|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Begin december begon mijn kortdurende loopbaan als rechtbankverslaggever. ‘Ben je gek,’ zei hoofdredacteur Barrelmeijer, toen ik vroeg of ik niet bijgeschoold moest worden in juridische aangelegenheden. Voor de zekerheid keek ik voorafgaand aan de eerste zitting naar een aflevering van een rechtbankserie. De officier van justitie kwam daarin venijnig uit de hoek, de louche advocaat van de moordenaar riep objection, en de rechter zei dan sustained of overruled, terwijl achteraf bleek dat het lijk nog leefde.
Om halftien op een kille donderdagochtend begaf ik me naar het gerechtsgebouw aan de Kapoonlaan. Voor het eerst sinds het interview dat ik Mengelen had afgenomen was ik zelf weer bij de geschiedenis betrokken en kreeg ik de informatie uit de eerste hand in plaats van via meneer Mortifa. Bij de receptie vernam ik waar de zaak Busofa-Puimstra diende. In de koffieruimte trof ik de laatste met zijn vakbondsadvocaat, Geus Klopveger. Ik stelde me voor en werd omdat ik van de krant was meteen in vertrouwen genomen. ‘Met de rechter die de zaak toegewezen heeft gekregen zitten we niet slecht,’ zei Klopveger. Hij droeg een toga en had, waarschijnlijk omdat het kledingstuk toch al jurkachtig was, zijn haar tot een paardenstaart samengebonden. ‘Hoe heet die rechter?’ vroeg ik ten behoeve van mijn verslag. ‘Rijstprakker. Oet Rijstprakker. Hij komt een beetje excentriek over, maar het is geen kwaaie kerel.’ Keurmeester Puimstra, zichtbaar op van de zenuwen, maakte zijn sigaret uit en begon te ijsberen. Hij had zo te zien zijn zondagse pak aan.
Kort voordat de zitting begon, arriveerden Pim Blijentof en de advocaat van Busofa. Blijentof keek me in het voorbijgaan kwaad aan; kennelijk was hij bang dat ik waarheidsgetrouw verslag zou doen van de gebeurtenissen. ‘Hebben ze een goeie advocaat?’ vroeg ik. ‘Wat is goed,’ zei Klopveger schouderophalend. ‘Ik kan me niet herinneren dat Ranzer Dubbeltaks ooit een zaak gewonnen heeft. Statistisch gesproken is de kans dus groot dat dit de eerste keer wordt.’
De rechtszaal oogde anders dan die in het Amerikaanse rechtbankdrama. Het was gewoon een kamertje waar net genoeg ruimte was voor de kantonrechter, de griffeuser, beide partijen inclusief hun vertegenwoordiging en zo’n vier belangstellenden, waarvan ik de enige was. De houten stoeltjes maakten een ronduit armoedige indruk. ‘Zo,’ zei de rechter. Hij leek me een jaar of zeventig oud; hij had grijzig haar en droeg een bril. ‘Ik heb hier de zaak Busofa tegen Puimstra. Busofa heeft een verzoek ingediend tot ontbinding van het arbeidscontract op reorganisatorische gronden subsidiair wegens gezondheidskundige omstandigheden. Mooi zo. Ik lees hier dat Busofa meneer Puimstra een aanbod heeft gedaan van wachtgeld vermeerderd met wat genoemd wordt een redelijk riante toeslag. Meneer Puimstra heeft dat aanbod afgeslagen. Mooi, mooi. Waarom deed u dat, meneer Puimstra?’ ‘Ik wil gewoon blijven werken,’ zei de keurmeester. ‘Ik hou er niet van om thuis te zitten. Ik heb m’n leven lang gewerkt.’ ‘Juist. En maar werken dus. U komt uit Bokkerzwaag?’ ‘Dat klopt.’ ‘Ik kon het horen. Kom zelf ook uit Bokkerzwaag. Mooi, mooi. En u? U was, even zien... meneer Blijentof. Toe maar. Waar komt u vandaan?’ ‘Oorspronkelijk uit Zeevenslooten, edelachtbare.’ ‘Ja, dat vermoedde ik al. Hm. Goed, gezellig, we gaan verder. Bij Busofa maken ze soep. Soep vooraf, geschenken toe, zeiden we vroeger.’ ‘U kent onze soep?’ vroeg Blijentof slijmerig. ‘Uw soep? Nee, mijn echtgenote maakt altijd zelf soep, kom nou.’ ‘Dat kan nooit zo lekker zijn als echte Busofa bliksoep. U moet voor de aardigheid eens een keer onze toma– ’ Hij zweeg toen Dubbeltaks hem in de zij porde.
‘Uw tomatensoep proberen, wilde u zeggen?’ zei de rechter. ‘Ik geloof dat we dat maar niet moeten doen. Mooi, vooruit, verder. Daar hebben we meneer Klopveger zitten. Meneer Klopveger, uw cliënt wil blijven werken, tegenpartij wil ontbinden, hop hop hop. Dat moet straks of het een of het ander worden. Vooruit, helpt u me eens op weg.’ ‘Dan moet ik even terug naar een stukje voorgeschiedenis. Cliënt Puimstra is al meer dan twintig jaar werkzaam bij de soepfabriek Busofa. Heeft daar altijd tot volle tevredenheid zijn werk gedaan. Wat gebeurt? Op zeker moment treedt er een nieuwe directie aan, u weet hoe dat gaat. Reorganisatie, adviesbureaus, handenvol geld, innovatie, verliezen, ontslagen. Ik heb sterk de indruk dat de werkgever van de heer Puimstra af wil omdat men hem lastig vindt. De heer Puimstra heeft nu eenmaal een dusdanige aangeboren persoonlijkheidsstructuur, dat hij snel uiting geeft aan zijn gevoelens, maar dat mag geen reden zijn voor ontslag. Ik weet niet of u een beetje met de situatie in de fabriekswijk Nijpendaal bekend bent, maar vorige week was ik daar om in het Busofapand namens mijn cliënt een onderhoud te hebben met de directie. Ik moet u zeggen, je weet echt niet wat je ziet als je daar komt. Een immens gebouw, met er omheen nog meer gebouwen die via tunnels met elkaar in verbinding staan. Ik wil maar zeggen, een bedrijf dat er een dergelijk gebouwencomplex op na houdt, moet voldoende draagkracht hebben om iemand als meneer Puimstra in dienst te houden.’
De rechter keek de advocaat van de tegenpartij aan. ‘Zo zo, nou nou. Ach welja, meneer Puimstra dus maar gewoon in dienst houden en niks ontbinden. Hop hop hop, hè. Nou mag u, meneer Dubbeltaks. U bent het er zeker niet mee eens?’ ‘Inderdaad, edelachtbare,’ zei Dubbeltaks. Het was net of hij van huis uit niet gewend was beschaafd te praten en dat nu probeerde wel te doen door elke lettergreep te beklemtonen. ‘Ik ken mijn geachte confrère langer dan vandaag, en we weten allemaal dat hij in het vuur van zijn betoog graag mag overdrijven. Als hij het heeft over een enorm gebouwencomplex waarover de firma Busofa in zijn optiek zou beschikken, dan ziet hij over het hoofd dat bedoeld gebouw in de eerste plaats met hypotheek belast is, en dat in de tweede plaats voornoemd gebouw niet in zijn totaliteit door de firma gebruikt wordt, maar dat een deel ervan onderverhuurd is aan derden.’ ‘Ja, er is een hele etage verhuurd aan de Orde van de Nieuwe Tijd,’ verduidelijkte Blijentof. ‘Juist,’ zei de rechter. ‘Groot gebouw enerzijds, maar anderzijds hypotheek. Nieuwe tijd, orde moet er zijn. Uitgemaakte zaak. Pom pom. Vooruit. U wilt dus van meneer Puimstra af. Legt u eens uit waarom.’
‘Er is geen andere optie,’ zei de formatiebewaker. ‘Wij zouden niets liever willen dan de heer Puimstra in dienst houden, maar daar zijn geen termen voor aanwezig. De formatie is zo ingericht dat de ruimte voor herplaatsing ontbreekt.’ Terwijl Blijentof het woord tot hem richtte, had de rechter zijn bril afgezet, waarna hij de glazen met een zakdoek reinigde, de bril omhoog hield en zo controleerde of de reiniging succesvol was geweest. Hij zette de bril weer op, kneep zijn ogen toe en glimlachte naar Blijentof, die daardoor even van zijn apropos raakte. ‘Zodoende dus,’ zei hij. ‘Zodoende, zodoende,’ mompelde de rechter. ‘Zo lopen de gootjes, zeiden we vroeger. Kan zijn, kan wezen. Ja, ja, en toen... Meneer Puimstra is binnen de formatie dus niet over te plaatsen. Tsja. Mooi, mooi. Waarom had u meneer Puimstra dan willen overplaatsen? Meneer Puimstra, wilt u overgeplaatst worden? Nee toch zeker? Mooi.’ Voordat de keurmeester had kunnen reageren gaf Dubbeltaks uitleg.
‘Er spelen in het geval van meneer Puimstra twee dingen. In de eerste plaats is het door de voortschrijdende automatisering niet langer nodig om de functie van keurmeester in het functiegebouw op te nemen. Daar komt in de tweede plaats dan nog bij dat de heer Puimstra door de reukaandoening die hem parten speelt niet in staat is zijn keurwerk naar behoren te verrichten.’ De rechter had zijn bril weer afgezet en hield een brillenpoot nadenkend in z’n mond. ‘Erg zeg. Een reukaandoening. Kan je beter niet hebben, hoor. Poeh poeh nou. Of zegt u van: heb ik niet?’ ‘Ja, weet u wat het is,’ antwoordde Puimstra, ‘de soep moet toch gekeurd worden? Dat kan toch niet machinaal? En wat die aandoening betreft, het is waar dat mijn reukvermogen de laatste tijd wat is teruggelopen, maar we hebben allemaal te maken met ouderdomsverschijnselen als we ouder worden. U heeft zelf ook een bril, zie ik.’ De rechter knikte. ‘Ja, dat is om beter te kunnen zien. Mooi zo. Vroeger hadden we liedje, dan zongen we: ik heb een brilletje, al voor m’n ogen. Weet u toevallig hoe het verder gaat?’ Puimstra schudde het hoofd. ‘Iets met pom pom pom,’ zei de rechter. ‘Mooi. Heel goed. Verder maar weer. Ontslag te ja, ontslag te nee. De een dit, de ander dat en zus en zo, hoe komen we daar samen uit. Ga ik over nadenken. Ik wil dat partijen ook gaan nadenken. Meneer Puimstra, denkt u nog eens goed na: u bent nu midden vijftig, aan de ene kant wilt u werken, aan de andere kant is een redelijk riante regeling iets waarvan u vandaag of morgen misschien denkt: vooruit dan maar. En u, meneer Blijentof uit Zeevenslooten – zo’n groot bedrijf met al die gebouwen al dan niet onderverhuurd, is daar echt niet een arbeidsplaats te vinden voor meneer Puimstra hier? Kijkt u nog eens goed. Dan wil ik u morgen over een week terugzien.’
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||