Home                Zoute
griotten

Dodelijk
verliefd

Berichten uit
Buisdorp

Soep

Afgrijselijke
jeugd

Livia Werk in
wording
Mail eventueel
Weblog
Soms gestelde vragen
Publicaties
Schrijverspost
Literatuurpleinplek
Gastenboek
   
 

 

 

   
   

                                                  Rens

 

 

Nadat ik de twee volle boodschappentassen in de keuken had neergezet liep ik napuffend van het warmweergesjouw (27 graden!) de kamer in, waar Chira net de telefoon neerlegde. Ze keek bezorgd.

            ‘Dat was Livia,’ zei ze. ‘Totaal overstuur. Ik heb haar zowat een uur moeten aanhoren. Ze heeft ontdekt dat Wim er een vriendinnetje op na houdt. Nog een studente van hem ook. Het moet al maanden aan de gang zijn. Wat een schoft. Hij leek zo’n goeiige gozer. Was zogenaamd stapelgek op haar. Livia heeft wat spullen gepakt en ze zit nu bij haar broer.’

            ‘Erg lullig,’ zei ik. ‘Maar wat kunnen wij er hiervandaan aan doen? De problemen van anderen zijn de onze niet.’ Onbegonnen werk ook. Livia was half temmes.

            Ik trok Chira tegen me aan, m’n handen gleden over haar rug en kwamen op haar billen tot stilstand. Niemand had zulke ogen als Chira.

            ‘Het is vandaag een bijzondere dag,’ zei ik.

            ‘Alweer?’

            ‘We zijn precies vier maanden en zes dagen samen.’

            ‘Volgens mij was dat gisteren.’

            ‘Wat gaat het hard. Ik raak met de dag onderstebovener van je.’

            ‘Dus ik blijf voorlopig wel de enige vrouw in je harem?’

            ‘Als ik drie wensen mocht doen – ’

            ‘Dat mag.’

            ‘Dan zou de eerste wens zijn dat je nooit meer van me af kwam.’

            ‘En als die wens in vervulling ging?’

            ‘Dan zou ik de andere wensen waarschijnlijk doorverkopen.’

 

Ze kwam met de lente en ik had haar in het begin niet eens in de gaten. Aan het einde van het kwartaal is het op kantoor altijd een heksenketel, en eind maart was geen uitzondering. In krap anderhalve week tijd moet voor deze boekperiode de totale overstag geheveld worden – en dat voor een bedrijf met vijfendertig medewerkers.

            Er gaan al gauw vier werkdagen zitten in het afknotten van de doorschotten en het graneren van de bulk, en als het heel erg druk is neem ik op vrijdagmiddag meestal een stapeltje lambrijen mee naar huis om er in het weekend de onderstand van door te schuffelen.

            Kortom: een geweldige werkhectiek en dus geen tijd om op personeelsmutaties te letten. Maar die laatste maandag van de maand liepen we elkaar voor de ingang van de kamer van chef bijna omver.

            ‘Ben jij een nieuwe aanwinst?’ vroeg ik.

            ‘Al ruim een week,’ zei ze. ‘Livia.’

            ‘Rens.’ Ik schudde haar hand. ‘Vaste dienst?’

            ‘Nee, uitzendkracht. Tot half april. Ik help chef bij het vlimmen van de verschering. En ik moet ’s middags assisteren bij het graneren van de bulk.’

            ‘Voor het hele bedrijf?’ vroeg ik verbaasd, want dat zou aan het bovenmenselijke grenzen.

            ‘Alleen de afdeling van chef.’

 

Livia had een prettige glimlach, maar dat was nog niets vergeleken bij wat er gebeurde als ze voluit lachte, zo merkte ik bij onze tweede ontmoeting. Het was opnieuw ter hoogte van de kamer van chef, die zij verliet op het moment dat ik er met een bekertje koffie passeerde. De opengaande deur raakte de hand waarin ik het bekertje hield. Ik wist het vast te houden, maar de koffie belandde goeddeels op de grond.

            Livia liet een lach horen die alles sloeg. Haar ogen lachten mee, zag ik. Met een schoen probeerde ik de gemorste koffie in het donkere tapijt te doezelen – maar vooral wilde ik de indruk van onhandigheid wegnonchaleren.

 

De dag na de koffiemorsing kwam ik haar tegen toen ze ’s morgens met haar jas nog aan uit de lift stapte. Ze lachte naar me, en het voelde alsof ik zelf in een lift pijlsnel omhoog geschoten werd.

            ’s Middags troffen we elkaar bij het kopieerapparaat. Ze had een strak zittend zwart T-shirt aan. Achterop stond in witte letters: Star Trek.

            Toen ze zich bij mijn naderen naar mij toe keerde, zag ik dat er aan de voorkant van het T-shirt een ruimteschip was afgebeeld, dat een benijdenswaardige baan om haar borsten beschreef.

            ‘Star Trek,’ zei ik.

            Ze glimlachte.

            First contact!

 

Na het werk ging ik de stad in en kocht vlak voor sluitingstijd bij een in Amerikaanse en Engelse import gespecialiseerde boekhandel de lijvige en prijzige Star Trek Encyclopedia.

            Het hele weekend was ik verdiept in de ruim achthonderd pagina’s door Michael en Denise Okuda vergaarde feiten. De ondertitel A Reference Guide to the Future had me in de winkel realistisch geleken, maar ik begon me al snel af te vragen of ik het wel voor elkaar zou krijgen Livia de komende maandagochtend te overweldigen met mijn encyclopedische kennis van intergalactische ditjes en datjes.

            Probeer het als niet-ingewijde in het Star Trek-universum maar eens tot je door te laten dringen. Benzocyatizine, bijvoorbeeld, was ‘medication used to adjust the levels of isoboramine in joined Trill’. O ja? En wat was isoboramine dan wel? En Trill?

 

Normale hormonale bronst is te behappen, verliefdheid maakt sprakeloos. Je kan er zo erg aan toe zijn, dat de vertrouwde lustgevoelens naar de achtergrond verdrongen worden – een kwalijke zaak. Naar het romantische neigende sentimenten gaan je gedachten bepalen, en dat is al even funest. En daarbij: tergende stress, hopeloos hartzeer, gebrekkige nachtrust.

            Het beschamendst waren de nutteloze schoolverliefdheden, die na een paar weken even plotseling weer voorbij konden zijn als ze waren komen opzetten – ook als het wederzijds was geweest. Achteraf bleek altijd weer dat de eigenschappen die je haar tijdens je bevlieging toedichtte aan je puberale creatieve geest ontsproten waren. En bij nader inzien oogde ze maar zeer gewoontjes – geen wonder dat andere jongens in de klas je voor gek verklaard hadden.

 

Omdat ik dat zo uitkiende kwam ik Livia op kantoor te pas en te onpas tegen. Als we bij de lift of het kopieerapparaat een praatje maakten, ging dat gepaard met veel geglimlach harerzijds, zodat zowat niets van wat ze zei tot me doordrong.

            Ik zag haar ook buiten kantooruren: bij de bakker, de visboer en in de supermarkt, waar dan iemand stond of liep in wie ik haar herkende, en dan had ik het even niet meer.

 

‘Au! Godverjumeze au!’

            De pijnkreten kwamen uit de kamer van chef en Livia. Ik ging er op af en zag chef op de rand van zijn bureau zitten, Livia stond geschrokken kijkend naast hem. Chef had zijn rechterschoen uitgetrokken. Door de sok heen zag ik dat de enkel giganteus gezwollen was.

            ‘Hij is gestruikeld over een Tribble,’ zei Livia.

            ‘Auwauwauwauw!’ kermde chef. ‘Ik moet naar het ziekenhuis! Gaan jullie alsjeblieft mee, dan kan ik op jullie steunen. Au! Kolereze au!’

 

Toen de receptioniste doorgebeld had dat er een taxi was voorgereden, pakten Livia en ik chef vast. Hij sloeg zijn armen om onze schouders, wij een arm om hem heen – als ik mijn rechterarm wat zou laten zakken zou die de linkerarm van Livia raken.

            Wij schuifelden, hij hinkte en voetje voor voetje bereikten we de taxi. Chef werd in de stoel naast de chauffeur geholpen, Livia en ik namen achterin plaats. Omdat we dringend op weg waren naar het ziekenhuis trok de chauffeur zich niet veel aan van de maximumsnelheid; als we met vaart een bocht namen viel ik tegen Livia aan – zij soms zelfs tegen mij.

            In het ziekenhuis hielpen we chef in een rolstoel. Ik duwde de geblesseerde naar de afdeling Spoedeisende Hulp. Een verpleegster nam hem van ons over en verzocht ons in de wachtruimte plaats te nemen.

            Ik had voor Livia en mezelf zonder te morsen een bekertje automaatkoffie gehaald en ging naast haar zitten. Ik nam een slok en overdacht de toepasselijkheid van het bord Spoedeisende Hulp. Ze zat naast me en ik kon zo een arm om haar heen slaan en zeggen dat ik omdat zij doordat ik nu al bijna zowat meer dan een week en dat zij en dat ik en dat hoog tijd eindelijk godzammezenuwe mensen komt er alsjeblieft nog wat van nu wij samen. Genoeg nu – ik ging er wat van zeggen!

            Maar ze was me voor.

 

Chef had gelukkig niets gebroken of een andersoortig mankement opgelopen dat het aanbrengen van gips noodzakelijk maakte. Er was een stevig verband om de enkel gewikkeld. Toen hij in de wachtruimte verscheen steunde hij op twee krukken.

            ‘Daar ben ik mooi klaar mee, jongens.’

            Ik maakte mijn gedachten los van Livia. ‘Ga je weer aan het werk?’

            ‘Natuurlijk niet. Ik ben zeker voor een maand uitgeschakeld.’

 

En daar zaten we weer in een taxi, die chef naar huis bracht en Livia en mij vervolgens naar kantoor. Deze chauffeur had wegens het ontbreken van urgentie een bedaagder rijstijl, dus we werden bij bochten niet tegen elkaar aan geslingerd.

            Wel hield ik gedurende de hele rit met mijn linkerhand haar rechter vast.

 

‘Want op dinsdagavond ga ik volleyballen,’ zei ze.

            Het was geen bijster bijzondere sport (een bal over een net hengsten, meer stelde het eigenlijk niet voor) maar de beachvariant voor jonge vrouwen in minibikini leverde fascinerende televisie op. Zelf was ik geen fanatiek sporter, ik ging weleens een eind skaten, vertelde ik. De laatste keer was ik onderweg een wieltje kwijtgeraakt en onderuit gegaan. Dat was zeker anderhalf jaar geleden. De resterende wieltjes zouden in de vochtige fietsenberging wel vastgeroest zijn. Ik en sporten!

            ‘Gaaf!’ zei ze, alsof mijn skaten van Olympische allure was. We zaten in Cafetaria Kneiter, die een paar straten verwijderd was van kantoor. Toen de taxi ons had afgeleverd hadden we besloten meteen te gaan lunchen om op adem te komen van de gebleken wederzijdsheid van gevoelens – het leek ons niet verstandig in de kantoorkantine opzichtig in elkaar op te gaan.

 

Ze was twintig, twee jaar jonger dan ik. Ze zat tegenover me en ze zag wat in me! Ik keek naar haar ogen en naar haar haar, dat een onbestemde kleur had, zo tussen licht en donker. Nabij haar neus bevonden zich piepkleine sproetjes. Leuk klein linkeroortje ook, zag ik toen ze haar haar erachter veegde. Ik begon gevaarlijk klef te worden.

            Livia boog zich onder het spreken naar me toe, haar aanzienlijke borsten kwamen mee naar voren. In het weekend ging ze vaak dansen in de Hinkstapsprong, vertelde ze. Geen wonder dat ik haar nooit in het uitgaansleven was tegengekomen. Op vrijdagavond zat ik meestal in de Krakkemik. Daar stond sinds een aantal maanden Nica achter de bar. Als de tent gesloten werd ging ik met haar mee naar huis, of zij met mij. Zaterdags bleven we tot aan de middag in bed. Het leven was simpel en overzichtelijk, er kwamen geen gevoelens aan ons samenzijn te pas.

 

‘Enig kind,’ zei ik.

            ‘Ik heb een broertje, anderhalf jaar jonger,’ zei ze. Haar ouders hadden een hond die uit het asiel afkomstig was en die een oog kwijtgeraakt was.

            ‘Dat vinden ze wel weer,’ zei ik.

            Livia hield zo van lezen dat ze er zelfs na de middelbare school mee doorgegaan was. Ik probeerde de titels van haar favoriete boeken te onthouden, want die moest ik, liefst deze week nog, allemaal gaan lezen. (Tot mijn opluchting bracht ze Star Trek niet ter sprake – zelf begon ik er voor geen geld over.) Ze las snel, per avond een middeldik boek. Maar nooit op dinsdagavond.

            ‘Want op dinsdagavond ga ik volleyballen.’

            En zo kwam ik in een halfuur tijd een hoop van haar te weten, onder meer dat ze een vriend had met wie ze samenwoonde.

 

Gatverdammezepokketyfuskolereneetvriend!

 

‘Daarom wilde ik niet eerder tegen je zeggen dat ik vanaf het moment dat ik je zag vlinders had,’ zei ze. ‘Ik kan er niet van slapen. Wim is zo’n lieve jongen, ik kan toch niet zomaar –’

            Ik zag nu ook de zenuwvlekjes in haar gezicht – het waren niet alleen sproetjes die er blonken.

            Wim! Wie heet er in godsnaam nou Wim, dacht ik onredelijk. Inwendig vervloekte ik de dag dat zijn moeder besloten had af te zien van abortus.

            ‘Zijn jullie al lang samen?’

            ‘Bijna twee jaar,’ zei ze. ‘Wim is vijf jaar ouder. Hij was al afgestudeerd toen ik ging studeren. Ik heb zelf maar een jaar Rechten gedaan, na de propedeuse had ik er geen zin meer in.’

            Ik probeerde me Wim voor te stellen. Hij was afgestudeerd en dus geen sportscholende vakkenvuller met tatoeages, piercings en hersendeficiëntie. Een lieve jongen, had ze hem genoemd. Het zou wel een nerd wezen die niet gekwetst mocht worden. Een ieceeteewatje.

 

‘Hij houdt honderd keer meer van mij dan ik van hem,’ zei ze. ‘Al een maand nadat we elkaar ontmoet hadden gingen we samenwonen. Voor mij was het een grote stap, het huis uit. Wim had net een relatie achter de rug. Die meid had hem heel lullig behandeld, dat vond ik zo zielig.’

            Net zo zielig als dat hondje met het ene oog, dacht ik.

            Ze konden gaan samenwonen omdat hij voor de klas stond en goed verdiende en zij bovendien een studietoelage had.

            ‘Ik weet niet wat ik moet doen, Rens,’ zei ze en pakte mijn hand vast. Ik wist het ook niet. Dat we hier tegenover elkaar zaten en met elkaar in gesprek waren was iets dat ik me een dag eerder nauwelijks had kunnen voorstellen – met een complicatie als Wim had ik al helemaal geen rekening gehouden.

            Wim hing tussen ons in als chef met zijn gekwetste enkel.

 

Er brak een ingewikkelde periode aan. Dat we meer dan collegiaal met elkaar omgingen moest voor de rest van het kantoor nog maar even verborgen gehouden worden – en het was ook al niet iets om buiten de muren van het pand van de daken te schreeuwen, want Wim waarde rond.

            Voordat ik haar bijna had liep ik me dol te prakkizeren hoe ik haar zou kunnen krijgen, nu moest ik me gaan richten op het elimineren van Wim.

            Ik had niet het idee dat Livia hem zomaar aan de kant wilde schuiven. ‘Trap die zak er toch uit!’ kon ik dus maar beter niet adviseren. Het was evenmin een goed idee me met hem begaan te tonen – stel je voor dat Livia daardoor besloot dat het beter was als we elkaar maar niet meer zagen. En elkaar zien was toch al een probleem.

 

Een week voordien kon ik haar in het voorbijgaan nog vrijblijvendheden toeroepen in de trant van ‘het lijkt wel of het maar blijft regenen’ – nu werd ik zo naar haar toe gezogen dat ik me moest beheersen om haar niet tegen me aan te trekken of over het kopieerapparaat te duwen, haar rok omhoog te schuiven en dan gewoon maar even vooroorlogs dropdrindruitdraf, no questions asked.

            Dat was ook zoiets. Ik had de beschikking over een een-kamer-plus-keuken-woninkje waar we na kantoortijd ongestoord en ongezien onze gang zouden kunnen gaan. Ik had haar nog niet gepolst over deze buitenkans, want ik had er wel zin maar geen trek in. Als je daaraan begint moet je in de gelegenheid zijn het driemaal daags te doen, zeker de eerste maanden.

            En trouwens: als ik stiekem met haar naar bed ging had je kans dat ze uit schuldgevoel fanatieker met Wim zou gaan vrijen. Hij zou niet weten wat hem overkwam en dan werd het helemaal onbegonnen werk hem van Livia los te weken.

            (Het lullige was dat er de laatste tijd niets gekomen was van een bezoek aan de Krakkemik en de aansluitende weekendvrijpartij met Nica. Ze zou wel denken.)

 

Begin april was er een personeelsuitje. Op de laatste maartdag waren we erin geslaagd de totale overstag geheveld te krijgen, en chef had vanaf zijn ziekbed laten weten dat we een gezamenlijk museumbezoek plus diner verdiend hadden.

            Meestal drukte ik me als zich zoiets voordeed – op mijn tweeëntwintigste had ik geen zin meer in schoolreisjes – maar nu ging Livia mee en was er geen houden aan.

            ’s Morgens werd er gewerkt, om halfeen reed er een touringcar voor. Chef, die nog op krukken steunde, was met een taxi gekomen om het uitje mee te kunnen maken. Hij nam op de voorste stoel rechts van de chauffeur plaats, en gaf zijn nog altijd verbonden enkel in het gangpad de vrijheid.

            Het viel nog niet mee om tijdens het korte ritje door de stad het lunchpakket weggewerkt te krijgen. Ik had nauwelijks eetlust, omdat Livia buiten mijn bereik twee stoelen voor me aan de andere kant van het gangpad zat.

            Een kans uit duizenden om bij elkaar op schoot te kruipen, zo’n uitje, maar ze was nog altijd panisch voor het uitlekken van onze verbondenheid. Haar gedrag begon me tegen te staan, en daar kwam nog bij dat het regende.

 

In de eerste grote expositieruimte die we betraden vergaapten de collega’s zich aan een gebruikleende Rubens waar ik geen reet aan vond, al zag ik natuurlijk ook wel dat het geweldig grote tieten waren.

            De collega’s zwierven uit. Ik belandde in een zaal vol etsen van lukraak door elkaar aangebrachte krassen, waarmee de kunstenaar zo te zien getracht had uiting te geven aan zijn destructieve inborst.

            Waar was Livia verdomme toch gebleven?

 

Ik vond haar in een zaal die niet toegankelijk was voor bezoekers jonger dan zestien jaar. Ze stond voor een schilderij dat Liggend naakt met komkommer heette en waarop slechts het deel van de komkommer te zien was dat uit het liggende naakt stak.

            ‘Ben je hier, lieverd,’ zei ik, en sloeg een arm om haar heen. ‘Ik liep me rot te zoeken.’

            ‘Sst!’ zei ze, en maakte zich van me los. Ik keek of ik misschien de suppoost had doen opschrikken, maar het gevaar bleek te schuilen in een clubje naderende collega’s.

            Ik had een lollige opmerking over dat liggende naakt en die komkommer willen maken, maar Livia’s vuurspuwende ogen trokken een grauwsluier over mijn humeur.

            De waanzin dat we niet eens in aanwezigheid van anderen een praatje konden maken! ‘Alles van waarde is weerloos’, luidde het citaat boven de ingang van het museum. Alles van waarde kon de rotzenuwen krijgen. Ik had zin om mezelf van kant te maken. Of iemand anders.

 

Het diner was een lopend buffet in een Chinees restaurant. We zaten aan lange tafels – Livia niet naast of tegenover me, maar twee tafels van me verwijderd, onze ruggen naar elkaar toe. Dat was dan het uitje waar ik niet van had kunnen slapen. En toen ging chef nog redevoeren ook.

            ‘Vrienden!’ zei hij, zijn stem verheffend. Hij was gaan staan en het kon niet anders of hij zou weer een halfuur nodig hebben om een verhaal van vijf minuten te vertellen. Toen hij begon te praten kreeg ik hoofdpijn, en na tien minuten begon zelfs de hoofdpijn pijn te doen.

            ‘Ik wil jullie graag hartelijk danken voor jullie aanwezigheid en ik wil tevens blijk geven van mijn erkentelijkheid voor jullie inzet de afgelopen weken. Het is daaraan te danken dat de Nederlandse divisie van Tribble International erin geslaagd is de totale overstag te hevelen, nota bene terwijl er in het afgelopen kwartaal sprake was van meer dan zeventien lambrijen waarvan de onderstand doorgeschuffeld diende te worden. Ik kreeg gisteravond laat een telefoontje van het hoofdkantoor in New York, en ze zijn daar meer dan tevreden over onze prestaties. Jullie hebben je beste beentje voor gezet. Dat heb ik zelf ook willen doen, maar dat pakte zoals jullie weten helaas verkeerd uit!’

            Met een woeste zwaai deponeerde hij zijn verbonden enkel pal naast iemands bord foe yong hai en er werd gierend gelachen.

            ‘Ouwehoer,’ mompelde iemand. Ik geloof dat ik het was.

 

Nog anderhalve week, dan zou er een einde komen aan Livia’s aanwezigheid op kantoor. Geen gezeur meer over gezien worden door collega’s, als je het met alle geweld positief wilde bekijken.

            Dagelijks stond de krant vol verkeersongelukken, verschillen van opvatting die in steekpartijen ontaardden, tropische ziektes waardoor het lichaam van de geïnfecteerde in luttele uren uiteen viel en dan nog een tijdje stinkend narookte – maar nooit kwamen de initialen van het slachtoffer overeen met die van de vriend van Livia.

            Toen zij aan het begin van haar laatste werkweek zei dat ze me iets te vertellen had, bleek het dan ook niet om Wims uitvaartplechtigheid te gaan.

 

We zaten weer tegenover elkaar in Cafetaria Kneiter, die we ieder op eigen gelegenheid bereikt hadden. Om niet van buitenaf als een item gesignaleerd te worden, kozen we een tafeltje ver van het raam vandaan.

            ‘Ik kwam Chira zaterdagmiddag tegen,’ zei ze. Ze was met Wim – met hem wel! – gaan winkelen en had de vriendin van de middelbare school ontmoet. ‘Ik had haar een paar jaar niet gezien. Hartstikke leuke meid. Vond Wim ook.’

            Laten we het nog eens over Wim hebben.

            ‘Dus daarom dacht ik,’ zei ze.

            ‘Dacht je wat?’

            ‘Als Wim voor Chira zou vallen zouden onze problemen opgelost zijn.’

            Voor mijn gevoel was onze gedoemde ‘relatie’ in een napruttelfase beland, maar ze was zowaar op zoek gegaan naar een oplossing. Wim hoefde alleen maar op Chira te vallen. Het zou een makkie zijn dat te ensceneren, als je buiten beschouwing liet dat hij stapelgek was op Livia.

            ‘Hoe wou je dat aanleggen?’ vroeg ik.

            ‘Misschien kunnen we met z’n vieren uit eten gaan.’

            ‘Vieren?’

            ‘Jij, ik, Wim en Chira. Zij omdat ik haar lang niet gezien heb, zodat we kunnen bijkletsen, jij omdat je een collega bent en omdat ik wegga bij kantoor.’

            Ik nam een slok van de nagenoeg koud geworden koffie.

            ‘Wat is die Chira er voor een?’

            ‘Ze is donker, pikzwart haar. Daar houdt Wim wel van. Chira komt uit Hyderabad, India.’

            ‘Economisch gevlucht?’

            ‘Humanitair geadopteerd. Toen ze een paar maanden oud was. Op school was het een schatje. Jammer dat ze altijd zo ongelukkig in de liefde was. Steeds verliefd op de verkeerde. Ze droeg indertijd een brilletje dat nergens naar leek. Als je haar nu ziet – een prachtige meid. Hopelijk is ze nog steeds ongelukkig in de liefde.’

 

We zouden gevieren gaan eten bij De Smikkelaar, en daarna –

            ‘Ergens wat gaan drinken, lijkt me,’ zei Livia.

            O nee, niet naar de Krakkemik. Dan zou Nica vragen waar ik al die tijd uitgehangen had of me aanhankelijk om de nek vallen of allerlei ongunstige dingen zeggen. Ze had drie keer mijn antwoordapparaat ingesproken en ik was zo hufterig geweest niets van me laten horen.

            Voordat ik iets beters kon opperen kwam Livia zelf met een alternatief.

            ‘Nee, dansen!’

            Ze leek er steeds meer zin in te krijgen. Ze wilde na het eten naar de Hinkstapsprong, dan zou Wim met Chira gaan dansen, en zij met mij, zodat – nou ja.

 

Misschien verschilden die beschamende schoolverliefdheden niet van de verliefdheden waar je op latere leeftijd last van kon krijgen. Het was nog maar een paar weken geleden dat ik in de ban raakte van Livia. Toen het wederzijds bleek te zijn raakte ik nog meer van de kaart, maar haar paranoïde gedrag ontnuchterde me. Van dat onzalige plan om Wim aan Chira te koppelen kon alleen maar gigantisch gelazer komen. Het was een faal-faalsituatie.

            Wim zou met Chira aan de haal gaan omdat ze donker haar had. Hij had niet meer nodig dan een etentje met een adoptiemeisje uit Hyderabad om Livia aan de kant te zetten.

            Het kan niet het kan niet het kan niet en het kan niet!

 

Voor Chira en Wim onder het mom van ex-collega die Livia nog eens wilde bedanken voor het assisteren bij het graneren van de bulk, ging ik De Smikkelaar binnen.

            Het leek me nog steeds een nodeloos ingewikkelde constructie – waarom moest ik erbij zijn? Livia had toch ook alleen met Wim en Chira uit eten kunnen gaan? Misschien was ik opgetrommeld om kletspraat met Livia uit te wisselen, zodat Wim vrij spel had met Chira. Hoe doortrapt was Livia in haar koppelgedrag?

            Ze had ’s middags op kantoor afscheid genomen. Als het me te gek werd was het etentje meteen ook de laatste keer dat ik haar zag.

 

Wim viel me honderd procent mee – of eigenlijk tegen. Omdat hij de nacht met Livia doorbracht was ik hem vijandig gezind, maar het bleek een erg sympathieke gozer te zijn. Hij stond voor de klas, en daar zag hij ook wel naar uit. Meer een bal dan een nerd, vooral door die lullige manchester broek en dito Downsyndroomtrui.

            Hij zat met Livia aan een tafeltje toen ik arriveerde, en stond op om me een hand te geven.

            ‘Wim.’

            ‘Rens.’

            Chira was er nog niet. Ik vertelde Wim over de formidabele arbeidsprestatie van uitzendkracht Livia. ‘Het vlimmen van de schering is een heel precies werk,’ zei ik, steels op mijn horloge kijkend.

            ‘Dat vertelde Livia me,’ zei Wim, die een goedmoedige sulligheid in zijn glimlach wist te leggen.

            Ik wil naar huis, dacht ik.

 

Kort nadat de ober voor Livia, Wim en mij wat te drinken had gebracht, arriveerde Chira. Ze wisselde met Livia drie zoenen uit en gaf Wim een hand.

            Livia had me verteld over Chira’s pikzwarte haar en het voormalige brilletje, maar ze had niets gezegd over de ogen die er achter dat brilletje gezeten hadden.

            ‘Ik ben Chira,’ zei ze.

            ‘Ik ben Rens,’ zei ik. Haar hand was in de mijne – ik voelde meteen dat ik die hand nooit meer los zou laten.

            O wat een ogen.

 

© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden.