst maar even over die gebruiksaanwijzingen. Ze waren op een vreemde manier uit een vreemde taal vertaald. Ik las over de aansluiting van de kookplaat, dat je, alvorens de gaskraan open te draaien, de pitten aan moest steken. De handleiding van de koelkast bevatte eveneens allerlei waanzin maar ik heb de tekst niet bij de hand en daarom over tot de orde van de dag.
Vanmorgen kwam ik om acht uur uit bed en voelde me nog even doodmoe als toen ik erin was gegaan. Ik wilde om halftien bij de luxaflexhandel zijn, wat lukte. De Melchior was gisteren per taxi uit Den Bosch gekomen omdat de winkelier gedreigd had nooit meer met de fabriek zaken te zullen doen als de Melchior niet per taxi geleverd werd.
Op de Kade ruimde ik op, zette de koelkast aan en ging uitgeblust op mijn balkonnetje in de zon zitten (zodat ik nu verschrikkelijk verbrand ben).
Omstreeks halftwaalf belde Joe van de American Discount om te zeggen dat mijn bestelde boek over Zappa er was; zodra de planken geleverd waren zou ik eropaf gaan. De planken zouden om twaalf uur gebracht worden, het werd kwart voor twee. De chauffeur was in zijn eentje gekomen, dus ik hielp met sjouwen, wat me op een paar ontvellingen te staan kwam.
Het Zappaboek was als een baksteen; toen ik bij Ellen een tussenstop voor koffie maakte, bladerde ik het door en ontdekte dat er blanco pagina’s tussen zaten. In plaats van koffie te drinken fietste ik dus maar even heen en weer voor een ander exemplaar.
Er stond Nederland-België op het programma en het was drukkend warm. Ik was moe, op het onaanvaardbare af. Slapen was verstandiger geweest maar ik voltooide eerst het uittreksel uit dit verhuisverslag dat bij de verhuiskaarten gevoegd wordt.

Dinsdag 28 juni Het moet maar in sneltreinvaart – er is veel gebeurd, ik ben te moe om bij alles lang stil te staan. Als ik ga liggen kom ik waarschijnlijk niet meer overeind maar het vervelende is dat het na een kopje koffie of een douche wel weer lijkt te gaan. Dan vul ik dus nog maar een doos en heb niet in de gaten dat het lichaam liever niet meer wil.
Zondag kwam Peter boren. Omdat we om twee uur hadden afgesproken kon ik uitslapen zodat ik pas om zeven uur opstond. Misschien, als ik mijn best deed, zou ik al een deel van de planken bevestigklaar kunnen maken door aan er de zijkanten band op te strijken. (Een technische zegswijze die ik niet technisch genoeg ben om toe te lichten.)
Ik zette het strijkijzer aan en begon toen hij op temperatuur was aan de klus. Het ging zo lekker dat ik binnen een uur het merendeel van de band erop gestreken had. Vervolgens het op de haken leggen van de planken. Bij middellange planken (tot 2 meter) ging het soepel, de planken langer dan 2 meter wilden niet erg. Zat het linkeruiteinde na een fikse beuk in de haak dan vloog het rechter eruit. Dat is een zware aanslag op je kalmte zodat ik het ploeteren staakte voor een ommetje. Daarna kreeg ik het allemaal alsnog voor elkaar.
Peter boorde het gros van de te boren gaten en zal na zijn vakantie misschien nog terugkomen voor het restant dat een superboor vereist. De luxaflex genaamd Melchior hing in no time.
Maandag ook nog gewerkt maar na een tijdje kon ik niet meer uit mijn ogen kijken van vermoeidheid zodat ik om twee uur vrij nam en aankondigde dat ik er vandaag ook niet zou zijn.
Toen ik vanmiddag de brievenbox opende zat die vol post. Onder meer vond ik een brief waarin werd aangekondigd dat ik lid was van de sokkenclub. Een komische variant op een kettingbrief waarbij ik een paar sokken moet sturen aan de eerste van twee namen op het formulier. De tweede, Joke van nummer 212, is de afzendster. Ik weet niet of ik in deze ongein wil trappen en in aanmerking komen voor de toezending van 36 paar sokken. Eerst maar eens zien uit te vinden wie deze Joke precies is; ik weet alleen dat ze sokkenmaat 36/37 heeft.
Nu ga ik onder de douche of een paar dozen met boeken vullen. De platenbakken heb ik geleegd, afgestoft, gevuld en in vuilniszakken gestopt. Het gaat om zo’n 250 kilo, dat moet probleemloos over te brengen zijn.

Zaterdag 2 juli Het vorige bericht dateert van vier dagen geleden. Ik eindigde de vorige keer met de aankondiging dat ik zo’n 250 kilo grammofoonplaten zou gaan versjouwen. Dat was wat overdreven, het ging om niet meer dan 235 kilo. Woensdagavond bracht ik vier bakken over; ik wilde de eerste helft van de resterende negentien donderdagavond verhuizen maar ik liep zo lekker te sjouwen dat ik meteen alles maar in de auto laadde. Volgens plan plaatste ik de bakken onder de schuine bovenetagewand, en hield nog 65 cm over voor eventueel cd-boxen.
Vrijdagmiddag begon het overbrengen van de boekendozen. De meeste wogen circa tien kilo maar er waren ook uitschieters van boven de twintig en als je daarmee 49 traptreden af en 45 weer op moet, bereik je als amateurverhuizer van 62 kilo het einde van je Latijn.
Per keer nam ik zo’n tien dozen mee; het duurde een halfuur om ze in de auto te laden, het duurde even lang om ze eruit te krijgen. En dat bij een temperatuur van tegen de dertig graden; te heet om op balkon in de windstilte te gaan liggen om uit te puffen. Als ik tien dozen in de auto had getild moest ik me voor de oversteek eerst van de doorweekt geraakte kleding ontdoen.
Vrijdag reed ik ’s middags en ’s avonds een keer heen en weer, vandaag alleen vanmorgen. In totaal heb ik 485 kilo boeken overgebracht. De dozen had ik genummerd en volgens een losbladig systeem de inhoud ervan genoteerd. Er zat een ongenummerde doos tussen, die bevatte 45 boeken waarvan ik niet meer wist dat ik ze nog had.
Ondanks de vreemde bruinige blauwe plekken op mijn armen en benen heb ik er nog steeds lol in. Mijn linkerarm voelt aan alsof ik een voetbalknietje heb maar het kan ook gewoon beginnende gewrichtsreuma zijn.
Het sjouwen begon in feite al met het terugbrengen van de onmonteerbare ladebak naar IKEA, donderdagmiddag. Toen ik het gevaarte naar de auto bracht herinnerde ik me dat ik hetzelfde ding indertijd bij het kopen al om het gewicht vervloekt had.
Bij IKEA deden ze niet moeilijk en schreven een geldretourbon uit. Om de geslaagde missie te vieren kocht ik een eigentijdse groene fluitketel en een rood dozensysteem.
Ik kocht bovendien een matras, dat donderdag afgehaald kan worden. Het formaat is 160 x 200 cm. Ellen weet zeker dat deze afmetingen in mijn auto passen.
Het nadeel van dit warme weer is dat je weinig trek hebt in eten (behalve Big Macs en borrelnootjes en ijs) en dat je nauwelijks in slaap komt (zodat ik gisteravond, na ’s morgens om zes uur te zijn opgestaan, om kwart voor twaalf nog een doos met boeken aan het vullen was).
Vanmorgen besloot ik mezelf te trakteren op de nieuwste cd van Leonard Cohen, Cohen Live. Afspelen kan alleen door de koptelefoon in de cd-speler te steken want versterker en boxen bevinden zich nog in het andere pand.
Morgen wil ik minimaal drie keer op en neer tuffen met minimaal dertig dozen boeken. (O ja, vanmorgen een salontafel besteld die over zo’n zes weken bezorgd wordt. Gisteravond vond ik bij het inpakken een gigantisch groot filmaffiche: Amarcord van Fellini, mooi voor in de slaapkamer.)

Zondag 3 juli Gisteravond stond ik boeken in te pakken en werd daar zo moe van dat ik ter afwisseling op de fiets stapte en heen en weer naar Wassenaar (27 kilometer) reed. Eliane zat met haar ouders en enkele betalende gasten op het terras over iets diepzinnigs te debatteren maar ik kon alleen maar met een geleerd bedoelde gelaatsuitdrukking duf cola klokken. Ik vond mijn bijdrage aan de bijeenkomst zo miserabel dat ik na een kwartier maar weer opstapte en thuis verderging met het inpakken van boeken.
Pas om een uur of twee gaan slapen. Ik had de wekker gezet maar kennelijk tijdens een nocturale beweging het knopje ingedrukt, zodat ik me versliep en pas om tien voor zeven wakker werd. Mijn zorgvuldige planning lag in duigen en dus begon ik maar zonder ontbeten of me gewassen te hebben dozen in de auto te laden.
Het was nog aangenaam qua temperatuur. Binnen de kortste keren was ik terug op het vertrekpunt, waar ik bezweet onder de douche stapte en verlaat ontbeet. Later op de dag werd het aardig tropisch maar ik liet me door niets uit het veld slaan en reed in totaal vier keer op en neer met in totaal 500 kilo boeken en 100 kilo cd’s.
Het huis is boven en beneden bedolven onder de dozen met boeken, morgen ga ik daar orde in scheppen. Nu onder de douche en daarna mijn blauwe plekken en blaren verzorgen.

Zaterdag 9 juli Alle boeken, platen en cd’s zijn overgebracht, uitgepakt en op hun plaats gezet. Het totale gewicht heb ik niet bij de hand maar het was veel, heel veel. De drie muurkasten en een groot deel van de keuken zijn volgepropt met lege dozen.
Het inrichten van de boekenplanken was nog een aardige klus. De ruimte was te klein om alle dozen op de begane grond uit te stallen, zodat een deel boven en een deel beneden kwam te staan. De dozen waren genummerd, de inhoud stond op losse vellen papier genoteerd maar ik had niet geadministreerd welke dozen boven en welke beneden stonden. Het werd dus dagenlang op en neer draven om de boeken te vinden die bij elkaar gezet moesten worden. Maar het lukte!
De temperatuur zakte in de loop van de week naar een acceptabele twintig graden maar vanaf morgen gaan we weer richting dertig – en morgenochtend breng ik tien dozen met videobanden over. Nog steeds ben ik chronisch moe maar slaappauzes zijn er niet bij. Ik beëindig voor vandaag de berichtgeving want ik heb last van geeuwen.

Zondag 24 juli De afgelopen twee weken heb ik onnoemelijk veel gedaan maar geen puf gehad daarover iets te berichten. Over een dag of wat ga ik de computer overbrengen naar het nieuwe pand, dus dit is mijn laatste bericht.
Vannacht voor het eerst op de Kade geslapen. Het duurde lang voordat ik in slaap kwam en ik was er vroeg weer uit. Maar laat ik eerst vertellen hoe ik tot hier gekomen ben.
Een dag of tien geleden (schat ik) maakte de hitte plaats voor wat afkoeling. Ik bracht af en toe wat over maar de vaart was er duidelijk uit. In plaats van te gaan sjouwen herschreef ik het manuscript Berichten uit Buisdorp. Toen ik daarmee klaar was keerde de hitte terug en moest ik bij een temperatuur van tegen de 25 graden slepen met archiefdozen.
Gisteravond was ik bezig met het op orde brengen van mijn overgebrachte fotoverzameling en cassettebandjescollectie. Ik raakte daar zo moe van dat ik om halftwaalf ging slapen. De hitte maakte dat ik het raam open moest laten en daardoor hoorde ik vanaf middernacht nogal irritante housemuziek. Die bleef ik zelfs horen als ik het raam sloot. Ik ging de binnentrap af en het balkon op om uit te vinden waar het lawaai vandaan kwam. Het kwam vanuit de woning beneden die van mijn buurvrouw. Men had voor de gezelligheid de ramen opengezet.
Om kwart voor een was het houseleed geleden. Ik legde het boek dat ik maar was gaan lezen naast het bed op de grond en sloot mijn ogen. Zo tegen halftwee arriveerde een groepje jongeren ter hoogte van mijn woning. Ze waren vermoedelijk op stap geweest en bekroonden de uitgaansavond met een luidruchtige evaluatie ervan.
De laatste keer dat ik het licht aanknipte om te zien hoe laat het was, was het twee uur. Om negen uur werd ik gewekt door de housemuziek uit het huis waar men nog steeds de ramen open had staan.

Uitluiding 2006
Maandag 8 mei Het voorafgaande speelde zich twaalf jaar geleden af. Sindsdien is de hoeveelheid boeken flink toegenomen, evenals het aantal compact discs, en heeft de dvd zijn intrede gedaan. De grammofoonplaten heb ik bewaard maar lang niet gezien omdat ze schuilgaan achter stapels boeken.
Er gebeurden leuke dingen, zoals de vondst van zes maanden oude kat Paling. Een lief, ietwat dommig beest (een mannetje). Hij beschouwde de Bose 501 Series II luidsprekerboxen als krabpalen en legde zich tevens toe op het verwijderen van behang. Hij kreeg op den duur gezelschap van asielpoes Duimpie, die gelukkig geen sloopster was. Ze konden het geweldig goed met elkaar vinden. Anderhalf jaar geleden, Paling leefde niet meer, arriveerde poes Gregor uit het asiel. Zij moet niet veel van Duimpie hebben (en die niet van haar) maar er vinden geen schermutselingen met bloedverlies plaats. Duimpie is nu negentien maar draaft onvermoeibaar de binnentrap op en neer.
Het is aan de Kade nog altijd groenrijk wonen maar het is er wel achteruitgegaan qua bewoners. In 1994 werd ik bij de eerste overnachting uit de slaap gehouden door housemuziek – en dat gebeurt af en toe nog steeds.
Toen de schuin beneden me wonende gek om twee uur ’s nachts met gas en benzine zijn inboedel tot ontploffing bracht en daarbij de gevel eruit blies was dat even schrikken maar ik raakte erdoor bevriend met een buur. We woonden er allebei al zeven jaar maar hadden nooit meer dan ‘hallo’ tegen elkaar gezegd – en plotseling kwam ik aan haar voeteneind bivakkeren toen ze vanwege de ontploffing tijdelijk nachtangst had.
Toen zij bij haar vriend ingetrokken was werd de woning verhuurd aan een Vreemde Man en twee Zuid-Amerikaanse hoeren die ’s avonds laat naaldhakkend over de galerij naar hun werk gingen. Op den duur kwam het zevenjarige zoontje van de man het huishouden versterken, gevolgd door diens tienerbroer, een tienerzus en hun moeder alsmede deze of gene bevriende junk, zodat een cv-monteur die er voor controle kwam zich verbaasde over de hoeveelheid matrassen op de slaapkamervloer.
Nadat dit gezelschap uitgezet was diende een volgende bedenkelijke bewoner zich aan. Het was een kolos van tussen de honderd en tweehonderd kilo die puffend de trap opkwam en geen puf had om het huis daadwerkelijk te bewonen. Het stond maandenlang leeg, hij kwam af en toe voorrijden om de post op te halen. De politie verwijderde een halfjaar geleden een wietplantage uit de fietsenberging, de opgetrommelde kolos zei dat hij van niets wist en daarmee was de zaak uiteraard afgedaan.
Twee weken geleden betrok een niet al te jofel ogende vrouw op de galerij een woning die gelukkig buiten gehoorafstand is. De politie is er al een keer via het keukenraam naar binnen gegaan, dus dat belooft wat. Ik hoorde van buurvriendin Esther (wat mij betreft de enige aanwinst voor het blok in twaalf jaar tijd) dat de vrouw eigenhandig getracht had een bed naar de bovenverdieping te hijsen. Toen ze ermee klem kwam te zitten ontmantelde ze het bed en ondernam een nieuwe poging. Die had evenmin succes en daarop hakte ze de houten spijlen weg die zich boven aan de trap bevinden. Wie niet goed wijs is moet sterk zijn.
En o ja, we hebben de landelijke televisie gehaald met een lijk dat twee jaar dood in huis was blijven liggen.

© Copyright Martin de Jong, Den Haag. Alle rechten voorbehouden.