|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Eerst maar even dit. Zoute griotten is een komedie – dat zal de meeste lezers duidelijk zijn, maar niet alle besprekers hadden er oog voor. Sommigen hadden gehoopt op hoogdravendheid en diepgravendheid en waren bestraffend in hun oordeel toen zij die hoogdravendheid en diepgravendheid niet konden ontdekken. Op die manier kun je een auteur van thrillers verwijten dat er in zijn boeken zo weinig te lachen valt en een prentenboekschrijver de afwezigheid van lustmoorden aanwrijven.
Het doet me denken aan een laatste schooldag voor de zomervakantie. We hadden Duits en zaten in het talenpracticum. De leraar gelastte ons de koptelefoon op te zetten, wat wij tegensputterend deden, want het was de laatste schooldag voor de zomervakantie en wie zat er dan te wachten op monotoon voorgedragen Duitse teksten?
Maar uit de koptelefoon kwamen geen monotoon voorgedragen Duitse teksten: de leraar liet een opname van Toon Hermans horen, waarin deze een toespraak houdt die grotendeels onverstaanbaar is. Een geweldig komische conference, we lagen dubbel – behalve één meisje. Ze zei: ‘Wat lachen jullie nou? Ik versta er niks van!’
Het kan haast niet anders of zij is later boeken gaan bespreken.
De roman Zoute griotten verscheen in november 2001. Het was nog niet eenvoudig om hier een gedegen overzicht te geven van de besprekingen – degenen die in dienst waren van de uitgeverij hadden het veel te druk om schrijvers als ik op de hoogte te houden van wat er over hun werk geschreven werd, ik moest er zelf naar speuren.
Zo ontdekte ik pas in februari 2005 dat er vier jaar voordien een bespreking van 1776 woorden had gestaan in Nymph : mededelingenblad voor het Instituut Neerlandistiek, geschreven door een zekere Ed Dewildere. Deze Ed Dewildere was niet helemaal te spreken over het boek, en Nymph werd een paar jaar later dan ook opgeheven, want zo gaan die dingen.
Nog voordat het boek in de winkel lag kwam er een citeerbare bespreking in het Eindhovens Dagblad te staan. Daarin schreef iemand: ‘U hield al van Ronald Giphart. Hou nu ook van Martin de Jong.’ Ik ben onvoldoende ingevoerd in het werk van Giphart om te kunnen beoordelen of een vergelijking terecht is maar ik kan het uiteraard alleen maar toejuichen als er een oproep gedaan wordt om van mij te houden.
In de HP/De Tijd vond de zich achter de initialen FJ verschuilende Fleur Jurgens het boek maar niks, met als verzachtende omstandigheid dat ze het niet gelezen had. Want volgens haar gaan de ‘babbelende schijnjongeren’ in het boek als ze verliefd zijn ‘irritant giechelen’. Ik heb het boek van de eerste tot de laatste letter geschreven en de drukproeven van het eerste tot het laatste woord bestudeerd, maar gegiechel zit er niet in. Veel erger is dat FJ het me kwalijk neemt dat ik op deze website een overzicht geef van ‘alle media waar hij ooit voor schreef (dus ook voor de schoolkrant)’. Als het moet kan ik mij geweldig opwinden, dus nou komt het.
Instellingen als het Letterkundig Museum en de Koninklijke Bibliotheek hebben mensen in dienst die een opleiding genoten hebben. Dergelijke mensen zijn dag in, dag uit onvermoeibaar bezig om obscure publicaties van vaak lang geleden overleden schrijvers boven water te krijgen teneinde tot een afgeronde bibliografie van dezulken te komen. Sommigen van hen lopen daardoor zelfs een koninklijke onderscheiding op. Zij worden zeer geschoffeerd door laatdunkende uitlatingen over hun bezigheden, en áls er een reden is waarom ik op mijn website een overzicht van zelfs mijn schoolkrantpublicaties geef, dan is het om al die hardwerkende vorsers te eren.
De Nederlandse Bibliotheek Dienst stuurde een zogenoemde ‘aanschafinformatie’ het land in, bedoeld om bibliotheken tot steun te zijn bij het doen van hun aankopen. In een samenvattende zin werd Zoute griotten daarin bestempeld als: ‘Een voorbeeld van een humoristische roman met een goede (hier duidelijk door Reve en Carmiggelt beïnvloede) stijl.’
Op de jongerenwebsite Cultonline stond boven de bespreking van de jongere Chris: ‘Vorm boven inhoud werkt niet in Zoute griotten’. Hoe kan een mens zich tegen zo’n aantijging verweren? Ik heb gewoon een boek geschreven. Als ik een boek schrijf schrijf ik een boek, dan ga ik toch niet streven naar het laten prevaleren van vorm boven inhoud of inhoud boven vorm of het met elkaar in evenwicht brengen van beide? Ik schrijf gewoon een boek.
Er schuilt veel wijsheid in wat Gerard Reve schreef in het klassieke verhaal Een lezing op het land, gepubliceerd in de bundel Tien vrolijke verhalen (1961): ‘Die jongen die heeft dit boek geschreven. Nou heeft die jongen dat boek geschreven. En nou moeten jullie niet leuteren. Dat boek, dat heeft hij geschreven. Dus hij heeft dat boek geschreven.’ (Verzameld werk, Deel 1, p. 658)
Het is bedenkelijk dat de jongere Chris zich bij zijn bespreking bedient van mijn eigen analyse en die dan nog verkeerd uitlegt ook. Zo had ik op mijn website aangegeven dat de personages nadat de verliefdheid toegeslagen heeft elkaars gedrag overnemen, en bespreker Chris vond dat maar kinderachtig. En dat terwijl het een door onder anderen Desmond Morris in kaart gebracht psychologisch fenomeen is, met als veelvoorkomende verschijningsvorm dat mensen die een tijdje tegenover elkaar zitten te praten op een gegeven moment gelijktijdig een been over het ander slaan et cetera. Ik bedoel, ik verkoop geen onzin, het is allemaal wetenschappelijk onderbouwd.
De bewering dat jongeren tegenwoordig niet meer lezen wordt elk jaar gelogenstraft door de uitgave Leestrip, waarin studenten enthousiasmerend verslag doen van hun leeservaring in het voorbije jaar en een boek dat hun instemming geniet in de lucht steken. In Leestrip 2002 schrijft Jasper-Hugo Brouwers over Zoute griotten: ‘Zijn debuut is een liefdeskomedie die in sneltreinvaart wegleest.’
In Carp was eerder sprake van een zijnsoordeel dan een waardeoordeel: ‘In Martin de Jongs Zoute griotten moet iedereen om hemelshoge amour te beleven diep dalen.’
Zeer bondig was de conclusie van Flair: ‘Puik boek.’
De recensent van De Limburger haalde Ronald Giphart er maar weer eens bij: ‘In dit eerste deel van wat een heuse cyclus moet worden over de – fake – gemeente Buisdorp weet de schrijver, die volkomen onterecht vergeleken wordt met Ronald Giphart (De Jong is veel grappiger) een buitengewoon amusant beeld te geven van het studentenmilieu in een middelgrote plaats. Lachen mag.’
Hoewel het boek menselijkerwijs gesproken allang dood had moeten zijn, bleef het (ook nadat de uitgever het restant in strijd met de contractbepalingen had laten vernietigen) gelezen worden – in elk geval door bibliotheekleden (het aantal uitleningen bedroeg blijkens de LIRA-opgave van 2004 maar liefst 949, helaas iets te weinig om van leven als je twee katten tot last hebt).
Bovendien belandde het boek in 2004 in een boekring en viel daar bij de meeste deelnemers in de smaak. Marleen: ‘Erg vermakelijk boek!’ Vlindertje: ‘Heb me er prima mee vermaakt.’ Nienkeg: ‘Grappig boek, makkelijk leesbaar.’ Wandering: ‘Leuk boekje voor tussendoor, leest als een trein.’
En in februari 2005 mailde oud-klasgenote Susanne me over haar zeventienjarige dochter: ‘Melody is nog steeds met je boek bezig, ze is er helemaal vol van.’
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||