|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
in de wolken
Het ene moment ben je van iemands bestaan onkundig, het volgende is het onvoorstelbaar dat ze ooit niet voor je bestond. Evert had dat met Jardina meegemaakt. Had hij wel ‘bewust geleefd’ voordat hij haar de eerste keer omhelsde? Had hij dingen gedaan die zin hadden gehad? Of was zijn bestaan maar een beetje gescharrel in de marge geweest? Nu zijn leven zo volmaakt met het hare vergroeid leek te zijn, stond hij als de wekker ’s morgens afliep levenslustig op. Hij nam met of zonder haar een douche, schoor zich, kleedde zich aan, ontbeet, ging na een natte afscheidszoen en wederzijds gefrunnik aan interessante lichaamsdelen op weg naar het gebouw van het Buisdorps Nieuwsblad, verzette er als zijn hoofd ernaar stond bergen werk, keerde aan het einde van de werkdag zo snel mogelijk naar huis terug, dineerde op zijn kamer of in een eethuisje met haar en ging lang voordat het tijd was om te gaan slapen met haar naar bed. En nog altijd dacht hij bij alles wat hij deed aan Jardina. Aan Jardina Bion.
*
Pas een week na haar geruchtmakende verjaardagsfeest kwam Evert Aster weer tegen. Hij had haar in de tussentijd niet opzettelijk ontlopen, maar de Asterloze week was hem goed bevallen. Toen hij op weg was naar zijn kamer zag ze hem voorbijkomen en riep ze hem. Hij overwoog te doen alsof hij haar niet gehoord had, maar dat was misschien ietwat bot – en bovendien zou ze hem dan waarschijnlijk achterna komen. ‘Waar hang jij tegenwoordig toch uit?’ vroeg ze. ‘Gewoon, hier en daar,’ zei hij. Het hier sloeg op zijn kamer, het daar op Jardina’s etage. Maar hij voelde er niet veel voor dat Aster aan haar neus te hangen. ‘Nog nieuwe ouwe spulletjes van vroeger op de kop getikt?’ vroeg hij, om van onderwerp te veranderen. ‘Het seizoen is wel zo’n beetje voorbij. In de herfst begint het weer. Dan zijn er vlooienmarkten en zo. Heb jij tijd om een essaytje na te lezen?’ Een essaytje nalezen? Over zijn lijk! ‘Dat komt een beetje slecht uit. Ik heb het spectaculair druk.’ Stel je voor dat ze straks weer ging rondbazuinen dat hij verliefd op haar was. Dan zou Jardina nodeloos jaloers worden. In dat geval werd er bloed vergoten. ‘Het is maar anderhalf A4’tje.’ ‘Geef maar, dan doe ik het meteen.’ Hij ging zitten. De kamer maakte nog net zo’n slagveldachtige indruk als toen het feest het kookpunt bereikt had. ‘Gaat het weer over de hoofse liefde?’ vroeg hij. Dat was, met de literaire porno en de vrouwvriendelijke voodoo, wel zo’n beetje zijn specialiteit. Daar konden ze hem midden in de nacht voor wakker maken. ‘Het gaat over passiemoorden in de literatuur.’ ‘Leuk.’ Het was een idee. Als Aster het waagde tussen hem en Jardina te komen, zou hij haar eerst vermoorden, en er dan een roman over schrijven. Evert pakte het essay aan en deed alsof hij het geïnteresseerd las. ‘Zal ik even thee zetten?’ stelde Aster voor. Thee. Hield het dan nooit op met die thee? ‘Doe voor mij geen moeite.’ ‘Maar nou even wat anders,’ zei ze toen hij haar het gecorrigeerde essay teruggaf. ‘Mijn verjaardag.’ ‘Ja?’ ‘Hoe zat dat nou precies, weet je dat nog?’ ‘Vaag, heel vaag’, zei hij ontwijkend. ‘Voor de details moet je niet bij mij zijn.’ Waar stuurde ze op aan? ‘Wat was daar nou de bedoeling van, van dat dansen van jou? Als het tenminste als dansen bedoeld was.’ ‘Gewoon, even beetje gedanst,’ zei hij. Het was toch zeker gewoon een dansje geweest? Hij ging nu twijfelen. Ach, ze was gek. Het was een doodgewoon dansje geweest. En al was het een hoogst ongewoon dansje geweest – het was een verjaardagsfeest! Dan ga je toch niet stijldansen! ‘En dan dat gedicht dat je voordroeg! Dat was niet normaal meer!’ Het leek wel of ze kwaad werd. Had hij een gedicht voorgedragen? Daar herinnerde hij zich niets van. Hij zou Jardina er eens naar vragen. Er stond hem bij dat hij de middag voor het feest koortsachtig aantekeningen had gemaakt, maar dat hadden ook choreografische notities voor het dansen geweest kunnen zijn. Hij was ziek en verliefd en dus dubbel ontoerekeningsvatbaar, zodat Aster hem het dansen en declameren niet kwalijk mocht nemen. ‘Weet je dat niet meer?’ vroeg ze. ‘Nou je het zegt. Kleine dingetjes herinner ik me nog wel. Je moet niet vergeten dat er drank in het spel was.’ En verliefdheid, maar dat ging haar niet aan, dat was te persoonlijk. Als hij Aster bekende dat hij verliefd was op Jardina geloofde ze het toch niet, omdat ze zelf niet anders kon dan over verliefdheid liegen. ‘Kijk,’ zei hij. ‘Het was een feest, ja? Er werd gedronken. En niet alleen door mij.’ ‘Maar je was wel de enige die een gedicht ging voordragen. En je was ook de enige die zo – laten we het maar dansen noemen.’ ‘Goed, er zijn mogelijk kleine dingetjes gebeurd,’ gaf hij toe. ‘Kleine dingetjes, noemt-ie dat! En Jardina? Ik heb jullie heus wel bezig gezien, hoor! O, wat had ze een lol!’ Ai, dat wist ze dus. Maar hoeveel wist ze eigenlijk? Hij moest zich maar een beetje op de vlakte houden. ‘Hoor eens, Jardina weet natuurlijk ook wel dat er dingen gebeurd zijn,’ zei hij zo vaag mogelijk. ‘En? Wat vindt zij ervan?’ ‘Wat moet ze ervan vinden?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Je kijkt mij nou wel link aan, en ergens kan ik daar best wel een eind in met je meegaan, maar van haar kant zijn er zonder meer ook dingen gebeurd, laten we de dingen maar gewoon bij de naam noemen. Voordat je met je oordeel klaarstaat moet je eerst de dingen op een rijtje hebben. Zo denk ik erover.’ ‘Hoe dan ook,’ zei ze, ‘er is hier in huis de hele week zwaar over geluld.’ ‘Door wie?’ ‘Door iedereen! Nou ja, laten we er maar over ophouden.’ ‘Zo is dat,’ zei hij. ‘Je moet de dingen van je af kunnen zetten. Er gebeuren overal en altijd dingen. Op het moment dat die dingen gebeuren is het natuurlijk niet leuk, maar achteraf moet je kunnen zeggen: gebeurd is gebeurd.’ ‘Dat is eigenlijk ook wel zo. Maar jij hebt makkelijk praten. Ik zit nog steeds met Toker.’ ‘Wat is er met Toker?’ ‘Hij is onwijs verliefd op me.’ ‘Meen je dat? Goh.’
*
Er was op Asters verjaardagsfeest meer gebeurd dan de close encounter van Evert en Jardina. Bij alle kamerbewoners waren er ontwikkelingen in gang gezet waardoor hun leven ingrijpend zou veranderen. Evert had weinig oog voor wat zijn huisgenoten overkwam; voor hem draaide alles om Jardina. Toen hij aan het einde van die maandagmiddag thuiskwam van zijn werk, moest hij zich een weg banen door de vele volle vuilniszakken en lege flessen die ter hoogte van Tokers kamer op de gang stonden. ‘Ga je verhuizen?’ vroeg hij. ‘Ben een beetje aan het opruimen,’ verklaarde Toker. Met de rug van zijn rechterhand veegde hij zijn voorhoofd zweetvrij. ‘Wil je ook een kauwgompie? Deze zijn zonder suiker.’ Hij hield Evert een pakje voor. ‘Ik ben gestopt met roken. Vandaar.’ ‘Nee, dank je,’ zei Evert. ‘Ik heb meer trek in een biertje.’ ‘Dan moet je niet bij mij zijn. Met drinken ben ik ook gestopt.’ ‘Kijk maar uit,’ zei Evert. Hij bekeek Tokers hoofd aandachtig, maar zag geen sporen van uitwendig letsel die het zonderlinge gedrag konden verklaren. ‘Zeg, ik wil niet onbeleefd zijn,’ zei Toker, ‘maar ik ga gauw weer verder. Volgende week tentamen hè? Moet als een speer gaan leren.’ In gedachten verzonken verliet Evert Tokers kamer. Toen hij de trap naar zijn eigen kamer opging kwam hij meneer Mortifa tegen. ‘Evert! Goed dat ik je zie!’ zei hij. ‘Wat vind je van dit kostuum? Denk je dat het nog wel kan?’ Meneer Mortifa droeg een pantalon waarvan de pijpen tot iets boven de enkels reikten, de linker althans, en een colbertje met mouwen die zijn handen goeddeels aan het zicht onttrokken. Beide kostuumonderdelen waren licht van kleur, maar niet helemaal van dezelfde lichte kleur. ‘Lijkt me wel in orde,’ zei Evert. ‘Hoezo?’ ‘Mooi, mooi. Een hele opluchting. Ik was even bang dat... En zal ik wat aan m’n baard doen? Misschien wat korter of eventueel helemaal eraf?’ Hij voelde met twee handen aan zijn begroeide wangen en keek daarna op zijn horloge. ‘Godallemachtig, is het al zo laat? Ik moet nog hollen ook, anders is de bloemist dicht. Dan komt die baard een andere keer wel. God zegene de greep!’ Evert stapte opzij en keek de buurman na, die onverantwoordelijk snel de trap afdaalde. Het kan aan mij liggen, dacht hij, maar volgens mij gebeuren er rare dingen. Halvegaren moeten zich kunnen uiten, maar als ze morgen bij me aankloppen zullen ze wat beleven, want dan ga ik met Jardina op gepaste wijze Koninginnedag vieren.
*
‘Hoe gaat het met de hoofse liefde?’ vroeg Kokya. ‘Dat is een gepasseerd station,’ zei Evert. ‘De hele Koninginnedag met Jardina in bed gelegen. Jammer dat de Dag van de Arbeid geen vrije dag meer is, anders zouden we nu ook nog in bed liggen.’ ‘En de literaire porno?’ ‘Is klaar. Kan zo gedrukt worden. Het is gek, maar van de week schreef ik het verhaal zonder haperen in een paar uur tijd.’ ‘Komt zeker doordat je verliefd bent,’ zei Kokya. ‘Zou best kunnen. Ik heb weleens ergens gelezen dat er aan elke creatie, aan elke schepping een emotie ten grondslag ligt. Nou, verliefdheid is natuurlijk een emotie zo sterk als tien wilde paarden – als de liefde tenminste beantwoord wordt. Woede schijnt ook een goede motor te zijn, maar daarmee schop je het hooguit tot columnist.’ De waterkoker sloeg af. Evert schonk voor Kokya en zichzelf in en hengelde met een theezakje in de kopjes. ‘Een tijdje terug was het heel erg met me,’ zei hij. ‘Toen had Jardina nog niet in de gaten dat ik haar grote liefde was, dus ik kon haast niet meer denken. Er zijn hele happen uit mijn geheugen verdwenen. Maar ja, ik functioneerde. Onbegrijpelijk maar waar... O, ik wilde je wat vragen.’ ‘Vroeger was ik nóg kleiner,’ zei Kokya. ‘Die hebben we al een keer gehad. Of is het voor de verandering een normale vraag?’ ‘Zonder gekheid. Je had het er laatst toch over dat je weleens gaat kamperen? En dat ik je tent wel kon lenen?’ Ze knikte. ‘Jij wilt dus ook gaan kamperen?’ ‘Met Jardina, waarschijnlijk. Ik bedoel niet waarschijnlijk met Jardina, maar – ’ ‘Maar waarschijnlijk kamperen met Jardina. Leuk. Geef maar een gil als het zover is. Wanneer gaan jullie?’ ‘Weet ik nog niet. Het is maar een ideetje, ik heb het haar nog niet voorgesteld. Hoe gaat dat eigenlijk, in een tent?’ ‘Net als in bed. Maar ik ga je geen seksuele kampeervoorlichting geven, dat zoeken jullie zelf maar uit.’ ‘Ik bedoel, ik heb nooit gekampeerd, dus ik vraag me af... Als je nou in een tent slaapt, heb je dan niet ontzettend last van wespen en muggen en zo?’ ‘Welnee. Je bent toch niet bang van een paar wespen en muggen? Of van torretjes en wurrumpies?’ ‘Torretjes en wurrumpies?’ Daar had hij nog niet eens aan gedacht. Dan zou er zwaarder geschut moeten worden ingezet dan alleen vliegenmeppers. Dan moesten er ook spuitbussen insecticide en vlooienspray mee. En rattenkorrels, voor de zekerheid. En een muskietennet zou ook zijn nut kunnen bewijzen. Bij de dierenarts kon je op de huid van je huisdier een antivlooienfilter laten aanbrengen – misschien mocht de dierenarts dat buiten het spreekuur om ook bij mensen doen. ‘Ben je niet benieuwd hoe het eergisteravond gegaan is?’ vroeg Kokya. ‘Wat was er eergisteravond dan? Ben je naar de kermis geweest?’ ‘Heeft-ie dat niet gezegd? Appie kwam eten.’ ‘Appie?’ ‘Je buurman. Op Asters feest heb ik een tijd met hem zitten praten. Ontzettend interessante man, alleen erg nerveus.’ Meneer Mortifa. Die heette dus Appie. ‘Had je dat niet in de gaten?’ zei Kokya. ‘Dat we de hele tijd in een hoekje zaten te smoezen?’ Hij had wel wat anders aan zijn hoofd gehad. ‘Je had het natuurlijk te druk met dansen. Hoewel, dansen, dansen... Ik heb je voordat we naar het feest gingen de moonwalk en de pogo hop voorgedaan, maar het was natuurlijk niet de bedoeling dat je die ging combineren.’ ‘Niet? Ik vond zelf ook al dat het niet helemaal soepel ging.’ ‘Niet helemaal soepel! Met je linkerbeen de moonwalk en met je rechterbeen de pogo hop! Eigenlijk kan dat helemaal niet. Je stuiterde als een manke maniak de kamer door. En dan dat verschrikkelijke gedicht waar maar geen einde aan kwam... Maar met Appie was het heel gezellig. Wat een leuke man! Die baard staat ’m zo goed. Hij was een verhaal aan het vertellen en daardoor lette ik niet op de aardappels. Verschrikkelijk aangebrand. Ik schaamde me rot, maar hij deed of hij niks in de gaten had. Hij zei: “Mevrouw, u kent het geheim van goede jus!”’
*
Toen Evert met een grote bos bloemen in de hand en zijn gedachten bij Jardina de trap opging, kwam er iemand naar beneden die hem in het voorbijgaan met een toonloos ‘hoi’ groette. Werktuiglijk groette Evert terug. Wie zei hem daar gedag? Hij liet de bloemen zakken en keek om – de uitgeschoren nek die de deur uit ging kwam hem niet bekend voor. Zeker iemand die hem van Asters feestje herkend had. ‘Wat een enorme bos!’ zei Jardina. ‘Is dat omdat het vandaag mei geworden is, of weer gewoon zomaar? Lekker link om straks mee naar huis te fietsen. Kan ik ze hier niet in een vaas zetten? Thuis begint het zo langzamerhand op een bloemencorso te lijken.’ ‘Dan gaan ze zolang in een emmer,’ zei Evert. ‘Ik zal zien dat ik morgen een vaas koop. Maar eerst gauw een biertje, dat heb ik wel verdiend. Jij ook een?’ Hij opende de koelkast en nam er twee blikjes uit. ‘Als je het niet erg vindt trek ik m’n schoenen uit. We zijn nou toch onder elkaar.’ ‘M’n liefde wordt wel op de proef gesteld,’ zei Jardina. ‘De sokken gaan vandaag nog de wasmand in, zo ben ik ook wel weer,’ zei Evert. ‘Toen ik net naar huis liep zat er ineens een lieveheersbeestje op m’n arm. Was waarschijnlijk uit het nest gevallen. Je kan aan alles merken dat het lente is. Zal ik je eens wat moois vertellen?’ ‘Ik wilde jou eigenlijk wat vertellen.’ ‘Het is mijn kamer.’ ‘Oké, snel dan.’ ‘Nou,’ begon hij, ‘ik hoorde vanmorgen van Kokya, m’n collega – is het goed als ik zo ga liggen en m’n hoofd in je schoot leg? Dan kan ik af en toe fijn omhoog kijken naar onder meer je gezicht.’ ‘Ouwehoer. Wat hoorde je?’ Hij ging liggen, zijn hoofd zoals beloofd in haar schoot, en vervolgde: ‘Kokya was ook op Asters feest. Zij had me die dans geleerd.’ ‘Was zij dat.’ ‘Dat was zij. En nou heb ik de indruk dat er sinds dat feest een romance aan het opbloeien is tussen Kokya en meneer Mortifa van hiernaast, die trouwens Appie schijnt te heten. Grappig hè? Dat is waar ook, daar denk ik nou pas aan! De ochtend voor het feest was ik een beetje niet lekker en toen kwam Kokya me opzoeken, en nadat ze vertrokken was stormde Mortifa hier naar binnen. Hij had in haar de vrouw herkend waar hij vroeger een week lang van had gedroomd.’ Evert verzonk in gedachten en keek toen weer omhoog naar onder meer Jardina’s gezicht. Hij vertelde haar over meneer Mortifa’s eigenaardige droom. ‘Dus dat zou best een grote liefde kunnen worden,’ concludeerde hij. ‘En wat had jij te vertellen?’ ‘Ook zoiets,’ zei ze. ‘Ik ben vanmiddag even thee gaan drinken bij Aster, om bij te praten. Ze zei dat Toker verliefd op haar is.’ ‘Wie niet,’ zei Evert. ‘Dat had ik je toch al verteld?’ ‘Maar ik kreeg de indruk dat het dit keer waar is,’ zei Jardina. ‘Heb je niks aan Toker gezien?’ ‘Wat had ik moeten zien?’ ‘Toen ik naar Aster ging zag ik ’m heel even. Ik herkende hem eerst niet. Hij is naar de kapper geweest.’ ‘Verdomd, dan passeerde ik hem net op de trap. Een uitgeschoren nek. Nou je het zegt, van de week betrapte ik ’m bij het opruimen van z’n kamer. Hij had het over een tentamen. En hij is ook nog gestopt met drinken en roken.’ ‘Wat zei ik je? Maar het mooiste weet je nog niet.’ ‘Wat dan?’ ‘Aster vertelde dat hij op afbetaling een tweedehands city bike heeft gekocht. Hij staat elke ochtend vroeg op om te trainen voor de Ronde van Buisdorp!’ ‘Godsamme, dan is hij dus echt verliefd. We leven in een rare wereld, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Ik weet niet wat jij doet, maar ik neem nog een biertje.’
*
Het werken aan de jeugdpagina ging Evert de laatste tijd gemakkelijker af dan gedurende zijn uitzichtloze eenrichtingsverliefdheid. Het was een rustige donderdagochtend: Kokya had vrij genomen en was nu op visite bij haar tante die het moeilijk had. Dat betekende dat tante niet zou opbellen. Het betekende ook dat meneer Mortifa niet ter sprake zou komen. De buurman zou ’s avonds weer bij Kokya gaan eten, een evenement dat goed was voor minimaal een uur geteem harerzijds. ‘Wat is dat nou voor flauwekul?’ zei hoofdredacteur Barrelmeijer, die ditmaal zonder rondzendmap onder de arm was binnengekomen, maar met de jeugdpagina van twee weken geleden. ‘Ik kan ook geen veertien dagen vrij nemen of er komt onzin in de krant. “Wat hoort er niet thuis in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten”!’ ‘Goed dat u dat zag,’ zei Evert. ‘Ik denk dat de corrector zat te slapen. Het moet zijn: “Wat hoort er niet thuis in het rijtje champagne, kaviaar, oliebollen?”’ ‘Nou? Wat hoort daar niet in thuis?’ ‘Kaviaar. De andere twee horen bij oud en nieuw.’ ‘Laten we het overmorgen dan maar rectificeren,’ zei Barrelmeijer. ‘Maar waar ik eigenlijk voor kwam: hebben jullie je vakantie al ingeroosterd? Ik moet voor Kokya een uitzendkracht zien te regelen als ze drie weken of langer gaat.’ ‘Ze is geloof ik van plan ergens in augustus te gaan,’ zei Evert. ‘Maar ik weet niet precies wanneer en ook niet hoeveel weken.’ ‘Daar word ik dus ook niet wijzer van. En jij? Heb jij plannen?’ ‘Ik ga waarschijnlijk kamperen.’ ‘Kamperen?’ ‘Met m’n vriendin.’ ‘Op die manier. En wanneer gaat dat gebeuren?’ ‘Weet ik nog niet.’ ‘Hangt natuurlijk van de schoolvakantie af.’ ‘De schoolvakantie?’ ‘Met zo’n kind kan je alleen in de schoolvakantie op vakantie gaan, daar zijn ze tegenwoordig streng in. Maar wat ik niet begrijp is dat die ouders dat goed vinden. En wat je daar zelf aan hebt. Zit je straks op zo’n waardeloze camping, wat al niet leuk is, en dan loopt je vriendinnetje de hele dag te jengelen dat ze naar de speeltuin wil. Zit je daar maar te zitten tot ze uitgewipt en uitgeschommeld is. Nou ja, het is jouw leven, zolang ze je niet oppakken. Je hebt van het weekend tussen twee haakjes wel wat gemist.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik zat zaterdagnacht in De Rode Buis. Ze hadden een floorshow om je vingers bij af te likken. Ga toch eens een keertje gezellig mee! Je moet het gewoon ondergaan, dan ben je meteen genezen van die malle geaardheid van je. Neem nou zaterdagnacht. Op zaterdagnacht hebben ze altijd een aardigheidje of een gekkigheidje, omdat – omdat het zaterdagnacht is. Er trad een vent op, ongelooflijk, een lul tot op de grond zowat! Met zo’n enorme vleeskroket kan je eigenlijk alleen rectaal fatsoenlijk je gang gaan. Ik heb me laten vertellen dat de dikke darm anderhalve meter lang is. Daar kan je een hoop in kwijt, neem dat maar van mij aan.’
*
Tegenwoordig lagen de condooms bij de drogist in een wervende display naast de kassa, alsof het om een impulsaankoop ging. Dat was weleens anders geweest. Evert herinnerde zich de schichtigheid waarmee hij op zijn vijftiende voor het eerst condooms ging kopen. Althans pogingen daartoe ondernam. Indertijd had hij zijn zinnen gezet op een meisje uit zijn klas. Omdat hij als een goed schaker vele zetten vooruit placht te denken, kocht hij alvast een pakje condooms voordat hij haar daadwerkelijk vroeg mee te gaan naar de bioscoop. Daar ging ze gelukkig graag naartoe, maar helaas liever met haar vriend. Omdat het in die tijd krioelde van de overdraagbare geslachtsziekten en de overheid Jan en alleman aan het condoom wilde hebben, of liever gezegd het condoom aan Jan en alleman, werden de voorbehoedmiddelen zelfs in supermarkten verkocht. Maar wat als je een pakje argeloos op de lopende band legde en de caissière een zaterdaghulpje bleek te zijn dat doordeweeks een klasgenootje was? Bij Evert in de buurt bevond zich een tot reformhuis gedegenereerde drogisterij, waar een bloedarmoedige en door gezondheidsthee tot chronische diarree veroordeelde kaalkop door een bril met ultradikke glazen haatdragend zijn klanten bekeek of zij hem die kale kop en die diarree hadden bezorgd. Behalve buiten de Keuringsdienst van Waren om geproduceerde eigenmaaktuttifrutti die op macrobiotische wijze vooral ingebeelde ziektes bestreed, werden er in het reformhuis ook plantaardige condooms verkocht. Mocht je daar wegens overgevoeligheid voorhuiduitslag, schaamhaaruitval, balzakeczeem of eikelwratten van krijgen, zo stelde de huis-aan-huisfolder gerust, dan kon je je door de reformdrogist achter een gordijn gratis laten insmeren met desinfecterende zalf die daardoor niet op konijnen hoefde te worden uitgeprobeerd. Maar deze service was aan Evert niet besteed; hij had liever niet dat vreemde mannen aan zijn repelsteeltje zaten. Een aantal keren bezocht hij een normale drogisterij. Er hing een vermoedelijk als reclame voor orale seks bedoelde gaper aan de gevel, en ook een condoomautomaat. Fun stond er met grote letters op de automaat: dat sloeg hopelijk meer op het genot van het gebruik dan de pret die je aan de aanschaf beleefde. De automaat bevond zich goed in het zicht, dus geen denken aan dat Evert er langer dan een seconde voor stilhield. Nee, hij ging gewoon bij de drogisterij naar binnen, en hij kocht gewoon aan de toonbank een pakje condooms; niks aan de hand, heel gewoon. Met zo’n condoomautomaat was het net als met een automatiek: je bestelde je kroket liever rechtstreeks bij de frituurder dan dat je er een uit zijn muur trok. Heel gewoon was het dus allemaal, maar toch kwam het pas na een stuk of wat afgekapte bezoeken tot een condoomtransactie. De andere keren was dit onmogelijk geweest vanwege een bijzondere omstandigheid: de aanwezigheid van klanten. Dus dan kocht hij bijvoorbeeld maar een zakje zoute griotten. ‘Anders nog iets gewenst, jongeheer?’ Die keer dat er eindelijk geen klanten in de winkel waren viel Evert met de deur in huis en liet de griotten de griotten. Nadat hij zijn bestelling geplaatst had ging er van alles door hem heen. Hij was vijftien – moest je voor condooms eigenlijk niet zestien zijn? Had de drogist bij gerezen twijfel over Everts leeftijd het recht of zelfs de plicht zijn ouders of verzorgers te bellen? En stel dat hij wilde weten welke maat Evert had. Als lengte kon hij desgevraagd de gemiddelde opschepperij van jongens uit zijn klas aanhouden, maar over de omtrek hoorde je ze nooit. Als je voeten te klein waren voor de op de groei gekochte schoenen kon je een extra paar sokken aantrekken – hoe zat het als je in een condoom ruimte overhield? Een elastiekje of schoenveter eromheen? Hij gebruikte die avond een van de condooms uit het pakje bij het masturberen, en dat ging zo vlekkeloos, dat hij zich afvroeg waarom hij op zijn rapporten altijd maar onvoldoendes haalde voor handenarbeid. De resterende condooms overwoog hij te bewaren voor de schoolreis die de klas dat jaar, inclusief een bezoek aan een Shakespeare-opvoering, naar Londen ondernam. Het meisje dat liever met haar vriend naar de bioscoop ging dan met Evert, kon die vriend niet naar Londen meenemen, en zou daar mogelijk overstag gaan als Evert haar bij ondergaande zon zijn lustgevoelens uit de doeken deed. Maar Londen? Dat betekende door de douane moeten. Dat betekende het openmaken van de koffer. Dat betekende de ontdekking van een aangebroken pakje condooms, dus die gingen bij nader inzien het zeegat niet uit. Hij had het overigens goed gezien: het meisje bleek na afloop van de tumultueuze Shakespeare-opvoering inderdaad bereid te zijn haar vriend tijdelijk te verruilen voor een jongen uit de klas – maar vreemd genoeg viel haar keuze niet op Evert.
*
Meneer Mortifa stond met een doos grammofoonplaten in zijn handen. ‘Het is toch niet te geloven!’ zei hij. ‘Wat?’ vroeg Evert. ‘Ik ging gisteravond weer bij Kokya eten. Ik was veel te vroeg omdat ik het hier niet meer uithield van de zenuwen. Net toen ik wilde aanbellen kwam ze met deze doos naar buiten. Wilde ze bij de vuilcontainer zetten. Ik pak de doos van haar aan, en zeg: “Laat mij maar even.” Ik kijk er onwillekeurig in, wat denk je? Allemaal operaplaten! Waren van haar schoonvader geweest. Ze deden haar te veel aan Nardo deden denken, haar man. En dus –’ ‘Dus toen heeft u ze maar meegenomen.’ Evert keek zo onopvallend mogelijk op zijn horloge. Sinds de vorige ontmoeting had de buurman zijn baard gekortwiekt. In plaats van het slecht zittende pak droeg hij er nu een dat min of meer zijn maat was. ‘Ik ben helemaal ondersteboven van die vrouw,’ bekende meneer Mortifa. ‘Hoe is het mogelijk. Maar aan de andere kant, waarom ook niet. Ik heb tenslotte amor in mijn naam zitten!’ ‘Amor?’ ‘A. Mortifa. Amor. Ik weet niet of m’n ouders er een bedoeling mee hadden. Kokya heeft een hoop verdriet moeten verwerken, wist je dat? Helemaal op eigen kracht uit het dal gekropen. Ik heb grote bewondering voor die vrouw. Als je eens wist wat ze met die tante van haar te stellen heeft!’ ‘Die schijnt het een beetje moeilijk te hebben,’ zei Evert. ‘Een beetje moeilijk? Je weet niet waar je over praat! Wat ze me allemaal onder de roos over die tante en haar problemen verteld heeft, nou nou nou. En dan ook nog de zorg om een Fosterdochter aan de andere kant van de wereld, ik geef het je te doen. Ik was eerst benauwd dat ze me te oud zou vinden, maar ik geloof dat ik me daar geen zorgen over hoef te maken. Zeg, nou ik je toch zie, wat zou jij adviseren?’ Evert adviseren? Geen probleem, kom maar op. Hoofse voodoo, vrouwvriendelijke porno, literaire liefde, het was zo gek niet te bedenken of Evert kon erover meepraten. Wat magische masturbatie betrof kon hij zelfs een ervaringsdeskundige genoemd worden. Maar meneer Amor moest wel opschieten, want Evert verlangde naar Jardina, die zich misschien al uitgekleed had. ‘We gaan er volgende week zaterdag een avondje van maken,’ zei meneer Mortifa. ‘Eerst naar de Italiaan, dan de bioscoop en daarna misschien nog wat drinken bij Grand Café Knak, had ik zo gedacht. Maar ik geloof niet dat er veel bijzonders draait.’ Hij pakte het huis-aan-huiskrantje van de salontafel en zocht de evenementenpagina op. ‘Hier. In Corso 1 draait Attack of the Giant Genitals. Waar gaat dat over? “Het vredige plaatsje East Clintwood ondervindt de verschrikkelijke gevolgen van een mislukt experiment met genitale groeihormonen.” Dat lijkt me niks. In Corso 2 is Keep the Chains geprolongeerd, een SM-komedie. “Wie pijn wil lijden moet mooi zijn,” staat erbij. “Een giller waar u geboeid naar kijkt.” En in Corso 3 wordt een drieluik van korte films vertoond: Nipple Collision, Pubic Inferno en Beaver Revenge. O, het is een Lesbian Ladies Night, daar komen we niet eens in. De bioscoop zal het dus wel niet worden. We zouden eventueel naar Tube Village kunnen gaan, maar zo’n discotheek, ik weet het niet. Modern dansen is toch meer voor de jongelui. Zoals ik jou op dat feest van Aster zag dansen, petje af. Dat doe ik je niet na. Maar wat dacht je hier van?’ Meneer Mortifa reikte Evert het krantje aan en wees op een advertentie die een voorstelling van de Buisdorpse komiek Arie Wietzen in de Dorpsgehoorzaal aankondigde.
Arie Wietzen, de grand old enfant terrible van de kleinkunstbühne! In de Dorpsgehoorzaal bent u op zaterdag 11 mei verzekerd van een ouderwets avondvullend schaterspektakel waar u nog weken over zult napraten! Messcherpe meningen, meeslepende melodieën! Arie Wietzen, de goedlachse hogepriester van de harde grap en het slappe geouwehoer! Geheel vernieuwd programma! Haast u voor de laatste kaarten naar de kassa! ‘Good old Arie Wietzen geeft jonge garde het nazien (...) rashumorist [blijft] lieveling van het publiek, ondanks zijn afkeer van schuttingtaal.’ (Buisdorps Nieuwsblad)
Op de foto was een oudere man te zien die scheef grijnsde en een strooien hoed op zijn linkerwijsvinger balanceerde. Hij had een veel te groot kostuum aan. ‘Dat is misschien wel wat,’ zei Evert.
*
Er volgde voor Jardina en Evert een culturele week. Elke avond zaten ze in het Filmhuis, waar vijf werkdagen lang het Festival van de Geflopte Film liep. Bij zulke films was het niet zonde van het geld als je je meer op je geliefde concentreerde dan op het doek. Met zijn ene hand in een emmertje popcorn en haar hand in de andere kon Evert zijn geluk niet op. Sommige films waren zo terecht geflopt, dat ze ondertussen een gesprek konden voeren. Evert vertelde haar over de gebrekkige seksuele voorlichting die er op de lagere school door de voorzitter van de oudercommissie gegeven werd. Over de twee broers die op de middelbare school met de leraar slaags waren geraakt. Over de door de schoolkrantredacteuren gejatte tentamenopgaven. Jardina vond dat er in elk verhaal een verhaal zat. ‘Daar moet je over schrijven!’ zei ze. ‘Vind je?’ Er werd een stuitend slechte komedie vertoond over een nerd met een grote neus die na een verloren weddenschap over de omheining van een meisjeskostschool werd geduwd. ‘Hoe zit het eigenlijk met mijn voorgangsters?’ vroeg Jardina. ‘Waren het er veel?’ De nerd met de grote neus stond op dat moment onder de douche, ingeklemd tussen een zestal kostschoolmeisjes. ‘Daar heb je geen idee van,’ zei Evert. ‘Zo’n meisjeskostschool is kinderspel vergeleken bij m’n eigen middelbare school. Ik hoefde maar met m’n vingers te knippen of ik ging van hand tot hand.’ ‘Vast wel.’ ‘Nou ja, meestal was het natuurlijk mijn eigen hand.’ Hij vertelde haar over zijn verliefdheid op Madeleine, toen hij een jaar of zes was – en over de verkeerde indruk die hoofdredacteur Barrelmeijer daar onlangs dankzij Kokya van gekregen had. Hij zou dat binnenkort rechtzetten als hij het niet vergat. En dan meteen duidelijk maken dat hij niet geïnteresseerd was in een gezamenlijk bezoek aan De Rode Buis. ‘Joh, daar moet je over schrijven!’ zei Jardina. Het was wat inspiratie betrof een gunstige tijd, had Evert gemerkt. Er was zoveel om over te schrijven – hoe hij Jardina ontmoet had, verliefd op haar geworden was: er zat een verhaal, misschien zelfs een roman in. Ze inspireerde hem zoals niemand hem nog geïnspireerd had. Zij was ook de eerste vriendin die hem niet in de eerste plaats lichamelijk aantrok. Zijn vorige vriendin was iemand geweest met wie hij meestal kon lachen en zo vaak mogelijk naar bed ging, maar tot liefde, laat staan tot inspiratie, had het niet geleid. Jardina inspireerde hem niet alleen, ze was bovendien enthousiast over wat ze van hem las. Hij had het aanvankelijk vreemd gevonden dat ze belangstelling toonde voor zijn schrijven. Dat hij schreef was zoiets persoonlijks, dat hij er zelfs nooit aan gedacht had het met een ander te delen. Als hem gevraagd werd wat hij in zijn vrije tijd uitvoerde, zei Evert dat hij schreef. Altijd volgde de onmogelijk te beantwoorden vraag: ‘Wat schrijf je?’ Hij schreef verhalen, dacht na over een roman – maar wat viel daarover te zeggen? Er was nog nooit iets gepubliceerd, behalve een paar persiflages die hij voor de jeugdpagina geschreven had. Waar het precies over ging? Dat was zo’n lang verhaal. En trouwens: wat hem qua oeuvreplanning voor ogen stond, was voor hemzelf vanzelfsprekend maar voor buitenstaanders waarschijnlijk te gek voor woorden. Hij zei altijd maar dat hij ‘aan verschillende dingen’ bezig was. Het gebeurde zelden dat men er nadien op terugkwam. Evert had de indruk dat ze het raar vonden dat hij schreef. Als je zei dat je piano of gitaar speelde was het in orde. Als je zei dat je schilderde ook. Maar schrijven? Het had er misschien mee te maken dat iedereen het kon of dacht te kunnen. Piano of gitaar spelen vergde studie en het penseelgebruik onder de knie krijgen was ook een hele kunst. Schrijven leerde je op school: het kon dus niet veel voorstellen. Er waren mensen die af en toe een brief schreven – maar elk vrij moment aan schrijven besteden en er op andere momenten aan denken, dat kwam waarschijnlijk door een genetische afwijking. In je eentje zitten schrijven, was dat niet verschrikkelijk eenzaam, werd er soms gevraagd. Evert probeerde dan kalm te blijven en uit te leggen dat eenzaam zijn en alleen zijn niets met elkaar te maken hebben en dat hij zich nog nooit eenzaam had gevoeld als hij alleen was. Behalve toen het verlangen naar Jardina bezit van hem begon te nemen, maar daar had niemand wat mee te maken. ‘Maar vertel eens,’ zei Jardina. De kostschoolmeisjes hadden de nerd met de grote neus een make-over gegeven: hij droeg nu een jurk en was bewerkt met lippenstift en andere gezichtsverfraaiing. Hierdoor op het verkeerde been gezet, begon de voluptueuze gymnastieklerares schuchter avances te maken, wat ontaardde in een wilde achtervolging door de gangen van de kostschool. ‘Na Madeleine kwam er een hele tijd niets,’ zei Evert. ‘Maar op de middelbare school ben ik weer voor de bijl gegaan omdat er toen puberteit heerste – daar had je bij moeten zijn. Zoals dat dan gaat m’n onschuld verloren, al beweren boze tongen dat ik geen onschuldige periode gekend heb.’ ‘Ter zake, zeikerd.’ ‘We hadden thuis een tijdje een hulp in de huishouding. Ze klom midden in het minimodeseizoen op de trap om de ramen te zemen. En ik zat daar op de bank over m’n natuurkundeboek heen naar te kijken – als je me niet gelooft schrijf ik er wel een verhaal over, dan staat het zwart op wit en dan moet het dus wel waar zijn.’
*
Toen Evert op zaterdagochtend met twee volle boodschappentassen van de supermarkt terugkeerde, werd hij bij de ingang van café Den Olden Buys bijna omver gefietst door Toker, die de aanvaring wist te voorkomen door uit alle macht te remmen. ‘Ga je lekker?’ zei Evert. ‘Wacht even,’ zei Toker. Hij stapte af en zette de stopwatch van zijn horloge stil. ‘Zo! Nog geen twee uur! Een kwartier sneller dan van de week!’ Waar zijn we in godsnaam mee bezig? dacht Evert. Shit, de Ronde van Buisdorp. Tweemaal zo snel mogelijk om de Buisdorpse Plassen heen. Naar de kapper geweest. Gestopt met roken en drinken. Colleges volgen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Kort samengevat: de cynicus had de liefde in zijn leven toegelaten. Toker stalde zijn city bike in het halletje en volgde Evert naar boven. ‘Kom je even een bakkie doen?’ vroeg de door verliefdheid gedrogeerde wielrenner. Een bakkie? Eigenlijk wel een goed idee. Jardina zat bij de kapper om zich nog mooier te laten maken dan ze al was, en een kop koffie zou de tijd tot haar terugkomst doden. ‘Ik hoop niet dat je er suiker in wilt, want die heb ik niet meer in huis,’ zei Toker. Evert had de boodschappen boven gebracht en zijn gastheer had de wielrenuitmonstering verruild voor een T-shirt en joggingbroek. Hallo. Er werd thee geserveerd in plaats van koffie! ‘Ik drink het altijd zonder suiker,’ zei Evert. ‘Je zal het misschien raar vinden, maar met een wolkje melk erin is thee voor mij pas echt thee,’ zei Toker. ‘Het heeft dan iets, ik weet niet. Iets Engels.’ Thee? Toker? Een wolkje melk? Werden alle normen en waarden dan zomaar aan de kant geschoven? Hij moest maar niet vragen op welke partij Toker bij de volgende verkiezingen dacht te gaan stemmen. ‘We zullen maar gewoon earl grey nemen,’ zei Toker, terwijl hij het zakje in de theepot liet zakken. ‘Mooie theepot, hè?’ Wat nou mooie theepot. ‘Uit 1957!’ zei Toker stralend. ‘O ja?’ O jee. ‘Jazeker. Gisteren nog gelachen! Aster kwam een kopje thee drinken!’ Als dat maar niet met muffins en scones gepaard was gegaan. Met afgrijzen zag Evert dat Toker toen hij het kopje naar de mond bracht zijn pink omhoog liet wijzen. ‘Was hartstikke gezellig. Ik zeg: “Zullen we passievruchtenthee nemen?” Ze zegt: “Dat zou je zeker wel willen, hè, Tokertje?” Maar ze moest er toch om lachen.’ ‘Gelukkig maar,’ zei Evert. Tokertje! ‘En weet je wat helemaal lachen was?’ Nu kwam er een nog verschrikkelijker dijenkletser. Toker zette zijn kopje op de grond. Kennelijk bang dat hij bij de aanstaande schaterbui op het vloerkleed zou morsen. ‘Aster schoof het raam open, en toen begon Dibbes te roepen: “Sloppensloerie!” Ik ga naast haar uit het raam hangen, ik sla stiekemweg een arm om haar heen, en ik roep keihard: “Meneer Dibbes, ga maar lekker op het dak staan!” Nou, hij was meteen afgebluft. En Aster lag natuurlijk dubbel.’
*
‘Wat zit je haar leuk!’ ‘Vind je? Ik weet het niet.’ Jardina stond voor de spiegel. ‘Het is wel flink korter, hè?’ ‘Behoorlijk,’ beaamde Evert. ‘Dat het over je schouders hing vond ik al adembenemend, maar dit is helemaal ongeëvenaard. Let maar op, als je morgen wakker wordt zit die nek vol zuigzoenafdrukken. Zal ik thee zetten?’ ‘Thee?’ ‘Sorry, ik bedoel koffie.’ Hij zette het apparaat aan. ‘Dat komt, ik was net even bij Toker, die drinkt tegenwoordig thee. Moet je nagaan. Ik denk dat ik maar ga verhuizen. Kan ik bij jou intrekken, of is dat lastig?’ ‘Hoezo?’ ‘Ik word hier zo langzamerhand gek. Vanmorgen wilde ik boodschappen gaan doen, werd ik zowat een uur door Mortifa aan de praat gehouden. Welke schoenen ik hem zou aanraden. En of hij vanavond dit of dat kostuum zou aantrekken. Ze waren volgens mij identiek, maar nee, dat zag ik verkeerd. Het ene was grijsachtig blauw, het andere blauwachtig grijs. Ik ben er maar niet tegenin gegaan. En welk overhemd paste er het beste bij? Effen of een streepje? Aan de ene kant wilde hij er niet te opgeprikt bij lopen, aan de andere kant wilde hij natuurlijk wel gesoigneerd voor de dag komen. En had ik toevallig ook verstand van moderne deodorant voor mannen, maar dan een neutrale geur? Enzovoort, enzovoort.’ ‘Wat is er vanavond dan?’ ‘Dan gaat hij met Kokya uit. Dineren bij de Italiaan, naar een voorstelling van Arie Wietzen in de Dorpsgehoorzaal en een afzakkertje in Grand Café Knak.’ ‘Leuk toch.’ ‘Reuze. En toen ik eindelijk boodschappen gedaan had heb ik Toker moeten aanhoren, nadat hij zowat met zijn fietsvoorwiel mijn edele organen geplet had. Bij Toker op theevisite! Straks gaan ze hier nog bingoavonden organiseren. Het is toch allemaal niet te geloven. Een student die niet drinkt. Erger nog: een student die studeert.’ ‘Ze zijn gewoon verliefd, Toker en Mortifa.’ ‘Nou en? Dat is toch geen reden om je zo aan te stellen!’
*
Het liep tegen halftwee toen meneer Mortifa Everts kamer binnenviel en hem met een gebruld ‘Hup faldericus!’ wekte. Ontwaken uit een droom is al geen lolletje, helemaal niet wanneer je pas een uur slaapt en de droom net op gang begint te komen. Evert voelde naast zich – o ja, hij had Jardina thuisgebracht, ze zou de hele zondag gaan studeren. Hij knipte het lampje boven zijn bed aan en keek tussen loodzware oogleden door naar zijn bezoeker. ‘Sliep je al?’ vroeg deze. Hij had zijn jas over zijn schouder hangen en hing zelf tegen de deurpost. De afstand tussen gast en gastheer werd overbrugd door een indringende dranklucht. ‘Wazzeraandand?’ vroeg Evert. ‘Ik dacht, ik ga nog maar even mijn goede buur het hemd van het lijf praten,’ legde meneer Mortifa uit. ‘Dat is nader dan de rok van een verre vriend, haha! Schikt het?’ Evert probeerde op de wekker de tijd te onderscheiden. Even een praatje maken. Hij proefde in zijn uitgedroogde mond de pizza die zijn diner geweest was. Hij wreef zijn ogen uit en kwam overeind. Raar dat de nachtzuster dat allemaal maar goed vond. Evert mocht zeker doorlopend bezoek hebben omdat zijn einde nabij was. Ze zeiden wel dat je leven in een flits aan je voorbijtrok als het zover was, maar het kon ook zo zijn dat er in plaats daarvan een buurman op bezoek kwam met dronkemanspraat. Meneer Mortifa schoof een stoel bij en nam er zijn gemak van. ‘Weet je wat, ik geloof dat ik m’n schoenen maar uittrek, dan hebben we dat alvast gehad,’ zei hij. ‘Hoe meer ik uittrek, hoe meer ik aantrek, hahaha!’ Hij zakte onderuit en deponeerde zijn gesokte voeten op het bed. ‘Evert, moet je horen. Wat een avond! Die Arie Wietzen is een mirakel. Ik heb me grondig vermaakt.’ Evert staarde machteloos voor zich uit. ‘Arie zegt tegen z’n pianist: “Ken-die, maatje?” Nou, en toen begon het. Waar Wietzen ’t allemaal vandaan haalt, man man man. Dat de eerste auto een lelijke Eend was omdat Mozes namelijk in zijn Eendje de berg op ging. Terwijl je eendje in werkelijkheid met een t schrijft, maar dat was nou juist de grap. En meteen er achteraan nog een mop: Knipschagen was met z’n auto boven op een Eend geknald – ja dat is mij ook overkomen, weet je nog? Z’n vriend Prikhagen zegt: “Dan had die Eend geluk dat je geen woerd was!” Want je hebt dus, zeg maar, een auto die ze een Eend noemen, maar ze komen in de natuur ook als dier voor. En Arie z’n hele familie moest eraan geloven. Z’n vader ging op stap, z’n tante had een olifant en er stond ook nog een paard in de gang, maar het was níet z’n broer. En dan moest je z’n zuster zien! Z’n dochter had steeds een ander vriendje, en die moesten allemaal mee-eten. Maar wat ik zo knap vond, dat is dat Arie hup de stemming liet omslaan. Hij zei: “Ach, lieve mensen, denk toch eens aan alle narigheid in de wereld. Atoombommen en dierenleed. Waar heb dat nou voor nodig?” En toen zong-ie dat het beter moet worden in de wereld. Dus liever geen atoombommen en dierenleed meer. En ook nog een liefdeslied over 24 anemonen. Hij vond dat we een geweldig publiek waren. Dat is nogal wat, als je nagaat dat zo’n man zowat elke avond optreedt.’ Waar blijft de nachtzuster nou? dacht Evert. ‘Maar weet je wat ik het mooiste vond? Hij deed een nummer over een paranormale operazanger, Paravotti. Die zou optreden op een paragnostencongres. Hij rekende geen reiskosten, omdat hij gewoon thuis onder de douche stond te zingen. Die paragnosten konden het zo ook wel horen! In de pauze haalde ik voor Kokya een ijsje. Ze zegt: “Appie, heb je zelf geen ijs?” Ik zeg: “I only have ice for you.” Ze kwam niet meer bij! Nou, toen kwam Arie weer op. Hij zegt: “Zeg maar ja tegen het leven, want een ander doet het niet.” En het ging maar door, met die moppen. Er was een vrouw onderweg naar huis, tenzij er iets tussen kwam. Dat had dan weer te maken met haar benen. “Waar gaan die mooie benen naartoe als er niets tussenkomt?” Zoiets. En dan die van Knipschagen en Prikhagen, die waren samen naar Parijs geweest. Eerst zouden ze gaan maar toen gingen ze niet, en dat was al een mop, maar later gingen ze toch. Toen ze weer terug waren zei iemand tegen Knipschagen: “Heb je nog aan de Seine gezeten?” Hij zegt: “Nee, maar hij wel aan de mijne!”’
*
Dat Evert wakker werd betekende dat hij geslapen moest hebben. Lang kon het niet geweest zijn. Bij het opstaan kwamen zijn blote voeten in pijnlijke aanraking met de schoenen van meneer Mortifa, die zelf gelukkig niet meer in de kamer aanwezig was. Het gevoel van slaap werd verdrongen door de hoofdpijn die naar alle hoeken van zijn schedel uitstraalde. Nooit meer, dacht hij. (Zelfs denken deed pijn.) Nooit meer. Het is afgelopen. Finito. Ik ga hier vertrekken. Tot die tijd komt er geen mens meer in, behalve Jardina. Liefde is oorlog. De deur wordt vergrendeld en ik hang knoflook en een crucifix op. Het douchewater kwam als een hagelstenenbombardement op zijn geteisterde hoofd neer, maar verdreef althans ten dele de slaap. Hij had gedroomd. Het was een nachtmerrie geweest. Wacht eens – hij had helemaal niet gedroomd! Niks nachtmerrie. De schoenen waren het bewijs dat de buurman aan zijn bed gezeten had. Nadat hij zich afgedroogd en aangekleed had perste Evert twee sinaasappels uit en spoelde met het sap een aspirientje weg. De achtergelaten schoenen had hij onderweg naar de badkamer bij meneer Mortifa voor de deur gezet, waarmee voorkomen werd dat de verliefde kleinkunstliefhebber straks kwam aankloppen om ze terug te vragen. Maar hij kon zich beter geen illusies maken: als Mortifa niet langskwam om zijn schoenen op te halen, kwam hij wel langs om te bedanken voor het terugbrengen. Zo ver mocht hij het niet laten komen. Tot elke prijs moest voorkomen worden dat bewoners van het huis hem voor thee, koffie of andersoortige spijzen en dranken trachtten te strikken. Even bijpraten, daar begon hij niet meer aan. Essays werden er niet meer nagelezen op type- en stijlfouten. Kledingadviezen? Vergeet het maar. Hij deed voor geen mens meer open. Waar was de tijd gebleven dat Toker zure oneliners uit zijn mouw schudde? ‘Georganiseerde religie heeft de afgelopen tweeduizend jaar meer ellende veroorzaakt dan georganiseerde misdaad.’ En Tokers verhalen over de middelbare school – Evert dacht eraan terug met gevoelens van vertedering. ‘We hadden een geschiedenisleraar, Bokke Bokkema. Bokkema vond dat je niet mocht zeggen dat je honger had als je bedoelde dat je trek had. Een paar maanden later werd er bij die zak een been afgezet. Dat krijg je ervan als je het altijd beter weet.’ Toker was nooit te beroerd om met een welgekozen argument een wereldreligie onderuit te halen. ‘Hun god is er dus een die mensen geboren laat worden, ze een tijdje laat leven en dan wel even zal uitmaken of ze het verdienen in de hemel te komen. Niet erg sympathiek, hè? Trouwens, als je bedenkt hoeveel miljarden mensen er door de millennia heen op aarde hebben rondgelopen, dan moet het daar wel druk zijn. Zou die god naar een maximale bezettingsgraad streven?’ Toen Toker alles en iedereen haatte mocht ik hem wel, dacht Evert. Beter een ruwe bolster dan een kleffe. Zolang hij verliefd blijft, wil ik hem niet zien. Zich in zijn kamer verschuilen was niet afdoende. Beter was het zo snel mogelijk het pand te verlaten, voordat de anderen wakker werden. Opschieten dus. Maar hij moest zichzelf ook weer niet gaan lopen opfokken: het was pas halfnegen en Evert had zolang hij hier woonde nog niet meegemaakt dat zijn studerende huisgenoten op zondag voor twaalf uur bij kennis waren. Hij kleedde zich aan en trok om vijf voor negen de deur van zijn kamer geluidarm achter zich dicht. Als hij langzaam wandelde zou hij omstreeks kwart voor tien bij Jardina zijn. Hopelijk sliep ze nog, dan kon hij haar verrassen met ontbijt op bed – dit was zo’n verrukkelijk vooruitzicht, dat zijn hoofdpijn begon te verdwijnen. Toen hij de trap naar de verdieping van Aster en Toker was afgedaald sloeg zijn hart plotseling over, want de deur van Asters kamer stond op een kier. Hoe kwam hij daar ongezien langs? Stel je voor dat ze met de theepot in de hand naar buiten kwam zetten, richting Tokers kamer. Was de gang maar iets minder breed geweest, dan had hij zich met zijn voeten tegen de ene wand en zijn handen tegen de andere omhoog kunnen werken tot vlak onder het plafond. Daarna een stukkie horizontaal tot voorbij hun kamers, zich weer laten zakken en dan op z’n tenen de trap af en – ‘Hé, Evert! Trek in thee?’
*
En daar zat hij weer, met een mok thee. ‘Wil je er een eitje bij?’ vroeg ze. ‘Ik heb al gegeten,’ loog hij. ‘Jij bent ook vroeg op.’ ‘Anders jij wel.’ Stompzinnige opmerking, die van haar. Hoe wist je nou of iemand vroeg op was als je niet wist hoe laat hij was gaan slapen? Ha, de hoofdpijn kwam weer opzetten. ‘We gaan straks picknicken,’ zei Aster. ‘Niet dat ik weet’, zei Evert. ‘Toker en ik, bedoel ik.’ ‘Zo.’ ‘Weet je nog,’ zei ze. ‘Een tijdje terug wilde ik absoluut niet aan een relatie denken. Maar door Toker ben ik toch gaan twijfelen. Het is zo’n schatje. Onwijs soft.’ Toker een schatje. Moest hij dit beamen of bestrijden? Vaak was het beter de mensen in hun waarde te laten, maar dit was een twijfelgeval. ‘Kijk eens wat ik van hem gekregen heb.’ Een konijn. Het speelgoeddier stond op de plank tussen de oude spulletjes van vroeger treurig voor zich uit te kijken. Was natuurlijk zwaar depressief geworden van het weerzinwekkende gezeik van de kamerbewoonster en haar onwijs softe vriendje. Vermoedelijk lulden ze nog tegen het weerloze beest aan ook. ‘Ben je dan een lief konijntje van Aster?’ Lazer toch op alsjeblieft met die zwakzinnigenpraat. ‘Hij heet Meneertje Denkmuis,’ zei Aster. ‘Volgens mij is het een konijn,’ zei Evert. ‘Ja, het is een konijn.’ ‘Maar hij heet Denkmuis.’ ‘Meneertje Denkmuis. Leuke naam hè? Heeft Toker bedacht.’ Dan was het in orde. Als Toker het maar bedenkt, dan mag een konijn een muis zijn. We leven in een vrij land en het individu moet zich kunnen ontplooien. Vooral niet tegenin gaan. ‘Moet je opletten,’ zei ze. In de heup van het konijn was een opwindsleutel gemonteerd. Aster draaide de sleutel een paar slagen en Meneertje Denkmuis trippelde gehoorzaam over de plank. Misschien moest het speelgoeddierenbevrijdingsfront worden ingeseind over deze misstand. Boing: Meneertje Denkmuis had de beschuitbus op zijn weg gevonden en was tot stilstand gekomen. Die beschuitbus was uit 1947, als Evert zich niet vergiste. Een goed beschuitbussenjaar. Zo’n beschuitbus trippelde je als opwindkonijn niet zomaar omver. Aster maakte een einde aan de beschuitbusbestorming door Meneertje Denkmuis van de plank te tillen. ‘Enig idee van wanneer dat beest is?’ vroeg Evert vals. ‘Meneertje Denkmuis? Meneertje Denkmuis is van dit jaar. Meneertje Denkmuis is made in Taiwan. Lief hè?’ Ze hield het Taiwanese prul vlak voor haar neus toen ze dit zei, maar het namaakknaagdier gaf wijselijk geen krimp. Evert had zijn thee beleefdheidshalve opgedronken en maakte aanstalten te vertrekken, maar Aster voorkwam zijn aftocht door weer een andere verschrikking te presenteren. ‘En dit is Juffrouw Wonderwezen.’ Een afzichtelijke trol met een soepjurkje aan. ‘Krijgt Toker straks. Stop ik stiekem in de picknickmand. Ik ga Juffrouw Wonderwezen denk ik onder de lentebloemetjes verbergen die ik gisteren geplukt heb. Ruiken lekker, joh. Dat heb je echt alleen als het lente is.’ Everts hoofdpijn kon alleen maar erger worden als hij zijn hoofd tegen de muur beukte. ‘Ik ga maar weer eens verder,’ zei hij. ‘Het werd tijd. Wat ben jij toch een plakker. Het is al bijna halftien. Toker zal wel ongerust zijn!’ Hoe zou de picknick verlopen als hij nu met veel kabaal de kamer verliet en Toker daardoor opzadelde met het vermoeden dat hij bij Aster de nacht had doorgebracht? Waarschijnlijk zouden de stoppen dan bij hem doorslaan. ‘Moet je niet studeren?’ vroeg hij. ‘Jardina is vanaf vrijdagavond bezig. Jullie hebben volgende week toch een tentamen?’ ‘Daar ga ik me nou niet druk over lopen maken. Ik leef bij de dag. Die studie is toch maar gruttemutte.’
*
Buisdorp leek te slapen toen Evert eindelijk op weg ging naar Jardina. De zon was nog niet helemaal hersteld van de ondergang van de vorige avond, maar kwam weer aardig op krachten. De matige tegenwind was weldadig. Zoals bijna altijd als hij naar Jardina onderweg was, vroeg Evert zich af of ze hem wel binnen zou laten. Of het harerzijds geen misplaatste, uit de hand gelopen studentengrap was. ‘Joh, het was maar een geintje. Had je dat niet door? Dacht je echt dat ik wat in iemand als jij zou zien? Ga maar lekker op het dak staan!’ Hij was onvoorstelbaar stapel op haar, maar een relatie kon toch niet gebaseerd zijn op een eenzijdige wilsverklaring? Hoe wist je of het werkelijk wederzijds was, of de ander geen komedie speelde? Hoe kon je weten wat er in een ander omging? Hoe wist je of wat iemand zei gemeend was? Toen meneer Mortifa nog toerekeningsvatbaar was, voordat hij in de ban van Kokya geraakt was, had Evert op een avond met hem over het schrijven gesproken. Het ging over het scheppen van geloofwaardige personages. Evert had zich afgevraagd of je als man eigenlijk wel een verhaal kon schrijven waarin een vrouw de hoofdrol speelde. ‘Ach jongen, wat een flauwekul. Als dat zo zou zijn, dan kan je je als mannelijke lezer ook niet in een heldin inleven, zelfs niet als die door een vrouw geschapen is. Als man weet je weliswaar misschien niet wat er in een vrouw omgaat, maar je weet evenmin wat er in een andere man omgaat. Je weet alleen wat er in jezelf omgaat. Het is dus onzin je af te vragen of je als man een vrouw hoofdpersoon van een verhaal of roman kunt laten zijn.’ ‘Dat is misschien wel zo,’ had Evert gezegd. ‘Natuurlijk is dat zo. En als je beschrijft wat er in jezelf omgaat, dan is dat ook maar een interpretatie. Je weet alleen hoe het voelt om met een hamer op je duim te slaan als je het doet. Maar dan ook alleen op het moment zelf, want een tel later is het een herinnering geworden. Snappez-vous?’ Als meneer Mortifa ook nu nog in staat geweest was verstandige dingen te zeggen, dan zou hij er wel voor gezorgd hebben dat Evert zich niet langer afvroeg of Jardina’s gevoelens voor hem in de buurt kwamen van zijn gevoelens voor haar – was hij haar grote liefde, of was hij er alleen maar om de periode tussen de vorige en de volgende minnaar te overbruggen?
*
Jardina was al wakker en ze had al ontbeten. Maar goed ook, want ontbijt op bed is in theorie een romantischer aangelegenheid dan in de praktijk. Als je met een dienblad vol beschuit, croissants, ei en mokken mangothee op het bed toeliep en je verheugde op een samenzijn zonder weerga, waren die schoenen wel het laatste waar je oog voor had. Je zag het soms in komische series met ingeblikt gelach: een struikelpartij gevolgd door de lancering van een overvol dienblad. En slaagde je er al in je zonder morsen te installeren, dan kon je rekenen op beschuitkruimels in het schaam- en borsthaar, met op de koop toe brandwondjes van de alsnog kapseizende mok mangothee. Dat had allemaal bitter weinig met romantiek te maken. Jardina was wel wakker, maar nog niet op visite gekleed. Het was een raadsel. Vrouwen tutten zich voor honderden guldens op voordat ze uitgingen. Uren brachten ze bij de kapper door, ze gebruikten een parfum dat zelfs taxfree krankzinnig duur was (omdat mannen minder goed kunnen ruiken dan vrouwen, moeten vrouwen parfum gebruiken, het was eigenlijk te gek voor woorden, als je erover nadacht), ze trokken een jurk aan die zo van de catwalk kwam; geen moeite te veel om zich zo verleidelijk mogelijk te presenteren. Maar nu komt het: Evert had nog nooit iemand er zo onweerstaanbaar bij zien lopen als Jardina die net haar bed uit was. Ongekamd haar dat alle kanten uit piekte, een wit T-shirt aan dat maar net tot haar blote dijen reikte. ‘Wil je koffie?’ vroeg ze. Ze was op de bank gaan zitten en rekte zich uit, waarbij het T-shirt tot haar navel opkroop. ‘Eerst maar even wat anders,’ zei hij. Hij zakte op zijn knieën, zij sloeg haar armen om zijn nek en haar onbetaalbare benen om zijn middel – geen wonder, na twee dagen van onthouding.
*
De omhelzing had een alleszins bevredigende voortzetting gekregen in een soort seksuele reis om de wereld, die op de bank begonnen en midden op het tapijt geëindigd was. Zo’n etage was toch wel even wat anders dan een armetierige kamer boven een bruin café, bedacht Evert toen hij in de keuken bezig was voor Jardina en zichzelf koffie te zetten. Een vrijpartij hoefde zich niet steeds binnen dezelfde schamele vierkante meters af te spelen, en je kon er komen en gaan zonder buren tegen het lijf te lopen die je als klankbord voor hun verliefdheidsverdwazing gebruikten. Hij zou op zoek moeten gaan naar een betaalbare eengezinswoning waar hij de hele dag met haar zijn gang zou kunnen gaan: op de bank, in bed, op de binnentrap of half over de rand van het balkon: dag vogels, dag bloemen, dag kinderen. Dan zou hij zijn baan opzeggen en zij haar studie opgeven, want dergelijke tijdverspilling ging maar ten koste van het vrijen. Ze zouden voor het zover was tijdens de vakantie het wekelijkse zevendaagse vierentwintiguursvrijen kunnen uitproberen. O ja, Kokya’s tent. ‘Wat dacht je van kamperen?’ vroeg hij. ‘Hoe kom je daar nou ineens bij?’ ‘Kokya had het er laatst over. Dat je dat een keer gedaan moet hebben. Heb jij weleens gekampeerd?’ ‘Nooit.’ ‘We kunnen Kokya’s tent lenen. Het schijnt zelfs geweldig te zijn als het regent. Dan klettert de regen op de tent terwijl je lekker ligt te lezen. Kokya zegt dat ze altijd een paar delen Russische Bibliotheek meeneemt. Misschien mogen we die ook lenen.’ ‘Of we halen een stapeltje Wolkers bij de bibliotheek. Ik heb van de week een prachtig verhaal van hem gelezen, Kunstfruit. Weet je wat het rare is? We moeten voor onze tentamens en werkstukken veel boeken uit de jaren zeventig en tachtig lezen, die doen vaak zo gedateerd aan. Maar Kunstfruit is uit 1962 en totaal niet gedateerd. Behalve dan het woord borstenhouder.’ ‘Borstenhouder? Kom eens hier met je bovenlichaam, dat gedateerde woord brengt me op een idee.’
*
Jardina was ’s middags gaan studeren en Evert had middelgrote schoonmaak gehouden: gestofzuigd, badkamer, wc en keuken onder handen genomen en afgewassen. Hij was tijdens het huishoudelijke werk in de wolken, omdat Jardina desgevraagd weer gezegd had dat ze van hem hield en daardoor althans voorlopig aan zijn onzekerheid op dit punt een eind had gemaakt. Tegen achten was hij in de Buisstraat. Zonder dat hij de bewoners tegenkwam passeerde hij de kamers van Aster en Toker. Maar toen hij zijn eigen kamer wilde binnengaan kwam meneer Mortifa uit de zijne zetten, alsof hij achter de deur had staan wachten. ‘Sodemieters, wat een gedoe,’ zei de buurman. ‘Ik heb me de hele ochtend wezenloos lopen zoeken naar m’n schoenen, blijkt dat ik ze vannacht voor de deur had laten staan!’ ‘Zo,’ zei Evert. Hij had zijn deur al van het slot en zou gemakkelijk naar binnen kunnen glippen en de deur aan de binnenkant afsluiten, maar meneer Mortifa was naast hem komen staan om het praatje voort te zetten. ‘Wat een machtig prachtige vrouw is dat toch,’ zei hij. ‘Heeft ze het weleens over me? Jij ziet haar zowat elke dag.’ Als Evert ja zei zou er aan het gesprek niet zo gauw een eind komen, als hij nee zei zou het misschien nog veel langer gaan duren. Terwijl hij naar een diplomatiek nietszeggend antwoord zocht, had de buurman alweer een ander thema gevonden. ‘Weet je wat het is? Je weet het niet. Je weet het gewoon niet.’ ‘Nee,’ zei Evert, zonder te weten wat er niet geweten werd. ‘Je weet het zeker niet.’ ‘Exact, dat bedoel ik. Jij hebt dat dus ook. Het is toch zo’n eigenaardige toestand. We hebben gisteren gezellig gegeten, we zijn naar de schouwburg geweest, en het was allemaal fantastisch. Maar als ik dan weer thuis zit begin ik te twijfelen. Zou ze me wel echt graag mogen? Daar kan ik eindeloos over somberen.’ ‘Ach,’ zei Evert, ‘u moet maar zo denken: de dingen gaan zoals ze gaan. Dat zijn uw eigen woorden.’ ‘Is dat zo? Heb ik dat gezegd? Jongen, daar moet je toch niet aan denken, dat de dingen gaan zoals ze gaan? Dat je er niks aan kunt doen? Stel je voor dat het met Kokya en mij niets wordt en dat er niks aan te doen is omdat de dingen gaan zoals ze gaan.’ ‘Tsja. U moet zich er maar bij neerleggen dat de dingen gaan zoals ze gaan. Het leven is eigenlijk een soort treinreis, hoorde ik laatst iemand beweren. Je zit met allerlei figuren in een coupé. Reizigers stappen in, reizigers stappen uit en reizigers stappen over. De een reist eerste klas, de ander tweede klas. Soms hebben treinen vertraging, soms ontsporen ze, soms wordt er aan de noodrem getrokken, en aan het einde van de rit ben je uitgerangeerd.’ ‘Echt waar? Maar ik heb niet eens een kaartje!’
*
De volgende ochtend was Evert een halfuur eerder op de redactie dan zijn naaste collega, zodat hij de werkdag daadwerkelijk met werken kon beginnen. Kokya zat na binnenkomst nog niet aan haar bureau of ze barstte los. ‘Zaterdagavond met Appie naar Arie Wietzen geweest!’ zei ze stralend. Daar gaan we, dacht Evert. ‘Was het leuk?’ vroeg hij, terwijl hij de hoofdpijn tussen zijn kruin en zijn voorhoofd heen en weer voelde caramboleren. ‘Ik had het af en toe niet meer,’ zei Kokya. ‘Ik pieste zowat in m’n broek van het lachen. Ik wou dat ik al die grappen kon onthouden. Vooral die over Kniphagen en Prikschagen.’ ‘Knipschagen en Prikhagen,’ verbeterde Evert. ‘Knipschagen en Prikhagen. Die zouden naar Parijs gaan.’ ‘Parijs moet een mooie stad zijn. Daar zou ik zelf ook wel een keer naartoe willen.’ ‘Maar ze gingen niet!’ ‘Wat jammer. Kwam dat door een treinstaking?’ ‘Dat was nou juist de mop! Snap je ’m niet? Dat ze zouden gaan maar niet gingen! En o, die was ook zo mooi. Knipschagen komt Prikhagen in de Kalverstraat tegen, en Prikhagen heeft bananen in z’n oren zitten. Knipschagen zegt: “Hé, er zitten bananen in je oren.” Zegt Prikhagen: “Ik versta je niet, er zitten bananen in m’n oren!” Hahaha! Zeg, Evert, heb jij scharretjes gegeten?’ ‘Hè?’ ‘Laat maar!’ Er moest nog een massa kopij geredigeerd worden, maar Kokya raakte niet uitgepraat over haar Appie. Evert keek zo nu en dan haar kant uit en knikte dan maar. Op zijn werk kon hij zich onmogelijk concentreren. Aan het einde van de ochtend werd er opgebeld door Kokya’s tante, die het gelukkig zo moeilijk had dat ze een kwartier lang onafgebroken het woord voerde en Evert daardoor de gelegenheid gaf wat te werken. Maar toen Kokya haar tante aangehoord en opgebeurd had, ging ze gewoon verder waar ze gebleven was. ‘Appie denkt precies zoals ik,’ zei ze. En hij lult ook net zo, dacht Evert. Waarom ging ze niet even boodschappen doen? De groenteboer kampte aangaande meneer Mortifa met een enorme kennisachterstand, en die had het uitwisselen van kletspraat bovendien in zijn functiebeschrijving staan. ‘Over Atillo bijvoorbeeld. Hebben we bij de Italiaan een hele tijd over zitten praten. Hij vond het heel mooi van me dat ik indertijd heb doorgezet en een Fosterkindje nam. Appie was het helemaal met me eens.’ ‘Fijn,’ zei Evert. ‘Ik ben tussen twee haakjes bezig met de indeling van de pagina. Voor komende zaterdag zitten we praktisch vol, maar heb jij misschien zin om voor volgende week aan de hand van de persinformatie een stukje over de nieuwe Jaap Joekel te schrijven? Honderdvijftig woorden ongeveer.’ ‘Is er dan alweer een nieuwe Jaap Joekel uit?’ ‘Jaap Joekel en de hagelslagverdwijning. En vlak voor Sinterklaas verschijnt Jaap Joekel en het appelstroopraadsel. Heb je nog wat bedacht voor de rubriek Wistjedatjes en Moetjenshorens?’ ‘Helemaal vergeten!’ zei Kokya geschrokken. ‘Zal ik vanavond thuis in de encyclopedie wat opzoeken?’ ‘Ik wilde het liever vandaag afronden,’ zei Evert. ‘Ik bedenk wel iets.’ Hij dacht even na. ‘Wist je dat... de dikke darm langer is dan je misschien gedacht had? Moet je horen: de dikke darm is wel anderhalve meter lang! Lijkt je dat wat?’ ‘Anderhalve meter?’ zei Kokya. ‘Dat jij dat weet. Goed hoor.’ ‘Ik weet meer dan wij samen,’ zei Evert.
*
Er was geen ontkomen aan. Toker stond in de gang toen Evert thuiskwam van zijn werk. Een aanloop nemen? Hem rugbyachtig omver rennen? ‘Kom eens,’ zei Toker. Gelaten ging Evert de kamer binnen. Op het bureau stond Juffrouw Wonderwezen in haar soepjurkje. Niet naar kijken – dan zag Toker dat en dan zou hij er iets tenenkrommends over zeggen. Misschien ook was hij speciaal ontboden om een monoloog aan te horen over de miniatuurtrol en de levensgrote trol die haar geschonken had. ‘Ik heb hier twee pakken muesli met krenten en twee pakken muesli met alleen noten en vruchten,’ zei Toker. ‘Plus dan nog spaghetti en macaroni. En dit is helemaal niet te geloven: poeder waar je kokend water bij moet doen en dan krijg je tomatensaus. Je weet niet wat je ziet.’ Evert keek in de kartonnen doos die inderdaad met deze levensmiddelen gevuld was. Kon hij nu weer gaan? Toker nam het pak spaghetti uit de doos. ‘Per 100 gram 82,8 gram koolhydraten,’ las hij voor. ‘Dat is niet niks,’ zei Evert, die geen idee had wat het wilde zeggen. ‘Ik ben al ruim twee kilo kwijtgeraakt. Was ook wel nodig.’ Toker wreef over zijn afgenomen bierbuik. ‘De tweede zondag van juni de Ronde van Buisdorp. Maar die koolhydraten, hè? Ik eet ’s morgens dus eerst twee borden met ontbijtvezels en zemelvlokken en zo veel mogelijk ongepelde gruzelpitten. Nou, en dan stap ik op de fiets en dan maar tempo draaien. Als ik onderweg de lente ruik is er geen houden meer aan. Hard dat het gaat!’ ‘Komt dat door die koolhydraten?’ ‘Onder meer. Je moet zorgen dat de glycogeenvoorraad op peil blijft. En veel drinken natuurlijk. Daar zijn boeken vol over geschreven. Hartstikke interessant om te lezen. Vroeger at ik altijd maar raak, maar volgens die boeken schijnt dat niet gezond te zijn. Aster zegt dat ik bijvoorbeeld ook groente en fruit moet eten. En als zij het zegt...’ Toker lachte veelbetekenend en Evert was even bang dat hij in de zij gepord zou worden. ‘Goed eten is het halve werk,’ beaamde hij. ‘Gaat het nog met de studie?’ veranderde hij gauw van onderwerp. ‘Die komt op de eerste plaats. Gistermiddag zijn we na de picknick trouwens nog naar de kerk geweest.’ ‘De kerk?’ ‘Aster is een beetje katholiek, wist je dat niet? Een paar jaar geleden was ze in de kerk en ze stond voor dat Mariabeeld dat ze er hebben en toen begon dat beeld ineens te huilen.’ Geen wonder, dacht Evert. ‘Als je zoiets hoort ga je toch denken dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde,’ zei Toker. ‘Maar voor m’n religietentamen moet ik allerlei stromingen bestuderen. Ik las een boek van een antropoloog die beweert dat er geen volk bestaat dat er geen religie op na houdt. Boeiend hoor. Aster nam me mee naar de kerk, om het katholicisme uit te leggen. Ik was nog nooit in een kerk geweest. Het moet een enorme organisatie zijn, al die verschillende kleren die ze dragen. En druk dat het er op zondag is. Ik zeg tegen Aster: “Dat glas in lood zal wel oud zijn.” Ze zegt: “Ik ga wel even vragen uit welk jaar het is.” En dat doet ze dan, hè? Stapt gewoon op zo’n domineefiguur af, kan d’r niks schelen. Ik heb nog wat in de collectebus gestopt. Er stond een spreuk op: Wie goed doet, God ontmoet. Dat vond ik wel mooi gevonden. Kijk, dit is Juffrouw Wonderwezen, die heb ik van Aster gekregen. Ze heeft er wat van haar parfum opgedaan. Moet je ruiken.’
*
‘Zullen we gaan lunchen?’ stelde Evert voor. ‘Oké,’ zei Kokya. Ze trokken hun jassen aan en verlieten het gebouw van het Buisdorps Nieuwsblad. Tweehonderd meter verderop streken ze neer in een lunchroom met uitzicht op de kramen van de woensdagmarkt. ‘Ik wil graag een tosti ham/kaas/ananas en een thee,’ bestelde Kokya. ‘Voor mij een cappuccino en een tosti ham/kaas,’ zei Evert. De serveerster noteerde het en nam de menukaarten weer in. ‘Het is gehaktdag,’ zei Evert. ‘Even flink cholesterol stapelen, dat hebben we wel verdiend.’ ‘Hou op, ik ben al veel te dik,’ zei Kokya. ‘Ik denk dat ik maar overstap op vermageringsmargarine.’ ‘Te dik waarvoor?’ vroeg Evert. Vers in zijn geheugen lag een periode van masturbatoire hoogconjunctuur waarin hij Kokya’s postuur juist als bijzonder stimulerend ervaren had. Dat was een dolle tijd geweest – maar voor hetzelfde geld had hij nu in de ziektewet gelopen met RSI van het rukken. ‘Er moet minstens tien kilo af,’ vond ze. ‘Je bent niet goed wijs,’ diagnosticeerde hij. ‘Er is niks mis met je uiterlijk, zolang het niet erger wordt. Je moet je geen rare ideeën in je hoofd halen, hoor.’ Hoe lang was het eigenlijk geleden dat hij zelf bekropen was door het schrikbeeld dat Jardina zijn oren niet zou kunnen uitstaan omdat ze te ver uitstonden? Niet lang, maar hij was inmiddels zo overtuigd geraakt van Jardina’s oprechte gevoelens voor hem, dat dergelijke aanvallen van twijfel van korte duur waren. Vaker dan een paar keer per week had hij er gelukkig geen last van. De serveerster bracht de bestelling. Kokya koos uit de gepresenteerde doos theezakjes de lentethee, hing het in haar kopje en nam een hap tosti. Een lange draad kaas liep van haar mond naar het bord. Een dame aan een belendend tafeltje keek er geamuseerd naar. ‘Weet je zeker dat je uit Buisdorp komt en niet van het platteland?’ vroeg Evert. ‘Hoezo?’ Hij wees naar de kaasdraad. ‘Je hebt volgens mij geen fatsoenlijke opvoeding genoten. De tafelmanieren van de varkens afgekeken. Opgegroeid in zo’n troosteloos dorp waar ze allemaal dezelfde achternaam hebben en een onnozele blozende inteeltkop waar niets in omgaat. Ik heb met je te doen.’ ‘Ik zat aan Appie te denken,’ zei Kokya afwezig. Ze werkte de kaasdraad als een spaghettisliert naar binnen. ‘Stel je voor dat-ie me te dik vindt.’ ‘Zal ik het vragen?’ ‘Alsjeblieft niet. Ook niet als geintje hoor!’
*
Thuis vond Evert bij de post een envelop waar een tijdschrift en een brief in zaten. Hij had erg zijn best gedaan op het literaire pornoverhaal en hij was zelf tevreden over het resultaat. Dat de studenten van het literaire tijdschriftje het niet wilden plaatsen, verbaasde hem meer dan het hem teleurstelde. Als troostprijs had men bij de afwijzingsbrief het inmiddels verschenen themanummer gevoegd. Het bevatte literaire pornoverhalen waarin de nadruk meer op het pornografische dan op het literaire lag. In het ene verhaal werd nog meer gekreund, gesteund en gehijgd dan in het andere. En ja hoor, er werd weer waarschuwend ‘Ik kom klaar!’ geroepen als men op het punt stond klaar te komen. Net zo bezopen als ‘Ik trek m’n schoenen aan!’ roepen als je je schoenen aantrekt, vond Evert. ‘Ik kom klaar!’ ‘Jee, ik wist niet dat je het in je had.’ ‘Anders zou het er toch niet uit gekomen zijn?’ Hij bracht Jardina telefonisch van de afwijzing op de hoogte. ‘Waarom wilden ze het niet plaatsen?’ vroeg ze. ‘Ze vonden het te literair en te romantisch.’ ‘Te romantisch? Hoezo te romantisch?’ ‘Het ging meer over gevoelens dan over geslachtsdelen. Mischien ben ik te romantisch aangelegd voor deze tijd. Ik had beter in de jaren twintig geboren kunnen zijn.’ ‘Was dat zo’n romantische tijd? Maar dan zou je nu stokoud zijn. Had ik met een afgetakelde bejaarde naar bed gemoeten!’ ‘Als het aan mij ligt moet je dat op den duur ook.’
*
Kokya was vaker laat, maar nu maakte ze het wel erg bont. Zou de tostilunch van de vorige dag verkeerd gevallen zijn? Om kwart over tien was ze er nog steeds niet, waardoor Evert aardig kon opschieten. Dat kwam goed uit, want er was wat te vieren: hij kende Jardina vandaag acht weken! Hoe eerder hij het werk af had, des te eerder hij naar huis en met haar naar bed kon. Hij selecteerde een drietal probleembrieven en beantwoordde ze namens dokter Martin. De eerste tobster adviseerde hij aan de pil te gaan. De tweede legde hij uit dat je wel overal tegen kunt zijn en dat je best mag vinden dat het leven geen zin heeft, maar dat het onzin is in opstand te komen tegen de zwaartekracht. Dokter Martin trachtte briefschrijver drie uit de put te trekken door een opsomming te geven van beroemde depressieve popsterren die géén zelfmoord gepleegd hadden. Schrijf het maar van je af, dat was een advies dat het altijd wel deed. De vorige avond was Jardina nadat Evert haar gebeld had meteen langsgekomen. Naar aanleiding van het literaire-pornoakkefietje hadden ze over zijn schrijfplannen gesproken. Jardina was bang geweest dat hij zich door de afwijzing zou laten ontmoedigen, maar Evert kon haar geruststellen: hij was niet te ontmoedigen. ‘Daar ben ik veel te romantisch voor.’ Als hij schreef, schreef hij om het schrijven, niet om daarvoor geprezen te worden. Als anderen er wat in zagen was dat meegenomen, maar het had verder niets te betekenen. Eventuele waardering was een afgeleide: iets dat zich op een ander terrein dan het schrijven afspeelde. Er schenen schrijvers te bestaan die niet zonder toejuichingen konden en die zich druk maakten over het aantal verkochte boeken. Eigenlijk waren dat geen schrijvers, want ze beschouwden een boek niet als het doel, maar als een opstapje naar iets anders. Jardina had hem verteld over haar broer Ricardo, die in het buitenland sociologisch onderzoek deed op het gebied van de seksualiteit. Het had Evert op een idee gebracht: binnenkort zou er vanwege de komkommertijd veel minder kopij voor de jeugdpagina arriveren. De jongeren die problemen hadden, gingen desondanks met hun lastige ouders of met elkaar op vakantie en vergaten voor de duur van de vakantie hun problemen; ze waren althans niet in de gelegenheid dokter Martin om bijstand te vragen. Als ze weer terug waren en ginds een grote liefde hadden moeten achterlaten met behoud van een venerisch souvenirtje, leverde dit weer postzakken vol verdriet op, maar tot die tijd was het zes weken lang een ondermaatse oogst. Misschien kon er een schrijfwedstrijd georganiseerd worden. Evert zou de lezers uitnodigen een verhaal in te sturen waarin een onplezierige jeugdervaring centraal stond. Proza in plaats van een probleembrief – als de pagina op die manier gevuld werd, kon Evert zes weken lang achteroverleunen. En stel dat er tien, twaalf verhalen binnenkwamen die het verdienden om in boekvorm te verschijnen – dan kwam Jardina’s broer Ricardo om de hoek kijken, want in dat geval zou Evert de schrijvers ervan ‘sociologisch’ gaan interviewen en die interviews ook in het boek afdrukken, om daarmee een sociologisch tijdsbeeld te schetsen van hedendaagse jongeren en hun onplezierige ervaringen. Een titel had hij er al voor: Afgrijselijke Jeugd. Benieuwd wat Barrelmeijer ervan zou vinden.
*
‘Leuk ideetje, Evert,’ zei hoofdredacteur Barrelmeijer. ‘Gratis kopij kunnen we altijd gebruiken. En of er eventueel een boekie van komt, dat zien we dan wel weer. Zeg, heb jij Kokya gezien?’ Het was halfelf en nog steeds geen levensteken van zijn collega. Barrelmeijer keek fronsend op zijn horloge. ‘Ik zal haar straks wel even opbellen,’ zei Evert. ‘Doe dat maar. Het is hier toch geen doorlopende voorstelling waar je maar binnenkomt naar het je schikt?’ Barrelmeijers gezicht klaarde op. ‘Over doorlopende voorstelling gesproken. Gisteravond was ik nog even een afzakkertje gaan halen in De Rode Buis. Ze hebben op woensdag altijd een avond voor stand-up comedians. Dan moet je dus een mop vertellen terwijl je een stijve hebt. Dat valt nog niet mee. Als de concentratie verslapt, zal ik maar zeggen, dan gaat er een paard hinniken en dan draait het podium weg. Er was er een bij, dat vond ik wel knap, die deed het expres. Die kwam op met zó’n knots, die in een mum van tijd naar halfzeven zakte. Dat paard hinniken, maar die vent zei: “Ho ho, ik begin even opnieuw. Ik maakte een rukfout, er komt nu een erectificatie.” Dat was dus z’n act. Er was er een die hield ’m drie moppen lang overeind. Hij was met een hoertje mee geweest, en die meid zei: “Je mag spuiten waar je wil, maar niet in m’n haar, want dan loop ik straks met een spermanent.”’ ‘Die is sterk,’ zei Evert. ‘En hij had er ook een over z’n vriendin. Die had dus echt zúkke tieten.’ Barrelmeijer hield zijn armen gestrekt voor zich uit. ‘Jammer dat ik korte arrempies heb. Maar die griet had dus van die antivegetarische megaponders, zo’n dubbele Big Mem. Hij zegt: “Als m’n vriendin de deur uitgaat heeft ze altijd een Simson-reparatiedoosje bij zich met bandenplakkers en solutie, want een ongeluk zit in een klein hoekje!”’ Evert vroeg zich af of de mop al uit was, en trok zijn mondhoeken voor de zekerheid op tot een glimlach. ‘En dan moet je ook nog eens een keer zien dat je je bierworstje overeind houdt! Nou, dat zie ik jou nog niet doen. Als-ie omlaag kukelt is dat toch een afknapper.’ ‘Dan sta je voor lul.’ ‘Verdomd! Ik belde gisteravond m’n broer nog op, maar die vindt dat allemaal maar niks, De Rode Buis en zo. Met jou kan ik er tenminste normaal over praten, van man tot man. We moeten gauw eens gezellig gaan stappen.’ Voordat Evert beleefd had kunnen weigeren ging Kokya’s telefoon. ‘Daar zal je Kokya hebben,’ zei hij. Maar het was haar tante. ‘Nee, mevrouw, ze is er nog niet. Kan ik een boodschap aannemen? Ik zal vragen of ze u meteen belt als ze er is. Ik begrijp dat er haast bij is, maar ze is er helaas niet. Dag mevrouw, tot uw dienst.’
*
Tegen het einde van de ochtend ging de telefoon opnieuw. Ditmaal was het Kokya wel, maar als ze haar naam niet genoemd had zou Evert haar niet herkend hebben. ‘M’n keel,’ zei ze, met een stem die de zwoelheid van een jeneververslaving had. ‘Kou gevat.’ ‘O jee,’ zei Evert. ‘Gisteravond met Appie even een boulevardje gepikt,’ schuurpapierde ze. ‘Toen we in de bus terug zaten begon het al. Die lieverd sloeg meteen z’n colbertje om me heen, maar het was al te laat en – wacht even, er wordt gebeld.’ Het duurde een paar minuten voordat ze weer aan het toestel kwam. In de tussentijd drongen er allerlei verontrustende geluiden Everts oor binnen. Het was bijna onvoorstelbaar dat het menselijk hoesten was. ‘Hè, hè, was dat even wat,’ zei ze. ‘Staat Appie ineens voor de deur. Was helemaal vanaf het ziekenhuis hier naartoe komen lopen. Weet je wat-ie bij zich had?’ Een geweer? ‘Een gigant van een beterschapskaart! Wat zeg je, Appie? Appie zegt een bij twee meter!’ Op de achtergrond riep Appie nog iets voor Evert onverstaanbaars waar Kokya hartelijk om moest hoesten. ‘Het is toch zo’n engel, die Appie! Wist je dat-ie elke ochtend om zes uur op de fiets stapt om een ansichtkaart met een lieve tekst erop in de bus te gooien? Dan is mijn dag al goed, nog voor ik de deur uit ga naar de krant!’ ‘Geweldig,’ zei Evert. ‘Ik zal doorgeven dat je ziek bent. Je tante heeft gebeld. Als ze weer belt zal ik haar naar je huis laten bellen, is dat goed?’ ‘Wat?’ zei Kokya tussen twee hoestblaffen. Ze sprak nu kennelijk tot meneer Mortifa. ‘Ach gekkie, dat mag-ie toch wel weten? Welja. Dat jij zo’n attente schat bent hoort de hele wereld te weten. En – zei je wat, Evert?’ ‘Ik zei dat je met zo’n stem beter niet te veel kunt praten. Zal ik je...’ De hoestbui zwelde aan tot een beangstigend volume. Evert hield de hoorn een eindje van zijn oor. Nadat het aan de andere kant tot bedaren was gekomen probeerde hij het weer. ‘Hallo?’ Geen antwoord. Toen hij op het punt stond maar weer eens iets te roepen, kwam meneer Mortifa aan het toestel. ‘Evert? Mortifa hier. Kokya gaat nu naar bed. Je moet haar maar een poosje met rust laten. Ik heb alles onder controle. Je hoort nog wel hoe of wat.’
*
De volgende middag wilde Evert na thuiskomst een douche nemen als voorbereiding op het vrijdagavondsamenzijn met Jardina, maar Aster zorgde voor oponthoud. Ze zag er anders uit. Hij had niet onmiddellijk in de gaten wat er anders aan haar was – ah, ze had haar vlechten ongedaan gemaakt. ‘Lust je ook bosvruchtenthee?’ vroeg ze. ‘Is goed,’ zei hij en ging maar zitten. Een kwartier, hooguit een kwartier. Zijn zenuwen waren de laatste tijd zwaar op de proef gesteld. Zenuwen hadden een beperkte rek en als ze eenmaal geknapt waren zou hij misschien maandenlang mummelend op bed liggen, en dan kwam Aster hem elke dag een bordje soep brengen. Dat van die soep was nog het ergste. Nee, absoluut niet langer dan een kwartier. ‘Valt je niets op?’ zei ze. Voordat hij had kunnen zeggen dat de verdwenen vlechten hem meteen waren opgevallen en dat hij blij voor haar was, wees ze op de planken met haar collectie oude spulletjes van vroeger. De planken waren leeg, afgezien van Meneertje Denkmuis, die weer behoorlijk gedeprimeerd uit zijn kraaloogjes keek. ‘Het was geen doen meer,’ zei Aster. ‘Ik hield het eerst allemaal keurig in een schriftje bij, wat ik kocht. Wat het was, waar ik het gekocht had, uit welk jaar het kwam. Maar op die manier klopte de volgorde niet, dus ik legde een kaartenbakje aan. En toen klopte het nog steeds niet, want als de kaartjes chronologisch werden opgeborgen kreeg je een alfabetische puinbak, en als het alfabetisch was leek de chronologie nergens naar. En wat doe je als je twee oude spulletjes van vroeger uit hetzelfde jaar hebt? Ik werd er gek van.’ Als je maar weet waar het van komt, dacht Evert. ‘Dus op een gegeven moment ging ik met trefwoorden werken, dan kan je alle kanten op. De hele vorige week mee bezig geweest, gooide ik gisteren per ongeluk een glas wijn over het kaartenbakje heen omdat ik bij Toker op schoot zat en zo. En toen had ik het ineens gehad met die ouwe spulletjes van vroeger. Het is toch allemaal gruttemutte. Toker wilde ze wel hebben. Omdat ze van mij geweest waren. Lief hè?’ Lief? Niks lief. Het probleem werd alleen maar verplaatst. Het betekende dat de gekte een deur verder werd voortgezet, met of zonder jaartal, alfabetisch of chronologisch gerangschikt en voorzien van trefwoorden en wijnvlekken. Was het kwartier al om? ‘Weet je wat het hele eieren eten is?’ zei ze. ‘De een moet niets van zo’n collectie oude spulletjes van vroeger hebben, de ander vindt het prachtig. Het is een kwestie van smaak.’ En dat hebben jullie niet, dacht hij. ‘Wist je dat Toker al drie kilo kwijt is?’ Maar hij heeft er minstens dertig kilo aan oude spulletjes van vroeger voor teruggekregen. Het gaat uit de lengte of uit de breedte. Aster ging tegenover hem zitten. ‘Vind je het niet gek dat je al zo lang niets meer hoeft na te lezen op typefouten? Ik ben hartstikke achter met m’n studie. Toker kan zich daar kwaad om maken. “Je moet studeren, je moet studeren!” zei hij gisteren. Ik werd verschrikkelijk link. “Jaag me niet op!” zei ik tegen ’m. “Het is toch zeker mijn leven? Ik heb soms het gevoel dat jij de studie van me overneemt. Ooit zal ik heus wel iets af hebben waar ik trots op zal zijn.” Maar Toker heeft natuurlijk wel een beetje gelijk. Alleen, er komt gewoon niets van studeren. Neem nou dat gedoe met dat kaartenbakje en die trefwoorden. Zat ik avond aan avond aan te werken. Dan heeft studeren echt geen zin meer. Moet ik eerst m’n hoofd leegmaken.’ Zat daar wat in dan? ‘Het zou eigenlijk wel lachen zijn als Toker nog eerder zijn propedeuse haalt dan ik,’ zei ze. ‘Dat zou mooi zijn,’ beaamde Evert. Als hij eens gewoon opstond en ‘hoogste tijd!’ zei? ‘Drie kilo, die jongen is echt waanzinnig goed bezig. En maar trainen voor de Ronde van Buisdorp, en maar studeren. Heftig hoor. Ik word al moe als ik eraan denk. Zeg, heb je het grote nieuws al gehoord?’ ‘Ik ben bang van niet,’ zei Evert. Laat er in godsnaam geen kindje op komst zijn. ‘Ik ga er volgende week samen met Toker een lang weekend tussenuit. Een fietsvakantie, omdat het zo’n heerlijke lente is. Hij twijfelde eerst of we wel zouden gaan, want hij is altijd zo bezorgd. Hij dacht dat ik dat niet zou volhouden, de hele dag op een ouwe fiets uit 1963 zitten. Hij moest eens weten. Die fiets is uit 1974!’
*
‘Je ouwe buurman is ernstig verliefd,’ zei meneer Mortifa. ‘Eerst waren het haar ogen, toen was het haar hemelse glimlach. En nu – ik let normaal gesproken nooit zo op iemands uiterlijk, maar dat mollige figuurtje maakt me helemaal dol. Ik weet niet waar het door komt, maar op het moment dat ik wist dat ze van me hield, was het net of de wereld opnieuw geboren werd. Ik zweer het je.’ Evert nam de kop koffie aan en ging zitten. Het vrijdagavondsamenzijn met Jardina had tot diep in de nacht geduurd en had veel van zijn krachten gevergd. De kamer van meneer Mortifa maakte een ongebruikelijk rommelige indruk. Op het bed lag een weekendtas, de inhoud er ongeordend naast. ‘Ik ben alle besef voor tijd kwijtgeraakt. Het is vandaag zaterdag?’ ‘Zaterdag 18 mei, 11.15 uur plaatselijke tijd,’ bevestigde Evert. ‘Vanaf donderdag continu in touw geweest, dat gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Maar het belangrijkste is dat Kokya er weer bovenop komt. Ze kreeg een pittige terugslag te verduren.’ ‘Ik dacht dat ze gewoon kou gevat had toen jullie een boulevardje waren gaan pikken,’ zei Evert. ‘Dat was de druppel,’ zei meneer Mortifa. ‘Weet je wat het is? Ze heeft de dood van haar man niet kunnen verwerken. Ze wilde sterk zijn en het allemaal alleen opknappen. Ze wist op het laatst niet meer wat ze deed. Ik heb je toch verteld van die doos met operaplaten die ze weg wilde doen? Ze is dol op opera, maar elke noot bracht herinneringen boven. De platen waren niet van haar schoonvader geweest, maar van haar man. Ze luisterden er vroeger samen naar. Maar ik geloof dat we de crisis saampjes aardig doorgekomen zijn. Ze heeft veel kunnen praten, veel kunnen huilen. En ik heb meteen twee knopen doorgehakt. Ik vond dat ik dat moest doen.’ ‘Wat voor knopen?’ vroeg Evert. ‘Nou,’ lichtte meneer Mortifa toe, ‘de eerste dag dat ik er was, ik had Kokya net een koppie slappe thee op bed gebracht, toen belde haar tante op. Dat mens stond erop Kokya te spreken te krijgen. Ze kon er niet tegen dat ik haar de les las, dat was wel duidelijk. Wat zei ik ook alweer? O ja: “Ik wil niet dat de vrouw van wie ik zielsveel houd te gronde wordt gericht door iemand die waarschijnlijk diep ongelukkig zou zijn als ze het ook maar een enkele dag niet moeilijk zou hebben. Mevrouw Dibbes, ik hoop dat ik duidelijk ben geweest.”’ Meneer Mortifa had een strijdlustige blik in zijn ogen. ‘Mooi gezegd hè?’ ‘En wat zei tante?’ vroeg Evert. ‘Dat ze nog nooit zo beledigd was of zoiets. En toen hing ze op. Dat was dus de eerste knoop die ik doorhakte.’ ‘En de tweede?’ Meneer Mortifa keek Evert opgetogen aan. ‘De tweede knoop die ik doorhakte was dat ik gisteravond tegen Kokya zei: “Weet je wat wij gaan doen? Wij gaan er samen even tussenuit. Wij huren volgend weekend een huisje.”’ ‘Vond ze dat een goed idee?’ ‘Een goed idee? Ze sloeg haar armen om me heen en ze kreeg een verschrikkelijke huilbui. Nooit heb ik me zo gelukkig gevoeld als toen ik haar tranen over mijn wang voelde lopen.’
*
Monogaam zijn was voor Evert een uitgemaakte zaak. Hij kon zich niet voorstellen dat het zinvol was steeds maar weer met een ander in bed te duiken. Goedbeschouwd was het ook gekkenwerk. De eerste keer dat je met iemand naar bed ging was het meestal een kwestie van gestuntel, van aftasten, van in elkaars ritme proberen te komen en na afloop denken: dat doen we de volgende keer beter. Een zogenoemde one night stand kon niet tippen aan de tiende keer met dezelfde, dus waarom daar je energie aan verspillen? Mannen die zo veel mogelijk vrouwen in bed probeerden te krijgen werden in de volksmond ‘vrouwenliefhebber’ genoemd, terwijl het tegendeel eerder aan de orde was. Als je nadat je met iemand naar bed was geweest de volgende dag meteen op zoek ging naar een verse wippartner, bewees dat toch dat je niet in de vorige geïnteresseerd was geweest? Het idee! Je van iemand ontdoen alsof het een volgesnoten zakdoek is. Evert dacht dat Jardina er ook niet aan moest denken vreemd te gaan (‘Ik ga met jou al vreemd genoeg!’ had ze desgevraagd verklaard) en dat gaf de doorslag. Geen van beiden had ooit na een bloeddonatie een alarmerend telefoontje gekregen, en daarom besloten ze het voortaan zonder condoom te doen. Hun intrede in het condoomloze tijdperk was iets om te vieren. Misschien dat ze een onschuldig fantasietje in de praktijk konden brengen. Niet zoiets vooruitstrevends als na kinderbedtijd, of soms zelfs daarvoor, op de televisie werd vertoond. Er bestonden mensen die dachten dat het de bedoeling was je extreemste fantasieën in daden om te zetten – ze beseften niet dat de functie van een fantasie juist is fantasie te zijn, en geen werkelijkheid. Evert had een ideetje. Jardina vond het wel een beetje een eigenaardig ideetje, maar voor een keer wilde ze het wel proberen – zolang het maar niet op haar etage hoefde te gebeuren. ‘Komend weekend hebben we het rijk alleen,’ zei Evert. ‘Meneer Mortifa zit met Kokya in een huisje, Aster en Toker gaan vrijdagmiddag op fietsvakantie. En meneer Dibbes heeft zich al een paar dagen niet laten zien, dus daar hebben we hopelijk ook geen last van.’ ‘Een ongekende vrijheid,’ vond Jardina. ‘Daar moeten we van profiteren.’ ‘Maar weet wel waar je aan begint,’ zei Evert. ‘Ik ben niet van plan in m’n eentje te gaan sjouwen.’ ‘Ik help je wel. Hier in de buurt zitten een stuk of drie supermarkten, allemaal op loopafstand.’ ‘En in de straat hier schuin tegenover is ook nog een winkeltje,’ zei Evert. ‘Hoeveel hebben we nodig, denk je?’ ‘Toch zeker 150 liter.’
*
‘Thuis verveel ik me dood,’ antwoordde Kokya op Everts vraag waarom ze die vrijdag niet ook thuis was gebleven om uitgerust aan het weekendje met Appie te beginnen. Ze had een pakje papieren zakdoekjes voor zich op haar bureau liggen en ernaast een grote puntzak zoute griotten. Pas nadat hij koffie gehaald had dorst Evert over haar tante te beginnen. Die had als hij haar aan de telefoon kreeg nooit haar naam genoemd, maar altijd gezegd: ‘U spreekt met de tante van Kokya, kan ik mijn nicht te spreken krijgen?’ ‘Zeg, die tante van jou, heet die Dibbes?’ Was het verbeelding of kleurde ze? ‘Hoe weet je dat?’ zei Kokya. ‘Van meneer Mortifa. Is ze familie van die Dibbes die bij ons voor de deur staat?’ ‘Dat is haar zoon.’ Evert herinnerde zich nu dat Kokya hem ooit verteld had dat haar tante het moeilijk had omdat het met haar zoon de verkeerde kant op ging. ‘En heeft ze het daarom zo moeilijk?’ ‘Ze hád het moeilijk. Maar je weet hoe Appie is, als hij wat voor iemand kan doen... Toen ik ziek was las hij tante flink de les, maar het is zo’n goedzak, daar krijgt hij dan meteen spijt van. Om het goed te maken heeft hij op een avond neef Dibbes aangesproken, en met veel praten kreeg hij hem zover dat hij meeging naar zijn moeder. En sindsdien is hij daar in huis. Appie probeert elke dag even langs te gaan. Hij kan het gelukkig goed met tante Dibbes vinden.’ Vandaar dus dat meneer Dibbes niet meer in de Buisstraat naar Tokers raam stond te schreeuwen. ‘Wat een tragedie,’ zei Evert. ‘Zo’n Dibbes die voor de klas staat en dan ineens in de goot terechtkomt, alleen omdat z’n vrouw een verhouding met een ander begonnen is. Toker vertelde me van de week dat hij soms niet kan slapen van wat hij aangericht heeft.’ ‘Dat had er niets mee te maken,’ zei Kokya. ‘Toen z’n vrouw er vandoor ging was het al een tijd aan de gang. Daar hoeft Toker zich niet sappel om te maken. Het ging met neef Dibbes precies zoals indertijd met z’n vader. Oom Dibbes heeft ook jarenlang schreeuwend door Buisdorp gezworven. Vroeger zouden ze gezegd hebben dat neef Dibbes erfelijk belast is, maar het is gewoon iets genetisch. Of is dat hetzelfde? Daarom had tante het zo moeilijk. Eerst haar man waar het slecht mee afliep, dan haar zoon. Maar toen Appie gistermiddag bij haar op bezoek ging, was er met neef weer min of meer een gesprek te voeren.’
*
Lieve lezeressen, beste lezers!
De redactie van de jeugdpagina gaat jullie aan het werk zetten. Waar gaat het om? We ontvangen van jullie altijd stapels post, en daar zijn we erg blij mee. Vooral de brieven die dokter Martin mag beantwoorden zijn zeer welkom, want als dokter Martin een probleem van een van jullie oplost, dan helpt hij meteen alle anderen die met hetzelfde probleem zitten! Vaak schrijven jullie in je brieven aan dokter Martin over onplezierige dingen die jullie beleefd hebben. Hoe zouden jullie het vinden om nu eens een keer in plaats van een brief een verhaal, een opstel te schrijven over een onplezierige ervaring? Voor het geval jullie niets te binnen wil schieten, komen hier een paar tips. Hoe zit het met jullie familie? Misschien hebben jullie een oom die in de gevangenis zit of een tante die altijd maar ziek is. Daar is vast wel een leuk verhaal over te schrijven! Moeten jullie van de tandarts een beugel dragen? Hebben jullie weleens de hele vakantie regen gehad? Zijn jullie ooit geopereerd, bijvoorbeeld aan je amandelen of je trommelvlies? Je ziet het, er zijn gigaveel onderwerpen waar je over kunt schrijven. Doen hoor! Er zijn prachtige prijzen te winnen! Natuurlijk komen de winnende verhalen op deze pagina te staan. Misschien gaan we er nog meer mee doen, maar dat blijft nog even een verrassing. En weten jullie wie de voorzitter is van de jury die de verhalen beoordeelt? Niemand minder dan dokter Martin! Snel aan de slag dus!
*
Het was de warmste lentedag tot dan toe. De deur van de badkamer hadden ze wagenwijd opengezet, anders was het er niet uit te houden. ‘Hoeveel hebben we er?’ vroeg Jardina. Met haar T-shirt wiste ze het zweet van haar gezicht. Evert haalde een wijsvinger over haar voorhoofd, ving een druppel en stak de vinger gulzig in zijn mond. Zout genot. ‘Ik ben de tel kwijtgeraakt,’ zei hij. ‘Genoeg is het natuurlijk nooit. Ik heb geen gevoel meer in m’n armen. Ik hoop dat ik mijn plicht als man nog kan vervullen, anders is al het gesjouw voor niets geweest. Het was een goed idee om als laatste naar dat winkeltje te gaan. Nog een keer helemaal naar de supermarkt heen en weer zou ik niet gered hebben.’ ‘Vonden ze het niet raar?’ vroeg Jardina, terwijl ze zich uitkleedde. ‘In het winkeltje? Het bekende middenstandersgezeik. Zo meneer, dat is een mand vol.’ ‘Wat zei je?’ ‘Ik zei dat het voor een kinderfeestje was.’ ‘Een kinderfeestje! Ze moesten eens weten.’ ‘Bel op. Vraag of ze komen kijken.’ De badkamer was vergeven van de literpakken chocoladevla. De meeste waren leeg, een tiental moest nog boven het bad omgekeerd worden. ‘Doe jij de rest maar,’ zei Jardina. ‘Ik kan niet meer bukken.’ ‘Als je niet meer kan bukken maak ik het uit,’ waarschuwde Evert. ‘Dan kan ik je niet meer gebruiken.’ Ze stapten voorzichtig in het bad. De vla voelde verrassend verfrissend aan. Evert wilde lui onderuitzakken, maar dat was de bedoeling natuurlijk niet. ‘Je hebt er toch zeker wel zin in?’ vroeg Jardina, toen ze zag dat Evert zijn ogen gesloten had en mogelijk sliep. ‘Een echte man heeft altijd zin.’ Hij trok haar over zich heen – ondanks de met wederzijds geschater gepaard gaande uitglijers en onderdompelingen kwam het tot een provisorische vrijpartij. Jardina droop van de vla en Evert vond haar mooier dan ooit. ‘Was het een beetje naar wens?’ vroeg hij. ‘Het was fun. Maar niet iets om driemaal daags te doen.’ ‘Dat is zo. Het zal waarschijnlijk geen supplement op de Kamasoetra worden, onze vlawip. De eventuele volgende keer moeten we de slagroom niet vergeten. Het was af en toe net of ik met een ingevette eskimovrouw bezig was.’ ‘En ik moest steeds aan zo’n geoliede bodybuilder denken. Een zonder spierballen.’ ‘Daar denk je volgens mij altijd aan als we vrijen. Een met spierballen.’ ‘Wat dacht je dan.’ ‘Dan denk ik dat ik dus meer van jou hou dan jij van mij.’ ‘Hoezo?’ ‘Als jij met mij vrijt denk je aan een ander, maar als ik met een ander zou vrijen zou ik toch aan jou denken. Nee, gekheid, dat zal nooit gebeuren. Stel je voor dat ik jou niet had, dan zou je mij ook niet hebben!’ Jardina stapte voorzichtig uit het bad en glibberde vlalekkend naar de badkamerspiegel. ‘Ik zie er niet uit!’ vond ze. ‘Zullen we onder de douche gaan en de boel opruimen?’ Evert zakte tot aan zijn kin in de vla weg. ‘Ik blijf lekker liggen genieten. Kom er ook nog een kwartiertje in, toverprinses. Hoe langer we in de vla rollen, hoe meer er later is om aan terug te denken.’
*
Ongeveer op datzelfde moment parkeerde meneer Bion zijn auto. Hij stapte uit, stopte een paar munten in de parkeermeter en stak een pijp op. ‘Op de flat waren ze niet, laten we hopen dat ze hier wel uithangen, anders zijn we mooi voor niets van huis gegaan.’ ‘Misschien komt het niet gelegen,’ zei mevrouw Bion. ‘Jar zei toch dat we gewoon maar een keer langs moesten komen? Nou, dat doen we nu. Ze kunnen het krijgen zoals ze het hebben willen. En trouwens, het is hoog tijd dat we ons vertonen. Ze nodigde ons vier weken geleden uit.’ Hij hield de deur voor zijn vrouw open en ze gingen de trap naar de eerste verdieping op. ‘Als we dan maar niet te vroeg zijn,’ zei mevrouw Bion. ‘Het is halftwaalf, misschien liggen ze nog in bed.’ ‘Om halftwaalf nog in bed liggen? Wie ligt er nou om halftwaalf nog in bed! Bij ons kwam ze laatst al voor tienen aanzetten. En ze zei dat ze tegenwoordig vaak vroeg opstaat.’ ‘Jij snapt ook nooit wat. Ik bedoel natuurlijk niet dat ze liggen te slapen.’ ‘Daar kan ik wel tegen, hoor. Weet je nog, die keer dat jouw vader ons betrapte?’ Hij legde een hand op haar schouder. ‘Je dacht toch niet dat ik zoiets zou vergeten,’ zei ze glimlachend. ‘Ik voel me nog door de grond zakken. Wat schaamde ik me.’ ‘Ik heb nog nooit iemand zo uit zijn vel zien springen als die vader van je. Om niks, goedbeschouwd.’ ‘Noem het maar niks. In die tijd gebeurde het niet elke dag dat je een vreemde vogel in het bed van je zeventienjarige dochter zag liggen slapen.’ ‘Wat dat betreft zijn de tijden gelukkig veranderd. Hoezo eigenlijk vreemde vogel? Je hebt het toevallig wel over de vader van je kinderen, dus een beetje respect graag.’ Ze hadden de eerste verdieping bereikt. ‘Benieuwd wat voor vogel onze eventuele aanstaande schoonzoon is,’ zei meneer Bion. ‘Jar belt haast elke dag op. Ik heb het idee dat die Evert een blijvertje is, maar je weet het natuurlijk nooit zeker. Ze zegt dat hij erg romantisch is. Dat klinkt goed. Ik ben zo blij voor dat kind. Steeds verliefd worden op de verkeerde was echt niet leuk. Gek dat we nog niemand zijn tegengekomen. Jar vertelde over allerlei rare mensen die hier wonen, die had ik eigenlijk wel met eigen ogen willen zien. Ze zei dat Evert de enige normale in huis is. Zeg, ik hoop niet dat we die vreselijke man te zien krijgen. Je weet wel, die ’s avonds aan de overkant staat te roepen dat ze zich moeten aankleden en mee moeten komen.’ Ze hadden nog een tiental treden tot de tweede verdieping te gaan. ‘Weet je wat,’ fluisterde meneer Bion, ‘als we boven zijn roep ik heel hard: “Aankleden en meekomen!”’ ‘Doe dat nou niet. Je weet toch dat Jar zich altijd zo voor je schaamt als je leuk doet. En dan maak je meteen ook een rare indruk op haar vriend.’ ‘Ben je gek. Als hij echt zo normaal is als Jar beweert, dan wordt het hoog tijd dat hij een beetje loskomt. Je moet er toch niet aan denken dat-ie nu in een colbertje met onze meid thee zit te drinken!’
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||