Home                 Zoute
 griotten

Dodelijk
verliefd

Berichten uit
Buisdorp

Soep

Afgrijselijke
jeugd

Livia Werk in
wording
Mail eventueel
Weblog
Soms gestelde vragen
Publicaties
Schrijverspost
Literatuurpleinplek
Gastenboek
   
 

 

 

   
 

 

                                                                  in de war

 

 

Het ene moment ben je van iemands bestaan onkundig, het volgende beheerst ze je ademhaling en je bloedsomloop. Nadat Jardina’s verschijning hem had verpletterd ging het elke werkdag als volgt: de wekker liep om zeven uur af, Evert stond op, hij nam een douche, schoor zich, kleedde zich aan, at twee boterhammen, dronk een mok koffie, trok z’n jas aan, liep naar het gebouw van het Buisdorps Nieuwsblad, probeerde er te bedenken wat er niet thuishoorde in het rijtje champagne – kaviaar – zoute griotten, hij ging om vijf uur naar huis, at zonder smaak opwarmbaar avondeten, beschreef zijn toestand in zijn dagboek, keek nog wat televisie, ging naar bed, viel op den duur in slaap en droomde verontrustend tot de wekker weer afliep.

            En bij alles dacht hij aan Jardina.

            Aan Jardina Bion.

            Wat wist hij van haar, behalve dat ze studeerde en zich verdiept had in de hoofse liefde, wat dat ook mocht zijn? Aster zou hem het een en ander kunnen vertellen – ze was iemand die ongevraagd over alles en iedereen wat te vertellen had – maar dan moest hij het wel slim spelen. Hoe kon hij Aster urenlang gretig over Jardina uithoren zonder daardoor de indruk te wekken dat hij bovenmatig in haar geïnteresseerd was?

            Als hij Aster achteloos bekende dat hij finaal gevloerd was door Jardina’s oogverblindende oogopslag, haar machtig mooie meisjeshaar en haar ademstokkende parfum, dan kon hij wel inpakken. Dan zat hij nog niet op zijn kamer of Aster, die hem zogenaamd begripvol knikkend had aangehoord, greep de telefoon en bracht hinnikend van de lach aan Jardina verslag uit. Nee, loslippigheid moest vermeden worden.

 

                                                                          *

 

Evert hoorde Toker vloeken; de student stond voor zijn bed en keek op zijn horloge.

            ‘Me alweer verslapen,’ zei hij toen hij Evert in de gaten had gekregen.

            ‘Verslapen?’ zei Evert. ‘Het is halfzes.’

            ‘Ik was even gaan liggen, het is gisteravond laat geworden,’ legde Toker uit. Hij had zijn haar nog niet in een staart samengebonden, het hing ongeordend over zijn rug. ‘Ik wilde heel even m’n ogen sluiten, twee uur van de wereld geweest. Om vier uur had ik college. Nou ja, je kan het ook te gek maken met de studie. De maandag hoort eigenlijk nog bij het weekend.’

            Hij liep naar het raam en schoof het open.

            ‘Even luchten. Grote kloten, hij staat er al.’

            Van buiten drong geschreeuw tot de kamer door.

            ‘Aankleden en meekomen! Ongegeneerde kladdebakker! Waardeloze weekendwipper!’

            Toker schoof het raam weer dicht.

            ‘Je kan na vijven het raam niet meer opendoen. Het wordt tijd dat de lokale overheid wat aan Dibbes gaat doen. We leven in een vrij land, maar de vrijheid van de een mag niet ten koste van het woongenot van de ander gaan. Jij ook een biertje?’

            ‘Nee, dank je,’ zei Evert. ‘Ik ga zo eten.’

            Hij zag naast het bed een stapeltje studieboeken liggen. Mogelijk was Toker inderdaad van plan geweest naar college te gaan.

            ‘Weet je al wat je studeert?’

            ‘Ja,’ zei Toker. ‘Toevallig zat ik vanmorgen om elf uur ook bij een college. Ik moest er toch allejezus vroeg uit vanwege de tandarts. Daarom ben ik net even gaan liggen. Ik heb ergens opgeschreven hoe het officieel heet, anders ben ik het zo weer kwijt. Waar heb ik dat gelaten... Ik heb natuurlijk niet de hele tijd geluisterd, maar het college ging op een gegeven moment over het kuddegedrag van de stadsmens. Weet je wat mensen doen als ze bij een zebrapad staan te wachten? Als het stoplicht op groen springt kijken ze eerst naar de grond voordat ze gaan lopen. Iedereen doet dat.’

            ‘Waarom is dat?’ vroeg Evert.

            ‘Weet ik veel. Dat moet geloof ik onderzocht worden. We moeten er tenminste een werkstuk over maken. Nou ja, als het te dol wordt switch ik wel weer.’

 

                                                                          *

 

Op de redactie van het Buisdorps Nieuwsblad vroeg Evert zich voor de zoveelste keer af wat er in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten niet thuishoorde. Wezenloos staarde hij voor zich uit. Het was dinsdag; gelukkig hoefde hij pas over ruim drie weken de kopij voor de maandelijkse prijsvraag af te hebben.

            De werkkamer was berekend op twee personen, maar omdat het bureau tegenover het zijne tijdelijk onbezet was, gebruikte Evert het als extra stortplaats voor paperassen en rondzendmappen. Zijn eigen bureau was bedolven onder stapels kranten en goeddeels ongeopende post.

            Tegen het eind van de ochtend zou de nieuwe redactieassistente arriveren, had hoofdredacteur Barrelmeijer aangekondigd. Hij had haar naam genoemd, maar Evert had die niet verstaan omdat hij bevangen raakte door een dagdroom waarin Jardina zich ontpopte als een redactieassistente met wie hij nog lang en gelukkig zou leven. Maar ook voor een ander zou hij het bureau zo meteen opruimen en een welkomstplantje kopen.

            Uitgeput van lamlendigheid rekte hij zich uit. Hij stond op, verliet de kamer en maakte een ommetje door het gebouw. Toen hij met een bekertje automaatkoffie terugkeerde, trof hij zijn chef aan. Barrelmeijer was in gesprek met iemand die met haar rug naar Evert toe stond: een kleine mollige gestalte met een geweldige bos ragebolhaar.

            ‘Waar zat je nou weer?’ zei Barrelmeijer geïrriteerd. ‘Altijd onvindbaar als ik je nodig heb.’

            ‘Ik was even koffie halen,’ zei Evert.

            ‘Op de hoek zeker. Mag ik je even voorstellen aan onze nieuwe medewerkster? Kokya Kokx.’

            De voorgestelde had zich omgedraaid en gaf Evert een hand. Even was hij sprakeloos: Kokya gebruikte hetzelfde parfum als Jardina.

            ‘Ik heb geen tijd om te blijven kletsen,’ zei Barrelmeijer. ‘Ik had allang in vergadering moeten zitten met de jongens van de sportredactie. Maak jij Kokya een beetje wegwijs? Ik kom vanmiddag nog wel even langs.’

            Toen de hoofdredacteur vertrokken was, haastte Evert zich Kokya’s bureau te ontdoen van de paperassen en de rondzendmappen – dat plantje kwam een andere keer wel. Hij deponeerde alles zolang naast zijn eigen bureau op de grond.

            ‘Ga zitten,’ zei hij. ‘Wil je ook koffie?’

            ‘Graag,’ zei ze.

            In gedachten verzonken liep Evert onderweg naar de koffieautomaat de stapel paperassen en rondzendmappen omver. Dat Kokya hetzelfde parfum gebruikte als Jardina had zijn hartslag opgejaagd. Een moment had hij gedacht dat ze Jardina’s moeder was. Kokya was geen twintig meer, en als ze er vroeg bij was geweest zou ze een studerende dochter kunnen hebben.

            Maar toen hij deze ietwat manische voorstelling van zaken bij de koffieautomaat overdacht, kwam hij tot een ander inzicht: Jardina heette Bion en niet Kokx. Daar kwam nog bij dat Jardina geen geweldige bos ragebolhaar had en evenmin klein en mollig was.

            Dat Jardina en Kokya hetzelfde parfum gebruikten was een meevaller. Het bewees dat Jardina geen rijkeluistrut was die zich met een persoonlijke geurlijn besprenkelde; ze gebruikte gewoon een bepaald confectieparfum. Hij moest gauw proberen Kokya’s vertrouwen te winnen – dan kon hij als ze even naar het toilet was stiekem in haar tas kijken om te zien welk merk het was.

 

                                                                          *

 

Op vrijdag, de dag nadat Evert de essays over de hoofse liefde gecorrigeerd had, was Aster een lang weekend op stap gegaan, zodat hij nog geen gelegenheid had gehad haar tussen neus en lippen door over Jardina aan de tand te voelen. Maar toen hij aan het eind van die dinsdagmiddag thuiskwam, nog vervuld van Kokya’s Jardinaparfum, hoorde hij haar praten. Toch niet met...

            Hartkloppend en voorhoofdzwetend keek hij de kamer in. Aster telefoneerde. Ze zag hem en wenkte. Evert ging naar binnen en deed of hij de verzameling oude spulletjes van vroeger bestudeerde en geen belang stelde in het telefoongesprek, dat hij uit alle macht probeerde te volgen.

            ‘Hij was hartstikke verliefd,’ zei Aster. ‘Ik had het meteen door, maar ik zei natuurlijk niks.’

            Everts nekharen stonden overeind. Hij zweette nu overal. Jardina was aan de lijn en Aster had Evert binnen laten komen om hem getuige te laten zijn van zijn ontmaskering.

            ‘Ik bel nog wel, ik heb visite,’ zei Aster. ‘Wat? Ja nou. Hahaha! Doeg!’

            Lachen jullie maar, dacht Evert. Maar als ik straks met doorgesneden polsen of een romantische aanval van tering in bad gevonden word zal het lachen jullie wel vergaan.

            Aster had opgehangen. Evert deed of hij belangstelling had voor de afzichtelijke doorgeroeste beschuitbus die op de bovenste plank stond.

            ‘Die is uit 1947,’ zei Aster. ‘Heb ik vanmorgen op de kop getikt. Het schijnt een authentieke Buisdorpse klapflappenbus te zijn. Mooi hè?’

            ‘Waanzinnig,’ gaf Evert toe.

            ‘Wil je thee?’

            ‘Ik heb eigenlijk niet veel tijd,’ zei hij en keek onwillekeurig op zijn horloge. Toker zou in het kader van zijn gedragsstudie maar eens moeten onderzoeken waarom mensen die zeiden dat ze geen tijd hadden vervolgens dwangmatig op hun horloge keken.

            ‘Ik heb net gezet.’

            ‘Doe dan maar.’

            Aster schonk een mok vol thee. Ik moet het allemaal maar over me heen laten komen, dacht hij. Hoe zou Jardina gereageerd hebben op de onthulling dat Evert verliefd op haar was? Ze had iets teruggezegd waardoor Aster had moeten lachen. Was dat een goed teken of voorspelde het onheil? Lachen was beter dan razen en tieren, maar het kon ook een autonome zenuwreactie zijn om opkomende onlustgevoelens te onderdrukken. Was hij maar dood. Hier met die thee.

            ‘Leuk lang weekend gehad?’ vroeg hij, met aanvankelijk haperende stem.

            ‘Leuk? Een ramp! Ik was een paar dagen met Carla weg, m’n vriendin. Je weet wel, die jouw kamer een tijdje had. Ze gaat volgende week drie maanden met een rugzak op reis, dus we wilden nog even een weekendje lekker kletsen. Zaterdagochtend zitten we op een terrasje, schuift er een gozer bij ons aan omdat er verder nergens plaats is. Ik dacht meteen: die wil wat. De volgende dag komen we ’m weer tegen, en ja hoor. Blijkt dat-ie verliefd op me is! Ik zeg: “Ga jij maar lekker op het dak staan.” Ik had Carla net aan de lijn. Ze had het niet eens gemerkt omdat ze nog niet verwerkt heeft dat haar vriend het heeft uitgemaakt. Ze denkt erover in therapie te gaan. Niet vanwege Barend, maar vanwege vervelende fobietjes van vroeger.’

            ‘Aha,’ zei Evert.

            Die aanval was gelukkig afgeslagen – haar nu gauw op het verkeerde been zetten.

            ‘Heb je al wat over je essay gehoord?’ vroeg hij.

            ‘Dat over de hoofse liefde? Nee, zal nog wel even duren.’

            Ze voelde geen nattigheid, dus meteen er achteraan een frontale aanval.

            ‘Jullie maken zeker wel vaker samen een essay.’

            Hij zei het zo nonchalant mogelijk, maar voor zijn gevoel had het als een dreigement geklonken.

            Aster nam een slok thee.

            ‘Best wel. Jar kan niet zo goed met een pc overweg. Komt dus mooi uit dat ze hier vlakbij woont.’

            ‘Ook op een kamer?’ informeerde Evert hees.

            Als ze nog bij haar ouders woonde was dat een extra vesting die genomen moest worden. Ouders wisten het altijd beter, dat had hij als redacteur van de jeugdpagina wel geleerd.

            ‘Een kamer? Een hele etage!’

            Een hele etage. Dat opende zonneklaar perspectieven, al had hij zo gauw geen idee welke.

            ‘Een hele etage,’ herhaalde hij. ‘Kon ze die zomaar krijgen?’

            ‘Het is de etage van Ricardo, haar broer. Of eigenlijk is de etage van hun ouders, maar haar broer heeft ’m gehuurd.’

            ‘Ze woont dus bij haar broer in.’

            ‘Haar broer is er niet,’ zei Aster. ‘Ricardo is socioloog. Hij is een jaar het land uit voor een of ander internationaal project. Die etage is voor Jardina maar een noodoplossing, want als Ricardo van de zomer terugkomt moet ze een kamer gaan zoeken.’

            ‘Tsja,’ zei Evert.

            ‘Zo zit het dus. Nog maar een bakkie doen?’

            ‘Sorry, echt geen tijd.’

 

                                                                          *

 

Hij ging naar boven en moest op bed gaan liggen omdat er van alles door hem heen ging. Hij voelde zich als iemand die een inbreker koelbloedig buiten gevecht heeft gesteld en aan de politie heeft overgedragen, en vervolgens door de emoties van dien overvallen wordt.

            Jardina tot aan de zomer onbeheerd op een etage. En daarna? Hebben we tijd van leven, dan gaan we wat beleven! Broer Ricardo wilde na terugkeer zijn etage voor zichzelf hebben? Aster had het goed gezien: dan zou zus Jardina op zoek gaan naar vervangende woonruimte.

            Zou Aster vrijwillig opkrassen? Desnoods ga ik hier ’s nachts spoken, dacht hij. Met een laken omgeslagen haar angst aanjagen als ze probeerde te slapen. ‘Boeoeoe, spoken! Voorwaar, gij zijt een kind des doods!’

            Tien tegen een dat ze dan hysterisch op zijn deur kwam bonken.

 

‘O, Evert! Word wakker! Help me dan toch! De geesten van de nacht staan me naar het leven!’

            ‘Wat mot je nou weer, huilebalk?’

            ‘Ik heb toch zulke griezelige genezijdse geluiden gehoord! Ik ril er gewoon van!’

            ‘Smoesjes en meidengedrein om aandacht te trekken. Ik lag heerlijk te slapen.’

            ‘Denk je dat ik geluiden hoor die er niet zijn?’

            ‘Onzin. Dan zou ik ze zelf ook wel gehoord hebben. Ga maar gauw terug naar je bedje.’

            ‘Ik vind het doodeng! Ik durf niet naar beneden. Ik wil hier niet meer wonen!’

            ‘En je kamer dan? Jij denkt ook altijd alleen maar aan jezelf, verwend stuk vreten! Uit m’n ogen!’

            ‘Wat ben je toch een mispunt om dat te zeggen! Heb je dan geen hart? Maar je kunt me nog meer vertellen. Door de druppel die de emmer heeft doen overlopen is het water me tot de lippen gestegen, zodat ik het hoofd niet meer boven water kan houden. Ik ben onverbiddelijk: ik vertrek, en wel onmiddellijk!’

 

En de volgende dag, nadat hij Asters inboedel – inclusief de verzameling oude spulletjes van vroeger – uit het raam gegooid had, reed er een busje voor met de bezittingen van Jardina erin.

            Oh, what a wonderful woman being!

 

                                                                          *

 

Liever was hij de hele avond blijven dagdromen over Asters aftocht en Jardina’s intocht, maar hij had zijn buurman beloofd dat hij na het eten langs zou komen voor koffie.

            Meneer Mortifa reikte hem een kop en schotel aan en nam op bed plaats. Evert ging in de fauteuil zitten. Op de salontafel lag een bibliotheekboek.

            ‘Faalpoch,’ zei meneer Mortifa, toen hij zag dat Evert ernaar keek. ‘Ken je dat? Ik ben gek op boeken over menselijk gedrag. Het gaat over het opscheppen over zaken waar je je eigenlijk voor zou moeten schamen, zoals dronkenschap. Je moet maar eens opletten hoe vaak mensen erover opscheppen dat ze de vorige avond te veel gedronken hebben. Volgens de schrijver is dat een overblijfsel uit de puberteit. Kinderen die zeggen dat ze niets aan hun huiswerk hebben gedaan en dat ze heel laat naar bed zijn gegaan en zo. Volwassenen die dat stadium niet ontgroeid zijn vertellen graag dat ze kolossale hoeveelheden alcohol geconsumeerd hebben. Fascinerend.’

            Als het goed was ging Jardina op tijd naar bed en maakte ze altijd haar huiswerk. Ze had althans dankzij Everts corrigerende tussenkomst een juweel van een essay over de hoofse liefde op haar naam staan, en dat kreeg je niet voor elkaar als je elke avond laveloos in je nest kroop. Maar misschien was het een volkomen waardeloos essay.

            ‘Ik zal je eens wat laten horen,’ zei meneer Mortifa.

            Hij ging op zijn knieën naast het bed zitten en trok er een doos met grammofoonplaten onder vandaan.

            ‘Hou je van opera?’

            ‘Weet ik niet,’ zei Evert.

            ‘Bereid je dan maar voor op iets fenomenaals.’

            De buurman nam een hoes uit de doos en legde de grammofoonplaat die erin zat behoedzaam op de draaitafel. Hij zette de versterker aan, liet de naald in de aanloopgroef zakken, en vrijwel meteen galmden er romantische klanken door de kamer.

            ‘Dit is het zwanenkoor uit het Slavenmeer van Travolta!’ schreeuwde meneer Mortifa boven het zwanenkoor uit. ‘Hoor! Het gaat over de liefde!’

            ‘Het klinkt behoorlijk hard!’ riep Evert terug.

            ‘Wat? Wacht, ik zet ’m een klein tikkie zachter.’

            ‘Ik zei: het klinkt behoorlijk apart,’ zei Evert toen de volumeknop teruggedraaid was van negen naar zeven. ‘Luistert u daar vaak naar?’

            Zo ja, dan zou hij gedoemd zijn er ook vaak naar te luisteren, want de buurman leek verknocht te zijn aan een oorverdovend volume.

            ‘Een dag zonder opera is een verloren dag. Haast elke middag reserveer ik er een uurtje voor.’

            ’s Middags – dan zat hij gelukkig op de redactie.

            Terwijl meneer Mortifa nogmaals voor koffie zorgde, vroeg hij of Evert een vriendin had. Evert vond het wat voorbarig om bevestigend te antwoorden, al was het hooguit een kwestie van dagen voordat het tot Jardina zou doordringen dat hij haar grote liefde was. Maar hoe zat het met meneer Mortifa zelf?

            ‘Dat is een mooi verhaal. Op m’n twintigste ben ik bijna getrouwd. Gelukkig ging het niet door, want het waren de verkeerde ogen. Kijk eens, verse koffie.’

            ‘Dank u. De verkeerde kleur?’

            ‘Nee nee, kom nou. Zo dwaas ben ik ook weer niet. Je zal me misschien een beetje knetter vinden, maar het is zoals het is. Toen ik een jaar of zestien, zeventien was heb ik zeker wel een week lang elke nacht dezelfde droom gehad. In die droom kwam een vrouw voor – het waren haar ogen. Op de een of andere manier wist ik dat zij later mijn vrouw zou worden.’

            ‘Maar dat was toch maar een droom.’

            ‘Maar een droom? In de eerste plaats droomde ik een keer of zeven van haar. En bovendien: dromen zijn zo raadselachtig, daar moet je niet licht over denken. Ik heb altijd het gevoel gehad dat die vrouw ooit mijn pad zou kruisen.’

            ‘En is dat gebeurd?’

            ‘Nog niet.’

            ‘Weet u hoe ze eruitziet?’

            ‘Nee. Je moet niet vergeten dat het vijfendertig jaar geleden is dat ik van haar droomde. Maar ik weet zeker dat ik haar onmiddellijk herken als ik haar zie. Ze keek me in die droom aan – haar ogen waren heel bijzonder.’

            ‘Als ik zoiets gedroomd zou hebben,’ zei Evert, ‘als ik echt zou geloven dat zo’n droom wat te betekenen had – dan zou ik hier niet blijven zitten. Dan zou ik naar haar op zoek gaan, zeker weten.’

            Niet vergeten, dacht hij: morgen meteen naar Jardina op zoek gaan.

            ‘Hoe stel je je dat voor?’ zei meneer Mortifa. ‘Als ik droom dat ik haar tegenkom, en die droom is geen bedrog, dan kom ik haar dus tegen, waar of niet? De dingen komen op je pad, zo zie ik het. Bovendien, als ik haar ging zoeken – waar zou ik dan moeten zoeken?’

            Evert had geen idee.

            ‘Maar stel dat die droom wel bedrog was?’

            ‘Wat dan nog? Dat zal dan pas op mijn sterfbed blijken, want tot die tijd kan ik haar nog tegenkomen. En mocht het zo zijn dat ik haar op mijn tachtigste nog steeds niet ben tegengekomen – nou dan heb ik mijn hele leven kunnen teren op een prachtige droom. Dat is toch iets om jaloers op te zijn! Je moet niet vergeten, ik zat jarenlang in de ansichtkaartenhandel. Ik denk niet dat ik het zo lang had volgehouden als ik die droom niet had gehad om me aan vast te klampen. En dan komt er nu een mooie aria uit de Parelkwekers van Kabuki!’

 

                                                                          *

 

Jardina was gelukkig geen droombeeld waar Evert het tot aan zijn sterfbed mee zou moeten doen – maar dat zij van vlees en bloed en door hem in levenden lijve waargenomen was, wilde natuurlijk niet zeggen dat hij meer kans op haar maakte dan meneer Mortifa op zijn droomvrouw.

            Toen hij op woensdagochtend op kantoor kwam en bij Kokya Jardina’s parfum rook, klopte zijn hart in zijn keel. Het was dan wel geen onbetaalbaar eenpersoonsluchtje, maar was daarmee bewezen dat Jardina niet uit een bemiddeld milieu stamde waar men iemand als Evert nimmer zou gedogen?

            Om maar iets te noemen: Bion was ontegenzeggelijk een dure achternaam. Zeker vergeleken met dat achterstandswijkachtige Fleuriet van Aster. En hoe zat het ook alweer? Jardina woonde tijdelijk op een etage die eigendom was van haar ouders. De kans was dus klein dat vader ‘Guus’ Bion overdag lompen en metalen verhandelde en ’s avonds met garen en band langs de deur ging om de studie van zijn dochter te kunnen bekostigen, en dat moeder ‘Greet’ Bion voor dit goede doel aan de illegale donorhandel een nier had overgedragen. Trouwens, dan zouden ze hun dochter wel Priscilla genoemd hebben.

            Die ene onvergetelijke keer dat hij Jardina had gezien had ze min of meer normale kleren gedragen; hij herinnerde zich de gympen en de spijkerbroek. Maar stel dat ze gympen en een spijkerbroek beschouwde als de werkkleding van de student, en dat ze thuis in de ouderlijke villa gewend was zich in een tutholatenue te vertonen? Een parelketting. Donkerblauwe kniekousen. Zwarte lakschoenen. Schots geruite rok. Eigele trui met witkanten kraag.

            En dat ze op hockey zat met hooghartige kakvriendinnen die een zeemlapkleurige zonnebankbruine huid hadden. En dat ze zich alleen op haar gemak voelde in een schemerlampjesinterieur. En hartstochtelijk van de verkeerde muziek hield.

 

‘Ik ben gek op jazz, Evert.’

            ‘Echt waar? Geweldig. Waar luister je naar? Miles? Duke? Trane? Monk? Bird? Bags?’

            ‘Namen zeggen me niet zoveel, maar we luisteren thuis veel naar dixieland. Dat vind ik zulke toffe muziek voor bij een tuinfeestje! Je moet ook eens komen. Paps is een geweldige kerel. Heel informeel. Hij heeft altijd gewoon een oude bruine manchester broek aan en een donkergroene trui met leren stukken op de ellebogen en doodeenvoudige maatsandalen die nog van opa geweest zijn. Van opsmuk wil paps niet weten. Behalve natuurlijk als er een adelbal gegeven wordt om een van mijn broers aan een van mijn nichtjes te koppelen, want zonder inteelt gaat de adel aan IQ-toename ten onder. Paps is en blijft een baron Bion, dat heeft de Heer nu eenmaal zo gewild. Maar op een tuinfeestje merk je daar niks van. Je moet beslist eens met paps komen kennismaken. Hij heeft één passie: pijpen. O, hij heeft wel dertig verschillende. Mams komt het soms haar neus uit, maar paps zegt dan: Eulalie, ik heb het je gezegd toen we trouwden: zonder pijpen heeft het leven voor mij geen zin!’

 

                                                                          *

 

‘Lukt het?’ vroeg Evert.

            Het was de derde dag dat Kokya tegenover hem zat. De eerste twee dagen was er van werken nauwelijks iets gekomen, maar nu was ze bezig met het sorteren van de binnengekomen brieven van jongeren die problemen hadden.

            ‘Ja hoor. Bedankt voor je plantje, erg attent. Kan ik hier ook privé bellen?’

            ‘Tuurlijk. Zal ik even weggaan?’

            ‘Nee, ik wilde alleen weten of het mocht. Ik moet straks m’n tante bellen, de oudste zus van m’n moeder, ze heeft het moeilijk. Een trieste toestand. Zowat tachtig jaar en dan moeten meemaken dat het met je zoon de verkeerde kant op gaat. Als je het niet erg vindt, geef ik haar m’n nummer hier. Ze heeft verder niemand. M’n moeder is dood, ik ben de enige met wie ze over haar moeilijkheden kan praten.’

            ‘Geen punt,’ zei Evert.

            Hij wist nog steeds niet wat er in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten niet thuishoorde; misschien dat Kokya een idee had. Hij moest haar van de week het probleem maar voorleggen.

            Terwijl zij de post sorteerde, redigeerde Evert de brieven die geplaatst zouden worden. Veel jongeren hadden het thuis moeilijk, zo deden ze het voorkomen. Maar als je hun grieven objectief beoordeelde moest je in veel gevallen toch partij kiezen voor de ouders. Op een jeugdpagina was dat natuurlijk ondenkbaar.

            Sommige meiden konden het niet hebben dat hun ouders bezwaar maakten tegen de torenhoge telefoonrekeningen ten gevolge van de mobiele telefoon die nu eenmaal nodig was om onderweg van school naar huis wat te kunnen babbelen met je hartsvriendin die vier banken verderop in de tram zat.

            Kinderen moesten in alles hun zin hebben. Als hun ouders het waagden een tegengesteld standpunt naar voren te brengen, kregen ze voor ze er erg in hadden een dikke lul naar hun hoofd geslingerd. Op die manier had je als ouder weinig plezier van de vrije opvoeding die je verkozen had boven de dictatoriale variant, waarbij pressiemiddelen als het zonder eten naar bed sturen een optie waren.

            Evert dorst het nog niet aan om Kokya in te lichten over zijn verliefdheid; afgezien daarvan was alles bespreekbaar.

            ‘Heb je dit werk eerder gedaan?’ vroeg hij.

            ‘Ja, maar dat is lang geleden hoor,’ zei ze. ‘Toen ging het nog met een schrijfmachine. Ik werkte voor een stripweekblad. Ik deed de ingezondenbrievenrubriek. Ik beantwoordde brieven die ik zelf geschreven had, want we kregen weinig lezerspost. Daarna heb ik administratief werk gedaan. Maar het afgelopen jaar heb ik helemaal niks uitgevoerd.’

            ‘O?’

            ‘Vorig jaar is Nardo overleden, mijn man,’ zei ze. ‘Van het ene op het andere moment deed zijn hart het niet meer. Zo onwerkelijk. Ik zat wekenlang verdoofd thuis. Ik herinner me de begrafenis nauwelijks.’

            Evert zag de tranen in haar ogen opwellen. Ze zuchtte.

            ‘En toen ging Dickie ook nog dood.’

            Haar zoontje?

            ‘M’n kat.’

            ‘En ben je nou alleen op de wereld?’ vroeg Evert.

            ‘Goddank niet. Ik heb Atillo nog.’

            Haar andere kat?

            ‘M’n dochter. Ze is zeventien.’

            ‘Dus je bent een jaar compleet uit de running geweest.’

            ‘Ja. Totaal apathisch. Ik kon niets meer. Nergens zin in. Maar zo kun je natuurlijk niet doorgaan. Dan maak je jezelf kapot. Dus op een gegeven moment heb ik de knop omgedraaid. Ik kocht alle regionale kranten en ik solliciteerde op elke vacature die me wat leek. En zo kwam ik hier terecht. Nardo was een krankzinnig groot deel van m’n leven geweest. Het leek wel een sprookje. Hij was m’n eerste en m’n laatste vriendje. Heel gek.’

            ‘Hoezo?’

            ‘We kenden elkaar van de kleuterschool. We speelden samen in de zandbak toen we vijf waren. Hij heeft me zelfs een keer een zandgebakje laten eten en toen sloeg ik ’m met m’n schepje op z’n kop tot het bloedde.’

            ‘Dat klinkt als ware liefde.’

            ‘Nou ja, maar we waren vriendjes. Hij ging naar een andere lagere school dan ik en vijftien jaar lang bestonden we niet voor elkaar. Maar toen ik twintig was kwam ik hem weer tegen. Op vakantie, de Canarische Eilanden. Ik was met een schat van een jongen verloofd, maar toen ik Nardo zag was die verloving gauw voorbij.’

            ‘Herkenden jullie elkaar van de kleuterschool?’ vroeg Evert.

            ‘Daar kwamen we een paar dagen later pas achter, dat we elkaar vroeger gekend hadden. Op de kleuterschool werd ik Koki genoemd, en hij Leo. Dat maakte het zo bijzonder: aan de andere kant van de wereld verliefd worden op iemand die ook uit Buisdorp komt en waar je nog mee op de kleuterschool hebt gezeten. Maak jij ook zulke dingen mee?’

            ‘Zo uitzonderlijk niet,’ zei Evert. Met Jardina had hij voor zover hij wist niet op de kleuterschool gezeten. En bovendien was Jardina waarschijnlijk veel te zachtmoedig om hem met een schepje de hersens in te slaan. ‘Maar op de lagere school had ik in de eerste klas een grote liefde, Madeleine. Ze verhuisde op een gegeven moment. Haar vader was chirurg en hij werd overgeplaatst naar een ander ziekenhuis. Behalve twee brieven en een ansichtkaart niets meer van Madeleine vernomen. Toevallig kwam ik laatst bij m’n eigen verhuizing haar correspondentie en een schoolfoto tegen. Een beetje een eigenaardig hoofd had ze. Nou ja, we waren zes, dan ben je niet zo kritisch.’

            ‘Je moet een keer naar de Canarische Eilanden gaan, dan kom je haar vanzelf weer tegen,’ zei Kokya.

            ‘Ja, leuk,’ zei Evert. ‘Dan kan ze later hier komen werken als mijn hart het begeeft. Sorry. Dat flapte eruit.’

            Kokya lachte.

            ‘Geeft niet. Ik kan wel wat hebben. Ben je altijd zo cynisch?’

            ‘Pas sinds kort. Ik woon tegenwoordig tussen studenten.’

            ‘Hou maar op. Nardo was neerlandicus. Hij ging dag in dag uit met studenten om. Ik heb nooit begrepen hoe zulke vrijetijdsalcoholisten het tot dokter of advocaat kunnen schoppen.’

            Hoofdredacteur Barrelmeijer kwam met een rondzendmap onder de arm binnen.

            ‘Zitten jullie gezellig te ouwewijven?’ vroeg hij.

            ‘Geen sprake van,’ zei Kokya. ‘We hebben kopijbespreking. Stapels liefdesgeschiedenissen van gedeprimeerde lezers. Evert luchtte meteen zijn hart over zijn eigen grote liefde. Madeleine.’

            ‘Madeleine?’ zei de hoofdredacteur. ‘Die naam komt niet zo vaak voor. Ik ken in Den Haag een Madeleine. Jaar of twintig, strak figuurtje.’

            ‘De Madeleine van Evert is zes jaar,’ zei Kokya.

            ‘Huh?’ zei Evert. Zijn gedachten waren naar Jardina afgedwaald. Stel je voor dat ze een kleuterliefde gekend had die ze op het punt stond weer tegen te komen.

            ‘Zes jaar,’ zei Barrelmeijer hoofdschuddend. ‘Dat moet vandaag de dag allemaal maar kunnen. Vrijheid blijheid. Met je tijd meegaan. In mijn tijd gingen zulke mensen bij de padvinderij of in het missiewerk. Het is ergens misschien een goede zaak dat je zulke neigingen de vrije loop kan laten, maar het zal je dochter maar zijn. Zes jaar. Sodemieters.’

            Met de rondzendmap nog onder zijn arm vertrok de hoofdredacteur weer. Kokya hoefde haar lachen niet langer in te houden.

            ‘Wat zit je nou te gieren?’ vroeg Evert. ‘Waar had-ie het in godsnaam over?’

            ‘Laat maar,’ zei Kokya met tranende ogen.

 

                                                                          *

 

Tokers paardenstaart was door het headbangen in het snoer van de koptelefoon verward geraakt. Toen Evert de kamer passeerde maakte zijn hoofd juist een opwaartse beweging. Toker zag Evert en gebaarde hem binnen te komen. Hij zette de koptelefoon af en scheidde snoer en paardenstaart.

            ‘Dat godsdienstcollege was volkomen tijdverspilling,’ zei hij. ‘Eén pot gruttemutte. Wat moet je met die flauwekul?’ Hij nam een blikje bier uit de koelkast. ‘Jij niet zeker?’

            ‘Nee.’

            Toker nam een gulzige slok.

            ‘Ik weet wel dat je andermans gekkigheid moet respecteren, maar ik kan het echt niet serieus nemen. Als gelovigen ziek zijn bidden ze om genezing, terwijl je toch zou verwachten dat ze zo gauw mogelijk dood willen gaan, omdat het in de hemel pas de moeite waard wordt. Maar nee hoor. Trouwens, bidden is sowieso onzin, want het is een vorm van denken, en als er een god zou bestaan die dat bidden hoort, zou-ie álles moeten horen wat er door de wereldbevolking gedacht wordt. Al die miljarden mensen, al die talen en dialecten, dat is toch om gierend temmes van te worden. En neem nou de zondagsrust. Complete waanzin!’

            ‘Hoezo?’ vroeg Evert.

            ‘Die stamt nog uit de tijd dat de mensen dachten dat de aarde plat was. Maar omdat de aarde rond is, is dat hele idee van zondagsrust kolder. Als het bij ons zondag is, is het in een andere tijdzone nog zaterdag of al maandag. Dan kunnen wij wel voor rust zorgen, maar dan gaat de herrie elders gewoon verder. Inclusief het bidden.’

            ‘Is dat je eerste biertje?’

            ‘Natuurlijk niet,’ zei Toker. ‘Het is al bij halfzes. En wat ik laatst in de krant las. Een dame had een Mariaverschijning op bezoek gehad. Maria huilde, want ze was diepbedroefd, aldus die dame. En waarom dan wel? Vanwege het bestaan van overspel, echtscheiding, abortus en pornografie. Kennelijk stoorde de verschijning zich niet aan oorlog, vivisectie, milieuvervuiling en marteling, om maar wat te noemen. Met andere woorden: die Mariaverschijning was niets anders dan een projectie van de persoonlijke obsessies van die dame. Maar je moet niet denken dat waanvoorstellingen alleen bij godsdienstwaanzinnigen voorkomen. Van de week zag ik een documentaire over natuurgeneesgestoorden. Een kale neet beweerde dat hij geen aspirine slikte omdat het chemische rotzooi was. Alsof de stofwisseling soms geen chemisch proces is!’

 

                                                                          *

 

Doordat Evert verliefd was, kwam hij nergens meer toe. Op de redactie was dat nog tot daar aan toe, maar zelfs zijn vrije uren verdeed hij. Er was een tijd geweest, nog niet eens zo gek lang geleden, dat hij na zijn werk energie te over had. Nu was hij als hij thuiskwam volkomen uitgeblust en kon het zelfs niet opbrengen na het opwarmen van de eenpersoons blikvoermaaltijd het overkooksel van het fornuis te schrapen. Er begon zich tussen de pitten een kleurig humuslaagje te vormen waaruit elk moment nieuw leven te voorschijn kon schimmelen. Door het contrast met het blinkende fornuis van meneer Mortifa maakte het gastronomische stilleven een extra onsmakelijke indruk.

            Als Evert zich ’s morgens schoor bekeek hij zijn gezicht met veel zelfkritiek in de spiegel. Zou zijn uiterlijk bij Jardina in de smaak vallen? Voor zijn gevoel zat hij met zijn kop in het schemergebied tussen aantrekkelijk en afstotelijk; ergens in de onderste regionen, daar kon geen misverstand over bestaan. Die neus bijvoorbeeld, die zou wel wat kleiner hebben mogen uitvallen. Als je met een aristocratische neus opgegroeid was viel er mee te leven, maar bij Jardina schoot zijn grote neus misschien in het verkeerde keelgat.

            Een mens kon maar het beste ronduit lelijk zijn, bedacht hij. Iemand die knap was had het niet gemakkelijk. Die probeerde namelijk zo lang mogelijk aantrekkelijk te blijven. Zalfje hier, zalfje daar. Peperdure schoonheidsbehandelingen, facelifts en liposuctiesessies, je moest er niet aan denken. Maar aangeboren lelijke harses? Daar had je verder geen omkijken naar, dat was een bezit voor het leven.

 

*

 

Leidde het ochtendlijke scheren nog weleens tot introspectie, als er niet bij de buren op visite gegaan werd, ontaardden de avonden in gestaar naar de televisie. Een week nadat Jardina zijn bestaan omgewoeld had, werd Evert daardoor met zijn neus op de realiteit van een relatie gedrukt. Hij was zappend in een soap beland waarin hartstocht of wat daarvan kon komen de hoofdmoot vormde. Een man in een maatkostuum en een vrouw in een hier en daar strak zittende jurk, beiden dik in de veertig, stonden strijdlustig tegenover elkaar in een van de woonboulevard afkomstig interieur.

 

‘Hubert, vuile huichelaar!’ riep de vrouw walgend. ‘Je hebt me met die sloerie bedrogen! Geef het maar toe!’

            ‘Maar Hetty,’ protesteerde de man. ‘Meisje, ik... Je begrijpt het niet!’

            ‘Ik begrijp het maar al te goed, Hubert! En ik vomiteer van je!’

            ‘Hetty dan toch! Dat met Hannelore, dat... Dat had werkelijk totaal niets te betekenen!’

            ‘Wat? Wat zeg je daar? Hannelore? Hannelore ook? Ik had het over je secretaresse, die Hilda. Een permanent loopse snol is het. Ik heb toch zeker met eigen ogen gezien hoe die del op de nieuwjaarsreceptie met je flirtte. Dat is er zo een die denkt dat ze met d’r doortrapte engelachtige glimlach alles voor elkaar krijgt.’

            ‘Hilda? Maar Hetty, kindje, door zulke dingen te zeggen stel je me ernstig teleur, neem me niet kwalijk. Dat met Hilda... Ach, dat had werkelijk helemáál niets te betekenen!’

            ‘O nee? Als het niets te betekenen had, waarom ben je dan met die feeks naar bed geweest?’

            ‘Hetty, nu ga je toch te ver. We hebben allemaal een alcoholprobleem, maar zulke insinuaties missen elke grond. Omwille van Hilda wil ik dat je dat terugneemt!’

            ‘Hubert, je weet dat ik niet duld dat je me tegenspreekt als ik gelijk heb. Kom nou toch. Zo lang ik je ken zit je al achter de meiden aan!’

            ‘Maar, Hetty, lieve lieve Hetty. Kindje, je weet toch hoeveel ik van je houd! Meer dan van wie ook... Meer nog dan van mijn eigen vrouw!’

            ‘Laat me niet lachen! Jij van mij houden? Het mocht wat! Jij houdt maar van één ding. Het enige waar jij in geïnteresseerd bent is je deel achterna lopen!’

            ‘Hetty, poppetje, je verliest nu echt de redelijkheid uit het oog. Ik wil er geen woord meer over horen, maar weet wel dat het laatste woord hier nog niet over gesproken is!’

            Hij keek haar met zo groot mogelijke ogen aan; zij draaide zich woest om, wierp haar glas sherry in de open haard en stampvoette de kamer uit. Hij bleef met enorm grote ogen in de camera kijken tot de aftiteling voorbij was.

 

‘Onderweg naar goede tijden aan de goudkust,’ mompelde Evert bitter, en hij zette het toestel uit.

 

                                                                          *

 

De verliefdheid kwam erg ongelegen; als ze aan Evert voorbijgegaan was, zou hij zich nu in alle rust in geschreven pornografie verdiept hebben. Op de jeugdpagina had hij onlangs aandacht besteed aan een literair tijdschriftje dat gevuld werd door leden van de Buisdorpse studentenvereniging Dorustinus. Driemaal per jaar brachten ze een met liefde samengesteld themanummer uit. De vorige keer was het Ins en outs van etiquette geweest, binnenkort zou er een editie verschijnen die gewijd was aan literaire pornografie. Omdat Evert hun tijdschriftje onder de aandacht van jeugdige lezers had gebracht, was het aantal abonnees in korte tijd verdubbeld tot 48. De redactie was hem daar zo erkentelijk voor, dat zij Evert uitnodigde ook een literair pornoverhaal te schrijven.

            Evert had zich vereerd gevoeld en ‘doe ik’ gezegd. Hij had een vaag idee gehad over hoe hij die literaire porno ging aanpakken, maar de onvoorziene aanval van verliefdheid had zijn schrijflust getorpedeerd. Ze moesten maar even geduld hebben totdat Jardina zijn liefde beantwoord had. Dan zou hij van exaltatie een portie literaire porno opdienen die onder de lezers een wellustexplosie teweegbracht. Maar voorlopig liep hij nog futloos met een half gesneden wit over straat omdat er op vrijdagmiddag tegen zessen nergens meer een meergranenbruin te krijgen was.

            Toen hij de ingang van café Den Olden Buys bereikt had en naar binnen wilde gaan, zag hij Aster naderen. Door de tegenwind kwamen de blonde vlechten horizontaal achter haar aan. Evert wachtte tot ze er was en hield de deur voor haar open.

            ‘Alles naar wens?’ vroeg hij, terwijl hij haar voor ging, de trap op.

            ‘Redelijk,’ zei ze. ‘Ik heb een verrassing, je moet even meekomen.’

            Een verrassing? Evert hield niet van verrassingen als hij niet wist wat ze inhielden. Zeker niet nu zijn geluk op het spel stond. Maar misschien was het een flauwekulverrassing. Had ze weer iets ouds van vroeger op de kop getikt. Een wc-bril uit 1910. Maar tweemaal op gezeten.

            ‘Je raadt het nooit!’ zei ze toen ze op haar kamer waren.

            ‘Nou dan niet,’ zei Evert.

            Maar zo gemakkelijk kwam hij er niet van af. Aster haalde iets uit haar tas.

            ‘Kijk eens: het essay. Een acht!’

            ‘Geweldig, een acht.’ Wat kon hem dat nou verrotten? Hij probeerde door eerst te slikken het overslaan van zijn stem te voorkomen. ‘En Jardina?’

            ‘Een zesje geloof ik. Maar goed hè? Een acht!’

            Er klopte iets niet.

            ‘Maar hoe kan zij dan een zesje hebben? Jullie hebben er samen aan gewerkt.’

            Aster dacht na. ‘Wat zei Jar nou? O ja, er stonden vrij veel typefouten in haar essay.’

            ‘Daar begrijp ik niks van,’ zei Evert, die het maar al te goed begreep. ‘Ik heb het toch zorgvuldig gecorrigeerd.’ Een geluk dat hij niet op een leugendetector was aangesloten. Of, erger nog, een verliefdheidsdetector. ‘Het kan natuurlijk zijn dat ze mijn correcties niet kon lezen, of dat ze bij het verbeteren nieuwe typefouten maakte. Heb je haar essay toevallig bij de hand?’

            ‘Nee, dat heeft ze zelf. Wat zou ik ermee moeten?’

            ‘Staat het dan niet op de harde schijf?’

            Hij begon het warm te krijgen.

            ‘Ik denk het wel.’

            Heel warm zelfs.

            ‘Print het voor de aardigheid even, dan lees ik het straks nog een keer na. Als er door mijn schuld fouten in zijn blijven zitten, trek ik me dat persoonlijk aan. Als jij het print, zorg ik voor thee.’

            Terwijl Evert met een gevoel van naderende extase thee zette, zette Aster haar pc aan. Toen de waterkoker afsloeg, kwam de laatste essaypagina uit de printer.

            ‘Alsjeblieft.’

            ‘Dank je,’ zei Evert.

            Hij dompelde een zakje speciaal voor Jardina gekochte mangothee in de mokken onder en reikte Aster er een aan. Hij moest zich bedwingen om niet te gaan juichen.

            Jardina’s essay! Nu had hij eindelijk iets tastbaars van haar in handen! Eigenlijk had je voor hekserij een stuk gedragen onderkleding of een vrijwillig afgehakt lichaamsdeel nodig en moest je bij vollemaan spreuken prevelen en een kip de kop afbijten, maar misschien viel er ook met Jardina’s essay witte amateurmagie te bedrijven. Vrouwvriendelijke voodoo die bewerkstelligde dat zij midden in de nacht wakker schrok en in trance toenadering tot hem ging zoeken. Niet voor niets handelde dat essay over de hoofse liefde. Als hij er nog wat literaire porno doorheen husselde, was hun bedje gespreid.

            ‘Ben je nog wakker?’

            Evert keerde terug op aarde.

            ‘Wat?’

            ‘Nee, niks bijzonders,’ zei Aster. ‘Maar ik had het dus over die briefopener.’

            ‘Briefopener?’

            ‘Die ga ik misschien kopen.’

            ‘O, die. Om welk jaar ging het ook alweer?’

            ‘Hij is uit 1938. Dat beweerde de verkoper tenminste. Maar dat wil ik natuurlijk wel zwart op wit hebben voordat ik ’m koop. Ik ben niet helemaal gek. Die vent wilde ’m meteen inpakken. Ik zeg: “Ja, ga maar lekker op het dak staan. Ik kom nog wel een keer terug.” En – luister je eigenlijk wel?’

            ‘Ja ja, ik ben een en al oor.’

            Een afgesneden oor, daar kon je ook aardig mee uit de voeten als het om voodoo ging.

            ‘Dat is waar ook,’ zei ze. ‘Heb jij binnenkort tijd om nog een essay na te lezen? Of eigenlijk twee: ik ga weer samen met Jardina aan de slag.’

            ‘Dat lijkt me geen probleem,’ zei Evert transpirerend.

            Hij nam een slok thee. Jardina zou weldra haar herintrede maken. Een nieuwe ronde, nieuwe kansen. Mocht de voodoo met de hoofse liefde dan nog geen vruchten hebben afgeworpen, dan kon hij haar zonder dat ze er erg in had een liefdesdrank te drinken geven. Met Spaanse peper erin. Of nee, hoe heette dat, Spaanse vliegen. Dan moest hij wel oppassen dat de vliegen niet in het verkeerde glas belandden, want als hij per abuis zelf een portie Spaanse vliegen binnenkreeg, zat hij straks met een overdosis begeerte in zijn maag. Het zou wel weer een verschrikkelijk weekend worden.

 

                                                                          *

 

‘Vanmiddag eindelijk een normaal college gehad,’ zei Toker. Hij schoof het raam dicht, waardoor het geschreeuw van meneer Dibbes afgekapt werd.

            ‘Boeleergebroed!’ was de laatste verwensing die tot de kamer doordrong.

            ‘Is dat soms een 1-aprilgrap van je?’ vroeg Evert. Doordat hij er wegens verliefdheid met zijn gedachten niet helemaal bij was had hij die dag keer op keer onnozel naar zijn schoenen gekeken als collega’s hem attendeerden op een loszittende veter. Ook had hij op Kokya’s verzoek de telefoon gepakt om in contact te komen met een meneer De Beer die in de middagpauze voor hem gebeld had. Er werd opgenomen door een medewerker van Diergaarde Blijdorp.

            ‘Zonder dollen, ondanks dat het de derde weekenddag is ga ik op maandag af en toe naar college,’ zei Toker. ‘Het ging over menselijk gedrag. Lichaamstaal en zo. De betekenis van gebaren in verschillende culturen. Beter dan dat religiecollege. Toen zat ik de hele tijd te denken: was ik maar vast dertig, dan kon ik eindelijk zelfmoord plegen.’

            ‘Maar vanmiddag was het dus wel interessant,’ zei Evert.

            ‘Interessant is ook weer overdreven, maar ik weet nou dat je in het buitenland moet uitkijken met gebarentaal.’

            ‘Hoezo?’

            ‘Als je aan de voet van de Kilimanjaro een fuck-offgebaar tegen iemand maakt, dan complimenteer je hem met zijn veestapel.’

            ‘Dat wist ik niet,’ zei Evert.

            Een veestapel aan de voet van de Kilimanjaro?

            ‘En waar je ook voor moet uitkijken,’ vervolgde Toker, ‘is met je hand langs je oor heen en weer gaan als je het eten lekker vond.’

            ‘Aan de voet van de Kilimanjaro?’

            ‘Zou kunnen, daar hebben we het niet over gehad. Ik weet alleen dat je zoiets bij de eskimo’s beter niet kunt doen. Als je er aan tafel zit en je maakt vanwege de smakelijke visschotel zo’n gebaar, dan geef je daarmee aan de heer des huizes te kennen dat je die nacht zijn oudste dochter bij je in bed wil aantreffen.’

            ‘Ai.’

            ‘Ai, ja. Dan moet je door op je voorhoofd te wijzen proberen duidelijk te maken dat je het niet kwaad bedoelde. Als vader het je vergeven heeft kruipt ’s nachts dan de op een na oudste dochter bij je in bed.’

            ‘En dat krijg je allemaal op zo’n college te horen?’ zei Evert.

            ‘Niet alleen te horen. Dia’s, videodocumentaires. En we moeten stapels boeken lezen. Ik wist dat niet, maar er wordt gigantisch veel onderzoek gedaan naar menselijk gedrag. Kijk jij vaak naar pornofilms?’

            ‘Als het zo uitkomt,’ zei Evert. ‘Als je na elven zit te zappen en je komt bij iets pornoachtigs terecht, dan wil je natuurlijk zien hoe het afloopt. Dat lijkt me nogal logisch.’

            ‘Pornofilms zijn de enige films waarbij de kijkers nooit huilen, wist je dat?’ zei Toker.

            ‘Waarom is dat?’

            ‘Omdat ze elkaar altijd krijgen. Nee, dat was een flauw geintje van de professor. Maar je moet maar eens opletten als je weer eens porno zit te kijken. Vaak zijn in zo’n film de actrices aanvankelijk als verpleegster gekleed, of als non. Maar ze dragen nooit Scheveningse klederdracht!’

            ‘En wat wil dat zeggen?’

            ‘Dat dat onderzocht moet worden. Er is gigantisch veel wat we nog niet weten. Nee, eerst zag ik die studie totaal niet zitten, maar ik begin nou door te krijgen dat de afstudeeronderwerpen voor het oprapen liggen.’

 

                                                                          *

 

Toen Evert aan het eind van de volgende middag thuiskwam, was meneer Mortifa net teruggekeerd van een bezoek aan de bibliotheek. Hij zette een stapeltje boeken op de grond en haalde de deursleutel uit zijn broekzak.

            ‘Ha, Evert. Wil je koffie?’

            ‘Lekker,’ zei Evert. Hij nam de laatste kipnugget uit de zak waarin ook een dubbelponder gezeten had. Na dit dinsdagse junkfooddiner zou een kop verse koffie smaken.

            Meneer Mortifa liet hem voorgaan, pakte de boeken op en deed de kamerdeur achter zich dicht.

            ‘Ik haal m’n bibliotheekabonnement er wel uit,’ zei hij. ‘De hele middag kranten gelezen en voor vanavond nog wat meegenomen. Ik vond een boek over mijn favoriete bariton, Omo Savate. Was ik al een tijd naar op zoek. En ook een over filosofie. Sinds ik uit de ansichtkaartenhandel ben, verslind ik dat soort boeken.’

            De buurman ontvacuümde een pak koffie.

            ‘Ik heb het werk van zo’n beetje alle grote filosofen gelezen,’ zei hij. ‘Niet al hun werk natuurlijk, want tien wijzen kunnen meer schrijven dan een leek in zich op kan nemen. Maar als je een biografie van een filosoof leest wordt de essentie van zijn denken vaak heel begrijpelijk uitgelegd.’

            ‘En welke filosoof vindt u de beste?’ vroeg Evert.

            ‘Ha! Dat is een goeie! Kijk, dat is op zichzelf al een filosofisch probleem om een week lang over te debatteren. Maar ik denk niet dat je kunt zeggen dat er zoiets bestaat als de beste filosoof. Als er één filosoof was geweest die eens en voor al had aangetoond hoe de dingen in elkaar zitten, dan zou hij of zij meteen de laatste filosoof zijn geweest, want daarna zou het geen zin meer hebben over levensvragen na te denken. Nietwaar? Wacht, even inschenken. Jij drinkt het ook zwart, hè? Alsjeblieft.’ Meneer Mortifa reikte Evert kop en schotel aan en ging op bed zitten. ‘Er zijn wel mensen die met een bepaalde filosoof weglopen,’ vervolgde hij, ‘maar weet je waarom dat is? Omdat de denkbeelden van zo’n filosoof hun eigen opvattingen bevestigen. Je herkent je eigen ideeën in wat de filosoof te berde brengt. Veel invloed heeft een filosoof eigenlijk niet. Ik heb tenminste nooit gehoord dat iemand na het lezen van een filosofisch oeuvre is overgestapt op een ander merk sigaretten. Om het maar eens als een zenmeester te zeggen.’

            ‘Maar waarom leest u dat allemaal?’ vroeg Evert, terwijl hij een baksteendikke uiteenzetting over de plaats van de mens in de kosmos van de salontafel tilde.

            ‘Ik vind het gewoon grappig om te lezen wat zo’n denker als de zin van het leven ziet.’

            ‘En wat is dat dan?’

            ‘O, daar wordt altijd zo gewichtig over gedaan,’ zei meneer Mortifa. ‘Maar dat is nergens voor nodig. De zin van het leven? Dat is de zin die je eraan geeft. Voor mij is het opera. Als ik naar een operaplaat luister – dan leef ik! Ik heb Bernstein nog zien dirigeren. Wat kon die man springen! Als iets je passie is, dan is dat de zin van je leven. De zin die je er zelf aan geeft. Je moet een passie hebben, ik zou haast zeggen: hoe gekker hoe beter. Niets zo zinvol als iets wat totaal geen zin heeft. Voor de een is het voetbal, voor de ander schilderkunst.’

            ‘Dat klinkt niet erg geleerd,’ zei Evert.

            ‘Dat is waar,’ gaf meneer Mortifa toe. ‘Weet je hoe dat komt? Ik heb geen filosofie gestudeerd. Ik ben maar een amateurdenker. Daarom kan ik eenvoudige dingen niet op een ingewikkelde manier uitleggen, zoals filosofen dat altijd doen.’

            ‘De zin van het leven is de zin die je eraan geeft,’ zei Evert.

            ‘Zo simpel is het toch? Maar goed, een filosoof blaast zo’n opvatting natuurlijk liever op tot een theorie van twaalfhonderd pagina’s met drieduizend noten.’

            Evert legde het baksteendikke boek over de plaats van de mens in de kosmos weer op de salontafel.

            ‘Maar,’ zei meneer Mortifa, ‘als je zegt: de zin van het leven is de zin die je eraan geeft, dan geldt dat alleen voor je eigen leven. Dat staat los van de eventuele zin van je leven in een groter verband. Ongemerkt kunnen jij en ik de loop van de geschiedenis beïnvloeden; misschien hebben we dat net gedaan doordat we hier zitten te praten.’

            ‘Hoe gaat dat dan?’

            ‘De loop van de geschiedenis beïnvloeden? Stel, je staat op de bus te wachten. Het is spitsuur. Er stopt een bijna volle bus bij de halte. Als jij bent ingestapt is de bus vol en vertrekt. De man die achter je in de rij stond moet wachten op de volgende. Daarin raakt hij in gesprek met een vrouw en een jaar later zijn ze getrouwd. Ze krijgen een zoon die op zijn dertigste het brein is achter een revolutionaire aids-remmer of een deeltjesversneller. Als jij niet bij de bushalte had gestaan, zou die man die vrouw niet ontmoet hebben. Daarom probeer ik het me niet aan te trekken als het me tegenzit. Ik raakte mijn ansichtkaartenhandeltje kwijt, maar ik redde ook iemand het leven, en wie weet wat ik ongemerkt nog meer voor elkaar heb helpen brengen door ergens wel of niet te zijn. Door iets wel of niet te doen. Het is zoals het is en het gaat zoals het gaat. Ik las een keer over iemand die zo’n bijna-doodervaring meegemaakt had. Hij kreeg op de grens van gene zijde te horen dat het zijn tijd nog niet was om te sterven, omdat hij nog een taak te volbrengen had. Die man leidde een heel onbeduidend leven. Niet dat je zegt: gut, gut, dat is nou typisch iemand die een geweldige taak te volbrengen zal hebben. Maar misschien moest hij voor zijn overlijden een keer ergens op de bus staan wachten om ervoor te zorgen dat iemand achter hem in de rij de bus zou missen. Wie zal het zeggen. En wat doet het er ook toe?’

            Evert zweeg.

            ‘Zal ik nog eens inschenken?’ zei meneer Mortifa. ‘Hè, ik vergeet voor muziek te zorgen. Ik zal een stukje Omo Savate voor je opzetten, je weet niet wat je hoort. Die man weegt driehonderd kilo!’

 

                                                                          *

 

Evert hoefde niet lang na te denken over de woorden van meneer Mortifa om te beseffen dat Jardina de zin van zijn leven was – maar dan moest ze natuurlijk wel meewerken. Als zij de zin van zijn leven was maar hij niet de zin van het hare, dan was de lol er waarschijnlijk gauw af. Wat had hij er in godsnaam aan als laatste in een volle bus te stappen, zodat de een of andere maffe knakker achter hem tijdens het wachten op de volgende bus maar even een deeltjesremmer of een aids-versneller ging bedenken? Liever liet hij de geleerde voorgaan, omdat Jardina in de volgende bus zat.

            In die bus zat niet alleen Jardina, maar ook iemand die zij per abuis voor de zin van haar leven aanzag. Best mogelijk dat er meer kapers op de kust waren – hij kon niet de hele dag van bus naar bus hollen om te controleren of Jardina er misschien met een rivaal in zat.

            Niemand is volmaakt, en het was dus denkbaar dat Jardina het wachten op een grote liefde in de gedaante van Evert beu geworden was, en zich in een moment van zwakte aan deze of gene boerenlul gegeven had.

            Wat de situatie tamelijk ondraaglijk maakte, was dat hij wel wist dat Jardina op een etage woonde, maar dat hij niet wist waar die etage zich bevond. Aster had Jardina’s adres mogelijk in haar agenda staan; als ze even de deur uit was zou hij de deur kunnen forceren of uit de scharnieren lichten. Maar ach, wat schoot hij ermee op, met Jardina’s adres?

            Goed, dan zou hij elke dag bloemen bij haar kunnen laten bezorgen, tot ze er gek van werd en bij zichzelf dacht: laat ik maar gauw een verhouding met Evert beginnen, dan houden die verschrikkelijke bloemleveranties vanzelf wel op.

            Als hij haar adres had, had hij vermoedelijk ook haar telefoonnummer, zodat hij haar op elk gewenst of minder gewenst moment van de dag kon opbellen: direct apart met het meisje van je dromen, net zolang tot ze de stekker eruit trok.

            En: als hij haar adres wist, zou hij door haar straat kunnen fietsen in de hoop dat zij toevallig uit het portiek kwam – dan kon hij in een moeite door haar eventuele vriend tegen de grond rijden. Dat ging ongeveer zo:

 

‘Oeps! Neem me niet kwalijk, vriend. Ik zag je even niet. Je hebt je toch niet bezeerd?’

            ‘Dat is me ook wat moois. Wilde ik net bij mijn grote liefde Jardina op visite gaan om bij haar tweemaal een hoogtepunt te krijgen, worden mijn edele organen door een rijwielvoorwiel geplet. Het zit me niet mee, vandaag!’

 

Mocht-ie nog blij zijn dat alleen z’n ‘edele organen’ een beetje geplet waren.

            Zo’n onnozeling die op een fiets reed en niet verder kwam dan twee hoogtepunten, daar had Evert weinig van te vrezen. Maar wat te denken van al die studenten die achter Jardina aan zaten? De talloze uitnodigingen die ze ongetwijfeld kreeg voor een avondje stappen. Van eetcafé naar nachtkroeg en van doorzaktent naar corpsbalbed. Het waren dingen waar je niet aan moest denken, maar waar Evert de hele dag aan dacht.

            Voor zo’n student was krikkerij vrijblijvend tijdverdrijf om twee drinkgelagen te overbruggen. Hij gooide haar vol goedkope wijn, hiertoe in staat gesteld door gemeenschapsgeld (het woord alleen al) en besloot dan de hele nacht zijn gang met haar te gaan, wat zij uit beleefdheid niet dorst af te slaan. Evert hield er ernstig rekening mee dat het bij Jardina een komen en gaan was van zaadlozende eennachtsvliegen. Om niet te zeggen: een komen en komen en komen en gaan.

            Nee, dat studentengespuis viel niet te vertrouwen; het waren meestal rijkeluisneten die van pa carte blanche hadden gekregen om zo veel mogelijk willige volkstypes alle hoeken van het bed te laten zien – in ruil waarvoor ze zich verbonden rond hun dertigste met een of ander afstotelijk adelmokkel uit eigen kring te trouwen.

            Waarom hield Jardina zich niet aan de regels van de hoofse liefde zoals ze die in haar essay verdedigd had? De hoofse liefde – hij zou naar de bibliotheek moeten om daar een boek over te lenen. Dan zou hij meteen kijken of ze er iets hadden op het gebied van vrouwvriendelijke voodoo en literaire porno.

            Ook weer zoiets: wie had dat bedacht, die literaire porno? Juist, de studenten van dat literaire tijdschriftje. Straks schreef Evert een opwindend verhaal waar die studenten nog hitsiger van werden dan ze al waren, waarna ze in ploegendienst achter Jardina aan gingen. Op die manier werkte Evert mee aan zijn eigen ondergang. Hij moest er niet aan denken dat dit in ruimer verband de zin van zijn leven zou blijken te zijn.

 

                                                                          *

 

Op zaterdagochtend kon je vanaf tien uur in de bibliotheek terecht. Sinds hij verliefd was, was Evert niet meer aan uitslapen toegekomen, en ook die dag was hij om zeven uur wakker.

            Op het moment dat hij uit zijn kamer kwam, verliet meneer Mortifa de zijne. De buurman had een volle linnen tas bij zich.

            ‘Morgen, Evert. Ik ga maar weer eens kijken of de bibliotheek nog mooie boeken voor me heeft.’

            ‘Ik ook,’ zei Evert.

            ‘Mooi, dan gaan we samen.’

            Het motregende. De lente leek er geen zin meer in te hebben, en Evert had daar wel begrip voor.

            ‘Het voorjaar is mooi,’ zei meneer Mortifa. ‘Maar toch heb ik liever zo’n fijne strenge Buisdorpse winter. Van die snijdend koude wind, de grachten bevroren. Van mij mag het altijd onder nul zijn. Een grijze dichtgetrokken lucht, geweldig. Motregen is me te halfslachtig. Maar het is wel goed weer om een boek te lezen.’

            Geen gek weer ook om je polsen door te snijden of tering op te lopen, dacht Evert.

            Het voeren van een gesprek werd op dat moment bemoeilijkt doordat er een colonne jongeren op scooters door de Buisstraat scheurde. De geluidsinstallaties ervan produceerden een trommelvliesteisterend volume om boven het motorgeluid uit te komen.

            ‘Ha!’ riep meneer Mortifa toen ze uit het zicht waren. ‘Die zijn op weg naar het front!’

            ‘Ik denk eerder dat ze van een pillenparty komen,’ zei Evert.

            ‘Dat kan ook. Heerlijk om zo jong te zijn!’

            ‘Ik dacht dat volwassenen alleen konden kankeren op de jeugd,’ zei Evert. ‘Onze jeugdpagina had daar laatst een artikel over.’

            ‘Kankeren op gassies die op scooters rijden? Wat een flauwekul. Elke generatie doet op z’n eigen manier gek, maar het is gewoon hetzelfde liedje met een andere melodie. Ik herinner me de jaren zestig nog. Al dat lange haar waar schande van gesproken werd. Bij mij hing het ook op m’n schouders. Ik schaam me dood als ik er een foto van tegenkom. Tegenwoordig hebben ze helemaal geen haar, en dat is ook niet goed. Hoe noemen ze dat ook alweer?’

            ‘Gabbers,’ zei Evert.

            ‘De eerste keer dat ik zo’n gabber zag dacht ik dat het chemo was. Maar het ziet er toch lollig uit, zo’n kaal koppie? Ik denk dan maar: ruwe bolster, kale plaat. En bovendien, over een paar jaar zijn ze uitgeraasd en weer voorbeeldig gekapt omdat ze gaan solliciteren. Het verstand komt met de haren.’

            ‘Dat is een minderheidsstandpunt,’ zei Evert.

            ‘Ik weet het. Om moedeloos van te worden, volwassenen die zeggen dat de jeugd van tegenwoordig niet deugt. Maar de volwassenen van vandaag waren de jongeren van de jaren zestig, en toen werd er van hen gezegd dat ze niet deugden. Wat beweren ze? In de jaren zestig hadden we idealen, die heeft de jeugd tegenwoordig niet. Maar kijk maar eens naar een documentaire over de jaren zestig. Je ziet alleen maar folklore en klederdracht. Een hele zomer van liefde? Het was gewoon hetzelfde stompzinnige gehos dat je tegenwoordig hebt als het Nederlands elftal een toernooi speelt. Weet je wat het is?’

            ‘Nou?’

            ‘De mensen hebben heimwee naar een tijd die nooit bestaan heeft. Als ze oud zijn geworden maken ze zichzelf wijs dat ze zich in hun jeugd anders gedroegen dan de jeugd nu doet. Logisch dat het leven toen leuker was: toen waren ze zelf jong! Maar waar hebben ze het eigenlijk over? Je moet er toch niet aan denken dat we nu nog in de jaren vijftig leefden! Dat was de tijd dat vrouwen, als ze al werkten, hun baan kwijtraakten als ze trouwden. En ter gelegenheid van hun huwelijk al hun tanden en kiezen lieten trekken omdat het gratis was. Onvoorstelbaar maar waar. Arbeiders hadden twee weken vakantie en een paar snipperdagen per jaar. Homoseksuelen werden om hun geaardheid naar de psychiater gestuurd en kregen daar het advies om te gaan trouwen, dan zou het wel overgaan. En anders was castratie een optie. Ze maakten jongens wijs dat masturbatie kwaad kon, en meisjes schrokken zich de eerste keer dat ze ongesteld werden te pletter omdat ze er niet op voorbereid waren. Mooie tijd hoor! Mensen die op het heden afgeven zouden meer boeken over het verleden moeten lezen.’

            Een nieuwe colonne scooters gierde door de Buisstraat. Evert en de buurman sloegen linksaf en gingen de Polderbrug over.

            ‘Weet je wat ik laatst bedacht?’ zei meneer Mortifa. ‘Elke generatie ouderen heeft wat van de jeugd te zeggen. Maar kinderen hebben hun genen toch van hun ouders gekregen? Die ouders liggen dus met zichzelf overhoop, want kinderen zijn gewoon een jonge uitvoering van hun ouders. Of denken ze soms dat er zich een gigantische generatiebrede genetische mutatie heeft voorgedaan? Het gaat overal en altijd hetzelfde. Kinderen die hier geboren worden verschillen niet wezenlijk van kinderen die in Afrika geboren worden, waar of niet?’

            ‘Ze zijn beter af.’

            ‘Goed, de sociale en economische omstandigheden zijn anders. Maar ik bedoel: voor de rest zijn er geen verschillen. Kinderen zijn kinderen. Het opstandige gedrag van pubers is universeel en van alle tijden. Ze moeten afstand doen van hun kindertijd en volwassen worden. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Meisjes gaan menstrueren, die krijgen een biologische aardverschuiving te verduren met tientallen jaren lang elke maand naschokken. Dus die weten wel wanneer ze geen kind meer zijn. Maar bij jongens ligt het niet zo simpel. Als ze opgroeien bij een Afrikaanse stam, dan moeten ze als ze een jaar of twaalf zijn man worden. Ze gaan voor het eerst jagen of moeten andere beproevingen doorstaan. Dat zijn niet van die kinderachtige ontgroeningsgrappen zoals ze die hier bij Dorustinus bedenken. Dat gaat op leven en dood. In onze westerse maatschappij hebben we dergelijke rituelen afgeschaft, en dus doen die gassies het maar op hun eigen manier.’

            ‘Op een scooter,’ zei Evert.

            ‘Bijvoorbeeld. Ze zoeken het gevaar door zonder helm op zo hard mogelijk te rijden. Het is een fase die ze doormaken. Van die gabbertjes is driekwart over vijf jaar braaf huisvader, hoor. Daar hoeft niemand zich zorgen over te maken. Dat is toch ook gebeurd met de beatniks, de nozems, de provo’s en de punkers?’

 

                                                                          *

 

Evert zocht in de computercatalogus van de bibliotheek vergeefs naar de trefwoorden ‘voodoo’, ‘vrouwvriendelijk’ en ‘hoofse’; het trefwoord ‘liefde’ kende als geledingen ‘lichamelijke’, ‘vrije’ en ‘geen’. Hij probeerde de kast met ‘lichamelijke liefde’ – hopelijk viel het genre ‘literaire porno’ daar ook onder.

            Hij bekeek boek na boek, en liet zich bij zijn uiteindelijke keuze leiden door het omslag. De verhalenbundel Geheid Geil had als neutrale omslagfoto een pakje boter; hij durfde het niet aan met een boek als Beestachtige Bronst bij de uitleenbalie te verschijnen. Dat was gesierd met een groepssekstafereel waarop zoveel benen verstrengeld waren dat je ze niet uit elkaar kon houden. Dat gold weer wel voor het omslag van de realistische roman Kletsnatte Dozen, waarop een zo goed als naakte vrouw was afgebeeld met haar benen op kwart voor drie.

            Nadat Evert het boek had laten inschrijven, stopte hij het gauw in een plastic zak en liep naar het leescafé, waar meneer Mortifa met een dik boek voor zich aan een tafeltje zat. Evert legde de plastic zak met Geheid Geil erin op het tafeltje en haalde voor zichzelf en zijn buurman koffie.

            ‘En? Geslaagd?’ vroeg meneer Mortifa.

            ‘Een verhalenbundel gescoord. En u?’

            ‘Een boek waar ik een recensie over gelezen had, Alles bestaat al. Daarin staat dat de mens niets aan de schepping kan toevoegen. Geen godsdienstig boek, hoor. Met de schepping wordt bedoeld de wereld zoals die is.’

            ‘En de mens kan daar niets aan toevoegen?’

            ‘Nee. Raar idee, hè? In dat boek wordt beweerd dat er geen uitvindingen gedaan worden, alleen ontdekkingen. Er komt niets bij, er wordt te voorschijn gehaald wat er al is. Neem het schrijven van een boek. Iemand die een boek schrijft denkt misschien: wat ik nou schrijf is nog nooit vertoond, maar dat is niet zo. Alles wat ooit geschreven zou kunnen worden, bestaat al.’

            ‘Hoe kan dat nou?’ zei Evert.

            Zijn literaire pornoverhaal bestond nog niet, en het was de vraag of het er ooit zou komen. Met een herfsthumeur dronk hij zijn koffie.

            ‘Ga maar na,’ zei meneer Mortifa. ‘Waaruit bestaat een boek? Uit woorden. Een boek is niets anders dan een groot aantal in een bepaalde volgorde gezette woorden. Die woorden bestonden al voordat het boek geschreven werd, dus in potentie was dat boek er al.’

            ‘En als je zelf woorden bedenkt?’

            ‘Neologismen? Dat is hetzelfde verhaal. Een woord bestaat uit letters. Ons alfabet kent 26 letters, er valt geen woord te bedenken dat andere dan die 26 letters bevat. Alles bestaat al. Grappig hè?’

            ‘Maar...’

            ‘En de theorie is op alles toepasbaar, er is geen speld tussen te krijgen. Elke zogenaamd nieuwe creatie is gewoon het rangschikken, combineren en toepassen van dingen die er al waren. De eerste primitieve boot die duizenden jaren geleden door een natuurvolk gemaakt werd van een omgehakte boom lijkt een revolutionaire vinding te zijn, maar de boot bestond al omdat de boom er al was. Het enige wat de mens doet is gebruikmaken van wat de schepping te bieden heeft. Er komt niets nieuws onder de zon. Je kunt zelfs geen ondenkbare gedachten hebben, want je denkt in woorden, en alle woorden zijn denkbaar. Ja, dat zijn nog eens diepzinnige overwegingen voor de zaterdagochtend!’ Meneer Mortifa stond op. ‘Kom, we gaan eens kijken of de scootertroepen alweer terug zijn van het front.’

 

                                                                          *

 

Toen Evert op 14 maart de kamer boven café Den Olden Buys betrok, had hij zich voorgenomen er ooit een roman te gaan schrijven. Drie weken en twee dagen later zat hij er Geheid Geil te lezen om inspiratie op te doen voor een literair pornoverhaal. Voordat in de bundel de eerste bedscène goed en wel op gang gekomen was, kwam Aster zijn kamer binnen.

            ‘Kom es gauw kijken,’ zei ze uitgelaten.

            ‘Wat is er?’

            ‘Kom nou maar.’

            Ze liep de kamer uit en Evert ging haar achterna. Gelukkig was wat hij tot nu toe gelezen had niet zo lustopwekkend geweest dat hij er aanstootgevend bijliep.

            ‘En?’ zei ze.

            Midden in haar kamer stond een enorme poef.

            ‘Een poef,’ zei Evert.

            ‘Ik heb me rot lopen sjouwen. Zo’n zaterdagbraderie zullen ze nou nooit eens hier voor de deur houden. Wat denk je?’

            ‘Pfff... 1968?’ gokte Evert.

            ‘Bijna goed. 1966.’

            ‘Nou nou.’

            ‘Ga es zitten, voor de aardigheid.’

            Evert liet zich zakken. De poef bleek grotendeels gevuld te zijn met lucht die onmiddellijk ontsnapte, zodat hij languit op de grond kwam te liggen.

            ‘Ik moet ’m nog een beetje bijvullen,’ legde Aster uit.

            ‘Dat wou ik net adviseren,’ zei Evert, en hij kwam inwendig vloekend overeind.

            Ik ben veel te sullig, dacht hij. Ik zou gewoon moeten zeggen dat ik niet gediend ben van die stinkende ouwe rottroep en dat het me totaal niet interesseert uit welk jaar het allemaal is.

            ‘Zeg,’ zei Aster, ‘nou je er toch bent: kan je meteen mijn essay even nalezen?’

            Bijna lag Evert weer op de grond.

            ‘Je essay? En dat van Jardina dan? Jullie zouden er toch samen een gaan maken?’

            ‘Ze kon niet. Dorustinus had vanmiddag iets waar ze absoluut bij moest zijn. Ik denk dat ik straks ook nog even ga. Bakkie thee doen?’

            ‘Nee, dank je.’

            Met desinteresse bekeek Evert het essay, dat wemelde van de grammaticale ontsporingen en ongeoorloofde werkwoordsvervoegingen – een schandaal dat ze Nederlands studeerde.

            ‘Ziet het er een beetje uit?’ vroeg Aster, nadat hij haar het essay had teruggegeven.

            ‘Er zaten hier en daar wat foutjes in. Op de inhoud heb ik niet gelet. Waar gaat het over?’

            ‘Het is een romananalyse. Heb je dat niet gemerkt?’

            ‘Dat zag ik wel. Er stond geloof ik iets over een auctoriële vertelinstantie en dat de auteur flashbacks gebruikt.’

            ‘Ik heb er behoorlijk op zitten zweten.’

            ‘Belachelijk,’ vond Evert. ‘Grote flauwekul, zo’n analyse.’

            ‘Vind ik niet. Vroeger wist ik niet eens wat er bedoeld werd met verteltijd en vertelde tijd. Of wat een alwetende verteller is. Toch handig om te weten.’

            ‘Waarom in godsnaam? Dat soort kennis voegt toch niets toe aan het leesplezier? Over de verteltijd valt trouwens niets te zeggen, want die hangt af van de leestijd, en die is bij iedere lezer anders. Maar bij elke bewering die er in zo’n analyse gedaan wordt kan je zeggen: nou en? Er zijn flashbacks – nou en? Er is een alwetende verteller – nou en? Dat zijn toch zinledige constateringen? Dan kan je net zo goed de bladspiegel, de zetspiegel, het lettertype en het corps bespreken. Critici schreeuwen moord en brand als ze in een boek een stijlbreuk of een perspectiefwisseling tegenkomen. Waar bemoeien ze zich mee! Een literaire tekst analyseren? Stel je voor dat je naar een film zit te kijken en dat de camera plotseling uitzoomt, zodat je ziet waar het decor ophoudt en dat er een microfoon boven de acteurs hangt. Denk je dat je dan nog veel lol aan die film zal beleven?’

 

                                                                          *

 

Dat Evert zich over zoiets futiels als literatuuranalyse kwaad maakte was omdat hij besefte dat zijn kansen op Jardina verkeken waren. Zijn frustratie moest gekanaliseerd worden. Als Aster biologie gestudeerd had, zou hij zich opgewonden hebben over de evolutietheorie.

            Dorustinus ‘had iets’ waar Jardina ‘absoluut’ bij aanwezig moest zijn. Dat betekende dat de kaarten geschud waren en dat het spel uit was. Met al zijn vrouwvriendelijke voodoo, hoofse liefde, literaire porno en Spaanse vliegen stond Evert machteloos.

            Binnen de muren van het Dorustinusgebouw, waar zelfs de zedenpolitie niet zomaar kon binnenvallen, vierde de liederlijkheid hoogtij. Hoe kon ze zo stom zijn! Je liet je argeloos in met zo’n studentenvereniging, omdat ze je wijsgemaakt hadden dat je daar profijt van zou hebben. Als je later solliciteerde kreeg je de baan omdat de directeur ook bij de studentenvereniging gezeten had.

            Maar de toekomst was bijzaak, het ging erom dat je gezellig een paar avonden in de week meezong met het corpsballenkoor. Ja ja. Voor Jardina er erg in had vormde ze de hoofdattractie op een corpsballenbal waar ze klokslag middernacht naakt uit een slagroomtaart stapte en tot aan het ochtendgloren afgelebberd en gepenetreerd werd.

            Als ze voor dergelijke uitspattingen een beetje aanleg had, kon het de spuigaten uitlopen. Er waren studentes die het beantwoorden van een nulnegennulzestelefoon als bijbaantje nog niet hoerig genoeg was, dus het zou Evert niets verbazen als Jardina het schopte tot assistente van een nachtclubgoochelaar die aan elkaar geknoopte sjaals uit haar geboortekanaal te voorschijn trok en er als apotheose een tam konijn in liet verdwijnen.

            De fatsoensnormen waren, voor zover niet afgeschaft, onder druk van de tijdgeest zo geminimaliseerd, dat studenten in de rij stonden om zich aan te melden voor de ontkledingsquiz Laat zakken die broek, die wekelijks door de regionale zender De LokaalBuis werd uitgezonden. Evert herinnerde zich dat er een keer een student aan had meegedaan die niet wilde wachten tot hij een vraag goed beantwoord had en die toen hij opkwam zijn broek al liet zakken, zodat hij meteen door mocht naar de finale.

            Hoe haalde ze het in haar hoofd: liever een zaterdagmiddagje het Dorustinusgespuis het hoofd op hol brengen dan haar essay door Evert laten nalezen! Dorustinus had nog een balzaal ook, en het kon haast niet anders of ze werd bij het bezoek aan dat dansbordeel vergezeld door haar hardleerse vriend, die zich niet had laten ontmoedigen door het ‘fietsongelukje’ met zijn ‘edele organen’. Het was om wanhopig van te worden, maar de dokter was er helaas in geslaagd als een gehaktslager de geplette balzakinhoud in de oorspronkelijke vorm terug te kneden. (Er zat nog wel een grote pleister op.)

            Die vriend met zijn fiets en zijn twee hoogtepunten, dat was een megaknurft die Oebele Bobo heette omdat zijn vader ook Oebele Bobo heette. Een marginaal mannetje, een lul de behanger in de zin van de wet. Of misschien was het helemaal geen marginaal mannetje, maar een briljant brein, ondanks de fiets en de twee hoogtepunten. En het waren trouwens niet alleen studenten van het type Oebele Bobo die Evert voor de voeten liepen. Half mannelijk Buisdorp stond te popelen om Jardina in te palmen. Een flutyup met een topjob. Een kickbokskampioen met een jongeheer van hier tot daar en een scrotum deluxe dat met geen fietswiel te pletten viel. Iemand uit de onderlaag van de samenleving die Piet heette omdat zijn vader ook lorrenboer was.

            Straks moest Evert het nog meemaken dat ze met een acteur aanpapte en dat ze samen wekelijks in de roddelbladen met hun voorspoed pronkten.

 

            ‘Bij mijn JAN vond ik het ware geluk’, aldus een stralende JARDINA, die het leven met de dag beter aankan, temeer daar ze alweer zes maanden zwanger is van de getalenteerde soapacteur JAN DOEDEL. Dat neemt helaas niet weg dat er ook schaduwzijden aan haar bestaan knagen. JARDINA heeft namelijk een nare periode achter de rug weg moeten werken omdat ze lange tijd werd lastiggevallen door iemand die haar met hoofse liefde en een grote neus achtervolgde.

 

                                                                          *

 

De dag was goed begonnen met een bezoek aan de bibliotheek, maar het intermezzo met Aster had de verdere voortgang gefrustreerd. Een groot deel van de zaterdagmiddag ging vervolgens heen met gepieker over Jardina. Pas aan het einde ervan begon hij verder te lezen in Geheid Geil. Het boek bezorgde Evert weinig inspiratie voor het te schrijven literaire pornoverhaal. Het kostte hem moeite zich in het beschrevene in te leven, en hij stoorde zich aan het infantiele taalgebruik van de parenden. In nagenoeg elk verhaal waren de schijnwerpers gericht op een lichaamsdeel dat werd aangeduid met het verkleinwoord ‘kutje’, maar als je las wat daar allemaal zonder verdoving in werd gestopt, was de benaming ‘opgerekte runderkut’ toepasselijker. Er werd door sommigen beweerd dat pornografie mannen aanzette tot verkrachting, maar het kon ook zijn dat ze door die ingevette vuisten op het idee kwamen een opleiding tot veearts te gaan volgen.

            Toen Toker binnenkwam, legde Evert het boek op het bureau.

            ‘Geen paniek, goed volk,’ zei de student. ‘Trek in een moorkop? De tweede was gratis als ik er drie kocht. Eventueel krijg ik ze in m’n eentje wel op, maar ik heb beneden ook nog een baal poestanoten liggen. Ik probeerde er een aan Mortifa of Aster te slijten, maar ze zijn allebei niet thuis.’

            Aster zit nu waarschijnlijk ook bij Dorustinus, dacht Evert. Om Jardina te assisteren bij dingen die het daglicht niet verdragen. ‘Ik offer me wel op,’ zei hij.

            ‘Zat je geleerde dingen te doen?’ vroeg Toker.

            ‘Ik wilde wat gaan schrijven, maar dat heeft geen haast.’

            Toker hield Evert de doos met moorkoppen voor en nam op de bureaustoel plaats. Evert verplaatste Geheid Geil naar het tafeltje naast zijn bed.

            ‘Moet je voor de krant wat schrijven?’ vroeg Toker.

            ‘Een kort verhaal voor een literair tijdschriftje.’

            ‘Je bent toch niet uit op wereldroem en onsterfelijkheid, hè?’

            ‘Niet bewust,’ zei Evert.

            ‘Je ziet op tv weleens zo’n van eigendunk overlopende schrijver die beweert dat hij voor de eeuwigheid schrijft. Zo’n egomaniakje denkt er dan even niet aan dat zijn boeken het product zijn van de tijd waarin ze geschreven werden. Als ze nu bejubeld en verslonden worden, kunnen ze twintig jaar later verguisd of verramsjt worden. Zo is het toch? En stel dat je boeken honderd jaar na je dood nog gelezen worden, wil dat zeggen dat je dan zelf onsterfelijk geworden bent? Grote onzin. Dan lig je net zo goed als een stinkend skelet in je kist.’

            ‘Die moorkop gaat best,’ zei Evert tussen twee happen door. Een moorkop kon je met je handen eten; erna mocht je met je rechterwijsvinger de gemorste slagroom van je kin vegen. Hij herinnerde zich dat dit in het themanummer Ins en outs van etiquette had gestaan. In Geheid Geil veegden de heldinnen ook geregeld iets van hun kin, maar dat viel buiten het bestek van de etiquette.

            ‘Ik zal nummer drie even eerlijk delen,’ zei Toker. Hij pakte de moorkop uit de doos en maakte er met beide handen twee vormeloze halve van. ‘Hier. Helemaal netjes ging het niet, maar de wetenschap vraagt nu eenmaal offers. Je hebt zeker geen bier in huis, hè?’

 

                                                                          *

 

Evert wist nog steeds niet wat er niet thuishoorde in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten. Hij zat aan zijn bureau en staarde naar de stapel ongeopende post. Op maandagochtend hoorde je gebroken te zijn van het weekendstappen en niet van twee dagen tobben. En dan ook nog een T-shirt naar de kloten door moorkopmorsing. Hij kon gelukkig ongestoord naar de poststapel staren, want Kokya was een boodschap doen. Toen ze net vertrokken was belde haar tante op, de tante die het moeilijk had. Evert had haar beloofd dat hij Kokya zou laten terugbellen.

            ‘Je hebt het zeker druk,’ zei hoofdredacteur Barrelmeijer. Hij legde de rondzendmap waarmee hij was binnengekomen op Everts bureau. ‘Hier heb je nog een stukje kopij.’

            ‘Ik zat na te denken over de prijsvraag,’ zei Evert.

            ‘Dat zal wel. Zaterdagavond nog tv gezien?’

            ‘Nee. Heb ik wat gemist?’

            ‘Zou ik wel denken,’ zei Barrelmeijer. ‘Een extra lange aflevering van de Blootshow. Er was een mokkeltje bij... Ik zweer het je: zúkke tieten! Maar dan ook echt zúkke!’

            Hij hield zijn handen een eind van zijn borst vandaan om de buitensporige afmetingen aan te geven.

            Man, sodemieter op met je tieten, dacht Evert. Ik heb wel wat anders aan m’n hoofd. Maar de hoofdredacteur liet zich niet wegdenken.

            ‘Wat een kolossale katholieke kanjers waren dat! Je zag ‘r nog in slowmotion over het strand rennen. Mooi gezicht is dat altijd, als die prammenpartij zo lekker traag op en neer puddingt. Ongelogen: zúkke tieten! Maar evengoed koppie koppie, hoor. Ze hadden ‘r voor een film gevraagd. Nogal wiedes: zúkke tieten! Ze zei: “Ik heb die film toch maar niet gedaan. Ik wil eerst m’n mavo afmaken. Dan heb ik later wat om op terug te vallen.” Bij de pinken hoor. Maar waarom ik daar nou over begin,’ zei Barrelmeijer op vertrouwelijke toon.

            ‘Nou?’ zei Evert.

            ‘Is dat niks voor jou, die Blootshow?’

            ‘Hoezo?’

            ‘Ik weet wel dat jij een andere smaak hebt, maar je moet voor de aardigheid toch een keer kijken. Er zijn ook meiden bij van een jaar of zeventien. Zelfs met hele kleine tietjes, want daar wordt bij de Blootshow niet moeilijk over gedaan. Kijk, jij bent hoteldebotel van die Madeleine van je en dat is natuurlijk je goed recht. Maar je moet wel bedenken dat ze niet altijd zes jaar blijft. Waarom probeer je niet gewoon eens of een ouder ding wat voor je is? Ik wilde er niet over beginnen waar Kokya bij zat, maar als jij met dat jonge spul blijft donderjagen krijgen we vandaag of morgen groot gelazer. Ik zie de koppen al voor me: redacteur jeugdpagina opgepakt in zedenzaak. Heb je dan je zin? Kunnen we straks de krant opdoeken, alleen omdat jij zo nodig je pleziertje moet hebben.’

            Evert kon geen woord uitbrengen.

            ‘Weet je wat we doen?’ zei Barrelmeijer. ‘We gaan binnenkort een keertje stappen. Gewoon jij en ik samen. Hoeft niemand wat van te weten. Neem ik je mee naar De Rode Buis, die nachtclub aan de Roswal. Ze hebben er altijd een verrekt goeie show. Die grieten zijn top. Ik was er van de week nog. Er trad een meid op, die deed een act met een komkommer. Je denkt eerst: nou, ook afgezaagd, een komkommer. Dat deed m’n opoe bij wijze van spreken ook. Goed, dat apparaat gaat een eind d’r zoute grotje in, je kent dat wel. Ze draait ’m een paar keer rond en haalt ’m er weer uit. Wat denk je? Is de schil eraf! Ze haalden nog een geintje met me uit ook. Ik had een pilsje besteld en de serveerster zet een flesje voor me neer met de dop erop. Ik denk: wat gaan we nou krijgen? Maar die serveerster draait zich om, ze gaat gebukt staan en toen bleek het dus de bedoeling te zijn dat ik haar konijnenholletje als opener gebruikte! Evert, wij gaan gauw gezellig een keer stappen.’

            Kokya’s telefoon ging. Toen Evert als verdoofd opnam, gaf Barrelmeijer hem een pets op zijn schouder en verliet het vertrek.

            ‘Nee, mevrouw, ze is er nog steeds niet,’ zei Evert. ‘Ik zal zorgen dat ze u meteen terugbelt als ze er is. Dag mevrouw.’

            Dat mens dacht zeker dat ze de enige was die het moeilijk had.

            ‘Hé, Evert!’

            Hij keek om. Zijn chef stond in de deuropening.

            ‘Zúkke tieten!’

            Een halfuur nadat Barrelmeijer vertrokken was, bedacht Evert dat het best zo had kunnen zijn dat hij op dat moment een afspraak bij de tandarts had. Hij noteerde de afspraak in de bureauagenda en ging naar huis. Hopelijk had tante haar moeilijkheden onder controle, want als ze nu belde was er niemand om haar aan te horen. Hij had eigenlijk een briefje moeten achterlaten. Hoewel – het was Kokya’s schuld dat Barrelmeijer hem van een ontoelaatbare seksuele voorkeur betichtte en hem met zijn gezeik hoofdpijn had bezorgd, dus ze kon de boom in met haar halfgare tante die het moeilijk had. Ga maar lekker op het dak staan, dacht hij grimmig. Allemaal gruttemutte.

 

                                                                          *

 

Het zou nog wel even duren voordat Evert Jardina bij zich in bed mocht verwelkomen, was hij bang, maar het kon natuurlijk geen kwaad zo nu en dan alvast wat te oefenen.

            Voor het slapen gaan, als hij vroeg wakker geworden was, op vrije dagen om de paar uur... Het was Evert er niet om te doen marktleider van de masturbatiebranche te worden; die voortrekkersrol was hem worst. Toen hij nog niet verliefd was had hij het masturberen als ‘even een moment voor jezelf’ beschouwd, ter regulering van het bioritme. Een mens heeft tenslotte recht op minimaal één orgasme per etmaal, indachtig het adagium an orgasm a day keeps the doctor away. Maar nu stonden er grote belangen op het spel. Zijn gevoelens voor Jardina waren zo intens, dat het masturberen hand over hand toenam. Van al die zelfvluggertjes werd je ook niet wijzer, maar als je de boel op z’n beloop liet liep je er op den duur bij als een Viagraverslaafde na een overdosis.

            Onbegrensd waren de fantasieën waarin Jardina een hoofdrol speelde. Kleinschalige voorstellinkjes waren het: niet op het grote toneel, maar gezellig tussen de schuifdeuren. Rijk gevarieerd waren de dingen die hij in zijn masturbatiefantasie met haar deed – en zij met hem, want het hoefde natuurlijk niet altijd maar van een kant te komen.

            Het was een geruk tegen de klok dat hij wel moest verliezen. Want hoe hij zich ook inspande, hij kon zich op den duur niet meer voor de geest halen hoe Jardina er precies uitzag. Wat was ook alweer de kleur van haar ogen, van haar haar?

            Nou ja, nog geen man overboord, dan maakte hij er een vrije kür van.

            Een mens staat de hele dag bloot aan bronstopwekkende impulsen, en Evert was creatief genoeg om iemand die hij vluchtig gezien had de masturbeurt van haar leven te geven. Een studente die hij bij de bushalte had zien staan (of ze daadwerkelijk studeerde wist hij uiteraard niet, maar voor het masturberen maakte dat verder niet uit), een kortgerokte langbenige serveerster van een cafetaria waar hij in het voorbijgaan bij naar binnen had gekeken, de broodverkoopster die ’s morgens vroeg de bakker hielp met deeg kneden en die ’s avonds laat in zijn verbeelding Evert hielp met het kneden van zijn pistoletje.

            En niet te vergeten zo’n surveillerende politieagente met het voor die functie kennelijk vereiste volumineuze achterwerk in de iets te krappe uniformbroek, met aan de broekriem bungelende handboeien op de koop toe. In het vrije verkeer van vraag en aanbod betaalde je voor zo’n tafereel honderden guldens per uur, maar op de openbare weg kon je er gratis je hart aan ophalen, omdat het uit de algemene middelen gefinancierd werd. Dat er meer politie op straat moest komen, daar was Evert het tot op zekere hoogte wel mee eens.

            Zo nu en dan betrok hij collega Kokya in zijn masturbatievoorstelling. Niet speciaal vanwege haar mollige figuur, het was in de eerste plaats een kwestie van medemenselijkheid. Kokya had een nare periode doorgemaakt door de dood van haar man en haar kat, en het was niet ondenkbaar dat zij langs mediamieke weg een mentale opkikker kreeg op het moment dat Evert aan haar denkend orgasmeerde.

            Zou daar geen broodwinning in zitten? Als hij zichzelf eens aanbood als mediamiek masturbator... Hij zou huis-aan-huiskaartjes kunnen laten drukken:

 

Meester Masturbo trekt u uit de put. Heeft uw geliefde u verlaten? Zijn er problemen op het gebied van huisvesting, gezondheid of arbeid? Meester Masturbo regelt het in een handomdraai. Succes op voorhand verzekerd.

 

Patiënten hoefden hem alleen maar een foto te sturen waar hij zich dan op zou concentreren, en gedragen lingerie was ook nooit weg, want die kon je na besnuffeling naar een derdewereldland sturen. Er opereerden zoveel kwakzalvers op de natuurgenezers- en paragnostenmarkt, dat hij waarschijnlijk niet eens een vestigingsvergunning nodig had.

            Kwakzalvers?

            Hij zou op zijn visitekaartje als beroep ‘kwakzalver’ vermelden. Als het om genezende masturbatie ging dekte dat de lading aardig.

            Enfin, niet te hard van stapel lopen: eerst maar eens de proef op de som nemen en bij het masturberen aan Kokya denken, en dan de volgende dag vragen of ze een prettige avond had gehad.

            Dat was waar ook: Kokya had een dochter, Atillo. Zeventien was ze. Een leeftijd waarop een meisje vaak onzeker is en behoefte heeft aan een ouder iemand die weet wat er in de wereld te koop is, met name op het gebied van de seksualiteit, want daar bestaan veel misverstanden over.

            Stel dat Atillo een jongere uitvoering van Kokya was... Het was al met al tamelijk onzeker of het tussen hem en Jardina wat werd, en dus was het verstandig om meerdere ijzers in het vuur te hebben. Zou er wat met Atillo te beginnen zijn? In dat geval kon het ervan komen dat Evert zolang bij Atillo en Kokya introk, tot ze eigen woonruimte gevonden hadden. Dat zou de ideale proeftuin zijn om de relatie met Atillo te testen. Mocht die op niets uitdraaien, dan had hij altijd nog hospita Kokya als uitwijkmogelijkheid achter de hand.

            Een keer bij Kokya op visite gaan en dan een foto van Atillo zien te jatten. Als ze fotogeniek was maakte hij er dezelfde avond nog een weergaloos masturbatiefestijn van, met in de hoofdrollen Atillo en wat hij zich nog van Jardina’s uiterlijk herinnerde. En Kokya? Vooruit, die kreeg een bijrolletje toebedeeld. Naakt een brief opbrengen of schaars gekleed een brief opbrengen en die dan laten vallen en traag bukkend oprapen...

            Ja, het werd een seksuele klucht voor een jongeheer en meerdere dames, die zich om beurten kirrend onder het bed en in de kast verstopten, en bij de ontknoping de hele cast gearresteerd door een meute breedheupige vrouwtjesagenten: ‘Aankleden en meekomen!’

            ‘Binnenkort in dit theater,’ zuchtte Evert, terwijl hij de papieren zakdoek in de prullenmand mikte.

 

                                                                          *

 

‘Jij hebt me ook een lekker geintje geflikt,’ zei Evert.

            ‘Hoezo?’ zei Kokya.

            ‘Barrelmeijer denkt dat ik wat met een zesjarig kind heb. Kwam gisteren een partij ouwehoeren, niet normaal meer.’

            ‘Wat kan jou dat nou schelen.’ Ze bladerde in de bureauagenda. ‘We moeten nog even volhouden.’

            ‘En dan?’

            ‘Vakantie!’

            ‘Het schiet aardig op, ja.’

            ‘Het lijkt wel of de tijd steeds sneller gaat,’ zei ze. ‘Over drie jaar ben ik veertig!’

            ‘Veertig? Dat zou je niet zeggen.’

            ‘Het is ook pas over drie jaar.’

            Evert rook een kans voor open doel.

            ‘Je dochter is toch ook al zeventien?’

            ‘En een half. Straks kruip ik weer lekker in m’n tentje. Drie weken lang alleen maar luieren. Een paar delen Russische Bibliotheek lezen, een puzzeltje maken. Hou jij van kamperen?’

            ‘Ik heb niet eens een tent,’ zei Evert.

            ‘Je mag de mijne wel lenen.’

            En jou erbij, dacht hij. En Atillo, niet te vergeten. Met z’n drieën in een feesttent, dan zou het uit te houden zijn. Hij in zijn eentje kamperen! Voor dag en dauw vogellawaai aan je kop. In een emmer kakken. Die Russische Bibliotheek ging dan nog wel, maar puzzeltjes maken? Acht horizontaal: menselijk voortplantingsorgaan. Drie letters. Middelste letter een u.

            ‘Ik ben niet zo’n natuurliefhebber,’ zei hij. ‘Ik denk dat ik in de vakantie maar gewoon thuisblijf. Een beetje schrijven.’

            ‘Schrijf je? Leuk. Ik maak soms gedichten. Stelt niet veel voor, hoor. Maar ik ben erg goed in sinterklaasgedichten. Ik zal er voor jou ook een maken, als ik het niet vergeet.’

            ‘Daar verheug ik me nu al op.’

            Sinterklaasgedichten? Het was lente! Maar eigenlijk was het een gouden tip: hij zou voor Jardina een gedicht gaan schrijven waar ze niet van terug had.

            ‘En jij?’ vroeg ze.

            ‘Wat?’

            ‘Wat schrijf jij?’

            ‘Ik ben bezig aan een verhaal voor een tijdschriftje. Het moet een literair pornoverhaal worden.’

            ‘Echt waar? Lukt het?’

            ‘Het eigenlijke schrijven moet nog beginnen. Ik ben me een beetje op het genre aan het oriënteren.’

            ‘Bij de videotheek zeker.’

            ‘Nee, ik ben me aan het inlezen. Van de week in een verhalenbundel begonnen, Geheid Geil.’

            ‘Komt me bekend voor.’

            ‘Kan best. De schrijfster schijnt nogal een expert te zijn. Ze kan aan je lul zien hoe groot je handen zijn.’

            Kokya lachte.

            ‘Daar hoef je geen expert voor te zijn, dat kan iedere vrouw! Maar is dat boek wat?’

            ‘Het valt me erg tegen. De verhalen beginnen soms aardig, maar als de kleren eenmaal uit zijn is het elke keer hetzelfde liedje. Het ene cliché na het andere. De held hijgt, de held kreunt, de held komt schokkend klaar... Als je niet beter wist zou je denken dat er een epileptische aanval beschreven werd. Als het zover is roepen ze dom dat ze klaarkomen. Alsof er iets verschrikkelijks gaat gebeuren.’

 

                                                                          *

 

Vrouwelijke intuïtie is een mysterie, bedacht Evert toen hij ’s avonds een restant koude slagersbami van de vorige dag uit het bakje vorkte. Op het moment dat hij de wanhoop nabij was geweest, had Kokya het over sinterklaasgedichten gehad. Vrouwvriendelijke voodoo, hoofse liefde, literaire porno, transcendente masturbatie – het kon allemaal met de vuilnisman mee. Maar een gedicht!

            In een gedicht kon je open kaart spelen en al je kaarten op tafel gooien. Als zij hem dan voor de voeten wierp dat ze dergelijke confidenties niet naar haar hoofd geslingerd wenste te krijgen, dan kon hij altijd nog zeggen dat het hyperbolisch bedoeld was. Dat het gedicht doorgestoken kaart geweest was omdat hij zich niet in de kaart had willen laten kijken door haar onberijmd zijn liefde te verklaren...

            Een gedicht. Uw borsten zijn als kamelen / uw schaamte is gelijk een brandend braambos – het schoot hem zomaar te binnen. Waar haalde hij het vandaan? Was dat niet een soort hoofs lied? Als hij nou voor Jardina een hoofs gedicht maakte, ontleend aan de hoofse liefde. Die hoofse liefde kwam toch uit de tijd van Shakespeare? Dan werd het een hoofs sonnet!

            Een sonnet. Hoe ging dat ook alweer? Sam komt Moos tegen. Hij zegt: ‘Heb je het al gehoord? Evert gaat een sonnet maken waardoor Jardina verliefd op hem wordt.’ Zegt Moos: ‘Nou, dat weet ik sonnet nog niet!’

            Shakespeare. Daar had hij op de middelbare school ook mee te maken gehad. De klas moest in Londen tijdens een schoolreis een opvoering van het een of andere stuk bijwonen. Wat hadden ze een hekel gekregen aan die ouwe bard met zijn hoogdravende dialogen!

 

‘Behold! In my hand I hold the skull of our beloved beheaded King! Agony! Let us weep!’

            ‘Sir! Get thee to a nunnery! That which is the said skull which thou holdest in thy hand is but a monkey’s skull! Durst thou mock he who is our beloved unbeheaded King? He who is no more beheaded than any of us here gathered yet more beloved than any mortal present or absent, be he beheaded or not beheaded. Durst thou? Shame! Infamy! Begone with thy frolics! Curses! Damnation!’

            ‘Removeth thee from my breathing space, sir! Lest I set fire to thy testicles! Methinks to be beheaded or not to be beheaded is not the question! A skull is a skull is a skull! Doubtest thee the words I have spoken? May thy hemorrhoids multiply and grow plentiful on thy rear entrance!’

            ‘Blaspheming motherporker! Vengeance! To arms!’

 

En als je dan zag wat voor kleren ze erbij droegen kwam je helemaal niet meer bij. Halverwege de tweede akte moest de voorstelling worden gestaakt omdat de klas de dialogen begon te becommentariëren door titels van James Brown-songs te roepen: Get Up Offa That Thing. Talkin’ Loud And Sayin’ Nothing. Give It Up Or Turnit A Loose. Get On The Good Foot. Let A Man Come In And Do The Popcorn. For Goodness Sakes, Look At Those Cakes.

            Tegen James Brown kon Shakespeare niet op, en voor Jardina dus maar liever geen hoofs sonnet, want voor haar was alleen het beste goed genoeg: iets dat regelrecht uit het hart gerijmd kwam.

 

            Ik wil je lippen kussen

            Je vingers je tenen

            Je armen je benen

            En alles daartussen

 

Maar toen hij het voor het slapengaan nog eens nalas sloeg de twijfel toe. Was dit eigenlijk geen aanfluiting? Een dichtdebacle? Een lolletje op zijn tijd kon geen kwaad – want some like it zot – maar als hij met zoiets bij Jardina aanbelde en na voordracht op hoge toon informeerde of zij bereid was op basis van deze rijmelarij voor altijd de zijne te worden, dan mocht hij blij zijn als ze hem niet meer aandeed dan een knietje.

 

                                                                          *

 

Dagenlang dacht Evert na over een gedicht dat bij Jardina in de smaak zou vallen. Op haar voornaam viel nauwelijks te rijmen; een bijna-rijmwoord dat hem soms door het hoofd ging zou waarschijnlijk verkeerd vallen. Zonder dat hij op poëtisch gebied voortgang had geboekt, verstreek er alweer een werkweek. Aan het probleem van de champagne, kaviaar en zoute griotten was hij niet toegekomen. Dat moest maar over het weekend heen getild worden.

            Dat weekend droomde hij tot tweemaal toe van Kokya. Misschien omdat ze tijdens een masturbatoire matineevoorstelling die was overgegaan in een middagdutje met haar volle gewicht op hem gelegen had en hem daarbij haar fantasielingerie onder de neus gewreven had. Hij wist het niet meer. Meestal vergat hij meteen na het klaarkomen hoe het erotische tafereel dat hij ter stimulatie geënsceneerd had in elkaar gestoken had. Vaak was het een kwestie van in het wilde weg improviseren, want als het ene tableau hem niet genoeg opwond, schakelde hij rücksichtslos over op een volgend, waarbij dan weer een andere sparringpartner in het geding was.

            Hoe dan ook: hij droomde twee keer van Kokya. Wat dit te betekenen had wist hij niet, maar wel deed het hem besluiten haar in vertrouwen te nemen. De verliefdheid was zo overweldigend dat het ongezond was er zonder opvang mee rond te blijven lopen. Kokya in vertrouwen nemen – dat wil zeggen: voor wat betreft de kwestie Jardina. Everts eventuele verloving met Atillo moest nog maar even een verrassing blijven.

 

                                                                          *

 

‘Weet je wat, we gaan morgen uit eten,’ had meneer Mortifa gezegd toen Evert die maandagavond bij hem op koffievisite was. ‘Dat zal je goed doen, want ik geloof niet dat dat koken van jou veel voorstelt. Kom maar gelijk na je werk naar het restaurant, dan zie ik je daar rond kwart voor zes.’

            In de stromende regen liep Evert van het gebouw van het Buisdorps Nieuwsblad door de binnenstad naar de Nieuwe Doorlaat. Zijn buurman stond hem onder een grote parapulu voor de ingang van het World Eet Center op te wachten.

            ‘Je bent mooi op tijd,’ zei hij.

            In het World Eet Center werden voornamelijk gerechten uit de derde wereld geserveerd. Het bedienend personeel was uit alle windstreken toegestroomd, en in de keuken werd bijgesprongen door vrijwilligers die met behoud van hun asielzoekersstatus op culinair gebied iets terugdeden voor de hartverwarmende gastvrijheid die zij in Buisdorp genoten.

            De ober wees Evert en meneer Mortifa een tafeltje bij het raam en reikte beiden een menu aan.

            ‘Wat is dat allemaal voor lekkers?’ vroeg Evert. Geen van de gerechten kwam hem bekend voor.

            ‘Heb je hier nog nooit gegeten? Laat mij dan maar bestellen.’

            Meneer Mortifa wenkte de ober.

            ‘Heeft de heren de keus gemaakt?’ vroeg de zwaar besnorde Oost-Europeaan. ‘Neemt de heren de soep van de dinsdag?’

            ‘Die slaan we over. We gaan allebei voor de Bengaalse bittergrutten.’

            ‘Bengaalse bittergrutten voor de twee,’ zei de ober noterend. ‘Wil de heren met saus erbij?’

            ‘Goed idee,’ zei meneer Mortifa. ‘Zoetzure sojasaus, zo klonterig mogelijk. En een grote portie Ghanese glibberhompen, daar doen we samen mee.’

            ‘Vooraf de heren alvast knabbelen?’

            ‘Ja, een schaaltje Lombokse lellebelletjes is wel lekker. En doet u voor mij een flesje Guinness stout.’

            ‘In Dubai gebotteld?’

            ‘Als u heeft graag. Wat drink jij?’

            ‘Cola,’ zei Evert. ‘Gewoon een gewone cola, als het kan. Het hoeft niet speciaal ergens vandaan te komen.’

            De ober bleek het gelukkig te kunnen serveren.

            ‘Wat zijn dat precies, Lombokse lellebelletjes?’ vroeg Evert.

            ‘Die zijn zo lekker. Peperheet, maar ze smelten op je tong.’

            Evert keek naar buiten. Daar passeerden een jongen en een meisje, gearmd onder een paraplu. Waren ze gelukkig? Het kon niet anders. Walking In The Rain (With The One I Love). Hij zuchtte. Overmorgen is het vier weken geleden dat ik haar zag, dacht hij. Vier weken!

            ‘Ben je nou zo somber, of lijkt dat maar zo?’ vroeg meneer Mortifa.

            Het ging de mensen opvallen dat hij aan het einde van zijn Latijn was. Binnenkort kwam het allemaal in orde omdat hij van Kokya liefdesreddende adviezen zou krijgen, maar nu zat hij inderdaad nog diep in de put. Hij kon net zo goed alvast bij zijn buurman te biecht gaan.

            ‘Ik ben verliefd,’ zei hij achteloos.

            ‘Gefeliciteerd!’ zei meneer Mortifa.

            ‘Er valt niets te feliciteren.’

            ‘Is het niet wederzijds dan?’

            ‘Ik heb haar één keer gezien, en misschien zie ik haar nooit meer.’ Als hij zich probeerde voor te stellen hoe de beoogde volgende ontmoeting zou verlopen, kwam hij meestal niet verder dan een onrealistisch scenario. Jardina had bijvoorbeeld een vakantiebaantje in het ziekenhuis, waar Evert dan toevallig met een gebroken been lag. Er zweefde hem een gipsromance voor de geest: het ziekenhuis als loveboat voor de hinkepoot.

            ‘Het lijkt die droom van mij wel,’ zei meneer Mortifa.

            Zijn droom? O ja, die mesjokke droom. De grote liefde met de bijzondere ogen die ooit buurmans pad ging kruisen. Hij was niet helemaal goed bij zijn hoofd – vandaar vermoedelijk dat Evert zo goed met hem kon opschieten.

            ‘Ik dacht dat u van plan was die vrouw juist wel tegen te komen.’

            ‘Dat ben ik ook,’ zei meneer Mortifa. ‘Maar het kan natuurlijk zijn dat ik me een beetje vergist heb. Ik bedoel dat die repeterende droom zich indertijd vergiste. Nou ja, daar maak ik me verder niet druk om.’

            De ober zette het schaaltje met Lombokse lellebelletjes neer en schonk de Guinness stout en de cola in. ‘Na knabbelen komt voor de heren de hoofdzaak,’ zei hij en vertrok om andere gasten van dienst te zijn.

            Evert stopte een handje lellebelletjes in zijn mond en nam vervolgens snel een slok cola. Wat zeurde de buurman over een droom die al dan niet uitkwam? Jardina was geen droom, ze bestond echt! Hij had haar even gezien en sindsdien was hij zichzelf niet meer.

            ‘Het gaat soms raar,’ zei meneer Mortifa. ‘Het is me vaak overkomen dat ik een schijnbaar toevallige ontmoeting had die ontzettend belangrijk bleek te zijn. Dat iemand zomaar je leven binnenstapt. De ene keer heeft het aangename consequenties, de andere keer juist niet. Alsof je op dat moment toe was aan een prettige of een vervelende ervaring. Raadselachtig.’ Peinzend dronk hij zijn glas Guinness stout leeg.

            ‘Als ik haar nooit meer zie was het dus geen prettige ervaring,’ zei Evert.

            ‘Daar heb je gelijk in. Maar zo gaat het nu eenmaal. Het heeft geen zin je af te vragen waarom. We zijn op reis door het leven, zonder te weten waarheen. Je kan het vergelijken met een treinreis. Als je geboren wordt, beland je in een treincoupé, samen met je ouders, je grootouders en eventuele andere familieleden. De trein stopt bij een halte en er komen nieuwe reizigers de coupé binnen: een broertje of zusje, vriendjes en vriendinnetjes. Na een paar haltes stappen de grootouders uit. De trein gaat verder. Je schooltijd is voorbij. Vriendjes zijn uitgestapt, nieuwe vrienden stappen in. De trein vertrekt weer. Er komt een halte waar je ouders uitstappen, er komt een moment dat je grootouder geworden bent. En aan het einde van de reis moet je er zelf uit. En weet je wat het aardige is? Dat die trein dan gewoon verder rijdt!’

            ‘Wat u aardig noemt,’ zei Evert somber. ‘U heeft makkelijk praten. U vindt altijd alles maar geweldig.’

            ‘Helemaal niet. Er is veel wat ik verschrikkelijk vind. De realiteit van het leven is in wezen te deprimerend voor woorden, omdat alles in verdriet eindigt. Geen leven zonder lijden. Bij wijze van grap zeg ik weleens: “Alles komt goed, en daarna loopt het slecht af.” Maar je mag je nooit laten ontmoedigen als het je tegenzit. Je moet de dingen nemen zoals ze zijn. Als je ellende op je pad vindt, dan moet je zeggen: ”Kom maar op, mij krijg je niet klein.” Wat er ook gebeurt, het is nooit het einde van de wereld. En als het wel het einde van de wereld is, is er toch niets aan te doen. Lijkt me trouwens wel interessant om mee te maken, dat de wereld vergaat.’

            ‘Ja hoor,’ zei Evert. Omdat de Lombokse lellebelletjes hem in de mond bleven branden nam hij nog een slok cola. ‘Niks aan de hand. Als ik Jardina nooit meer zie was het alleen maar even een vervelende ervaring waar ik niet om gevraagd heb.’ Waarom werd er nooit een stille tocht gehouden voor de slachtoffers van zinloze verliefdheid?

            ‘Maar jongen, wat is dat nou voor raar gesomber? Ik heb het over onontkoombare rampen waar een mens mee te maken kan krijgen, en jij maakt je druk over je verliefdheid! Ga nou gauw weg. Weet je wat jij moet doen? Je moet er gewoon werk van maken! Kijk, daar komt onze hoofdschotel. Straks nemen we nog een kopje Cubaanse cappuccino op de goede afloop.’

 

                                                                          *

 

Eindelijk actie. Meneer Mortifa had gelijk. Het was onzin somber te zijn, Evert schoot niets op met wachten totdat Jardina weer langskwam om samen met Aster een essay te maken. De volgende middag vertrok hij na zijn werk meteen naar de bibliotheek, waar hij ditmaal wel een boek over de hoofse liefde vond.

            Toen hij tevreden op weg was naar zijn kamer, werd hij in de gang door Aster aangeklampt.

            ‘Hoe vind je m’n kolenkit?’ vroeg ze.

            ‘Niet gek,’ zei Evert. ‘Van wanneer is-ie?’

            ‘Dat konden ze niet zeggen. Maar ik heb ’m toch maar gekocht. Had ik dat beter niet kunnen doen? Ik ga nou twijfelen.’

            ‘Ben je gek. Ik zou ’m ook gekocht hebben. Je bent maar één keer jong.’

            Hup hup, dacht hij. Hij moest gauw naar boven en als inleiding tot verdere stappen het boek over de hoofse liefde verslinden.

            ‘Wil je thee? Ik heb net gezet.’

            Daar had je die thee ook weer.

            ‘Nee, dank je,’ zei hij. ‘Ik heb het echt gigantisch druk.’

            ‘Ander keertje dan. O, dat is waar ook. Ik ben overmorgen jarig. 19 april, een late ram.’

            Om niet te zeggen een vroege geit, dacht hij.

            ‘Mag ik je al feliciteren?’

            ‘Dat brengt ongeluk. Maar kom je vrijdagavond een drankje drinken?’

            Een drankje drinken! Tussen die oude spulletjes van vroeger zeker! Zich vanwege het verliefdheidsleed vol laten lopen en dan in de kolenkit kotsen. Dat kon niets worden. Wat zou hij haar voor haar verjaardag moeten geven? Als ze een verlanglijstje had zou er achter de dingen die ze hebben wilde wel een jaartal vermeld staan.

            ‘Daar heb ik geen tijd voor,’ zei hij. ‘En ik ken toch niemand die jij kent.’

            ‘Het is op mijn verjaardag altijd open huis voor het hele huis,’ zei ze, ‘dus ik denk dat Toker en Mortifa ook wel even zullen komen. En Jardina komt natuurlijk.’

            Het was of er ijsblokjes via zijn kraag over zijn rug gleden.

            ‘Jar is een leuke meid hè? Ik vergeet je steeds de groeten van haar te doen. Bij elk college vraagt ze naar je. Ze wilde weten of je ook op m’n verjaardag zou komen. Toen je die keer onze essays corrigeerde had ze zo vreselijk moeten lachen om wat je zei, weet je nog?’

            Het zweet brak hem uit en de gesmolten ijsblokjes dampten via zijn kraag weer weg. Had hij iets gezegd? Wat dan? Had zij daar vreselijk om moeten lachen? Waarom dan?

            ‘Wil je echt geen thee?’

            ‘Doe toch maar. Heb je nog van die lekkere mangothee?’

 

                                                                          *

 

Het aftellen was begonnen. Nog een nachtje niet kunnen slapen en dan zou hij naar Asters feestje gaan. Feestje? De moeder van alle feesten! Maar wat had hij verdomme toch voor leuks tegen Jardina gezegd? Als het hem niet voor morgenavond te binnen schoot lag er een fiasco op de loer. Dan bestond het gevaar dat hij zonder er erg in te hebben dezelfde leukigheid debiteerde. Dan zou Jardina wel denken: ik geloof dat ik me behoorlijk verkeken heb op die Evert. Hij kent één leuke grap en die vertelt hij te pas en te onpas.

            Het was kwart over negen. Kokya kon hij nog niet in vertrouwen nemen: ze werd pas tegen elf uur verwacht want ze zat bij de tandarts.

            Vrijdag was het niet alleen de dag van het feest, het was ook de dag waarop de kopij voor de jeugdpagina klaar moest zijn. Evert wist nog altijd niet wat er in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten misplaatst was. Hij kon het raadsel misschien maar beter doorschuiven naar de volgende maand, als zijn leven in rustiger vaarwater gekomen was – met of zonder Jardina, wat tussen twee haakjes op dat feest beslist zou worden. Vanavond een allesofnietsgedichtje maken, nu eerst de jeugdpagina.

            Soms werden er ter afwisseling van het kinderleed moppen of woordspelingen ingezonden. Als er niets bij de post zat, dan verzon Evert zelf wel wat: de uitgeklede stripteasedanseres viel in spagaat op de grond en hipte in die houding naar de rand van het podium, waarna ze op haar schede terugkeerde. Nee, aan zelfbedachte grappen geen gebrek. ‘Hè gatsie, meneer Vet, stinkt ú zo?’ ‘Nee, juffrouw Mals, ik stink zó: pffrrrt!’

            Voor de probleemrubriek Dokter Martin weet raad kwam de kopij met postzakken tegelijk binnen, want iedere minderjarige had zo z’n problemen, en allemaal verwachtten ze van dokter Martin dat hij ze snel even zou oplossen. Dokter Martin had overal verstand van, omdat hij niet bestond. De brieven werden door Evert beantwoord, en als het hem te medisch werd was er een externe geleerde die oplossingen souffleerde.

            De lezers dachten dat dokter Martin wel degelijk bestond, omdat er boven de rubriek een foto van de niet onknappe hulpverlener was afgedrukt. Een fotomodel met een witte jas en een wenkbrauwhairweave. Naast zijn modelschnabbels verdiende deze Sjors een goede boterham door in nachtgelegenheden als stripper geslachtsdriftige dames in vuur en vlam te zetten. Zij werden evenzeer voor de gek gehouden als de lezers die hem voor dokter aanzagen, want als vooraanstaand en doorgewinterd homoseksueel had Sjors andere prioriteiten dan na de voorstelling bij de in vuur en vlam gezette geslachtsdriftige dames seksuele bluswerkzaamheden te verrichten.

            Aan de beantwoording van de eerste brief hoefde geen externe geleerde te pas te komen.

 

            Beste Mikkie!

 

            Je hebt groot gelijk: een meid van zestien is oud en wijs genoeg om zelf over haar lichaam te beschikken. Je moet er natuurlijk wel voor zorgen dat het piercen door een arts gedaan wordt. Alleen dan kan je er zeker van zijn dat het hygiënisch is. Let er goed op wat voor ringetje je erdoor haalt. Als het ringetje ruw is in plaats van glad, heb je kans dat bij het veilig vrijen het condoom scheurt. Dokter Martin kan er toch zeker wel op vertrouwen dat je veilig vrijt hè? Succes ermee!

 

            Dokter Martin

 

Ook met de tweede brief kon Evert uit de voeten.

 

            Hoi, dokter Martin, moet je horen. Ik ben Rikkie en ik ben elf jaar. Ik zit met een onwijs probleem want ik ben heel erg op Vicky. Ik weet niet of zij op mij is zodat dit mijn probleem is. Vicky zit ook in de klas maar weet niet dat ik op haar ben. Vicky is al twaalf en ik ben pas elf. Als ze naar me kijkt durf ik niet terug te kijken met een rood hoofd. Vicky heeft een buitenbeugel. Wat moet ik nou doen?

 

            Rikkie (elf jaar)

            P.s. S.v.p. snel antwoord want volgende week komt Vicky op een klassenfeest met dansen.

            P.p.s. Ik heet niet echt Rikkie en Vicky ook niet anders weet ze dat ik het ben en zij ook.

            P.p.p.s. Nou doei dokter Martin!

 

 

            Beste ‘Rikkie’

 

            Bedankt voor je leuke brief! Van verliefdheid weet dokter Martin alles af! Wat ben je dan zenuwachtig hè? Maar toch is het soms ook wel een beetje leuk om verliefd te zijn! Weet je wat dokter Martin vindt dat je het beste kan doen? Je moet maar gewoon tegen ‘Vicky’ zeggen dat je haar vet gaaf vindt. Wie weet wil ze dan wel met je dansen op dat klassenfeest! Zou dat even leuk zijn! Toevallig weet dokter Martin dat meisjes erg van dansen houden. Je zult zien, als je doet wat dokter Martin zegt wordt het vast en zeker een heel tof klassenfeest. Veel succes gewenst door

 

            Dokter Martin

 

Ook weer opgelost, dacht Evert. Waar zouden we zijn als we dokter Martin niet hadden? Bestond dokter Martin maar echt, dan kon hij ervoor zorgen dat er een einde kwam aan Everts liefdeskwelling – die was helaas nog niet medisch genoeg om aan de externe geleerde voorgelegd te worden.

            Kokya in vertrouwen nemen betekende helaas niet dat hij meer te weten zou komen over Jardina. Wat wist hij eigenlijk van haar? Ze studeerde, en gelukkig maar. Er wordt vaak beweerd dat een vrouw niet dom genoeg kan zijn, maar Evert hechtte erg aan hersens – Jardina’s encyclopedische kennis van hoofse liefde bewees dat het wat dat betrof wel goed zat.

            Natuurlijk moest het ook weer niet zo zijn dat haar IQ het zijne zozeer overtrof dat zij op Asters feest de ene na de andere wiskundige formule te berde bracht, terwijl hij voor spek en bonen lelijk zat te zijn.

            Hersens oké, maar haar karakter? Stel je voor dat ze vond dat ze spontaan was! Als een meid van zichzelf beweerde dat ze spontaan was, kon je er zeker van zijn dat het niks was. Of ze nou studeerde of niet studeerde, kennis van de hoofse liefde had of die ontbeerde. Spontaan! Wisten meiden die zeiden dat ze spontaan waren wel wat dat betekende? Het betekende dat ze zonder nadenken dingen zeiden of deden en daar nog trots op waren ook. Spontaan? Geen denken aan!

 

                                                                          *

 

Kokya arriveerde om kwart over elf. Dankzij de verdoving was haar linkerwang wat boller dan doorgaans.

            ‘Sorry dat ik zo laat ben,’ zei ze.

            ‘Druk bij de tandarts?’ vroeg Evert.

            ‘Verschrikkelijk. En daarna ben ik nog even bij m’n tante langs geweest.’

            ‘Had ze het weer moeilijk?’

            ‘Er kwam geen eind aan. Maar het gaat nu wel, geloof ik.’

            Toen Kokya tegenover hem zat en haar computer aanzette, schoot het Evert te binnen dat hij haar in vertrouwen zou nemen. Of maar beter een andere keer? Het kwam misschien ongelegen, met die bollere wang. Vooruit – meneer Mortifa en dokter Martin hadden gelijk: je moest erop afgaan. Stilstand was achteruitgang.

            ‘Mag ik je iets persoonlijks vragen?’

            Een beetje te plechtig geformuleerd, maar ze moest het er maar mee doen.

            Kokya keek hem aan. Godsamme. Dat waren toch geen normale ogen? Zo keek je iemand toch niet aan? Waarom keek ze nou zo naar hem, net nu hij haar in vertrouwen ging nemen? Maar hij had A gezegd, dus er moest nog iets komen.

            ‘Ben je altijd zo klein geweest?’

            Ze schoot in de lach.

            ‘Vroeger was ik nóg kleiner. Wat is dat nou voor een vraag! Mag ik jou ook iets persoonlijks vragen? Ben je altijd zo’n grenzeloze ouwehoer geweest?’

            Pfff, daar was hij goed weggekomen. Een geluk dat die misplaatste vraag hem spontaan was ingevallen. Andere mensen in vertrouwen nemen, daar kwam alleen maar narigheid van. Als je je ziel blootlegde werd je voor grenzeloze ouwehoer uitgemaakt. Het enige wat ze kunnen is in de lach schieten en de boel bagatelliseren en ridiculiseren.

            ‘Wat heb je daar voor boek liggen?’ vroeg ze een uurtje later, toen haar wang was geslonken tot de normale bolheid.

            ‘Een bibliotheekboek. Over de hoofse liefde.’

            Voor de zekerheid lag het binnen handbereik.

            ‘De hoofse liefde,’ zei ze. ‘Leuk.’

            ‘Weet je dan wat dat is?’ vroeg hij verbaasd.

            ‘Dacht je soms dat ik een dom blondje was?’

            ‘Je bent niet eens blond.’

            ‘Wel geweest, hoor. Maar ik weet er alles van. Nardo schreef er zijn afstudeerscriptie over.’

            ‘Het is een erg interessant boek,’ zei Evert, die er nog geen letter in gelezen had. ‘Echt een onderwerp waar je alles van weten wil als je er eenmaal door gegrepen bent.’

            ‘Ben je dat? Ik zal Nardo’s scriptie een keer voor je meenemen. Kreeg-ie een negen voor!’

 

                                                                          *

 

Toen Evert om vijf uur het gebouw van het Buisdorps Nieuwsblad verliet, kon hij tevreden zijn. De kopij voor de jeugdpagina was klaar. Hij had toch maar de vraag over het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten opgenomen: hij zou het goede antwoord laten afhangen van de oplossingen die er door de lezers bedacht werden. Dokter Martin had viermaal raad gegeven, en een gedicht waarin een lezeres aandacht vroeg voor een aantal rijmende vormen van onrecht had aardig wat ruimte gevuld. En dan was er ook nog een kleine advertentie voor het zoveelste deel van een bij kinderen onvoorstelbaar populaire avonturenreeks: Jaap Joekel en het pindakaasmysterie.

            Maar toen hij café Den Olden Buys bereikt had, was Evert allerminst tevreden gestemd. Morgen zou het feest gehouden worden – daar ging ongetwijfeld een slapeloze nacht aan vooraf. Hij had nog niet eens een cadeautje voor Aster gekocht. Enfin, dat hoefde geen probleem te zijn: op vrijdag werd er in de Buisstraat grofvuil opgehaald, en als hij er vroeg bij was zou er nog wel wat bruikbaars tussen zitten. Hoefde hij er alleen maar een jaartal bij te verzinnen.

            ‘Leef jij nog?’ vroeg Toker, die ook net arriveerde.

            Evert had zijn benedenbuur inderdaad een tijdje niet gezien. Waarschijnlijk doordat hun respectieve waak-/slaapritmes niet spoorden.

            ‘Kom erin. Ik wilde net een biertje nemen.’

            Moest hij niet liever naar boven gaan en wat eten opwarmen? Bah, hij had totaal geen trek.

            ‘Jij ook een biertje?’ vroeg Toker. ‘O nee, je drinkt niet.’ Hij nam een blikje uit de koelkast en opende het.

            Inderdaad, Evert dronk niet. Maar waarom eigenlijk niet? Wat had hij nog te verliezen? Sam komt Moos tegen. Hij zegt: ‘Ik hoor dat jij niet drinkt. Is dat vanwege je geloof?’ Zegt Moos: ‘Ja, ik geloof dat ik het niet lekker vind.’

            ‘Welja, doe mij ook maar een blikje,’ zei Evert.

            Toen hij even later een slok genomen had wist hij weer waarom hij nooit dronk: hij hield niet van de smaak en de lucht van alcohol.

            In de kamer was het warm en er hing rook als was er een heel pakje sigaretten opgerookt. Aan de hoeveelheid peuken in de asbak te zien scheelde het weinig.

            ‘Kan het raam niet open?’ vroeg Evert. ‘Het is hier niet uit te houden.’

            ‘Ik wil het wel proberen,’ zei Toker. Het raam was nog niet op een kier geopend of het getier van meneer Dibbes werd hoorbaar.

            ‘Vuile visstickvreter! Afgekeurde tweedehands wegwerpkroket!’

            Toker deed het raam maar weer dicht.

            ‘Ze zouden die vent moeten opsluiten. Levensgevaarlijk. Dat schreeuwen kan geen kwaad, maar stel dat-ie het ineens op z’n heupen krijgt en hier amok komt maken!’

            ‘Dat de stoppen bij ’m doorslaan,’ begreep Evert.

            ‘Die uitdrukking slaat nergens op.’

            ‘Hoezo?’

            ‘Op het Journaal gaat het weleens over de een of andere idioot die in een Amerikaanse supermarkt met een bazooka om zich heen heeft gemaaid. Dan zegt de politiewoordvoerder altijd dat vanwege privé-omstandigheden bij meneer de stoppen waren doorgeslagen.’

            ‘Zo noemen ze dat.’

            ‘Maar dat is toch onzin! Ze bedoelen dat die vent op hol geslagen is of zoiets. Want wat gebeurt er als de stoppen doorslaan? Dan zit je in het donker, dan heb je geen stroom, dan gebeurt er juist helemaal niets. Stel je voor dat plotseling de wasmachine gaat draaien, dat alle lichten aangaan en dat het hele huis een geweldige kermis van licht en herrie wordt, en dat er dan gezegd wordt: “De stoppen waren waarschijnlijk doorgeslagen.”’

            ‘Maar je bent dus bang dat bij die Dibbes de stoppen – dat-ie een keer op hol slaat.’

            ‘Precies,’ zei Toker. ‘En dan zijn we goed klaar.’

            ‘Weet je wat ik zo raar vind? Je vertelde een keer dat Dibbes bij studentenhuizen staat te schreeuwen omdat iemand uit jouw klas wat met zijn vrouw heeft gehad.’

            ‘Je hebt het toch zelf gehoord?’ zei Toker.

            ‘Maar het is net alsof hij alleen hier voor de deur staat te schreeuwen.’

            ‘Dat is niet waar. Toen ik een paar maanden terug een andere kamer had stond-ie daar ook.’

 

                                                                          *

 

‘Misselijk word ik ervan,’ zei Toker. ‘Kots- en kotsmisselijk.’

            ‘Waarvan?’ vroeg Evert.

            Het tweede blikje bier smaakte verrassend goed.

            ‘Sociale conventies.’ Toker liet een harde boer. ‘Wat zeg jij als je ’s middags naar huis gaat?’

            ‘Tegen m’n collega’s? Nou, prettige avond meestal.’

            ‘Dat bedoel ik. Dat is toch waanzin!’

            ‘Hoezo?’

            ‘Hoezo! Je gaat me toch niet vertellen dat het jou wat kan schelen of die mensen een prettige avond hebben? Bovendien: als jij ze een prettige avond toewenst is dat totaal niet van invloed op het verloop van hun avond. Ze zeggen de volgende dag toch niet: “Tsjonge, wat had ik gisteren een prettige avond, nog bedankt dat je me die toewenste, anders was het vast een kutavond geworden.” Jij nog een blikkie?’

            ‘Daar zeg ik geen nee tegen.’

 

                                                                          *

 

‘En dan beweren ze dat het leven vol verrassingen zit,’ zei Toker. ‘Maar dat vind ik gelul. Als de telefoon gaat weet je meteen dat het iemand is die opbelt.’

            ‘Behalve als ze een verkeerd nummer gedraaid hebben,’ zei Evert.

 

                                                                          *

 

‘Maar als je om je heen kijkt moet je toch toegeven dat de schepping nergens op slaat. Neem nou een makreel.’

            ‘Met bier?’ zei Evert. ‘Dat lijkt me geen combinatie.’

            ‘Ik bedoel: snij maar eens een makreel open. Wat zit erin? Vis met graten. Dat is toch geen fatsoenlijke levensvorm! En niet alleen de dierenwereld, heel de maatschappij is één grote partij gruttemutte. En de mensen lullen maar naar ze verstand hebben. Weet je wat er gebeurt als er een kind geboren wordt?’

            Evert had geen idee.

            ‘Dan krijgt dat kind een voornaam en een achternaam.’

            ‘Daar zit wat in,’ gaf Evert toe.

            Alweer een blikje bijna leeg.

            ‘Vroeger kreeg een kind de achternaam van de vader,’ ging Toker verder. ‘Later mocht je kiezen: die van de vader of die van de moeder. En weet je wat ze nou willen?’

            ‘De achternaam van de melkboer?’

            ‘Even serieus graag,’ zei Toker. ‘Je zal het niet geloven, maar ze willen dat het kind de naam van de vader én van de moeder krijgt. Een dubbele achternaam dus. Stel, dat kind is een jongetje en dat jongetje gaat later trouwen met een meisje dat ook zo’n dubbele achternaam heeft.’

            ‘Waar twee trouwen, zal er één rouwen!’ riep Evert. Hij stak wijsgerig een vinger op en dronk het blikje leeg.

            ‘Maar wat denk je dat er gebeurt als die twee dan een kind krijgen?’

            Hè, waarom stelde Toker toch steeds van die moeilijke vragen. Evert dacht na. Als er kinderen kwamen. O ja, dan was de ooievaar geweest.

            ‘Bezchuit met muizjez!’

            ‘Lig toch niet te zeiken. Als dat kind ook de achternaam van allebei de ouders krijgt, dan heeft het dus een vierdubbele achternaam! Enzovoort! Ze zijn niet goed wijs!’

            ‘Eerzt even plazzen,’ zei Evert.

 

                                                                          *

 

‘Hé, er zijn geen blikjez meer.’

            Met half dichtgeknepen ogen inspecteerde Evert het koelkastinwendige.

            ‘Er staat daar in de hoek nog een fles van het een of ander,’ zei Toker.

            Wankel begaf Evert zich naar de aangewezen plek. Er stonden twee flessen, maar toen hij ze wilde pakken bleek het er maar een te zijn.

            ‘Wat zit er voor zpul in die flez?’

            ‘Is nog van gisteren,’ zei Toker. ‘Moet helemaal op, want het wordt na opening onhoudbaar.’

            Evert trok de kurk eruit, zette de fles aan z’n lippen en nam een mondvolle slok. Niet zlecht, lang niet zlecht. Fruitige afdronk. Zjato Piep du Paap. Uit welk jaar zou het zijn? Voor de aardigheid aan Azter vragen, kon je lachen.

            ‘Doe je het een beetje rustig aan?’ zei Toker. ‘Het is de laatste fles en ik ben zowat blut. Eigenlijk heb ik niet echt een drankprobleem. Mijn drankprobleem is een geldprobleem. Het enige nadeel van weinig geld hebben is dat je niet genoeg drank kan kopen. Als ik rijk was zou ik de hele dag zuipen en vreten. Moet je je voorstellen. Elke dag champagne en kaviaar!’

            ‘En zzzzoute ggggriotten!’ riep Evert.

            ‘Zoute griotten? Gatver.’

            ‘Gatver? Hahaha! Ook weer opgelozt. Dan horen die duz niet in het rijtje thuiz! Leve de lol!’

 

                                                                          *

 

 

‘Moejun mop horen?’ zei Evert.

            ‘Mij best.’

            ‘Ben verliefd! Hahaha!’

            ‘Dat wist ik al.’

            ‘Kanniet. Moenieliegen. Moenieliegen tegenevert. Kannieweten. Wazgeheim. Topzekreet. Zzzt!’

            ‘Heeft ze me zelf verteld.’

            ‘Heefwie?’

            ‘Aster.’

            ‘Azter? Weetzenie. Kanze he-he-helemaal nieweten. Neee.’

            ‘Nou, ze heeft me toch echt verteld dat je verliefd op haar bent.’

            ‘Bennie. Benniejoh. Bennie ophaar. Bejjegek. Bennop Jardina. Jardina kommopput feezt!’ Evert stond uitgelaten op. ‘Gaak metter danzen! Kannie danzen, gatoch danzen! Lamedanzen! Zamendanzen! Danzje dehelenach memmij? Ja, wij danzenzamen dubboztella! Letz denz!’

            Na anderhalve stuurloze danspas sloeg hij tegen de vloer. Vanuit die locatie oreerde hij verder.

            ‘Hebbook gedichezchreven. Vrouwvriendelijke hoofze porno! Dokter Martin wizt raad! Ztilgang is achteruitztand!’

 

                                                                          *

 

Pijn. Hoofdpijn. Spierpijn. Overal pijn. Het deed pijn als hij door zijn neus ademhaalde. Evert werd wakker in een vreemde omgeving die hij pas na minuten herkende als Tokers kamer. Het was er donker en het stonk er onvoorstelbaar.

            Voorzichtig stond hij op en liep voetje voor voetje naar de deur. Hij slaagde er niet in die geluidloos achter zich dicht te doen, en het klonk als een hamer op een aambeeld. Zijn horloge gaf aan dat het vier uur was, zag hij na lang turen. Terwijl hij de trap naar zijn kamer opging, voelde hij dat hij moest overgeven. Nog net op tijd bereikte hij de wc en viel voor de pot neer. Meer dood dan verliefd kroop hij in bed.

            Toen hij vijf uur later wakker werd had hij amper de kracht om op te staan. Hij wankelde naar de telefoon en meldde zich ziek. Nadat hij een paar aspirientjes genomen had ging hij weer naar bed.

            Helse dromen bezochten hem. Dromen vol angstaanjagende beelden en geluiden. Het geweeklaag van barende moeders. Het gejammer van breiende grootmoeders. Het gekonkelfoes van naaiende kleindochters.

            De angstaanjagende beelden en geluiden kregen plotseling gezelschap van een lucht die hem bekend voorkwam. Jardina’s parfum! Het was Jardina’s parfum dat zomaar zijn droom binnengewaaid kwam! Hoe kwam haar parfum nou in zijn droom terecht? Ze was er zelf ook: niet te zien, maar duidelijk te horen. Jardina zei dat hij wakker moest worden. Waarom zei ze dat? Zeker omdat hij lag te slapen.

            ‘Word nou es een keer wakker!’

            Hij sloeg zijn ogen op en keek in die van Kokya.

            ‘Hoe gaat het met de patiënt?’ vroeg ze.

            Het begon langzaam tot Evert door te dringen dat hij in zijn bed lag en dat Kokya erop zat en dat Jardina’s parfum haar weer omgaf. Niets aan de hand dus.

            ‘Hoe ben jij hier nou verzeild geraakt?’ vroeg hij.

            Water. Hij moest water hebben. En niet zo weinig ook.

            ‘Ik was even bij m’n tante langs, die woont hier in de buurt. Ik dacht, dan ga ik meteen maar op ziekenbezoek. Kijk eens wat ik voor je heb meegebracht.’

            Ze haalde uit een plastic zak een ringband te voorschijn. Evert ging onder in hevigheid toenemende hoofdpijn overeind zitten.

            ‘Nardo’s scriptie over de hoofse liefde, je weet wel.’

            ‘Dank je,’ zei hij. ‘Ik ben nog nooit zo ziek geweest.’

            ‘Wat heb je dan?’

            ‘Hoofdpijn. Misselijk. Droge keel. Rillerig. Spierpijn.’

            ‘Hoe komt dat zo ineens?’

            ‘Ik ben verliefd.’

            Het was eruit voor hij er erg in had. Kokya lachte niet, ze schaterde niet: ze kreeg de slappe lach.

            ‘Ik wist het! Ik wist dat er iets met je aan de hand was!’ Haar ogen traanden. ‘Hij is verliefd! Hahaha!’

            Ze deed haar tas open en nam er een pakje papieren zakdoeken uit. Toen ze haar lachtranen weggeveegd had deed ze het pakje weer in de tas.

            ‘Is dat lachen,’ zei ze. ‘Evert verliefd. O, moet je kijken, ik kreeg gisteren toch zo’n leuke foto van Atillo in de bus.’

            Wat was dat nou weer voor onzin, dacht Evert. Een foto in de bus? Hij pakte de foto aan die ze uit haar tas had opgediept en meteen droogden zijn natte dagdromen over Atillo op. Jardina had hij al afgeschreven – de kans dat hij op tijd voor het feest hersteld zou zijn was miniem – en nu kon hij Atillo ook van zijn verlanglijstje schrappen. Een verhouding beginnen met Kokya’s zeventienjarige dochter, wat een zak was hij geweest zoiets ernstig te overwegen. Als hij daarover maar niets tegenover Kokya losliet, want één slappelachaanval was genoeg voor vandaag.

            Hij keek nog eens naar de foto. Hij had er niet helemaal naast gezeten: Atillo was zoals hij gehoopt had een geweldig leuke meid. Slanker en langer dan Kokya, maar dat was niet zo vreemd. Het zou wel heel toevallig zijn geweest als ze even mollig en klein was uitgevallen. Op de foto stond ze tussen een jongeman en een oudere man in. Beiden hadden een arm om haar heen geslagen. Ze straalden alledrie.

            ‘Wie zijn die twee?’ vroeg Evert.

            ‘Die jongen, daar gaat ze van de zomer mee trouwen,’ zei Kokya. ‘En die met die peniskoker is het stamhoofd.’

            Een Fosterdochter, hoe was het mogelijk.

            ‘Maar je bent dus verliefd,’ zei Kokya. ‘Ik merkte wel dat je iets dwars zat. Je zit vaak zo hulpbehoevend voor je uit te staren. Ik wilde soms vragen wat er met je was, maar als ik persoonlijk word dan haak je af. Dan moet je zo nodig weer een lollige opmerking maken. Of ik altijd zo klein ben geweest. Maar ik blijf hier net zo lang zitten tot ik het hele verhaal gehoord heb!’

 

                                                                          *

 

‘Ik snap het niet,’ zei Kokya. ‘Wat doe je toch ingewikkeld? Ga gewoon met die meid uit eten of naar de film. Een avondje stappen. Naar een discotheek voor mijn part. Je danst toch zeker wel?’

            ‘Niet als zodanig,’ moest Evert bekennen.

            ‘Niet als zodanig! Moet ik je dansles geven? Ik heb thuis een bandje liggen met funknummers van James Brown. Papa’s Got A Brand New Bag.’

            ‘Vader heeft een nieuwe zak,’ vertaalde Evert somber.

            ‘Jezus, ben jij wel goed wijs. Ik dacht dat m’n tante het moeilijk had, maar jij bent helemaal hopeloos. Wanneer zie je die betoverende Jardina weer?’

            ‘Vanavond, als ik de avond tenminste haal. Aster van beneden is jarig en ze geeft een feest. Open huis voor het hele huis. Jardina komt ook.’

            ‘Mag ik ook komen? Dat wil ik meemaken!’

            ‘Ik weet niet eens of ik zelf wel ga,’ zei Evert. ‘Ik voel me beroerd. En ik heb niets om aan te trekken.’

            ‘Zeur toch niet. Ik zorg dat ik hier om zeven uur ben, dan leer ik je een paar danspassen. Blijf jij maar lekker tot vanavond in je bedje liggen.’

            ‘Er moet nog een cadeautje voor Aster gekocht worden.’

            ‘Doe ik wel, namens ons allebei. Weet je wat ze wil hebben?’

            ‘Koop maar een plantje. Een massavernietigingswapen is ook goed.’

            ‘Ik haal wel een doos bonbons.’ Kokya stond op. ‘Nardo’s scriptie zal ik maar weer meenemen. Hoofse liefde? Ammehoela! Nou, wegwezen. Als ik niet opschiet krijg ik nog ruzie met Barrelmeijer. Ik heb gezegd dat ik naar de huisarts moest, maar ik kan het niet te gek maken. Moet er nog veel aan de pagina gebeuren?’

            Evert dacht na. Er was nog iets. Iets dat met de jeugdpagina te maken had en met een opmerking van Toker. O ja.

            ‘Zoute griotten horen in het rijtje niet thuis.’

            ‘Wat?’ zei Kokya, die zich al omgedraaid had.

            ‘Zoute griotten,’ herhaalde Evert.

            ‘Voor je keel? Die neem ik vanavond voor je mee. Ga maar gauw weer slapen. Als je om zeven uur niet beter bent sleep ik je met bed en al naar beneden.’

 

                                                                          *

 

Rust. Hij wilde alleen nog maar rust. Als Kokya vanavond kwam zou hij zich slapend houden of de deur barricaderen. Ze was vertrokken, maar haar slappe lach galmde na, en Jardina’s parfum hing nog in de kamer. Barricaderen hoefde natuurlijk niet tot vanavond te wachten. Behoedzaam, om de hoofdpijnsteken binnen de perken te houden, stond hij op. Hij pakte een stoel en schoof die met zijn laatste krachten centimeter voor centimeter in de richting van de deur.

            Op de trap werden voetstappen hoorbaar. Ze kwamen in moordend tempo naderbij. Was het Kokya die terugkeerde om hem nog even flink uit te lachen? Vrouwen waren niet te vertrouwen, en hij zou ze dus nooit meer in vertrouwen nemen.

            Toen Evert tot vlak voor de deur gekomen was, werd die met geweld opengegooid, zodat hij met stoel en al op de grond belandde. Meneer Mortifa stond amechtig in de deuropening.

            ‘Wie...’ bracht hij uit.

            ‘Wie?’ mompelde Evert.

            Hij lag in zijn kamer onder een stoel op de grond, realiseerde hij zich. Maar waarom opstaan? Waarom hier niet blijven liggen en als een nachtkaars uitgaan?

            ‘Wilt u niet even gaan zitten?’ zei hij sarcastisch, en hij tilde de stoel uitnodigend in de richting van de buurman van zich af.

            Meneer Mortifa bleef verwilderd kijkend in de deuropening staan.

            ‘Maak toch alsjeblieft geen grappen! Wie was dat? Ik bedoel: dat was ze!’

            ‘Wie was wie?’ vroeg Evert. Hij was overeind gekomen en zelf maar op de stoel gaan zitten.

            ‘Die net de trap afkwam! Heb je die ogen niet gezien? Dat was ze! De vrouw waar ik van gedroomd heb! Waar is ze naartoe? Ik moet er achteraan!’

 

Terug naar begin

 

© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden.