Home                 Zoute
 griotten

Dodelijk
verliefd

Berichten uit
Buisdorp

Soep

Afgrijselijke
jeugd

Livia Werk in
wording
Mail eventueel
Weblog
Soms gestelde vragen
Publicaties
Schrijverspost
Literatuurpleinplek
Gastenboek
   
 

 

 

   
 

prehistorie

 

 

‘Kan ik je helpen?’

            Evert zette de verhuisdoos behoedzaam op de grond.

            ‘Nee dank je,’ zei hij. ‘Het gaat wel. Dit is trouwens de laatste.’

            Ze stak haar hand uit.

            ‘Aster Fleuriet. Jij bent Evert, hè?’

            ‘Hoe wist je dat?’ zei hij, terwijl hij de hand schudde.

            ‘Hoorde ik van Carla. Ze heeft een tijdje op jouw kamer gezeten. Je hebt haar toch gesproken toen je kwam kijken?’

            Was dat zo? Het kon zijn. Voordat hij besloten had de kamer boven café Den Olden Buys te nemen, was hij een tiental adressen wezen inspecteren. Nergens was het zo naar zijn zin geweest als hier. Er woonden weliswaar een paar studenten, maar er waren geen bovenburen en hij had het gevoel dat het er rustig genoeg was om te kunnen schrijven.

            ‘Kom je even binnen?’ zei ze. ‘Dit is mijn kamer.’

            Evert schoof met een voet de verhuisdoos tegen de gangwand en volgde haar. Toen ze voor hem uit liep viel het hem pas op dat Aster haar blonde haar in twee vlechten droeg. Hij schatte haar een jaar of twintig, zo oud als hij zelf was.

            Asters kamer lag recht onder de zijne en had dezelfde afmetingen. Evert had zijn boekenkast aan de kant van de kamer staan waar Aster twee planken had hangen met uitdragerijachtige voorwerpen erop uitgestald.

            ‘Ik verzamel oude spulletjes van vroeger,’ zei ze, toen ze zag dat hij naar de collectie keek. ‘Hier,’ wees ze, ‘dit is een originele Engelse fluitketel. Uit 1961. Waanzinnig hè?’

            Evert knikte. ‘Nou.’

            Je kon mensen die je nog niet goed kende maar beter in hun waarde laten. Een beetje lullig om de kennismaking te verpesten door te zeggen wat hij van Asters waanzinnige Engelse fluitketel uit 1961 vond. Of van haar niet minder waanzinnige vlechten.

            ‘Zal ik thee zetten?’ stelde ze voor.

            ‘Is dat niet zonde van die fluitketel?’

            ‘Daar gebruik ik de waterkoker voor.’

            ‘Doe dan maar,’ zei Evert.

            Aster zette de koker aan en spoelde twee mokken om.

            ‘Ik was vanmiddag naar college,’ zei ze. ‘Anders had ik je wel geholpen met sjouwen.’

            ‘Was niet nodig geweest,’ zei Evert. ‘Het meeste had ik al overgebracht. Vandaag waren het maar een paar dozen. Ik ben allang blij dat er niet veel opgeknapt hoefde te worden. Beetje schuren en schilderen. Het kleed heb ik maar laten liggen.’

            De huisbaas was schappelijk geweest: hoewel er een tapijt met brandgaatjes op de vloer lag, werd de kamer niet als gemeubileerd verhuurd. Everts kamer had dan wel dezelfde afmetingen als die van Aster, hij was boven beter af: zij moest binnenskamers koken, hij had de beschikking over een uitwendig gasfornuis. Het bevond zich in de ruimte tussen zijn kamer en die van de buur die hij nog niet ontmoet had en van wie er ook een gasfornuis stond. Behalve voldoende ruimte voor twee gasfornuizen was er een badkamer met een douche en een ligbad. Van dat ligbad zou hij driftig gebruik gaan maken, had hij zich voorgenomen: bij zijn ouders thuis hadden ze alleen een douche gehad.

            ‘Wat studeer jij?’ vroeg Aster.

            Ze schonk de twee mokken vol gekookt water en dompelde in beide een theezakje onder, dat ze vervolgens in de pedaalemmer liet vallen.

            ‘Niets,’ zei Evert. ‘Ik werk.’

            ‘Wat doe je?’

            ‘Ik ben redacteur bij het Buisdorps Nieuwsblad, de jeugdpagina. Lees je die weleens?’

            ‘Nee,’ zei Aster. ‘Alleen het weerbericht en de koppen, de rest vind ik best. Maar gaaf joh. Iemand van de krant. Schrijf je er ook in?’

            ‘Ik moet elke zaterdag een hele pagina vullen. Het geijkte jeugdpaginagedoe. Probleempjesrubriek, prijsvraag, verhalen, dat soort werk. Soms schrijf ik zelf een verhaal, maar de meeste bijdragen zijn van jongeren.’

            ‘Nou, als je verstand van schrijven hebt, komt dat goed uit. Dan kan je me mooi helpen als ik weer een essay moet maken. Ik doe Nederlands, maar Nederlands is niet mijn sterkste punt.’

            ‘Dat lijkt me lastig.’

            ‘Ik maak soms fouten met d’s en t’s en zo. Kost je toch gauw een paar punten. Maar vertel eens, hoe bevalt het je hier?’

            ‘De thee is uitstekend,’ zei Evert.

            ‘Heb je de anderen al gezien?’

            ‘Nog niet.’

            ‘Het zijn er maar twee. Hiernaast woont Toker. Hij is ook nieuw, zit er pas drie weken. Ik heb geen goed gevoel over ’m. Hij komt ergens wel aardig over, maar ik geloof dat-ie verliefd op me is. Ik blijf dus een beetje bij ’m uit de buurt, want ik ben absoluut niet toe aan een relatie. Dat kan ik effe echt niet hebben.’

            Dat hoorde je mensen vaak zeggen. Dat ze ergens ‘niet aan toe waren’. Dat ze de dingen ‘eerst op een rijtje moesten hebben’. Dat ze er ‘best een eind in konden meegaan’. Dat soort mindervalide taalgebruik.

            ‘En boven in de kamer naast de jouwe zit meneer Mortifa. Die woont er al jaren. Ik krijg niet veel hoogte van ’m. Hij keek me een keer zo raar aan, net of-ie wat van me wilde. Ik dacht: ga jij maar lekker op het dak staan, meneer Mortifa. Nee, daar moeten ze bij mij niet mee aankomen.’

            ‘Dat kon je effe echt niet hebben.’

 

                                                                          *

 

Toen hij de verhuisdoos oppakte om ermee naar boven te gaan, kwam er iemand uit de kamer naast die van Aster. De jongen was zowat een hoofd kleiner dan Evert. Doordat hij een strak T-shirt droeg was zijn imposante buik goed te zien. Hij had zich de laatste tijd niet geschoren.

            ‘Toker?’ zei Evert.

            ‘Toker Moltan,’ zei de jongen. Ook een jaar of twintig. Mogelijk ook een student. ‘Kennen we elkaar?’

            ‘Evert Huis. Je nieuwe bovenbuurman.’

            ‘Op die manier,’ zei Toker. ‘Ik wilde gaan pinnen, maar kom er even in. Biertje?’

            ‘Nee, dank je,’ zei Evert.

            Hij zette de verhuisdoos weer op de grond en ging Tokers kamer binnen. Toker droeg zijn achterover gekamde haar in een staart die tot halverwege zijn rug hing. Zijn kamer bevatte, net als die van Aster, een paar planken aan de muur, maar ze moesten het stellen zonder een verzameling oude spulletjes van vroeger. Er lagen studieboeken op die eruitzagen of ze net aangeschaft of nooit gebruikt waren. De asbak op het bureau kookte over van de sigarettenpeuken.

            ‘Studeer jij ook?’ vroeg Evert.

            ‘Hou op,’ zei Toker. ‘Daar wil ik eigenlijk liever niet aan herinnerd worden. Ik studeer – godsamme, ik ben het weer kwijt. Hoe heet het nou officieel? Het is een soort zijtak van de antropologie. Menselijk gedrag en zo. Ik heb me er nog niet erg in verdiept, ik ben net van biologie geswitcht. Dat was helemaal kut avec peren. Veel maakt het natuurlijk niet uit. Antropologie of biologie, voor mij is het allemaal gruttemutte. Maar ja, je moet toch ergens ingeschreven staan. Wil je echt geen biertje?’

            Toker opende de koelkast, pakte er een blikje uit, pulkte aan het lipje en nam een slok.

            ‘Even een aardigheidje,’ zei hij. ‘Omdat je nieuw bent. Kom, dan zal je wat meemaken.’

            Evert voegde zich bij Toker, die naar het raam was gelopen. Hij schoof het open en stak zijn hoofd naar buiten. Evert volgde zijn voorbeeld en zag aan de overkant een man staan die oogde als een zwerver. Hij droeg een regenjas en had twee plastic tassen in zijn gebalde vuisten. Toen hij Toker en Evert in de gaten kreeg begon hij te schreeuwen.

            ‘Aankleden en meekomen!’

            ‘Dag meneer Dibbes!’ riep Toker terug. ‘Alles kits daar beneden?’

            ‘Je moeder is een hoer met honderd genitaliën!’ was meneer Dibbes luidkeels van mening.

            ‘Mijn moeder is al vijf jaar dood, maar toch bedankt voor uw belangstelling.’

            ‘Geslachtszieke multiproleet! Serierukker!’

            Toker trok zijn hoofd weer binnenboord en schoof toen Evert dit ook gedaan had het raam dicht.

            ‘Tot zover een korte demonstratie. Als ik het raam niet dichtdoe gaat het zo nog uren door.’

            Evert keek hem vragend aan.

            ‘Dat was dus meneer Dibbes,’ zei Toker. ‘Onze leraar maatschappijleer op het vwo. De examenklas. Had je zeker niet gedacht hè?’

            ‘Dat zou ik niet geraden hebben,’ zei Evert.

            ‘Het is in feite een verschrikkelijke toestand,’ meende Toker. ‘Als je ’m zo ziet staan, denk je: de een of andere malafide hersenchirurg heeft ’m een kunstje geflikt. Z’n hoofd opengezaagd, de hersens eruit gehaald en er een drol voor in de plaats gelegd. En sindsdien moet-ie elke maand naar de polikliniek voor een verse drol. Ach, als je het nuchter bekijkt heeft hij wel een bepaalde amusementswaarde. Maar toen-ie nog voor de klas stond – een  natural born hufter. En daarbij een kop als een kermisattractie. De eerste keer dat ik ’m zag dacht ik: ziezo, de evolutie is weer terug bij af. Wat dacht je?’

            ‘Nou?’ zei Evert. Wat moest hij denken? Waarschijnlijk was het niet Tokers eerste blikje bier.

            ‘Ondanks die kop van ’m had Dibbes een bloedmooie vrouw, een jaar of tien jonger dan hij. Hoe is het mogelijk hè? Een geweldige hoempareet en tieten voor een heel weeshuis. Na het examenfeest is ze wat begonnen met een jongen uit onze klas. Toen Dibbes erachter kwam is het een beetje misgegaan met ’m. Ja, de liefde maakt soms meer kapot dan de drank. Hij zwerft nou door Buisdorp en hangt bij studentenhuizen rond om voormalige leerlingen te bedreigen. Kwaad doet-ie niet, maar op zo’n manier gaat de buurt natuurlijk wel achteruit.’

 

                                                                          *

 

De derde keer lukte het Evert de verhuisdoos een verdieping hoger te krijgen, en hij hoefde hem zelf niet eens te dragen.

            ‘Laat mij maar,’ zei de man. ‘Ga jij maar voor. Toen ik vanmiddag voorbij fietste zag ik je sjouwen. Ik dacht bij mezelf: als-ie straks nog bezig is ga ik een handje helpen. Daar zijn buren voor. Mortifa is de naam.’

            Meneer Mortifa zou wel geen student zijn. Evert schatte hem op een jaar of vijftig, maar hij kon ook jonger zijn – een baard maakte dat je er ouder uitzag. Het haar op zijn hoofd was grijs, meneer Mortifa’s baard peper en zout. Dit was dus de man die Aster raar had aangekeken. Evert kende haar nog niet goed genoeg om te weten of dit voor of tegen meneer Mortifa pleitte.

            ‘Koffie?’ vroeg de buurman, toen ze boven waren aangekomen. Hij zette de verhuisdoos halverwege de twee kamers op de grond.

            ‘Daar heb ik wel trek in,’ zei Evert. Hij pakte de doos op en droeg hem zijn kamer in. Daar wachtten er nog vijf om uitgepakt te worden.

            Meneer Mortifa’s kamer zag er opgeruimder uit dan die van Toker. Er waren veel boeken, de meeste geleende of afgeschreven bibliotheekboeken.

            ‘Ga zitten, Evert,’ zei hij. ‘Hoe bevalt het je hier?’

            ‘Dat weet ik nog niet,’ zei Evert. ‘U bent vandaag al de tweede die dat vraagt.’

            ‘Je kwam net bij Toker vandaan?’

            ‘Ja.’

            ‘Best een aardige jongen,’ oordeelde meneer Mortifa. ‘Hij heeft alleen een beetje te veel ruzie met zichzelf. Dat is nergens goed voor.’

            ‘Ik vond ’m nogal cynisch,’ zei Evert. ‘Hij vertelde dat hij op zijn dertigste verjaardag zelfmoord gaat plegen.’

            ‘Is dat zo? Wat grappig. Maar dat is niet cynisch, hoor. Dat is romantisch. In vroeger tijden werd dat vrij vaak gedaan, vooral door kunstenaars. Dat deed je als je vergeefs verliefd op iemand was. Je kon ook aan de tering doodgaan, maar in bad je polsen doorsnijden gold als het toppunt van romantiek.’

            Meneer Mortifa schepte koffie in het filter, goot water in het apparaat en zette het aan. ‘Heb je haar van beneden al ontmoet?’ vroeg hij.

            ‘Bij Aster ben ik ook op visite geweest.’

            ‘Die moet nog veel leren.’

            ‘Ze heeft bijna haar propedeuse, zei ze.’

            ‘Dat bedoel ik niet. Maar daar kom je vanzelf wel achter.’

            Evert vertelde over zijn werk bij het Buisdorps Nieuwsblad. Zou meneer Mortifa ook werken? Of was hij vanwege die baard of door krapte op de arbeidsmarkt aan zijn dienstverband ontsnapt? En waarom woonde iemand van Mortifa’s leeftijd op een kamer in plaats van gewoon in een huis? Evert kreeg het te horen zonder dat hij ernaar had hoeven vragen.

            ‘Weet je waarom ik hier op deze kamer zit? Omdat ik iemand het leven heb gered!’

            Evert keek de buurman niet-begrijpend aan.

            ‘Een paar jaar geleden kocht ik een tweedehands auto,’ zei meneer Mortifa. ‘Het verzekeringskantoor zat twee straten van de dealer vandaan, en toen ik de auto mee kon nemen ben ik er naartoe gereden om ’m te laten verzekeren. Had ik natuurlijk van tevoren telefonisch moeten doen, maar dat is napraten. Goed, ik ga dus onverzekerd op weg. Het was een ander merk auto dan ik gewend was, en ik let meer op het dashboard dan op het verkeer. Knal ik boven op een ouwe Eend die voorrang had! Zelf had ik geen schrammetje, maar wel mijn auto naar de filistijnen en die Eend helemaal aan barrels. En de bestuurder met sirene naar het ziekenhuis. Moest een jaar revalideren. Wat wil het geval? Die vent zou de dag nadat ik hem aangereden had op vakantie gaan. Een busreis naar Spanje. De bus dondert daar een week later in een ravijn en er zijn nul overlevenden.’

            ‘Dus als u hem niet aangereden had...’

            ‘Precies. Maar ik zat hoe dan ook fout, omdat ik niet verzekerd was. Ik draaide voor alles op. Ziekenhuisopname en revalidatie, de hele mik. Dat was natuurlijk niet op te brengen, dus ik werd failliet verklaard. M’n huis kwijt, m’n bedrijfje op de fles – ik zat in de ansichtkaartenhandel. Het personeel op straat en ik met een bijstandsuitkering hier op deze kamer.’

            ‘Tsjonge.’

            ‘De vent die ik aangereden had was me achteraf dankbaar – ik ben ’m vaak gaan opzoeken. De ansichtkaartenhandel was voorbij, maar ik had natuurlijk nog wel zo hier en daar mijn contactjes. Ik heb voor die vrijer een speciale kaart geregeld. Een gigantische beterschapskaart van een bij twee meter. Hij wist niet wat ’m overkwam. De zaal stond op z’n kop. Ze hebben die kaart nog steeds. Op de kinderafdeling.’

            Meneer Mortifa nam een slok koffie en keek alsof hij een dierbare herinnering had opgehaald.

            ‘Wat een ellende,’ zei Evert. ‘Behalve dan dat die man dankzij u niet verongelukte.’

            ‘Ben je gek,’ zei meneer Mortifa. ‘Toevallig dacht ik van de week nog: was het me maar twintig jaar eerder overkomen. Ik heb dertig jaar in de ansichtkaartenhandel gezeten. Ansichtkaarten voor en ansichtkaarten na. Ik stond ermee op en ik ging ermee naar bed. Het was het enige wat ik had. En nu? Ik wandel ’s morgens op m’n gemak naar de bibliotheek. Ik lees er alle kranten, ik leen interessante boeken. Als het mooi weer is ga ik ’s middags fietsen. En als het regent blijf ik thuis en dan draai ik een mooie operaplaat. M’n platenspeler, de versterker, de boxen en m’n platencollectie mocht ik van de curator houden. Was toch niks waard – ze moesten eens weten! Onder m’n bed staan twee schoenendozen vol ansichtkaarten. Mocht ik ook houden. Dan zet ik een plaat op en dan laat ik een voor een die kaarten door m’n vingers gaan... Aan elke kaart zit een verhaal vast! Nee, ik zou met geen mens willen ruilen.’

 

                                                                          *

 

Vanaf de dag dat hij er introk voelde Evert zich op de kamer thuis. In de eerste week ging hij tweemaal na het avondeten bij meneer Mortifa koffiedrinken. Ook had hij een essay van Aster mogen ontdoen van de taalfouten die ze erin had weten te verwerken. Met Toker had hij niet zoveel contact. Als Evert ’s morgens naar zijn werk ging sliep de student nog, en als hij tegen de avond thuiskwam was Toker vaak al te zeer in de ban van zijn bier om nog als volwaardig gesprekspartner te kunnen fungeren.

            Het was raar: door op een kamer te gaan wonen was Evert in zekere zin een nieuw leven begonnen, maar er was eigenlijk niets nieuws aan dat nieuwe leven. Met alles wat aanvankelijk nieuw geleken had, was hij in een paar dagen vertrouwd geraakt. Zelfs met meneer Dibbes, die op elk moment de avondstilte kon verbreken.

            ‘Kom es naar buiten met je wratvormige kop! Broer van Satan!’

            Omdat de kamer in redelijke staat verkeerde, had Evert niet veel vrij hoeven te nemen voor het opknappen. Hoe weinig adv-dagen het ook geweest waren, Everts afwezigheid was meneer Barrelmeijer, zijn chef, slecht uitgekomen. Het was druk op de redactie, en Barrelmeijer had geen zin om zich naast zijn hoofdredactionele beslommeringen ook nog met de jeugdpagina bezig te houden.

            Evert werd bijgestaan door een redactieassistente – tot voor kort althans. Lori had na een conflict met Barrelmeijer ontslag genomen. Er werd naar een opvolgster gezocht; tot die gevonden was, stond Evert er alleen voor.

            Voor een deel vulde de jeugdpagina zichzelf: er kwamen veel brieven binnen van jongeren die een persoonlijke tragedie anoniem behandeld wensten te zien. Ze kregen deskundig advies inzake hartstroebelen en conflictsituaties waarin hun probleemouders over de schreef waren gegaan.

            Meer werk zat er in de rubriek Wistjedatjes en Moetjenshorens (‘Wist je dat... de haren in je rechterneusgat sneller groeien dan die in je linkerneusgat? Moet je horen: dat is zelfs zo bij mensen die linkshandig zijn!’).

            Elke maand moest er een prijsvraag bedacht worden. Meestal werd het een Wat hoort er in dit rijtje niet thuis?-raadsel. Op een dag schoot Evert te binnen: Wat hoort er niet thuis in het rijtje champagne, kaviaar, zoute griotten? Hij wist het niet. Het bleef hem lang bezighouden, want iets zou er in dit rijtje toch niet thuishoren. Het was zelfs mogelijk dat ze er geen van drieën in thuishoorden: kaviaar niet omdat die uit de zee kwam, champagne niet omdat die uit een fles kwam, en zoute griotten niet omdat het zoute griotten waren.

            Wat er in het rijtje niet thuishoorde deed er op een middag niet meer toe, omdat niets er vanaf dat moment meer toe deed. Kort nadat Evert die eerste lentedag van zijn werk was thuisgekomen, na een week kamerbewoning, werden er drie woorden gesproken die hem volkomen uit balans brachten:

            ‘Ik ben Jardina.’

 

 

                                                         

Terug naar begin

 

© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden.