|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
even nalezen
Buisdorpse winters kunnen streng zijn – maar daarover misschien een andere keer, want deze geschiedenis begint op de eerste voorjaarsdag: een donderdag. Lente in Buisdorp! Wie verliefd was onderging het als geen ander. Er hing iets in de lucht: de wereld werd opnieuw geboren. Op dat moment (kwart over vijf in de middag) was Evert nog niet verliefd, en hij had dus geen oog voor de mokerslagen die de natuur uitdeelde. Hij was op weg naar huis en onderdrukte een geeuw. Halverwege de Buisstraat, tegenover café Den Olden Buys, had meneer Dibbes zich al opgesteld. Hoewel er behalve aan de winter een einde gekomen was aan een regenperiode die een volle week geduurd had, droeg meneer Dibbes een regenjas die tot over zijn knieën reikte. Hij was mompelend verdiept in de inhoud van een van zijn plastic tassen. Evert ging het café in. De deur rechts in het halletje was voor de bezoekers, de trap links leidde naar de kamers die verhuurd werden. Op de eerste verdieping stond de deur van Tokers kamer open. In het voorbijgaan zag Evert hem zitten, een blikje bier in zijn ene hand, een sigaret in de andere. Het hoofd van Toker ging ritmisch op en neer met de muziek die in zijn koptelefoon klonk. Hij blies een rookwolk richting plafond en stak toen hij Evert in de gaten kreeg een hand op – die met de sigaret. Voordat Evert de tweede binnentrap bereikt had, werd hij aangesproken door Aster, de bewoonster van de kamer naast die van Toker. ‘Je komt mooi op tijd,’ zei ze. Ze stond in de deuropening en trachtte Evert met een hoofdknik tot binnenkomen te verleiden. ‘Ik heb eigenlijk geen tijd voor thee,’ zei Evert, die een geeuw ditmaal niet kon onderdrukken. ‘Nee, daar heb ik je niet voor nodig,’ zei Aster. ‘Je mag weer iets nalezen. Heb je een kwartiertje?’ Evert ging naar binnen. De kamer bevond zich aan de straatkant, evenals die van Toker en de beide kamers boven. Aster had het overgordijn goeddeels dichtgeschoven. In de kamer rook het naar pizza. ‘We hebben de hele middag aan een essay gewerkt,’ zei ze. ‘Ik ben kapot.’ ‘We?’ ‘Ik heb samen met Jardina zitten zweten. Ze zal zo wel komen, ze is even een boodschap doen. We moeten morgen een essay over de hoofse liefde inleveren. Minimaal tweeduizend woorden. Door de haast zullen we er wel een paar foutjes in hebben laten zitten. Wil jij er even naar kijken?’ ‘Ik weet niet eens wat hoofse liefde is,’ zei Evert. ‘Ik ben maar een gewone jongen van de krant. Is hoofse liefde hetzelfde als orale seks?’ ‘Juist niet,’ zei Aster. ‘Maar op de inhoud hoef je niet te letten. Het gaat meer om typefouten en kromme zinnen en zo. Wil je er een bakkie thee bij? Ik heb speciaal voor Jardina mangothee gezet.’ Op het bureau stond naast de computer een halflege theepot. ‘Doe maar iets fris,’ zei Evert. Mangothee! Hij nam het essay van Aster aan en ging op de bedbank zitten. ‘Het is hier behoorlijk op temperatuur.’ ‘Ja, de lente had niet beter kunnen beginnen. Ik moest het gordijn dichtdoen omdat de zon op het beeldscherm stond. Zal ik het raam opengooien?’ ‘Liever niet. Dibbes staat er al. Als je het raam opendoet krijg je dat verschrikkelijke geschreeuw van die vent over je heen.’ Evert las het essay vluchtig door en ontdekte gaandeweg een ontmoedigend aantal type- en stijlfouten. ‘Het valt gelukkig mee,’ zei hij. ‘Geef eens een pen, dan verbeter ik het gelijk. Of het inhoudelijk deugt weet ik niet. Straks wel uitkijken dat je geen nieuwe typefouten maakt als je de verbeteringen verwerkt.’ Hij nam een slok van de cola die Aster hem had ingeschonken en bracht de correcties aan. ‘Het was erg gezellig, maar ik ga gauw de macaroni van gisteren opwarmen.’ ‘Wil je Jardina’s essay ook nog nakijken?’ ‘Geef maar,’ zei Evert. ‘Je bent een schat.’ ‘Vertel het maar niet verder. Wie is die Jardina?’ ‘Ik ben Jardina,’ zei iemand die ongemerkt de kamer was binnengekomen. Toen Evert opkeek en haar ogen zag, was het of de rest van zijn leven in een flits aan hem voorbijtrok. Ze had schouderlang, bijna zwart haar, droeg een spijkerbroek, gympen en een donkerblauw jasje over een wit T-shirt. Er hing iets in de lucht: parfum. Ze noemde ook nog haar achternaam. ‘Jardina Bion.’ ‘Evert Huis,’ hoorde Evert iemand zeggen. Mogelijk was hij het zelf geweest. Droge keel, slok cola. ‘Volgens Aster kan jij ons allebei een negen bezorgen,’ zei Jardina. Aster aaide Evert over zijn hoofd als een trotse moeder die haar verlegen zoontje op een verjaardag tot blozens toe bij ooms en tantes onder de aandacht brengt. ‘Evert is echt niet te geloven,’ zei ze. ‘Hij heeft het boze oog. Als er een typefout staat ziet-ie het op tien meter afstand. Jij nog een bakkie, Jar?’ ‘Lekker, doe maar,’ zei ‘Jar’. ‘En? Zitten er veel fouten in m’n essay?’ Ze keek Evert vragend aan; Evert keek sprakeloos terug. Wat waren dat voor ogen? En waar had ze het over? Hij leunde naar achteren om te voorkomen dat hij achterover zou vallen. Een essay? Ach, verrek. Ze bedoelde waarschijnlijk het essay dat hij in zijn trillende handen had. Vier velletjes papier. Die moest hij kennelijk lezen. ‘Ik zal eens kijken,’ zei hij. Er stonden letters op het papier, een heleboel letters. Kolere wat een massa letters, het ging maar door. Ook woorden. Achter elkaar, regel na regel vol met woorden, het ene woord na het andere. Zinnen zelfs, als hij zich niet vergiste... Nee, hij vergiste zich niet: dat woord begon met een hoofdletter, een paar woorden verderop stond er een punt en daar had je alweer een woord dat met een hoofdletter begon. Hij had er wel kijk op. Aster had niet overdreven toen ze hem had opgehemeld. En wat meer was: op die vier velletjes waren niet lukraak voor de lol wat zinnen achter elkaar gezet: hier was hoogstwaarschijnlijk sprake van een essay over de hoofse liefde. Met deze constatering had Evert de grens van zijn bevattingsvermogen bereikt. Dat de precieze strekking van het essay tot hem doordrong, daar kon door Jardina’s aanwezigheid geen sprake van zijn. Een hele zin van hoofdletter tot punt in zich opnemen: onvoorstelbaar. Maar af en toe las Evert een woord dat hem aan iets deed denken, zoals het woord ‘liefde’, dat in dit essay opvallend vaak voorkwam. Halverwege het tweede velletje stond met grote letters en veel uitroeptekens erachter: ‘VERLIEFD’ – het leek wel of het woord uit de tekst probeerde te breken. Hoe lang zou hij naar dit vermoedelijke essay moeten staren om de indruk te wekken dat hij het aandachtig gelezen had? Zelfs onnozel naar het papier turen was een marteling, omdat Jardina daar maar bleef staan. Zijn hoofd bevond zich ter hoogte van haar buik, gevangen in het web van haar parfum. Ten slotte wist hij zijn keel te schrapen. ‘Dat essay zit verdomd goed in elkaar,’ zei hij – voor zijn gevoel een paar octaven te hoog en op muisfluistertoon. ‘Jee, goed zeg, heb je het nou al gelezen?’ zei Jardina. Al? ‘Ik zei toch dat die gozer niet te geloven is,’ zei Aster. Jardina lachte naar hem, hij wist niet wat hem overkwam. Hij probeerde links en rechts om haar heen te kijken, maar het was hopeloos. Hij reikte haar het essay aan. Toen ze het aanpakte raakten twee of zelfs drie vingers zijn hand. Je zag het weleens in een Journaalitem dat eindigde met een gironummer. Een land hier ver vandaan waar ze een andere taal spraken en er eigengereide zeden en gewoontes op na hielden. Beelden van een omgewoeld interieur waarin een voorovergetuimelde boekenkast een ravage had aangericht. In de keuken van het total losse huis potten en pannen tussen de scherven op de vloer. Overlevenden die volkomen uit het lood geslagen vertelden dat ze waren getroffen door een aardbeving die hun bestaan ontwricht had. Jardina was Everts aardbeving.
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||