Home                 Zoute
 griotten

Dodelijk
verliefd

Berichten uit
Buisdorp

Soep

Afgrijselijke
jeugd

Livia Werk in
wording
Mail eventueel
Weblog
Soms gestelde vragen
Publicaties
Schrijverspost
Literatuurpleinplek
Gastenboek
   
 

 

 

   
 

                  van dode mensen, de herinneringen die voorbijkomen

 

 

                                                                          tring

‘Moet je horen,’ zei mijn moeder, dus ik hield de hoorn alvast wat verder van mijn oor. Ze was die middag op visite geweest bij tante 2, wier man een paar weken daarvoor was overleden. Mijn moeder en tante 2 hadden over wijlen oom 2 gesproken, over sterven in het algemeen, over crematies en begrafenissen en de voor- en nadelen van beide, maar ook over minder ernstige zaken. Zo zei tante 2 tussen twee slokken thee: ‘Zeg, jouw moeder heeft voor ze met je vader trouwde een kind gekregen. Wist je dat?’ Mijn moeder, die haar leven lang bewust enig kind was geweest, wist op deze plompverloren gedane mededeling niet zo gauw wat te zeggen. Het kind was volgens tante 2 in het Academisch Ziekenhuis van Leiden geboren. Na de bevalling was de ongehuwde moeder nog een paar keer naar Leiden gereisd, maar het fijne wist tante 2 er ook niet van. ‘Wil jij nog thee?’

            Als ex-enig kind nam mijn moeder afscheid en greep thuisgekomen meteen de telefoon om mij het goede nieuws te vertellen.

 

 

                                                                    magnum opa

Veel kinderen beweren ten onrechte dat ze een bijzondere opa hebben maar ik had echt een bijzondere. Niet zo eentje van Bokkewagen spelen en mijn opa was de bok, maar meer Fles jenever kopen en m’n opa dronk ’m op. Laten we het maar zeggen zoals het is: de doorsnee opa is een futloos rimpelmannetje dat tandeloos kwijlend op de moderne tijd afgeeft en op een bankje in het park incontinent zit te kankeren op buitenlanders. Toen mijn moeder vroeg waarom hij niet eens gezellig ergens op een bankje in de zon ging zitten, antwoordde opa verontwaardigd: ‘Tussen al die ouwe kerels zeker!’ (Hij was toen al in de tachtig, en kankerde nog steeds niet op buitenlanders.)

            Heel de wereld had hij gezien, overal was hij geweest! Landen waar de bevolking voor negentig procent uit buitenlanders bestond, en voor tien procent uit immigranten! Twee wereldoorlogen meegemaakt! In Engeland samen met Lou Bandy in cafés gezongen!

            Over mijn opa zou je een boek kunnen schrijven. In een dolle bui heb ik dat weleens serieus overwogen. Het zou moeten heten Waar mijn opa was. Ten behoeve van dit boek zou ik alle oorden gaan bezoeken die opa bezocht had, van Londen tot Buenos Aires, van Indië tot Noorwegen, van New York tot Nijmegen – een magnum opus, een magnum epos, kortom. Maar wie zou dat allemaal gaan betalen? En trouwens, wat verbeeldde ik mij in die verre verten te zullen aantreffen? Opa kwam, zoals uit zijn verhalen bleek, in het buitenland eigenlijk alleen in cafés – moest ik soms een internationale kroegentocht beginnen? Ik, die nauwelijks dronk?

            Als opa over vroeger vertelde, had hij het nooit over musea of weergaloze vergezichten der natuur. Ben je gek. Wie hem hem de weg vroeg kreeg te horen: ‘Je gaat hier rechtsaf, dan kom je bij een café. Daar loop je langs, en dan ga je de derde straat rechts in: daar is een café. Aan het einde van die straat, schuin tegenover het café, daar moet je wezen.’

            Mocht ik onverhoopt in goeden doen raken, dan zou ik zonder moeite het spoor terug kunnen volgen, want opa bewaarde alles: getuigschriften, monsterboekjes, foto’s, documenten – onlangs vond ik tijdens een snuffeltocht nog een paspoort van hem uit 1919, een lidmaatschapskaart van Sociëteit Vereeniging ‘Onder Ons’ uit 1936, een postidentiteitskaart uit 1968, en een toeristenkaart uit 1971.

            Het is dat ik wel wat beters te doen heb dan een boek over mijn opa schrijven, want met zoveel overgeleverd materiaal zou een kleinkind de was kunnen doen.

 

 

                                                               een zwak geslacht

Stamboomonderzoek is een aardige methode om wat over het voorgeslacht te weten te komen. Aan het begin van de jaren tachtig, toen het een rage leek te zijn en er in de media bericht werd over mensen die ontdekt hadden dat ze van hun ouders afstamden, reden mijn ouders, zusje en ik nieuwsgierig naar Nijmegen, om in de archieven aldaar de voorzaten van opa op te sporen.

            Archieven waren niets voor mij, ontdekte ik. Een duffe, muffe bedoening, wat kocht je daar nou voor? Blijkens ferme taal op her en der aangebrachte waarschuwingsborden, werd absolute geluidloosheid op prijs gesteld – voor mij een aansporing om, al was het maar in gedachten, opruiende boeren en winden de vrije loop te laten.

            De archivarissen spraken op fluistertoon, of misschien ook kozen vooral mensen met een stembandaandoening voor een loopbaan in stilte.

            Begluurd door een archivaris met een bril en ook nog een snor, keken we behoedzaam voorhistorische boekwerken in. Huwelijksakten, vergeelde, half onleesbare documenten, ik kreeg er gewoon slaap van. Laat het verleden toch ruften! boerde ik inwendig.

            De grootvader van opa, las mijn vader zo zacht mogelijk voor, heette ook Evert, en was de zoon van een zekere Roelof. Evert trouwde met Dirkje. Hun zoon Cornelis, mijn overgrootvader, huwde Petronella, die op dat moment al van hem in verwachting was. Zij kregen, in een tijd dat gelukkig niemand nog wist wat een postnatale depressie was, twaalf kinderen, waarvan er zes verspilde moeite waren: Theadora Wilhelmina Petronella leefde twee jaar, Cornelis Hendrikus twee maanden, Wilhelmina Cornelia vijf maanden, en van een drieling leefde Johannes Hendrikus vijf maanden, Hendrikus Adrianus 39 dagen, en Hendrika Wilhelmina niet langer dan 21 dagen. Mijn opa, Everardus Hendrikus, hield het 85 jaar vol, wat voor een katholiek uitzonderlijk lang is.

            In Nijmegen bezochten we de buurt waar opa gewoond had; onder meer de Lompenkramersgas. Het voorouderlijk pand stond er niet meer, en ook de herberg van opa’s vader was onherroepelijk verdwenen.

 

 

                                                                      spoorloos

Mijn moeder had zich natuurlijk weleens afgevraagd of opa’s vele reizen naar overzeese gebiedsdelen hem ook in contact hadden gebracht met overzeese geslachtsdelen. Het was niet onvoorstelbaar dat in een onbewaakt ogenblik buitenechtelijk nageslacht verwekt was. Welk enig kind fantaseert zich geen geheimzinnig broertje of zusje? Hoopt niet iedere wees een Kruimeltje of Oliver Twist te zijn? Zulke fantasieën blijven meestal maar fantasieën, maar mijn moeder viel in de prijzen: er had een broertje of zusje bestaan, en dat bestond misschien nog steeds.

            Zou ze een oproep in de krant plaatsen? ‘Gezocht: wees, omstreeks 19** geboren in het Academisch Ziekenhuis van Leiden. Geen bartype.’ Of nee, juist wel natuurlijk, als opa de vader van het kind was. Het zou een stuk gemakkelijker geweest zijn als mijn moeder een bekende Nederlandse geweest was en in een Dit is uw leven-programma gehuldigd werd. Dan zou de presentator aan het slot tranen in zijn ogen krijgen en zeggen: ‘U hebt jarenlang vruchteloos gezocht naar uw doodgewaande broer of zus, maar wij hebben hem of haar voor u gevonden, en hij of zij komt nu door die deur of dat raam de studio binnen!’ Of toch ten minste, om aan alle onzekerheid een eind te maken: ‘Uw doodgewaande broer of zus is inderdaad overleden, maar wij vonden voor u zijn of haar urn!’

 

 

                                                         gekraakt over de drempel

Met oud en nieuw bleef oma bij ons slapen. Afgezien daarvan was de jaarwisseling al beproeving: van vroeg tot laat klonk in huis het hysterische gejank en geblaf van de poedel, waar door het continue afsteken van vuurwerk geen land meer mee te bezeilen viel.

            En dan ook oma nog.

            Een lief mens, een best mens, een schat van een oma. Maar twee hele dagen over de vloer?

            Ze was wat dovig, en daarom werd de televisieconference van Wim Kan op windkracht twaalf uit het toestel geblazen. Om ’s avonds in slaap te kunnen komen, slikte oma placebo’s, maar vanwege oud en nieuw mocht ze zo lang opblijven als ze maar wilde. Dat hebben we geweten. Bij tweeën was ze nog klaarwakker. Ze keek graag televisie, en dus keken ook wij naar Duitsland 1 of 2, de enige zender die zo laat nog uitzond. Er was een zeer luidruchtig programma aan de gang, vol hoempa, gedein en bierpullengezwaai, dat oma onafgebroken van gevat commentaar voorzag, opgezweept door de advocaatjes slagroom.

            Nadat mijn ouders haar eindelijk in bed hadden weten te werken, begaven zij zich met oogwallen als onderkinnen ter ruste, geestelijk en lichamelijk aan het einde van de reis.

            Door de ontbering van nachtmedicatie spookte oma op nieuwjaarsochtend om kwart voor zeven klaarwakker rond. Zelf doof voor het gerinkel van glaswerk dat de behandeling niet overleefde, waste ze de vaten, waarna ze onverbiddelijk op de deur van mijn ouders slaapkamer begon te bonzen, en riep dat het de hoogste tijd was om op te staan.

            Mijn ouders kwamen gekraakt uit bed, verzorgden geeuwend het ontbijt, dronken extra sterke koffie, en zagen sprakeloos dat oma op de bank in slaap gevallen was.

 

 

                                                                           opa

Opa vond zelf dat hij een aristocratische neus had, maar mijn peuterzusje had het altijd over opa grote neus. Er viel niet met hem te spotten. ‘Wie ben jij wel?’ placht hij uit de hoogte te zeggen wanneer iemand hem niet aanstond. Opa was niet kleinzerig: hij liep eens dagenlang rond met pijn. Dokter Cottaar werd opgetrommeld, en constateerde een beknelde breuk. Er reed een ambulance voor. Twee broeders draafden met een brancard de trap op of het een kwestie van leven of dood was, maar opa weigerde het huis uitgedragen te worden. Hij trok zijn jas aan, zette zijn hoed op, en liep voor de verbijsterde verpleegkundigen uit de trap af. Zonder een kik te geven onderging hij een ruggenmerkpunctie, maar als hij zich in z’n vinger gesneden had, kon hij daar dagen over blijven zeuren.

            Je kon alles met hem uithalen. Kregen andere opa’s op verjaardagen voor de pret een Beatlespruik opgezet, mijn opa zette er een van lang blond meisjeshaar op, waardoor hij eruitzag als een stonede oude indiaan.

            Prachtige uitdrukkingen gebruikte hij. ‘Ik heb nog nooit zo gelachen als morgen!’ ‘Als m’n bloed karnemelk wordt...’ ‘Wat een rare kat is dat, het lijkent wel een hond!’ (Wat het dan ook was.) ‘Dan moet je een hoge schoen dragen,’ adviseerde hij als hij vernam dat iemand aan iets (aan wat dan ook) leed. ‘Je kan alles over me zeggen, als je maar niet mijn naam noemt.’ En zijn logica was ongeëvenaard: ‘Ja, jullie kunnen goed zien, jullie hebben een bril.’

            Zijn gevoel voor humor kon zeer vermoeiend zijn. Als oma van een kennis vertelde dat deze vanwege haar ziekte de deur niet meer uitkwam, dan zei opa: ‘Nou, dan gaat ze toch door het raam!’

            Opa was gek op mij, ik was een gabber. Ik kon geen kwaad bij hem doen, maar hij hield me wel de hele tijd in de gaten. Als ik op bezoek was en de voorkamer even verliet om in de achterkamer te gaan snuffelen, kwam hij me achterdochtig achterna.

            Een eigenaardige vader was opa geweest. Oma vroeg hem eens of hij mijn moeder tijdens de wandeling van kleuterschool naar huis wilde vergezellen. Hij keerde onverrichter zake terug: hij had zijn dochter niet kunnen ontdekken, die gompies leken allemaal op elkaar.

            En dan de oorlog! Opa was geen held, hij was doodsbenauwd voor schuilkelders. Als hij erin moest, dan stelde hij zich bij de ingang op en hielp anderen bij het binnengaan, zodat hij er zelf als laatste in en als eerste weer uit kon. (Hij was blokhoofd; ik moet eens opzoeken wat dat precies inhield en of het te prijzen was.) Verzet? Nee, ik geloof niet dat iemand in mijn familie zich daarmee bezighield.

            Op een dag zag opa ergens een mooie deur liggen. Tsjonge, wat een mooie deur, dacht hij. Hij kwam thuis en zei tegen oma: ‘Je wilt niet geloven wat voor een mooie deur of dat ik gezien heb!’

            ‘Heb je ’m niet meegenomen?’

            En in no time voerden ze onderling oorlog.

            Maar op zijn manier was opa koelbloedig. Hij werd eens na spertijd op straat staande gehouden. Ten bewijze dat hij gerechtigd was zich buitenshuis te bevinden, overhandigde hij een uit zijn binnenzak te voorschijn gehaald document, een recept voor oogdruppels. Het werd vluchtig bekeken en opa mocht doorlopen.

            Qua voedseltochten en houtsprokkelarij moest het gezin het van oma hebben. Ze werd een keer aangehouden, terwijl ze met een kinderwagen vol bijeengesprokkeld hout onderweg was naar huis. Als volleerd toneelspeelster begon ze te jammeren over haar vele bloedjes van uitgehongerde kinderen, van wie mijn moeder (zoals toen algemeen werd aangenomen) de eniggeborene was. De beambte die haar aanhield had een lankmoedige bui en liet haar gaan, waarop oma timide vroeg of ze het hout mee mocht nemen.

            ‘Maak nou gauw dat je wegkomt!’

            Opa las geen boeken, hij ging niet naar de bioscoop. Televisie vond hij maar niks. Wat had je nou aan die poppetjes? Hij zat vaak voor het raam, rookte een pijpje en keek naar buiten, en zat daarbij, zoals hij het uitdrukte, te filosoferen. Niemand wist wat er dan in hem omging.

            In het kabinet (zoals de voorzijkamer genoemd werd) hing een uit de krant geknipte foto van president Kennedy, ernaast een van Lou Bandy.

            Opa vond oom 2 maar een misselijke vent, omdat hij schuine moppen vertelde. Maar in het ziekenhuis, een paar dagen voor zijn dood, door de blaaskanker lichamelijk en geestelijk gesloopt, had hij tegen een andere oom gezegd dat hij wel wat in dat verpleegstertje zag.

 

 

                                                                        bezoek

Elke zondag kwamen opa en oma op visite. Als het mooi weer was liepen ze de drie kilometer van hun huis naar het onze. Ze bleven dit doen tot oma in de zeventig was en opa in de tachtig. Op maandag en vrijdag kwam opa alleen, om mijn moeder bij te staan en om met mij te spelen: ik ging nog niet naar de kleuterschool.

            Opa was een man van de klok. Hij kwam nooit te laat, hij kwam voor de zekerheid te vroeg. Het gebeurde wel dat hij aanbelde op het moment dat mijn vader naar zijn werk vertrok, om halfacht.

            (Er zijn meer opa’s die een man van de klok zijn, maar de mijne was er zeer excentriek in, en oma deed niet voor hem onder. Mijn vader bracht hen op zondagavond met de auto naar huis. Ze spraken af dat ze na afloop van een bepaald televisieprogramma zouden vertrekken. Opa keek in de VARA-gids tot hoe laat het betreffende programma duurde en ging als het bewuste tijdstip naderde, ongeacht of er een spannende slotscène aan de gang was, zijn jas aantrekken. Wanneer de uitzending een kwartier later begonnen was, dan was dat jammer: op de gezette tijd gingen de jassen aan. Dit werkte nogal op de zenuwen van degenen die de uitzending volgden en ook het einde ervan bewust wilden meemaken.)

            Opa schilde voor mijn moeder aardappelen, waste af en deed boodschappen. Hij waste zijn handen vóór het aardappelen schillen, en van dun schillen was hij geen liefhebber. Maar hij was er in de eerste plaats om mij bezig te houden. Hij vertelde verhalen. Ik zei: ‘Opa, vertel nog eens van vroeger!’ – en het was als Sesam, open u! Zoals opa kon niemand vertellen. Ik ken alle verhalen nog, maar zou er niet een precies kunnen navertellen. Hoe vertel je muziek na?

            De verhalen gingen over een tijd die voorgoed verloren is, de tijd rond de eeuwwisseling, toen opa in Nijmegen (Nimwegen) woonde. De Waal was dichtgevroren en de kinderen speelden op het ijs, dat door de dooi begon te kruien. D’r uut, d’r uut, de Waal die kruut! luidde het S.O.S., maar opa stond op een ijsschots en dreef weg.

            Onder aangenamer weersomstandigheden leerde hij in de Waal zwemmen. Er was een touw gespannen en daar hield hij zich met een hand aan vast, terwijl hij met de andere de schoolslag oefende. Had hij die slag te pakken, dan hield hij zich met zijn andere hand vast en probeerde het zo. Hield hij ook op deze manier het hoofd boven water, dan trachtte hij te zwemmen zonder steun van het touw. Opa had echter een beschadigd trommelvlies; hij kreeg water in het oor en werd gedeeltelijk doof.

            En dan dat verhaal over die kerstnacht, toen hij op weg naar de nachtmis van de trap viel en een arm of een been of een arm en een been brak!

            De verhalen vertelde opa honderden keren, maar ik kreeg er nooit genoeg van. Hij vertelde als hij bij ons op bezoek was, hij vertelde als ik bij hem en oma logeerde en tussen hen in sliep. Hij vertelde ook als hij op een stoel in de gang de wacht hield terwijl ik met de deur open op de wc zat, want opa en oma hadden een heel enge wc zonder licht waar ik als vierjarige niet alleen dorst te gaan poepen.

            Opa las voor uit mijn sprookjesboeken en uit het Winterboek van Margriet. Soms zetten we twee stoelen voor het raam achter elkaar en speelden treintje. Hij nam een keer een pop voor me mee, een negerinnepop. Hij beloofde ook een hondje voor me mee te zullen nemen uit het asiel, maar die belofte kwam hij niet na. En al zeurde ik nog zo, hij wilde zijn baard niet laten staan. (Ik vond toen dat opa’s een baard hoorden te hebben.)

            Ik kon geen kwaad bij hem doen: als ik hem tegen zijn schenen schopte (wat zo nu en dan voorkwam) bleef hij lachen en zei alleen: ‘Niet doen!’, hoewel ik al behoorlijk hard kon schoppen.

            In hun slaapkamer hing een mooie oude staartklok. De klok liep niet helemaal gelijk, of hij stond stil – in elk geval besloot ik opa en oma een plezier te doen en de klok even op te winden. Met de hand ging het niet, maar toen ik een nijptang gebruikte begon er beweging te komen in het mechaniek, dat inderdaad volkomen ontwricht raakte. Oma was ziedend, maar opa stond erbij te lachen als de vader van Pietje Bell.

            Laat in de middag ging opa weer naar huis. Ik stond voor het raam te zwaaien. Op de hoek van de straat keek hij altijd nog even om, zette zijn hoed scheef op zijn hoofd alsof hij Maurice Chevalier was en maakte een dansje. Opa deed zulke dingen gewoon. Hij trok zich van niets of niemand wat aan.

 

 

                                                                  de verloren tijd

Het duurde zo lang voordat er eens wat gebeurde. Ik zat me op school maar te vervelen. Het was zo zonde van de tijd, naar school gaan. Ik kon best leren, maar deed mijn best niet. Toen in de zesde klas onze intelligentie getest werd, vond de onderzoeker het verbijsterend dat er zo’n hiaat zat tussen wat ik deed en wat ik kon. (En het was niet zo dat ik meer deed dan ik kon.)

            Een paar maal per jaar kregen mijn ouders rapporten onder ogen. De cijfers die ik behaalde waren niet opzienbarend, de opmerkingen die de meester of juf ernaast schreef vaak wel. In 1967 was ik ‘soms wat nerveus, verder prettige leerling’. Ik had ‘veel belangstelling voor alles’. Een jaar later luidde het vonnis: ‘Praat te veel’. Mijn concentratievermogen liet te wensen over: ‘Moet er met moeite bijgehouden worden’. En mijn belangstelling was ‘Goed, als hij maar niet zelf wat moet doen’. Ik had ‘moeite met getallenrelaties’. In 1969 maakte ik de gebruikelijke vorderingen, en ‘door onhandigheid veel fouten’. Mijn concentratie was verder gereduceerd tot ‘zeer matig, is snel afgeleid’. In de zesde klas namen de aantijgingen in hevigheid toe: ‘Weet soms zijn plaats t.o.v. de leerkracht niet’. ‘Plaagt graag medeleerlingen.’ ‘Heeft matige belangstelling.’ ‘Ontleden is nog steeds de moeilijkheid.’ ‘Maakt aardige opstellen.’

            Ik begrijp nog steeds niet wat de meester wilde zeggen met: ‘Is onhandig met weinig fantasie’. Zou ik misschien met meer fantasie minder onhandig zijn geweest?

 

 

                                                                           oma

Sommige dingen, zoals boodschappen, deed oma soms stiekem. Ze volgde doorgaans een route die opa kende: ze verliet de Kockstraat aan de ene kant, en keerde vanaf de andere kant terug. Opa keek op een keer in het spionnetje waar ze bleef, en dacht: wat duurt dat lang. Maar oma was om te pesten omgelopen, vanaf de andere dan de gebruikelijke kant met haar aankopen thuisgekomen, en in de keuken stilletjes aardappelen gaan schillen. Toen ik eens meeging boodschappen doen, bezochten we in plaats van de bakker een vriendin van oma die in de buurt woonde. ‘Niet tegen je opa zeggen hoor!’ samenzweerde ze, alsof er dan een verschrikkelijk dubbelleven aan het licht zou komen.

            Ze was op het ridicule af bezorgd. Mijn moeder ging wekelijks voor haar naar de wasserette. Als ze wat lang wegbleef, hield oma het niet meer uit, trok haar jas aan en begaf zich naar de wasserette om te zien of er niet iets huiveringwekkends gebeurd was.

            Hun huisarts, dokter Cottaar, kwam haar elke maand onderzoeken; meer uit gewoonte dan uit medische noodzaak. Hij schreef medicijnen voor tegen de ziekte van Parkinson, controleerde bloeddruk en hartslag, en oma was weer tevreden. Wanneer Cottaar met vakantie was, werd hij door een jongere collega vervangen. Een van zijn vervangers oogde wel bijzonder jong. Nadat hij oma onderzocht had, zei ze stralend: ‘Ik zal tegen de dokter zeggen dat je het goed gedaan hebt, hoor!’

            Oma was altijd opgewekt, maar keek van nature woest. In bejaardenhuis De Knekelburcht werd ze tijdens een sinterklaasviering zonder dat ze er erg in had gefotografeerd. Terwijl de andere bewoners op de foto schaterden, keek oma alsof ze op het punt stond de goedheiligman aan te vliegen.

            Ze hield van lezen, maar las weinig boeken. Er staat me bij dat ze gek was op Fulco de Minstreel. Gaslight vond ze een prachtige film. Ze lachte om Watt en Halfwatt. Ze heeft, 89 jaar oud, zitten gieren om de Funèsfilm Samen uit, samen thuis, die op tv werd uitgezonden. En ze genoot van Columbo. ‘Moet je kijken, straks gaat-ie weg en dan komt-ie weer terug.’

            Ze snapte niets van de afstandsbediening, je kon zonder dat ze er erg in had van zender veranderen. Als een echte oma hield ze van BZN. Ik was daar als een echte kleinzoon minder van gecharmeerd en zette als deze combo in beeld kwam altijd meteen het geluid af. Oma vroeg dan of de tv een klein tikkie harder kon, waarop ik geschokt uitriep: ‘Nóg harder?’

            Oma was al niet groot, en het leek wel of ze steeds kleiner werd. Het had geloof ik te maken met het ruggenmerg dat aan het verschrompelen was. Zelfs haar hoofd paste steeds ruimer in haar bontmuts, waardoor ze er als een verlopen Russische berenjager uit ging zien. Al was ze op ’t laatst een en al rimpel, ze moet vroeger een leuke verschijning geweest zijn. Een van de oudste foto’s die er van haar bewaard gebleven zijn, toont haar wandelend op straat, op z’n zondags gekleed in een charlestonjurk en met een koket hoedje op.

            Veel oma’s evolueren op den duur tot vette vormeloze vleesmassa’s die door bloemetjesjurken bijeen worden gehouden, maar mijn oma hield een tenger postuur. En ijdel bleef ze ook. ‘Moet je toch eens kijken,’ zei ze vaak, en wreef dan mistroostig over haar schenen, en vond het verschrikkelijk dat haar benen minder kans liepen bezongen te worden dan zeventig jaar voordien.

            Op een middag dat zij bij ons was, werd er gebeld. Ze ging opendoen en kwam even later in paniek de kamer binnengedribbeld. ‘Er staat een zwerver aan de deur!’ (Het was een benedenbuurman, die een snor en een bril had.)

            Over een goede vriend van mij, die inderdaad wat aan de mollige kant was, zei oma tegen mijn moeder: ‘Met zo iemand laat je ’m toch niet spelen!’ (We hadden samen een fiets uit de sloot gevist en kwamen deze ter reparatie aan mijn vader aanbieden.)

            Oma en ik konden het altijd goed met elkaar vinden. Als ik in De Knekelburcht op bezoek kwam, hoefde ze m’n gezicht maar te zien of ze begon zowat te juichen.

            ‘Dag oma.’

            ‘Ha, Martien!’ (Ik kon honderd keer zeggen dat het Martin was, voor opa en oma bleef het Martien.)

            Meestal kwam ik tegen etenstijd, en dat wist ze.

            ‘Ik heb een stukkie vlees voor je bewaard,’ zei ze. ‘En er ligt ook nog een toetje in de koelkast.’

            Terwijl ik me ontfermde over vlees en vla, spoelde oma de rest van de warme hap door de wc. De zuster die de boel kwam afruimen vroeg of het gesmaakt had.

            ‘O, heerlijk, zuster,’ zei oma met een stralend gezicht. Een volleerd toneelspeelster.

 

 

                                                                          knus

Soms was het lekker knus. Knus was bij opa en oma logeren. Het eten was er altijd heerlijk, oma kon onvoorstelbaar goed vlees braden. Het bestek en de borden waren mooi oud. Na het avondeten was het wachten op de ijscoman die elke zomeravond door de straat kwam. ’s Nachts sliep ik tussen opa en oma in. De slaapkamerdeur zat dan op slot. Ze waren bang dat ik zou gaan slaapwandelen of nachtsnuffelen en daarbij in het donker van de trap zou vallen. En overdag maakte ik met opa een wandelingetje naar de speeltuin of naar de hoefsmid die in de straat achter die van hen zat. Knus was het ’s winters, als het gevroren en gesneeuwd had. Onderweg naar school zakte je tot aan je enkels in de onbegane sneeuw weg. We kregen elke ochtend een flesje melk. Wie dat wilde mocht het flesje op de verwarming leggen, en wie warme melk zonder meer niet lustte, kon van huis bruine suiker meenemen om erdoor te roeren. Knus was het ’s zomers, als ik zonder jas buiten mocht spelen. Als mijn vader dan van zijn werk kwam en ik aan het voetballen was, sprong ik bij hem achterop en dan reden we een blokje om. Knus was het als we ’s winters op de Laakkade gingen schaatsen. Knus was het ’s zomers, als we met z’n drieën naar het strand gingen. Niet vroeg, zoals het hoorde, maar pas na tien uur, omdat er van alles ingepakt moest worden. Knus waren verjaardagen, dan werden er klapstoelen gehuurd en kwamen opa en oma en alle ooms en tantes op visite. Die keer dat oom 6 me met een rijmpje de hele avond de slappe lach bezorgde: Tante Greet / Liet een scheet / Die over de tafel gleed / Martin wou ‘m pakken / Maar hij was te heet! En soms maakte ik het zelf knus, zoals wanneer mijn vader moest overwerken en mijn moeder in de keuken bezig was en ik in de voorkamer vrij spel had. Dan schoof ik de overgordijnen die altijd open bleven dicht en deed een paar schemerlampjes aan en de grote lamp uit, en ik zette de kachel hoger, zodat de kamer door de vlammen extra knus verlicht werd.

           

 

                                                                        werken

Opa’s eerste betrekking was die van barbiersbediende. Hij zeepte de klanten in, de barbier schoor ze. Ook bracht opa voor een hoefsmid paarden weg. Maar het duurde niet lang voor hij als kelner zijn bestemming gevonden had; een beroep dat hij tot zijn 72ste jaar zou uitoefenen.

            Een van de oudste getuigschriften die ik van hem bezit is van september 1907. Opa werkte in Hotel/Café/Restaurant Bristol aan de Stationsweg in Den Haag, als jongste kelner, ‘gedurende eenige maanden tijd waar op zijn gedrag niets aan te merken is geweest’. Een maand later werd de twintigjarige uitgeloot voor militaire dienst. Hij werkte in 1908 in Kuys-Witsenburg in Rijswijk, en in dat jaar ook in Scheveningen; de directie van de Seinpost verklaarde dat hij ‘gedurende het seizoen 1908 aan haare onderneeming is werkzaam geweest als kellner. Gedurende deze tijd heeft hij zich doen kennen als een fatsoenlijk persoon en getoond voor zijn werkzaamheden voldoende berekend te zijn.’

            In 1910 reisde opa naar Engeland. Hij woonde er in een Boarding House en werkte onder meer tot 15 september in het Coburg Hotel, Carlos Place, Grosvenor Square. Hij ‘has been employed at the above Hotel as aide d’Etage, from March 11th until the above date, and during that time he has always carried out his duties to my satisfaction. He is honest, sober, and industrious, and I have much pleasure in recommending him. He leaves of his own accord.’ (Het hotel is te zien in Frenzy, Hitchcocks voorlaatste film.)

            Een jaar later zat opa in Brussel, en werkte hij bij Au Filet De Sole. Hij ‘est reste chez moi l’espace de quatre moins en qualité de commis de restaurant’.

            De volgende jaren was opa voornamelijk op zee; in 1921 keerde hij terug naar Nijmegen. Dateert uit deze tijd die anekdote van de snor? Zijn ouders hadden een café. Opa was lange tijd van huis geweest. Enkele bemanningsleden hadden in het kader van een weddenschap hun snor laten staan. Besnord betrad opa het ouderlijk café, en liep meteen door naar de keuken, waar hij aan een tafel ging zitten en een sigaar opstak. Een zus van hem riep paniekerig dat dat echt niet ging, en dat meneer gauw moest maken dat hij wegkwam. Als opa zich niet als weergekeerde broer had bekendgemaakt, zou de politie waarschijnlijk ingeschakeld zijn.

            Opa vond in Nijmegen emplooi in Hotel Mariënboom, aan de Groesbeekseweg. Het getuigschrift meldt dat hij ‘gedurende vier maanden als Restaurant-kellner bij mij is werkzaam geweest en zich gedurende dien tijd als een eerlijk en zijn vak goed verstaand persoon heeft doen kennen, zoodat ik hem ten allen tijde bij u kan aanbevelen’.

 

 

                                                                     kroeglopen

Opa’s vader was aanvankelijk sigarenmaker, later herbergier. Zijn eerste café bestond uit een opstelling van enkele tafels en stoelen, midden in het bos. Broers en zusters van opa hadden ook een café; hem werd er een aangeboden om uit te baten, maar opa bezocht dergelijke gelegenheden liever als klant. Wanneer hij dat gedaan had, kwam hij vaak in beschonken toestand thuis en beklom dan zo goed en zo kwaad als het ging Happy days are here again zingend de trap. In plaats van hem juichend in haar armen te sluiten en met liefkozingen te smoren, keek oma hem aan als een zich ontladende donderwolk, waarop hij vloekend rechtsomkeert maakte en op zoek ging naar een omgeving waar zijn aanwezigheid op de juiste waarde werd geschat. Als hij een paar uur later opnieuw een poging ondernam thuis de trap te bestijgen, moest hij daarbij door opgetrommelde tante 7 ondersteund worden.

            Toen hij ouder werd kwam hij nog maar zelden in de kroeg. Wat had hij er te zoeken? Het voordeel van bejaard zijn is dat je als je maar volhoudt al je generatiegenoten overleeft, al je vrienden en kennissen.

            Soms nam hij mij mee naar de hertenkamp bij het Malieveld. Ik was vier jaar en genoot van zulke expedities. We gingen met lijn 16 of 17 naar de stad en eerst langs bij oom 3, een broer van opa, die in de Casuariestraat woonde en ons brood voor de hertjes verstrekte. Bij de hertenkamp aangekomen, ontdeden we ons snel (door de zak om te keren) van het brood en liepen naar de Halstraat. We aten een kadetje met kaas in de broodjeszaak en gingen dan het belendende café in. Opa dronk een paar borreltjes en ik kreeg een flesje prik. Als we thuiskwamen en mijn moeder de drankkegel rook die aan opa voorafging, dan werd haar humeur angstaanjagend.

            Hoewel hij mij geduldig meenam naar de kroeg, bleek ik een slechte leerling: mijn drinken lijkt nog steeds nergens naar. (Na twee blikjes bier kan ik in mijn eigen huis de binnentrap niet meer vinden.) Als opa niet gecremeerd was, zou hij zich omdraaien in zijn graf.

 

 

                                                                     beetje raar

Ze hadden zo hun eigen eigenaardigheden, opa en oma. Opa vooral. Hij had vrij vreemde ideeën over de werking van het lichtnet, en die kwamen er globaal op neer dat hij de boel niet vertrouwde. De televisie had bijvoorbeeld een aan-/uitknop, maar als je het toestel daarmee op non-actief stelde, dan stond het nog altijd via het snoer met het stopcontact in verbinding, wat het risico van elektrische calamiteiten inhield. Opa deed de televisie dus uit door de stekker eruit te trekken.

            Ze hadden een parkietje waar niets mis mee was, totdat het op een dag van zijn stokje viel. Opa vroeg aan oma of zij geen mond-op-snavelbeademing wilde toepassen, maar oma voelde daar niets voor en gooide het vogellijkje in de vuilnisbak.

            Op postbestellers kon je destijds nog rekenen: als een instantie toegezegd had dat er op die of die dag een bericht zou komen, dan kwam dat ook. En als dat bericht verwacht werd op een dag waarop opa en oma ons zouden bezoeken, dan kwamen zij niet. Opa was bereid een hele dag met wachten te verdoen, want als de postbode ’s morgens niets gebracht had, dan kon er altijd ’s middags nog wat bezorgd worden.

            Raar. Maar ja, wie niet, een beetje, soms.

            Zo rook ik zelf soms een sigaar, wat op zichzelf natuurlijk allesbehalve raar is. Ik had jarenlang de gewoonte maar drie maanden per jaar te roken, van oktober tot en met december, om­dat ik op de laatste dag van het jaar met iets wilde kunnen stoppen.

            Op den duur ging ik het beter uitkienen, maar het is voorgekomen dat ik de 31ste december meer sigaren te paffen had dan ik menselijkerwijs aan kon. Ik herinner me een oudejaarsavond waarop ik, om het doosje voor twaalven leeg te krijgen, op een gegeven moment maar twee sigaren tegelijk opstak. Tegen de tijd dat de klokken begonnen te luiden, was de rookontwikkeling zo gigantisch geworden, dat we de ramen moesten openschuiven om te kunnen zien dat er buiten vuurwerk werd afgestoken.

 

 

                                                                    schrijfkunst

Onvermoeibaar las opa me voor – alsof hij wist dat ik daar als geboren schrijver profijt van zou hebben. Ik schreef al voordat ik kon schrijven! Ik verzon, vier, vijf jaar oud, verhaaltjes die ik aan opa dicteerde. Hij schreef ze met een potlood in een agenda. De agenda en de verhaaltjes zijn verloren gegaan, maar ik herinner me nog dat sommige vertellinkjes over Fred Flintstone gingen, wiens avonturen ik op de televisie volgde. Aan het eind van elke aflevering werd hij door zijn huisdier Dino op straat gezet en dan probeerde hij door met zijn vuisten op de deur te beuken en Wilma! te roepen weer binnengelaten te worden; een manier van doen die ik uitgelaten imiteerde door met mijn knuistjes mijn vaders rug te bewerken.

            Nadat ik op de lagere school had leren lezen, ontdekte ik de prachtigste kinderboeken: Pietje Bell, Dik Trom, De Kameleon, Arendsoog, De AFC’ers, De Baard van Daantje, Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen, Pinkeltje en de raket, Jan van Beek, Harlekijntje op kasteel Hemelhoog, Pipo en het diepzeegeheim, Bulletje en Boonestaak, Mik en Spruit op de miljoenenjacht, Sjors en Sjimmie (de originele reeks uit de jaren vijftig en zestig), Wiplala, Wipneus en Pim, Pim Pandoer en Pim, Frits en Ida.

            En op zondagochtend vroeg, als mijn ouders uitsliepen en het buiten nog donker was, Het geheimzinnige eiland of Naar het middelpunt der aarde, met alleen een enkele schemerlamp aan, wat het lekker griezelig maakte.

            Door het vele lezen begreep ik dat schrijven moeilijk was – want hoe kregen die schrijvers het toch voor elkaar, precies zoveel woorden te gebruiken dat een regel van het begin tot het eind vol letters stond, alle regels precies even lang. Ik probeerde soms ook te schrijven, maar steeds was een woord net te lang of te kort, waardoor de regel net langer of korter uitviel dan de vorige, en dat was geen gezicht.

 

 

                                                                  betere kringen

Tsja, dat kind. In de tijd dat het geboren moest zijn, woonde oma op een kamer aan de Nassaulaan, had mijn moeder ontdekt. Bij ene Moenen.

            Oma werkte als dienstbode bij een rijke familie die op de Mauritskade een kapitaal pand bezat. Zou ze misschien een kind gekregen hebben van een van de viriele zonen des huizes, zoals destijds in die kringen gebruikelijk was? Mijn moeder en ik begonnen begerig te speculeren.

            Het kind was in het geniep door de rijkelui aangenomen en opgevoed, dat stond hoogstvermoedelijk waarschijnlijkerwijs wel zekerheidhoudend vast. Want het merkwaardige was, nadat oma bij die familie ontslag genomen had, bleef ze er elk jaar wel een keer op bezoek gaan. Om met de oude dame te spreken over...

            De laatste keer dat oma er over de vloer kwam, was een maand of zes voordat de oude dame overleed, en die was op een paar dagen na honderd geworden. Aan wroeging gestorven natuurlijk. Nee, daar zat meer achter dan wij dachten, al was het merkwaardig dat moeder en kind indertijd niet waren afgekocht met een fooi en een enkele bootreis Java.

            Het buitenechtelijke kind was dus door de gefortuneerde familie grootgebracht, nadien de wijde wereld ingetrokken, op zoek naar z’n identiteit of weet ik veel, had zijn van huis uit al aanzienlijke fortuin weten te verdubbelen, wist van gekkigheid niet wat ermee te doen, liet tegenwoordig Rolls-Royces af en aan rijden, zomaar, voor de kick, en kon als meervoudig multimiljonair ruimschoots in zijn onderhoud voorzien.

            Het was zaak, zeker ook uit financieel oogpunt, zo spoedig mogelijk met dit heer- of dameschap in contact te komen.

 

 

                                                           hup zonder de beentjes

Toen ik opgeroepen werd voor een medische keuring in verband met de militaire dienstplicht, won ik advies in bij oma. Ik had gehoord dat je afgekeurd kon worden wanneer bepaalde akelige ziektes erfelijk in de familie circuleerden. Uit mijn hoofd kende ik twee gevallen van fatale kanker, twee van suikerziekte, een van reuma, wat hartafwijkingen en er was zelfs een oom bij die een hersenoperatie had ondergaan, dus ik dacht: dat zit wel snor! Bovendien leden enkele verwanten aan een zeldzame huidziekte, die slechts bij vier families in heel Nederland scheen voor te komen; een aandoening waarbij de patiënt niet aan overdadig zonlicht blootgesteld kon worden, op straffe van formidabele vlekken en korsten.

            Oma – zelf had ze de ziekte van Parkinson – somde nog een aantal door mij over het hoofd geziene erfelijke mankementen op, dacht diep na, en zei toen: ‘En dan had je tante 7 nog.’

            ‘Wat was daarmee?’ vroeg ik, belust op iets zeldzaams en ongeneeslijks.

            ‘Die kon kaartleggen.’

            Oom 3 leed aan suikerziekte, maar trok zich daar niets van aan. Medicijnen slikte hij incidenteel, en dan nog niet eens in de voorgeschreven dosering, zodat de ziekte haar kans schoon zag en oom volledig te grazen nam. Hij kreeg last van zijn benen, ging moeilijk lopen, en begaf dan maar op z’n pantoffels naar de kroeg. Daar vond hij wel verdoving, maar geen genezing, en ten slotte werd hem een zwart geworden been afgezet. Oma, die een enorm talent voor tactloosheid bezat, zocht hem in het ziekenhuis op en wilde voor de aardigheid het resterende been bekijken.

            ‘Dat wordt ook al zwart, dat zal er ook wel af moeten,’ stelde ze de zieke gerust.

            ‘Wie zegt zoiets nou!’ zei mijn moeder, toen oma verslag had uitgebracht.

            Maar nog geen week later werd het tweede been inderdaad geamputeerd.

            ‘Zie je wel,’ zei oma triomfantelijk, alsof ze een weddenschap gewonnen had.

 

 

                                                                       snelpost

Hoor spoor je een zo lang geleden geboren kind op? Het was in het Academisch Ziekenhuis van Leiden ter wereld gekomen, maar daar weigerde men iets voor ons te ondernemen. Dergelijke gegevens waren vertrouwelijk en konden alleen aan de direct betrokkenen verstrekt worden. ‘Maar die zijn dood!’ wierp mijn moeder vergeefs tegen; ik wilde er vergeefs aan toevoegen dat het toch niet vaak zou voorkomen dat ouders kwamen vragen hoe het met de geboorte van hun kind ook alweer precies gegaan was. Enfin, ik had in elk geval de naam van de geen medewerking verlenende geneesheer-directeur, en dat zou mooi van pas komen als ik in een misdaadroman een roofmoordslachtoffer nodig had. Ik ben wel sullig, maar laat niet met me sollen!

            De burgerlijke stand van Leiden aangeschreven.

            Er ging een keurige brief de deur uit, ik heb feeling voor die dingen, gesteld in authentiek ambtelijke taal, compleet met ‘mitsgaders’, ‘onderlaatst’, ‘het zou mij geensdeels onwelgevallig zijn’ en, je kan niet voorzichtig genoeg zijn, ‘desontberenderwijs toch de uwe, verblijf ik inmiddels hoogachtig’.

            Twee weken na datum postmerk was er nog geen antwoord. Je denkt eerst nog vertederd: ach ja, die ambtelijke molens. Mijn moeder belde de burgerlijke stand op. Ze kreeg te horen dat de brief niet ontvangen was.

            In aller ijl stelde ik een nieuwe brief op. Er was geen tijd meer voor stroopsmeerderij, dus ik volstond met ‘middelerwijl’, ‘laatstleden’ en, vooruit dan maar, een ‘onherroepelijkerwijs verblijf ik, met de meest hoge achting uw geëerde ommegaande antwoord inwachtende’.

            Drie weken verstreken. Mijn moeder belde de burgerlijke stand, en vernam dat ook brief twee niet was aangekomen.

            Wraak!

 

 

                                                      intermezzo: MDJ contra PTT

Vroeger werd er tweemaal per dag post bezorgd: ’s morgens en ’s middags. Ik heb dat nog meegemaakt. De postbode was vaak een gepensioneerde mindervalide magazijnmeester met een gering IQ, die, zoals een autist het telefoonboek uit z’n hoofd kan voordragen, de van God of gen gegeven gave bezat huisnummers van elkaar te onderscheiden.

            Wie op 1 maart een brief verzond, kon ervan verzekerd zijn dat deze op 2 maart van datzelfde jaar op het juiste adres waar ook in Nederland werd bezorgd, in plaats van onderweg ergens in een sloot te belanden omdat de postbode geen zin meer had.

            Werd er een pakje besteld, dan wachtte de besteller na aanbellen ten minste een halfuur, om de geadresseerde de gelegenheid te geven onder de douche vandaan of uit bed te komen en naar de deur te gaan, en sprong niet seconden na het indrukken van de bel weer in de bestelauto om naar het dichtstbijzijnde koffiehuis met softdrugvergunning te scheuren, zoals thans aan de orde van de dag schijnt te zijn.

            Bleek de geadresseerde niet thuis te zijn of in coma te liggen, dan stelde de postbode, voor zover de schrijfkunst machtig, een beleefde brief op, waarin hij zijn verontschuldigingen voor de afwezigheid van de bewoner aanbood. Hij zou het pakje wel zolang mee naar huis nemen en later die dag door zijn oudste zoon (‘een doodgoeie knul, meester, zo waar als ik hier sta!’) per eerlijk verdiende fiets (krantenwijk) ‘ijs en weder dienende onverwijld bij Uedele te Uwent’ laten afleveren. (Dikwijls had deze zoon behalve ernstige acne van het onbeteugelde zelfbevlekken zware astma en loenste hij licht.) Om de geadresseerde gerust te stellen, voegde de postbode eraan toe dat de zoon evenmin als hijzelf de CPN of de homoseksualiteit aanhing.

            Deze tijd, het is verdrietig maar waar, lijkt voorgoed voorbij te zijn.

            Tegenwoordig vindt de postsortering plaats met behulp van zelfdenkende computers, chipgestuurde postcodeafleesapparaten en andere automatiseringsverworvenheden, zodat je niet raar moet opkijken als een brief in plaats van te laat helemaal niet aankomt.

            Ik heb het meegemaakt dat ik de trap afkwam om de post uit de muurbrievenbox te vissen en op de grond een aan mij geadresseerde vertrouwelijke belastingaanslag ontdekte. Ik heb gezien dat een postbode met een tsjingboemende walkman op het hoofd zijn werk deed. Ik heb een keer een postbode betrapt bij het uit de brievenboxen trekken en op de grond werpen van reeds bezorgde kranten, om zo ruimte te scheppen voor zijn post, zodat ik hem moest vragen of hij zulks op de stinkende vuilnisbelt waar hij kennelijk domicilie hield ook placht te doen, en zo ja, dan maar daar en liever niet hier.

            Een aantal jaren geleden was de maat weer eens vol, en moest ik ongeveer dit schrijven:

 

 

30 mei

 

Geachte heer/mevrouw,

 

Vanmiddag heb ik tot tweemaal toe getracht telefonisch met u in contact te komen. De eerste keer had u lunchpauze, de tweede keer theepauze. Ik schrijf u daarom dus maar, want ik ben bang dat ik bij de derde opbelpoging zal vernemen dat uw werkdag na de theepauze om is en dat u thuis verder bent gaan rusten.

            Ik woon op de derde verdieping. De brievenboxen bevinden zich op de begane grond, zodat ook moeilijk ter been zijnde postbodes hun werk kunnen doen.

            Maar wanneer een pakje te groot is voor de brievenbox, dan mag de postbode zich toch wel de moeite getroosten, hoge schoen of geen hoge schoen, het poststuk persoonlijk boven te brengen? U zult het al wel geraden hebben: dit is heden niet geschied. In de brievenbox beneden trof ik een formulier aan waarop stond dat er een poststuk vergeefs was aangeboden. Nou, al zeg ik het zelf, de oortjes doen het nog best, en aangebeld is er de hele dag niet. Trouwens, áls de postbode ondanks die pen in zijn heup, de stramme ledematen en de overspannen kniegewrichten, werkelijk de derde etage had weten te bereiken, waarom lag dat formulier dan beneden in de brievenbox en niet boven op de mat?

            Het is niet mijn gewoonte mij tot klachteninstanties te wenden. Ik ben mij er terdege van bewust dat deze louter dienen om de klagende klant naar de mond te praten en hem in het vooruitzicht te stellen dat de schuldige nog diezelfde dag standrechtelijk zal worden gevonnist, terwijl men bij de klachteninstantie tranende ogen krijgt van de ingehouden slappe lach. Ik wilde u slechts mijn medeleven betuigen, want ik realiseer mij dat het voor u niet eenvoudig zal zijn ongeschoold personeel te vinden dat voor zijn taak berekend is.

 

Ziezo, daar hoor je nooit meer wat van, dacht ik voorbarig. Maar een paar dagen later werd ik opgebeld door voorman X. Hij wilde graag weten hoe het nu precies zat met mijn klacht, want de meerlettergreppige woorden en lange zinnen hadden hem in verwarring gebracht. Langzaam sprekend gaf ik een zakelijke samenvatting van het gebeurde.

            De volgende dag belde X opnieuw. Hij had de betreffende postbode te pakken gekregen, aan een verhoor onderworpen, en uit hem gekregen dat hij wel degelijk bij mij had aangebeld. Het lag dus aan mij. ‘Geef hem dan maar een sigaar voor de schrik en stuur hem een uurtje eerder naar huis, dan praten we er verder niet meer over,’ zei ik, en hing op.

            Op 15 juni, mijn verjaardag, werd er ’s morgens om kwart voor negen aangebeld door de heer Y van de PTT, die geen poststuk of cadeautje kwam brengen, maar zichzelf. Hij wilde de kwestie nog eens persoonlijk met mij doorspreken. Ik wees hem een stoel en verstrekte, toen ik zag dat hij het te kwaad begon te krijgen, een aantal papieren zakdoeken. Ik moet bekennen dat mijn eigen ogen ook niet droog bleven, want wat had die hardwerkende en onderbezoldigde Y het moeilijk met zijn onwillige bezorgers, terwijl zijn vrouw hem niet begreep (of, erger nog, juist wel), zijn jongste dochter aan minderjarige zwangerschap leed en zijn oudste zoon gedreigd had in de verdovende middelen te gaan.

            Ik sprak de voorman opbeurend toe, deed hem uitgeleide en besloot nimmer ooit nog waar dan ook hoe dan ook officieel een klacht in te dienen, want je had er alleen jezelf maar mee.

            Op 28 juni kwam er een brief van de heer Z, zich noemende directeur. Hij schreef dat hij een onderzoek had laten instellen, en dat hij na de uitleg die Y mij gegeven had een en ander nog eens wilde toelichten. Het personeel begon de werkzaamheden volgens Z om 06.00 uur, zodat de theepauze vroeg viel.

            Wat was dit nou weer voor gelul? Verbouwereerd las ik verder.

            Ik had gelijk, schreef de directeur, traplopen viel niet mee, waardoor velen voortijdig werden afgekeurd.

            Wat had ik daarmee te maken? Gelukkig, hij kwam ter zake.

            De directeur kon helaas geen actie tegen de betreffende postbode ondernemen, omdat ik verzuimd had te schrijven wanneer de postbestelling op onjuiste wijze was geschied.

            Kijk, dat hij het in zijn malle directeurshoofd haalde met onzinnige opmerkingen over knieblessures van postbodes zijn tijd en dus mijn belastingcenten te verspillen, dat kon ik billijken. Maar de overige te berde gebrachte nekkletserij kon ik niet onweersproken laten. Ik schreef daarom ongeveer dit:

 

 

28 juni

 

Geachte heer Z,

 

Hartelijk dank voor uw brief, die ik zojuist ontving. Uw schrijven was gedateerd 24 juni, en is dus slechts vier dagen onderweg geweest. Bravo PTT!

            U beweert ijskoud dat ik in mijn klachtbrief niet heb vermeld op welke datum de postbezorging op incorrecte wijze geschiedde. Bovenaan mijn brief valt echter te lezen: 30 mei, en verderop schrijf ik dat de bezorging ‘heden’ op niet-correcte wijze verliep.

            Een aantal dagen voor het ongevraagde onderhoud met de heer Y heb ik reeds contact gehad met een collega, de heer X. Deze vertelde dat hij de betreffende bezorger had aangesproken over mijn klacht.

            Uw opmerking over de theepauze van het bestellend personeel slaat helaas ook al nergens op. Jammer! Bij mijn vergeefse pogingen telefonisch een klacht in te dienen, heb ik de afdeling Bestellend Personeel niet gebeld, maar de afdeling Klachten.

 

Op deze brief kwam geen reactie. Het kan zijn dat de directeur zich verslagen wist en onteerd voor een rijdende posttrein gesprongen is, het kan ook zijn dat zijn antwoord mij door een bezorgfoutje niet heeft bereikt.

 

 

                                                                     geboortegil

Brief twee kwam toch nog bij de burgerlijke stand van Leiden boven water (een andere afdeling had zich er per abuis meester van gemaakt) en mijn moeder kreeg zowaar ordentelijk antwoord op haar vragen. Er was inderdaad een kind geboren, een jongen, van wie oma de moeder was. Het kind had maar een paar weken geleefd. Omtrent het vaderschap kregen we ook uitsluitsel, want het kind kreeg oma’s achternaam (Huis) en opa’s voornaam (Evert).

            Een gefortuneerde halfbroer of halfzus kon mijn moeder op haar buik schrijven, evenals een ongefortuneerde volbloedbroer of -zus. Enfin, niets aan te doen – een gestorven baby kun je niet meer tot leven wekken, hooguit tot leven schrijven. (Misschien wel een idee: het leven van Evert Huis beschrijven. Bezorg ik hem een dominant schrijfgen, want daar kan je het ver mee schoppen. Dan hebben opa en oma hem niet voor niets op de wereld gezet, en heeft zijn korte leven aantoonbaar nut gehad.)

            Achteraf kon een aantal zaken verklaard worden, zoals het merkwaardige gedrag van oma, toen zij te horen kreeg dat ik geboren was. Oma had, nadat het nieuws haar verteld was, het raam opengeschoven en de hele straat bij elkaar geschreeuwd, een scène die in een film als The Omen niet misstaan zou hebben.

            Oma’s emotionele uitbarsting had mijn moeder bevreemd, maar nu begreep ze de oorzaak. De zoon van oma was op 12 juni geboren – ikzelf kwam niet op die dag te voorschijn maar op de 15de. Onmogelijk dat oma de geboortedag van haar eigen zoon vergeten was; de tijd eelt alle wonden, maar de herinnering is niet tijdgebonden.

            En daar kwam nog wat bij: mijn ouders waren aanvankelijk van plan mij Evert te noemen.

 

 

                                                                      oudheden

Weet je nog, zeiden ze op verjaardagen als er geen koffie meer geschonken werd maar alcohol, hoe we vroeger op een fiets met lekke banden tegen de wind op naar Parijs reden! Het avontuur, de ontdekking, het nieuwe! Mijn grootouders hebben het allemaal meegemaakt: de straten vrij van auto’s, de lucht vrij van vervuiling, rivierwater waar je in kon zwemmen. Ze hebben de eerste primitieve auto’s zien rijden, slapstickvliegtuigen over zien komen, maar ook op de televisie de eerste maanlanding gevolgd. Ontdekkingen, uitvindingen, te veel om op te noemen. Radio. Televisie. Telefoon. Druipercurerende penicilline.

            Zelf maakte ik rudimentjes oudheden mee. We moesten op zaterdagochtend naar de kleuterschool. We schreven op de lagere school aanvankelijk nog met inkt. In het tafeltje, rechts naast de zwarte pennengleuf, zat de inktpot, die afgesloten kon worden door een schuifje met een reliëf in ruitmotief waar vaak zo aan gemorreld werd, dat het klem kwam te zitten. We spraken de leerkrachten met u aan, en in een enkel geval was dat terecht. We konden op het asfalt rolschaatsen, zo weinig autoverkeer kwam er op zondag langs. Op straat voetballen zonder het gevaar te lopen overreden te worden. (Ik heb maar een keer een fietser onderuit gekregen dankzij mijn harde schot in linkerbeen, waarmee ik ook een bevriende buurjongen tijdens een vriendschappelijk partijtje een gebroken scheenbeen bezorgde.)

            En dan de kolenboer! Het huis was in rep en roer, in de gang kwam karton te liggen, want de kolenboer scheidde niet te reinigen vuil af. Op de trap kon je ze al horen boeren, de kolenboeren! Ze hadden ’s nachts verse kolen uit de mijnen geschept en waren uit Limburg vertrokken om ons een paar mud te bezorgen. Bij binnenkomst begonnen ze zich stampvoetend voort te bewegen, waardoor er lekker veel gruis opsteeg. Luid oprispend liepen ze roetstuivend naar het balkon en leegden hun kolenzak in het kolenhok. Helaas kregen we toen ik een jaar of negen was een gaskachel en toen was het gebeurd met de kolenboer. Het kolenhok op het balkon werd tot schuur omgebouwd; een onvergetelijk roetspektakel, waarbij mijn vader tot in zijn oren vervuld raakte van het kolengruis.

            De nu opgroeiende generatie is niet te benijden: alles is er al. Huiscomputers, megamagnetrons, hoogdefinitie plasmabreedbeeldtelevisies, middenklasse-automobielen met airco en airbag, vliegvakanties naar het einde van de wereld – wat valt er nog voor nieuws te bedenken? Over vijftig jaar is er niemand meer die nog bewust oudheden heeft meegemaakt.

 

 

                                                                   Media Noche

Wanneer ik bij opa en oma op visite was, wilde ik altijd foto’s kijken. Opa had bovenin een slaapkamerkast een grote kartonnen doos vol foto’s van vroeger. Foto’s uit de tijd van Laurel en Hardy. Toen ik een jaar of vijf was (zelf herinner ik mij dit niet meer) zei opa, die mij kennelijk vroegrijp wilde maken: ‘Moet je eens kijken,’ en overhandigde mij tot onthutsing van oma twee exemplaren van het tijdschrift Media Noche, die ook in de fotodoos bewaard werden.

            De blootbladen vormen familiegeschiedenis. Opa kocht ze in de jaren twintig of dertig in Buenos Aires of Rio de Janeiro, smokkelde ze met gevaar voor inbeslagname ons land binnen, en toonde ze aan vrienden die op bezoek kwamen. Ze werden voor mijn moeder verborgen gehouden, maar die was ook niet op haar achterhoofd gevallen, en tegen de tijd dat de puberteit er rijp voor was, had zij ze op een snuffeltocht ontdekt en ter heimelijke bestudering achterovergedrukt.

            Media Noche was een herenblad (formaat 19 x 14 cm, discreet in de binnenzak te transporteren), zo’n 70 pagina’s dik. Het was geïllustreerd met blootfoto’s zoals in Boons Mieke Maaike staan: meest zijaanzichten. De enkele frontale naakten waren zwaar geretoucheerd, waardoor de dames het onderlichaam van een etalagepop opgelopen leken te hebben. (Wie zijn theoretische kennis van het vrouwelijk lichaam uit dergelijke boekjes haalde en aan de praktijk besloot te toetsen door zijn geliefde van haar kleren te ontdoen, zal nog raar hebben opgekeken.)

            De foto’s waren voorzien van onderschriften: ‘Ella es una mujer práctica, no como los hombres, que se la tragan con los ojos...’ Mijn Spaans is nog steeds niet wat het geweest had kunnen zijn (op school kon je voor het vak vrijstelling krijgen als je veel onvoldoendes haalde!), en misschien is het wel Portugees, maar de taal van humoristische foto-onderschriften is gelukkig internationaal.

            Media Noche was rijkelijk voorzien van de betere cartoons (man komt broek ophijsend uit huis van plezier; ielig ventje wordt thuis opgewacht door robuuste echtgenote met deegroller; kwijlende oude baas kijkt door sleutelgat naar vrijend paartje) en korte verhalen (El pago de la modista). Hoogst curieus eigenlijk dat dergelijke in- en infatsoenlijke lectuur vroeger in beslag genomen kon worden, terwijl er toch totaal geen sprake was van onverbloemde seks met dode varkens of exotische reptielen.

 

 

                                                                        zeeroep

Misschien tijdens zijn eerste oversteek naar Engeland hoorde opa de roep van de zee: niet lang erna ging hij scheep als tafelbediende 1ste klasse. Ik bezit drie zakboekjes met gegevens over zijn vele reizen. De eerste maakte hij in april 1912 naar New York met de Nieuw Amsterdam, de laatste in april 1934, naar Buenos Aires.

            Vaak werden er aan boord foto’s gemaakt. Er is een mooie serie bewaard gebleven, gemaakt tijdens een feest, de bemanningsleden in hemdsmouwen aan een met drank overladen tafel. Sommigen scheel, sommigen dronken, sommigen beide.

            Opa reisde overal naartoe, het vaakst naar Buenos Aires. In de periode 1928 – 1929 maakte hij een aantal reizen met de Gelria naar die stad, waarbij de schrijver Slauerhoff als scheepsarts aan boord was. Opa las geen boeken en was nooit ziek. Hij schijnt een keer malaria gehad te hebben en kreeg een dagenlange jeneverkuur voorgeschreven – misschien wel door Slau.

            De zakboekjes waren tevens getuigschriften; na elke reis werd ingevuld hoe het bemanningslid zich van zijn taak gekweten had. Hij werd beoordeeld op ijver, gedrag en bekwaamheid. Opa’s beoordelingen varieerden altijd van goed tot zeer goed, behalve een keer, een reis met de Potsdam van Rotterdam naar New York: zijn gedrag en ijver werden als middelmatig bestempeld. Volgens opa kwam dit doordat de kapitein een rotzak was.

 

 

                                                               jonge onderzoeker

Ik was een jaar of negen en speelde graag in de keuken, bij voorkeur op zondagochtend, als mijn ouders uitsliepen en ik ongestoord mijn gang kon gaan. Ik nam uit het keukenkastje allerlei flessen met allerlei reinigingssubstanties, plaatste een plastic teil in de gootsteen en ging naar hartelust wetenschappelijke proeven nemen. Ik goot chloor in de teil, soda, ammoniak, Atrix handcrème, Dubro, azijn: stinken maar!

            Eenmaal klonk er tijdens zo’n wetenschappelijke proefneming een knalletje, maar dat had geen ravage tot gevolg: nooit slaagde ik er als mijn voorbeelden Laurel en Hardy in met een enkel plofje het hele aanrecht een aantal meters te verplaatsen (maar ik heb de hoop nog niet opgegeven).

            Op een middag vond ik in het gootsteenbakje een ballon, maar het was wel een beetje een rare ballon. Ik deed ’m om het tuitje van de kraan en liet ’m vol water lopen. ‘Wat is dat voor een ballon, mam?’ vroeg ik. ‘Gooi dat ding toch weg,’ zei ze. ‘Ja, maar waar is dat ding voor?’ ‘O, dat heeft je vader nodig voor zijn werk.’

 

 

                                                                      vertellers

De eerste dag werd ik door m’n moeder naar de kleuterschool gebracht. Een aansteller was ik gelukkig niet. Huilen? Daar lachte ik om. Ik had niet eens gehuild toen ik geboren werd, zodat ze me moesten knijpen om me aan het ademen te krijgen. De aanstellertjes met wie ik gedwongen was in een kleuterklas te zitten werden jammerend uit de armen van hun sip kijkende moeders getrokken.

            Mijn klas zat op de eerste verdieping; ik bleef er maar een dag. Mijn moeder vond de stenen trap die ik op en af moest te gevaarlijk, en regelde overplaatsing naar een beganegrondlokaal. Ik had een heel erg leuke juf die heel erg lief was. (Daarom heette ze ook juffrouw Vrolijk; later kreeg ik een leraar die Kalf heette en inderdaad een rund was, en nog weer later had ik meneer Droog, die gaf economie.)

            Een jaar later trouwde de lieve aardige juf en verliet de school. De directrice die haar verving was helemaal niet lief of aardig en ze trouwde dus ook niet en bleef maar op die kleuterschool lesgeven; ze deed dit zelfs nog toen mijn zusje er negen jaar na mijn schooldebuut twee jaar kwam doorbrengen. (Mijn zusje moest haar eerste dag wel huilen. Bij haar geboorte was ze ook meteen al gaan blèren, maar daar stond tegenover dat ze het klaarspeelde de kraamzuster een pluk haar uit te trekken. Als we in een restaurant aten kreeg mijn zusje haar cola altijd in een stenen mok geserveerd, omdat ze de gewoonte had glazen stuk te bijten.)

            Het was een christelijke kleuterschool, de enige kleuterschool bij ons in de buurt. Er zaten geloof ik merendeels kinderen op van atheïsten, deïsten, communisten, theosofen en maanaanbidders, want als ik tijdens het ochtendlijke bidden rondkeek, zag ik dat alleen de juf haar ogen dicht had, terwijl de overige aanwezigen haar meewarig aankeken of een lange neus trokken.

            Met kerst las de directrice voor uit de bijbel en dan hadden we een brandende kaars op ons tafeltje, met de helft van een doormidden gesneden aardappel als kaarshouder. Ik luisterde ademloos naar de bijbelverhalen. Die God de Vader was al net zo spannend als Moeder de Gans!

            Op de lagere school, omstreeks de vijfde klas, kregen we godsdienstonderwijs van iemand die nog beter kon vertellen. Een hoogst onschuldige man was het, waarschijnlijk een speciale schooldominee of een kinderdominee. Hij had een puntsik waar hij onder het vertellen keer op keer zijn hand doorheen haalde. Als hij oudtestamentische strijdtonelen beschreef, dan bootste hij ter illustratie de gevechten na, als een schijnbokser. Baf! Knal! Meppes! Satan, wijk! Pets! Hier jij, farizeeër! Linkse directe! Uppercut!

            We zagen Goliath knock-out neergaan en applaudisseerden voor de godsdienstleraar, die als een vooroorlogse voordrachtskunstenaar de revers van zijn colbertje vastpakte en glunderend voor ons boog, waarna hij met een zakdoek zijn verhitte voorhoofd bette.

            Hij was wat gezet, had een uitgesproken kale kop (het kan ook een voormalig patertje geweest zijn) en was afkomstig van een van de Zuid-Hollandse eilanden. Wekelijks kwam hij in zijn gammele oude Mercedes helemaal naar Den Haag gereden om ons godsdienst en pugilistiek bij te brengen, maar vaak had de Heer andere plannen, en strandde hij onderweg met panne, tevergeefs trachtend de automobiel met gebed en gemep weer aan de gang te krijgen.

            De onze was een openbare lagere school, en het volgen van godsdienstonderwijs was niet verplicht. Wie niet gelovig was of lid van een andere religieuze beweging (er zaten twee kinderen van Jehova’s getuigen in de klas; ze vierden sinterklaas niet) of de zaken anders zag dan God, mocht tijdens de les in een ander lokaal gaan zitten tekenen. Lange tijd bood ik weerstand aan de verleiding de godsdienstlessen te verzuimen, maar ten slotte gaf ik eraan toe, zij het met spijt achteraf, want er gaat niets boven een goed verteld verhaal.

 

 

                                                           het grootouderlijk huis

Het huis van mijn grootouders was een andere wereld. Het had een voor- en een achterkamer, gescheiden door schuifdeuren waar een gordijn voor hing. Een vriend van opa had eens in een dronken bui dat gordijn opzij geschoven, in de veronderstelling dat erachter een urinoir verborgen werd gehouden. Zelfs oma, die alles kon opdweilen, had er om moeten lachen.

            Er was een voorzijkamer (het kabinet) en er was een keukentje met daarachter nog twee vertrekken: de uitbouw, uibou genoemd. Het waren mysterieuze holen waar ik niet graag alleen kwam. Gelukkig kwam opa me altijd meteen achterna als ik voor een snuffeltocht de voorkamer verliet. Het ene uitbouwvertrek diende als kolenopslagplaats, het andere bevatte onder meer een door tante 2 langdurig gestalde fiets en twee hutkoffers van opa.

            In de achterkamer stond een groot tweepersoonsledikant, ernaast een even donkerbruine linnenkast met een zwarte hoedendoos erop. In een hoek een stilletje. Aan de muur, naast de gemolesteerde staartklok, hing de medicijnkast; een houten kastje met een gordijntje ervoor. Hierin werden de meest zonderlinge medicamenten bewaard. Van sommige potjes, flesjes en tubetjes was het etiket door vervetting onleesbaar geworden, van andere stond de inhoud globaal vast: oogdruppels, oordruppels, neusdruppels, zalf. Het opmerkelijkst was dat van haast alle geneesmiddelen de houdbaarheidsdatum ruimschoots verstreken was. Dit maakte opa en oma niet uit. Had een van hen last van bijvoorbeeld een pijnlijke knie, dan ging er zalf op. Het gaf niet wat voor zalf, want zalf was zalf – geen wonder dat opa zichzelf semi-arts noemde.

 

 

                                                                 meneer pastoor

De eerste jaren dat mijn grootouders getrouwd waren, kwam er regelmatig een pastoor over de vloer. Misschien om een bindend stemadvies te geven (katholieken die het waagden rood te stemmen moesten er rekening mee houden na hun dood tot in de eeuwigheid aan deze kleur te worden blootgesteld), misschien om zijn bezorgdheid erover uit te spreken dat opa en oma slechts één kind, ook al was dit mijn moeder, hadden voortgebracht (zoals zoveel gelovigen menen ook katholieken dat het overdrachtelijk bedoelde ‘gaat heen en vermenigvuldigt u’ een aansporing is tot konijnengedrag).

            Opa was volgens de burgerlijke stand katholiek, maar deed er niets aan; oma was van huis uit protestants of iets in die geest, en deed daar zo mogelijk nog minder aan. (Ze vertelde eens trots dat ze als klein meisje van haar moeder een cent voor de kerk had meegekregen en die met een vriendinnetje was gaan versnoepen. Toen ik daar later eens op terugkwam, ontkende ze dat dit gebeurd was. Machteloos woedend maakte zo’n ontkenning mij; als ik haar met mijn gelijk confronteerde, ging ze er niet op in.)

            De pastoor gaf bij zijn huisbezoeken opa een hand, en oma uiteraard niet. Hij achtte het evenmin noodzakelijk het woord tot haar te richten. Opa had daar wat van moeten zeggen, maar hij liet de pastoor altijd maar kletsen, en dat was misschien ook wel het verstandigste.

            Tijdens zijn laatste bezoek merkte de pastoor op dat opa en oma eigenlijk niet getrouwd waren.

            ‘Wat? Zijn we niet getrouwd?’ riep oma kokend uit.

            ‘Niet voor de kerk, vrouw, niet voor de kerk.’

            Zijn opmerking had de paapse ploert beter voor zich kunnen houden. Opa lachte hem inwendig net zo hard uit als anders, maar oma reageerde extraverter en riep de koorknapenkontknijper iets toe in de trant van: ‘Rot jij nou gauw op, roomse rotzak!’, greep hem bij zijn kladden en zorgde ervoor dat de naar slechte sigaren en goedkope wijn stinkende godsvertegenwoordiger sneller dan zijn benen hem dragen konden in de richting van de onderste traptrede verdween.

 

 

                                                                de gelaarsde kut

Lang geleden waren mijn ouders bevriend met een echtpaar dat mijn zusje en ik oom en tante mochten noemen. Wij deden dit natuurlijk niet, want het waren geen echte oom en tante. Bovendien heette onze vader ook al Jan; als een neef of nicht hem oom Jan noemde, dan vonden wij dat raar klinken. Jan was geen naam voor een oom. Een oom hoorde Piet of Joop te heten, en dan het liefst ‘ome’.

            Totdat zij naar de lagere school ging en merkte dat klasgenootjes dit niet deden, sprak mijn zusje haar vader bij zijn voornaam aan: zonder oom ervoor is Jan een naam die lekker in de mond ligt voor een kind dat kleuter is.

            Zelf riep ik als ik hem nodig had ‘pa!’; vader hebben wij onze vader nooit hoeven noemen. Ik kende kinderen die dit wel deden, en je had er zelfs bij die ‘u’ zeiden tegen hun ouders. De onze deden dit nog wel tegen de hunne, zodat wij opa en oma ook maar met ‘u’ bejegenden.

            Van nature ben ik nogal een u-zegger waar het volwassenen betreft, maar er waren altijd twijfelgevallen, zoals de Jan die wilde dat wij hem ‘oom’ noemden. Hij was te eigen voor ‘u’ en te oud voor ‘jij’, zodat er meestal een halfslachtig ‘ju’ uit kwam.

            Voordat mijn zusje leerde lezen kon zij al lezen. Wij hadden haar via sinterklaas een boek cadeau gedaan waarin de avonturen van Peter Konijn geïllustreerd beschreven werden. Het was een boek met op elke pagina een grote afbeelding van een situatie, met daaronder een regel tekst.

            Talloze keren moesten wij haar uit het boek voorlezen, net zo lang tot zij de tekst uit haar hoofd kende, en deze op haar beurt ging voordragen alsof ze de leeskunst machtig was.

            De oom en tante die eigenlijk geen oom en tante waren verdeden een groot deel van hun tijd op een camping in het noorden van Zuid-Holland. Ze vonden het er zo gezellig, dat ze elk weekend mensen uitnodigden om de gezelligheid samen mee te ondergaan. (Er kwam soms zelfs een vrouw die aan kanker leed.) Ik kon mij niet voorstellen dat er veel aan was, en bleef dan ook liever thuis als mijn ouders en zusje er een dagje naartoe gingen. Maar op een keer besloot ik toch maar mee te gaan, want er stond barbecue op het programma.

            De camping was een in blokjes gehakt weiland waarop iedere bewoner zijn domein door een heg had afgeschermd van dat van de buren. Er stond een stacaravan waarin ‘oom’ en ‘tante’ de nacht doorbrachten. Draagbare televisies waren in die tijd nog te tillen; die in de caravan had een piepklein scherm en een uitschuifbare antenne, dus ik snapte niet hoe ze het er een hele zomer uithielden.

            Mijn zusje vermaakte zich met Peter Konijn, en ik slofte een paar keer om het terrein heen tot het tijd was voor de barbecue. ‘Oom’ Jan had een boot, maar die was in reparatie.

            Toen de middag al een aardig eind op streek was, arriveerde er nog een bevriend echtpaar, dat helemaal uit Zeeland was komen rijden voor een half dagje camping. Ook van dit echtpaar was de man Jan genaamd. Hij was getrouwd met een Indonesische vrouw, en vertelde, waar zij bij zat, dat hij indertijd een Chinese echtgenote had willen hebben, maar dat zijn huidige wederhelft ook redelijk voldeed.

            Ik was blij dat ik deze Jan niet oom hoefde te noemen, en sprak hem dan ook hardnekkig met ‘u’ aan.

            De Zeelandse Jan kende na een paar blikjes bier nog een mop die hij kwijt moest.

            ‘Ik sprak van de week een keuringsarts die Milva’s moet keuren. Hij zegt: gisteren had ik er een, die had een kietelaar als een augurk. Ik zeg: zo groot? Hij zegt: nee, zo zuur!’

            Hij keek mij aan alsof hij dacht dat mij als veertienjarig onbenul de strekking wel ontgaan zou zijn, zodat ik besloot hem af te troeven met een mop die onlangs onbegrijpelijkerwijs op de radio was uitgezonden.

            Helemaal letterlijk is de bak mij niet bijgebleven, maar hij ging ongeveer zo: Een man neemt de trein naar Amsterdam. Daar aangekomen blijft hij bij het uitstappen met een schoen haken, waardoor de hak afbreekt. Hij is op weg naar een receptie en waar hij onberispelijk voor de dag wil komen, dus er moet wat aan die schoen gebeuren. Het is halfzeven in de avond, de winkels zijn dicht, maar misschien, denkt hij, is er ergens nog wel een schoenmaker bij zijn leest te vinden. De man loopt door de Amsterdamse binnenstad, tot hij in een steegje een uithangbord ontwaart waarop een grote laars staat afgebeeld.

            Hebbes, denkt hij. Tot zijn opluchting is de deur van de winkel niet gesloten, en hij naar binnen. Hij komt in een kamer terecht. Na een tijdje hoort hij gestommel, schuifdeuren schuiven open, en een dame staat voor hem.

            ‘Heeft u tijd om deze schoen te repareren?’ vraagt de man.

            ‘Schoen repareren?’ zegt de vrouw verbaasd. ‘Dit is een hoerenkast!’

            ‘Een hoerenkast?’ zegt de man, ook verbaasd. ‘Maar er hangt buiten zó’n laars!’

            ‘Wat moet ik dan? Zó’n kut buiten hangen?’

            Het was een mop waar alle Jannen en hun echtgenotes om gierden. Ik nam nog een stukje barbecuesaté, en probeerde te onderscheiden wat er zich op het televisieschermpje afspeelde.

            De volgende dag, zoals elke zondag, kwam oma op visite. Mijn zusje, die haar al zo vaak uit Peter Konijn had voorgelezen, besloot een andere geschiedenis aan oma toe te vertrouwen, en vertelde, terwijl oma aandachtig luisterde, de mop van het uithangbord met de laars woord voor woord na, inclusief de verpletterende clou.

            Aan het gezicht dat oma trok viel af te lezen dat ze dit beschouwde als een mop om u tegen te zeggen.

 

 

                                                                het dementorium

Oma functioneerde niet meer zo goed: ze kreeg staar. Volgens dokter Cottaar kon ze eraan geopereerd worden. (Opereren? Iemand van 89?) Bovendien leek oma te gaan dementeren, en dat was een groter probleem. Zelf zat ze het meest over haar staar in.

            Oma: ‘Weet jij een goeie tandarts?’

            Moi: ‘Waarvoor?’

            Oma: ‘M’n oog moet eruit.’

            Moi: ‘Maar dan moet u toch geen tandarts hebben!’

            Oma: ‘Ach nee, ik bedoel een pedicure.’

            (Toen mijn zusje een keer vertelde dat ze voor het slapengaan haar contactlenzen uitdeed, dacht oma dat de oogballen dan op een schoteltje kwamen te liggen. Ze vond dat geen prettig idee.)

            In De Knekelburcht kreeg oma extra aandacht. Ze ging deel uitmaken van een groepje geestverwanten dat een paar middagen per week bijeenkwam en dan door deskundigen geobserveerd werd bij het zingen van stompzinnige kinderliedjes en het praten over vroeger.

            Oma raakte dagelijks dingen kwijt die ze niet kwijtgeraakt was, maar die gestolen waren. Haar kunstgebit bleek zo’n gewild object voor dieven te zijn, dat ze het ’s nachts onder haar matras moest verstoppen.

            ‘Ze jatten hier alles!’ beweerde ze met grote stelligheid, en inderdaad werden bestek en brillen regelmatig in de kamer van iemand anders aangetroffen. Een man die op dezelfde gang een kamer had en druk bezig was ontoerekeningsvatbaar te worden, dronk ’s middags altijd een kopje thee bij oma en kwam nu ook midden in de nacht aanzetten, gekleed in slechts deels dichtgeknoopt ondergoed.

            (We hadden veel met oma te stellen, daar viel niet over te twisten. Een kennis die een jaar of vijftien jonger was dan oma had minder compassie dan wij. ‘Als ik later zo lastig word mogen ze me goedschiks of kwaadschiks opbergen.’ Met dat soort uitspraken kun je maar beter voorzichtig zijn: nog geen twee jaar later werd de betreffende kennis niet alleen ‘lastig’, maar liep ook van huis weg zonder te beseffen waarheen en was daarbij een gevaar voor zichzelf en haar omgeving. Binnen de kortste keren ging haar wens in vervulling: ze werd kwaadschiks opgeborgen. Ik schrijf dit niet met voldoening, maar ook niet helemaal zonder, want wie aan mijn oma kwam, kwam aan mij.)

            Oma dement? Het leek er veel op. Als ze maar niet weg moest uit De Knekelburcht! Het bejaardenhuis zag de toestand een tijd lang met veel geduld aan, maar riep toen derden te hulp. Een blablafiguur van een of andere instantie kwam met oma praten en oordeelde het verstandig haar tijdelijk ter observatie op te laten nemen in een dementorium, waar ze wel zouden uitmaken hoe erg het was. Een weekje observatie, meer niet.

            Oma ging achter slot en grendel en kreeg tweemaal daags bezoek. Als de visite vertrok wilde ze met alle geweld mee, maar het verplegend personeel was aanzienlijk sterker.

            Na een week geobserveerd te zijn, werd oma overgeplaatst naar een andere afdeling. Daar zaten de zwaardere gevallen. Hoogbejaarde dames die om de haverklap hun jas aantrokken en lieten weten dat ze bij hun moeder op visite gingen. Inzichzelfmompelaars. Een man die nog wel als het nodig was naar het toilet ging, maar daar aangekomen vergat zijn broek te laten zakken, en als een wandelende stinkbom op de recreatiezaal terugkeerde.

            En oma? Oma was helemaal niet dement. Oma bleek aan suikerziekte te lijden. Haar lever was niet in orde, die moest nader onderzocht worden. Bij de onderzoeken was ook aan het licht gekomen dat ze niet aan de ziekte van Parkinson leed. Cottaar had haar jarenlang medicijnen tegen de ziekte voorgeschreven, de lul! Bij oma op de televisie stond een foto van haar, gemaakt toen ze een jaar of veertig was. ‘Kijk, je kan aan haar ogen de Parkinson zien,’ had Cottaar gezegd.

            Na drie weken mocht oma terug naar De Knekelburcht.

 

 

                                                                      geldzaken

Er was een ‘keurige heer’ langs geweest om eens te praten, en nu hadden opa en oma ook een girorekening. Mijn moeder bewoog hemel en aarde om deze rekening voor het te laat was weer op te heffen, maar het was al te laat.

            Aan het begin van de maand kreeg opa het bericht dat zijn AOW onderweg was. Mooi, dacht hij, en ging naar het postkantoor om het geld in ontvangst te nemen. Hij vulde een kascheque in en incasseerde de contanten. Twee weken later werd de AOW op de rekening bijgeschreven. Mooi, dacht hij toen hij de bijschrijving bestudeerd had, en hij ging naar het postkantoor om het geld in ontvangst te nemen. Hij vulde een kascheque in en incasseerde de contanten.

            Wanhopig trachtte mijn moeder hem aan zijn verstand te brengen dat er iets niet helemaal klopte, maar opa dacht er anders over.

            ‘Wat nou? Ze hebben het geld toch zelf gegeven!’

 

 

                                                                 een paar samen

Waar opa en oma elkaar hadden leren kennen? In de kroeg natuurlijk. Oma wilde daar later niet aan herinnerd worden, maar de jeugd van toen gedroeg zich niet opzettelijk zedelijker dan de jeugd van tegenwoordig, die trouwens angstwekkend braaf schijnt te zijn (de provogeneratie heeft de yuppiegeneratie voortgebracht; je zal als middelbare gezagsondermijnende provo maar opgescheept zitten met kinderen die tot elke prijs willen deugen).

            Oma dronk graag bessenjenever en liep daardoor de bijnaam Juffrouw Bessen op. Ik hoorde haar altijd graag uit, en kwam te weten dat ze vroeger volksdanste.

            ‘Met wie dan?’

            ‘O, met soldaten.’

            Het zou kunnen dat ze dodelijk verliefd op elkaar waren, het zou kunnen zijn dat opa het tijd vond te gaan trouwen. (Hij noemde haar ‘Bets’. ‘Maar op zondag noem ik haar Elisabeth.’) Opa was tien jaar ouder dan oma. Hij had haar zijn leeftijd niet spontaan meegedeeld; als zij ernaar informeerde, begon hij snel over belangrijker zaken te spreken, zoals over het weer, inzonderheid de wenselijkheid van veel zonneschijn en aangename temperaturen, met af en toe een beetje neerslag, ten behoeve van de boeren. Maar op een keer keek ze stiekem in zijn paspoort en zag dat hij al 35 was.

            Opa en oma trouwden. Er waren geen ringen, er werden geen foto’s gemaakt. ‘Ik werd wakker en ik was getrouwd,’ zei opa later peinzend, alsof hij vermoedde dat de zaken buiten hem om geregeld waren.

 

 

                                                                functioneel naakt

We waren op visite bij een collega van mijn vader. Bij het afscheid nemen overhandigde de collega mijn vader iets dat in kranten gewikkeld was en in een tas gestopt werd. Ik deed of ik niets gezien had, maar ik was niet op mijn achterhoofd gevallen – zo gauw de gelegenheid zich voordeed, zou ik gaan onderzoeken wat er zo nodig in kranten gewikkeld moest worden!

            Toen ik de volgende middag uit school kwam, stond mijn moeder nog bij de kleuterschool op mijn zusje te wachten; mijn vader was op zijn werk. Ik snuffelde hier, ik snuffelde daar. (Ik heb altijd graag gesnuffeld, en snuffel nu ik erover nadenk nog steeds graag. Als ik bij u thuis ben moet u mij maar niet alleen laten, ik ga geheid snuffelen.)

            Ik was bezig met het doorsnuffelen van een slaapkamerkast, toen mijn moeder met mijn zusje thuiskwam en mijn zoektocht bekortte door te wijzen op de schoenendoos die ik hebben moest. Deze bevatte een onvoorstelbare buit: contemporaine blootboekies! Een kolossale collectie met edities Rosie, Chick, Candy – over functioneel naakt gesproken!

            (In die tijd begon het een rage te worden dat acteurs en vooral actrices zich in Nederlandse films naakt vertoonden. Vreemd genoeg was niet iedere actrice daartoe bereid; sommigen wilden alleen hun kleren uittrekken als het ‘functioneel’ was. Onzin natuurlijk, want naakt is altijd functioneel.)

            Ik kreeg gezelschap van mijn zusje (zij kan zich dit niet meer herinneren en is door deze ervaring dus niet beschadigd geworden). Ze wees een naaktfotomodel aan en vond dat de jongedame op een zeventienjarig overbuurmeisje leek. Dat kende ik helaas niet goed genoeg om een gedetailleerde vergelijking te kunnen maken.

            De illustraties vormden op zichzelf al aanleiding voor meditatie, contemplatie en zo meer, maar het opmerkelijkst was in elk magazine de afdeling Kennismaking, waarin foto’s konden worden aangetroffen van mensen die hun onesthetische proporties dolgraag seksueel wilden laten verkennen door lezers die evenmin remmingen kenden.

            Ook de brievenrubrieken waren de moeite waard. Ik herinner mij brieven van mensen die (punk moest nog worden uitgevonden!) aan eikelboring deden en door het betreffende deel van hun deel een metalen voorwerp hadden gedreven. Ook was er een brief van een vrouw die liefhebberde in het oprekken van haar schaamlippen – blijkens de afgedrukte foto waren die van silly putty. Ze had de schaamlippen geringd en de ringen stonden via elastieken in verbinding met ringen die aan haar kniekousen bevestigd waren. Ja, Onze Lieve Heer had rare kostgangers!

 

 

                                                                de grote vergeler

Oma was weer terug in het bejaardenhuis en wist zich daar zo goed en zo kwaad als het ging te redden. Mijn moeder vergezelde haar een aantal keren naar het ziekenhuis, waar oma’s lever werd onderzocht. De medicatie tegen suikerziekte leek aan te slaan, en was in elk geval doeltreffender dan die tegen de ziekte van Parkinson, maar oma was nog steeds niet in orde: haar huid begon geel te worden, en haar ontlasting was ook al geen zuivere koffie.

            En net toen ze in De Knekelburcht weer wat op orde begon te komen, moest ze in het ziekenhuis worden opgenomen. In het bed naast haar lag een heel dikke oude dame, maar verder viel er niets te lachen.

            Oma bleek iets aan de alvleesklier te mankeren.

            ‘Die zit in je hoofd,’ zei ik dom.

            Oma had het in dat ziekenhuis niks naar haar zin, naast die dikke oude dame. Op een naburige zaal lag een dementje de hele dag loeiharde vogelgeluiden te maken; oma deed geen oog dicht. Ze kwam haar bed uit, ging rondspoken, wilde naar huis.

            Op 15 juni ging ik ’s middags bij haar langs. Ik dorst niet te zeggen dat ik jarig was. Een andere keer lag ze toen ik op bezoek kwam te slapen. Ik maakte haar wakker, maar ze had een opstandige bui en bleef met haar hoofd half onder het laken liggen mokken en wilde geen mens zien.

            Alle mogelijke onderzoeken waren er gedaan. Oma zou geopereerd worden, maar daags voor de operatie besliste de specialist dat opereren geen zin meer had. Oma kon weer terug naar De Knekelburcht.

            ‘U gaat fijn weer naar huis!’ zeiden we.

            Je bent niet meer te redden, dachten we.

 

 

                                                              met de muziek mee

Opa was erg muzikaal, hij kende het nationale en internationale amusementsrepertoire uit zijn hoofd. Hij kon niet alleen prachtig zingen, hij speelde ook mondharmonika en accordeon (al heb ik hem dat nooit zien doen). Opa had een citer. Er zat een sleutel bij om het instrument te stemmen, maar die kon je ook gebruiken om lekker over de snaren te raspen, ontdekte ik. Oma heeft de citer, die aardig wat waard geweest moest zijn, aan een kennis verkocht en vertelde mijn moeder trots dat ze er 25 gulden voor gekregen had.

            Opa en oma bezaten ook een authentieke gong; ik sloeg er graag en hard op. Zelf had ik een mondharmonika waar ik voornamelijk speeksel doorheen blies. Het liefst wilde ik natuurlijk een drumstel hebben. Op de Rijswijkseweg kon je er voor 500 gulden een kopen, maar mijn ouders vonden dat ons huis te klein was. (En anders zou het dat wel geworden zijn.)

            Ik logeerde bij oom en tante 4. Op een tafeltje zag ik een paar Maigretpockets liggen, en ik zei tegen tante dat wij die thuis ook hadden, maar ze ging er niet op in. (Het bleken onze eigen pockets te zijn, die uitgeleend maar niet geretourneerd waren; eens geleend blijft geleend, was het motto van oom en tante 4. Ze eigenden zich ook ongegeneerd geleende Consumentengidsen toe.)

            Tijdens de logeerpartij kwam het gesprek op een gegeven moment op accordeons. Oom vertelde dat hij er een bezat. Hij ging naar een kast waarin zich inderdaad zo’n trekzak bevond. ‘Je mag ’m wel hebben hoor,’ zei hij, en uitgelaten kwam ik met het instrument thuis. Oom had het apparaat niet voor niets afgestaan: het was zwaar verwaarloosd. Hoe verwoed pompend en trekkend ik ook tekeerging, het zette geen doden aan de zeik, muziek kwam er niet uit. Teleurgesteld begon ik de accordeon te onderzoeken. Ik ontdekte dat er hier en daar wat ‘houtjes’ loszaten, terwijl andere ‘houtjes’ ontbraken. Hoewel ik met een nijptang alle loszittende en zelfs enkele vastzittende ‘houtjes’ grommend verwijderde, bleef de accordeon ongenegen muziek voort te brengen.

 

 

                                                                      nalichting

Op mijn vijftiende was ik zo blasé van het bestuderen van contemporaine blootboekies, dat ik de archaïsche collectie naaktiana met geringschatting bejegende. Ik vroeg oma hoe het met opa’s nalatenschap gesteld was, en of ik de twee edities Media Noche niet mee kon krijgen. Oma, die aan een vooroorlogs zedelijkheidsbesef leed, zei lachend: ‘Dat zou je wel willen, hè? Kom nog maar eens terug als je achttien bent!’

            Toen ze even de kamer uit was, begon ik gewoontegetrouw in haar kasten te snuffelen. In de rechter suitekast vond ik een exemplaar van Rosie, dat oma waarschijnlijk van de bovenbuurvrouw geleend had om er schande van te kunnen spreken. Ik legde de Rosie weer op z’n plaats (ik kende het betreffende nummer al) en besloot oma maar niet met mijn vondst te confronteren.

            Thuis had ik tijdens een van mijn snuffelexpedities een nog komischer ontdekking gedaan. In de linnenkast, achter een stapel handdoeken, lag een zeer oud voorlichtingsboek (veel dubbele ees en esseehaas) waarin de voortplanting onverhuld uit de doeken werd gedaan. In de kantlijn was bij hoofdstukken als ‘Gheschlachtschziecktesch’ en ‘Hoomoophyly’ met de pen ‘neen’ of ‘dit niet’ of ‘overslaan’ geschreven. Bij navraag bleken mijn ouders dit instructieve werk van opa cadeau te hebben gekregen. De aantekeningen waren van hem afkomstig.

            Mijn ouders ontvingen dit boek toen ik al geboren was.

 

 

                                                                    killer coffee

Oma was stervende. Met de auto haalde ik oom 2 op, haar broer, die afscheid wilde nemen. Oom was in de tachtig en werd door pillen in leven gehouden. Onlangs had hij weer eens in het ziekenhuis gelegen. Toen een verpleegster vroeg of hij zich al wat beter voelde, antwoordde hij droog: ‘Nou en of. Ik denk erover weer te gaan tennissen.’

            Net als opa was oom 2 was een verteller, voornamelijk van moppen. Hij sprak zo voortreffelijk plathaags, dat je onmogelijk kwaad op hem kon worden. We reden naar De Knekelburcht. Toen we er bijna waren moesten we wachten voor een inparkerende auto die bestuurd werd door iemand die overduidelijk geen telg was uit een geslacht van bleekscheetkaaskoppen.

            ‘Opzij, vuile neger!’ riep oom lachend, op zijn platste Haags.

            De aldus toegesprokene had de aansporing gelukkig niet verstaan, en lachte oom toen we passeerden vriendelijk toe.

            ‘Zo zusje, hoe is ’t nâh met je?’ zei oom 2 tegen de semi-comateuze zieke, die merkbaar op zijn stem reageerde.

            Oom kreeg een comfortabele stoel toegewezen en een kop thee aangereikt.

            ‘Of heeft u liever koffie?’ vroeg mijn moeder.

            ‘Meid, ben je besodemieterd! Verleden wouwen ze me ook een bak pleur geven. Godskristes, ik ging zowat over me nek. Heb ik je dat welleris verteld, dat ik indertijd zo beroerd werd van die bak koffie?’

            Natuurlijk oom, al zo vaak verteld. Maar alstublieft nog een keer!

            Oom werkte als vrachtwagenchauffeur en leverde bij smederijen goederen af. Bij een smidse in een of ander gehucht kwam hij met zijn collega laat in de middag aan. Van vermoedelijk vroeg in de ochtend af werd er een pot koffie warm gehouden. Oom lustte geen koffie, maar nam die meestal beleefdheidshalve toch aan, om als er even niet op hem gelet werd het kopje boven een plantenbak om te kieperen. Ditmaal zag hij daar geen kans toe en met grote tegenzin dronk hij de smerigheid tot de laatste druppel op.

            In een minimum van tijd gebeurden er in zijn binnenste de meest verschrikkelijke dingen.

            ‘Godverjume wat ben ik misselijk,’ lichtte hij zijn collega in. ‘Rij jij maar fijn naar huis, dan gaat ik leggen.’

            ‘Maar ik heb geen rijbewijs!’ wierp de ander tegen.

            ‘Wat ken mijn dat verrotten?’

            Hortend en stotend gingen ze op weg.

            ‘Zeg, we komen bij een dorpje,’ waarschuwde de ongediplomeerde chauffeur na verloop van tijd.

            ‘Nâh en?’ zei oom 2. ‘Voor mijn pagt rij je d’r dwags overheen!’

            En na het drinken van die enkele kop koffie bleef oom drie weken in de ziektewet.

 

 

                                                                       vakantie

Van grensoverschrijdende reizen moesten we het niet hebben; we bleven altijd in eigen land. (Pas vele jaren later, toen mijn vader de oude Wartburg naar de sloop had gebracht en een degelijke, twee jaar oude Opel Kadett gekocht, gingen we met de auto naar het onvoorstelbaar verre Duitsland. We wisten, in een plaatsje terechtgekomen, wel waar we waren en ook waar we naartoe gingen, maar niet precies hoe we daar moesten komen, zodat de weg gevraagd diende te worden. Mijn moeder sprak redelijk Duits en zelf haalde ik voor mijn proefwerken zonder daar veel moeite voor te hoeven doen drieën en vieren. Dat was het punt niet. Maar in het echte Duitsland een echte Duitser aanspreken? Dahhag! Resoluut verdiepten mijn moeder en ik ons in een broodje kaas. Mijn vader stapte uit en begon het een en ander tegen een voorbijganger te beweren, terwijl wij van het lachen in onze broodjes begonnen te stikken. Ook leuk was bijvoorbeeld wanneer mijn vader op een terras eines kleines Bier bestelde. Maar ik dwaal vooruit.)

            Ik herinner me flarden van een vakantie in Arnhem, aan het begin van de jaren zestig. Hoe oud zal ik geweest zijn? Drie? Vier? Ik zie de hotelkamer nog voor me, de hond die bij het hotel hoorde, hoe muf het er rook. Trolleybussen. Een aantal keren gingen we naar Valkenburg; alleen de treinreis erheen was al een belevenis. Tijdens een van de vakanties kwam er in ons hotel een tweepersoonskamer vrij. Mijn moeder dacht aan haar ouders, die met dat mooie weer maar in huis zaten. Ze belde oom 1 en zei dat hij opa en oma de volgende dag op de trein moest zetten. Opa en oma ook in Valkenburg! Ze konden natuurlijk niet zo goed bergbeklimmen als ik, maar ze konden vast nog wel terraszitten – en zou opa met mij in de stoeltjeslift durven? (Daar ging ik in die tijd gretig in. Meer dan twintig jaar later: ik had een nieuwe auto, deed met mijn zus een dagje Valkenburg en Maastricht. Leuk, de stoeltjeslift naar de Wilhelminatoren, net als vroeger! Wij erin. Nog nooit zo bang geweest, ik wilde er onderweg uit springen; dat schijnt een natuurlijke reactie te zijn. Toen we boven waren aangekomen moesten we nog terug ook. Ik krijg tegenwoordig al een aanval van hoogtevrees als ik aan een afgrond denk. Bij die scène aan het slot van de film Vanilla Sky brak het zweet me in de bioscoop uit.)

            Met een touringcar maakten we een paar dagtochten; van het pension kregen we brood mee voor onderweg. We reden naar Margraten en bezichtigden het Amerikaanse kerkhof. Tijdens de rondleiding moest opa hoognodig plassen. Hij bleef aandachtig rondspiedend staan, liet het peloton voortschuifelen, begaf zich naar een achteraffig gedenkkruis en begon ertegen te wateren.

            Een dag later hadden we een uitje naar Monschau – een reisdoel dat oma verkeerd verstaan bleek te hebben. We reden door bergachtig gebied en genoten van de vergezichten en de spannendgriezelige haarspeldbochten.

            ‘Mooi hè, opa?’ riep ik uitgelaten.

            ‘Nou,’ zei hij, en bleef strak voor zich uit kijken naar de stoel voor zich.

            In Monschau liepen we rond, zaten we op een terrasje en liepen we nog maar een keer rond. Oma begon ongeduldig te worden, en zei: ‘Wanneer gaan we nou naar die modeshow?’

 

 

                                                                     begeleiding

Het duurde nog weken. Ze vermagerde, at niet meer. Opa was indertijd alleen gestorven, met een katholieke grappenmaker aan het ziekenhuisbed. Mijn moeder wilde niet dat oma hetzelfde overkwam; ’s nachts bleef ze bij haar op de kamer waken. Aanvankelijk zat ze op een stoel, later, toen ze dikke enkels begon te krijgen, werd er een matras verstrekt. Dokter Cottaar kwam elke middag even langs, soms in gezelschap van een jonge collega, die kennelijk een stervensprocessenstage volgde.

            Op een middag waren we allemaal op haar kamer, mijn moeder, mijn zusje en ik. Oma kwam overeind en begon te huilen, alsof ze zich realiseerde dat het gebeurd was met de koopman.

            Er was niet veel meer van haar over. Haar vel hing om haar arm als een condoom om een slappe lul. Haar gebit had ze niet in, waardoor haar gezicht nog ingevallener leek. Tegen de pijn, hoe is het mogelijk, had Cottaar zetpillen voorgeschreven, die ze natuurlijk zo weer kwijtraakte.

            Uit haar longen kwam slijm dat in haar mond bleef zitten. Met een wattenstaafje schepte ik het eruit. Kon ze geen speekselafzuigertje krijgen, zoals de tandarts gebruikte? Ik hield een wattenstaafje in een kopje water en bracht het naar haar lippen. Ze sabbelde erop als een baby op een speen. Het was zo triest.

            De volgende dag was ik ’s middags alleen bij haar; mijn moeder was boodschappen doen. Oma gaf te kennen dat ze naar de wc moest. Ik hielp haar uit bed. Als dronken waggelde ze naar het toilet. Toen ze klaar was hielp ik haar weer naar bed. Onderweg verloor ze een keuteltje. Ik wilde net doen of ik niets gezien had en het als er een zuster kwam zogenaamd ineens zien liggen, maar toen dacht ik: niet aanstellen, aansteller. Voelde oma zich vroeger soms te goed om jouw luier te verschonen? En met dichtgeknepen neus ruimde ik de keutel op.

            Eindelijk, eindelijk kreeg oma morfine-injecties. Dokter Cottaar vond dat ze ‘genoeg geleden’ had.

            ‘Dat zou ik denken, na veertig jaar ziekte van Parkinson,’ wilde ik hem toebijten.

            ‘Het zal vannacht wel afgelopen zijn,’ zei de hoofdzuster elke avond. Maar oma bleef maar leven.

            ‘Moet je horen hoe sterk dat hart nog is!’ had dokter Cottaar tegen de jonge collega gezegd, alsof hij zich erover verbaasde dat een total loss verklaard wrak door de apk-keuring was gekomen.

            Gelukkig kwam er schot in de zaak toen oma longontsteking kreeg.

            Deze nacht zou de laatste zijn, begrepen we. Mijn zusje en ik besloten mijn moeder gezelschap te houden. Ik bracht oom 2 thuis en reed door naar huis voor een paar boodschappen en om de hond van mijn moeder uit te laten. Bij Albert Heijn kocht ik een fles frisdrank. Nee, beter van niet – de werktuiglijk uit het vak genomen zak borrelnootjes legde ik weer terug. (Wat wist ik eigenlijk van de etiquette rond stervensbegeleiding? Ik kende sterfbedden alleen uit jongensboeken: daarin zaten de erfgenamen sombertjes met een kaars in de hand rond een ongeneesbare die in het zicht van het Eeuwig Licht in bed gelukzalig omhoog lag te kijken. Maar oma keek helemaal niet zoals het hoorde gelukzalig omhoog: ze lag rochelend pijn te lijden. De enige die ik ooit dood had zien gaan was onze eerste hond, de poedel, die tot driemaal toe door een soort epileptische hersenbloeding overvallen werd. De eerste keer dat hij schuimend op de grond lag te schudden en schokken, begon onze andere hond kwaad tegen hem te blaffen. We droegen de poedel naar de dokter, die hem met een aantal injecties wist op te peppen. De tweede keer, weken later, legde ik de avonddierendokter uit dat hij Bucky een injectie moest geven en dat het dan vanzelf weer goed kwam. Hij was niet zo makkelijk te overtuigen, maar gaf toch de injectie. Bucky had een lange ziekmand. In de kamer werd een fort van kussens om hem heen gebouwd, want als hij probeerde op te staan viel hij om. Hij had zowaar voldoende kracht om bij de boom z’n poot op te tillen. Hij liep moeizaam, maar soms kreeg hij het opeens op zijn heupen en begon te trippelen, het had veel weg van hollen. De andere hond begreep daar niets van en begon over de zieke heen te hangen en hem tot bedaren te blaffen. Bij de derde aanval veranderde de poedel in een ademende lappenpop die ik naar de dokter droeg. Het doodzieke dier liet onderweg z’n ontlasting op m’n schoen vallen. De dokter vond euthanasie het beste. Hij schoor wat haar van een van Bucky’s pootjes en gaf een eerste injectie. De tweede zou dodelijk zijn. Ik voelde het hart zwak kloppen: toen de tweede injectie nog half in de spuit zat hield het al op.)

            In de lift van het bejaardenpakhuis kwam ik een verpleger tegen.

            ‘Zeg, je oma is net overleden,’ zei hij, op de toon van ‘dat is waar ook’.

            Ze lag nog met haar ogen open, niet doder dan de afgelopen dagen. Haar hand was nog warm. Ik sloot haar ogen.

            Iemand van het verplegend personeel verzocht ons naar de bezoekersruimte te gaan; oma moest op een brancard geladen worden. We wachtten. Ik liep na tien minuten de gang op, keek naar buiten en zag de lijkwagen staan. Oma werd erin gedragen, de wagen reed weg.

            ‘Dag oma.’

 

 

                                                                   onhandigheid

Na de oorlog, hij was de zestig gepasseerd, werkte opa hoofdzakelijk in de zomer, op Scheveningen, en incidenteel in de winter, zoals op Kasteel Oud-Wassenaar, waar hij in 1956, 69 jaar oud, het kerstmaal serveerde.

            Hij speelde het klaar een leven lang te werken zonder ooit belasting te hoeven betalen. ’s Zomers verdiende hij goed, maar ’s winters trok hij steun, zodat hij naar eer en geweten kon verklaren geen rooie cent te hebben. Opa was geslepen in die dingen. Collega’s gaven meestal op dat zij geen fooi ontvangen hadden, wat natuurlijk de achterdocht van de belastingdienst wekte. Opa gaf een minimaal fooibedrag op, dat argwaan voorkwam.

            Aan het begin van de jaren zestig schreef hij een brief met het verzoek vrijgesteld te worden van het betalen van kijk- en luistergeld. Een afschrift van die brief heb ik nog; de spelling is ouderwets maar foutloos, hoewel opa niet meer dan een paar jaar lagere school had gehad. Het verzoek werd ingewilligd: tot het moment waarop oma stierf, in 1987, bleef de vrijstelling gelden.

            (Hoewel zij nooit een taxi nam, ontving oma jarenlang taxigeld. Geen idee hoe zij dat voor elkaar kreeg. Er kwam ook regelmatig geld ‘van de Willemstraat’, waar een instelling voor minvermogenden zat.)

            Opa bleef tot zijn 71ste werken, en dacht toen pas aan verlaat uittreden. Hij kreeg last van zijn rug en bleef nog een jaar in de ziektewet. Niemand begreep hoe hij als kelner zo lang zijn werk zo goed had kunnen doen, want wij wisten niet beter of opa was geweldig onhandig. Toen mijn ouders verkering hadden, kwam mijn vader een café binnen waar opa aan de bar zat. ‘Ha die Jan!’ riep hij, en zwaaide naar zijn aanstaande schoonzoon, hierbij zijn glas bier bij de dame naast hem op schoot stotend.

            Opa was bovendien vuurgevaarlijk. Hij had een bezineaansteker die hij in de uitbouw zelf vulde; als hij dan controleerde of hij hem goed gevuld had, sloegen de vlammen er aan alle kanten uit.

            We hadden een salontafel waarop een glasplaat rustte. Als je de tafel verschoof en je hield ’m niet goed aan de randen vast, dan stortte de glasplaat omlaag. Hoewel dit regelmatig gebeurde, had dit maar een keer het verlies van een splinter glas tot gevolg: die keer dat opa de tafel een stukkie naar zich toe schoof.

 

 

                                                                   filmrecensies

Er bestonden in mijn tijd films voor boven de achttien, die je niet te zien kreeg als je net veertien was. Behalve in sommige bioscopen, zoals in de Boekhorststraat, waar men niet kinderachtig deed. Ik had toen ik twaalf was in Olympia aan het Prins Hendrikplein de James-Bondfilm You only live twice gezien, en ik was daar zeer trots op, want ik had er veertien voor moeten zijn. (Du Midi in de De Carpentierstraat kwam je ook altijd makkelijk in.)

            Toen ik eindelijk veertien was, begon ik uit te zien naar films die voor boven de achttien waren. Een klasgenoot stelde voor naar de film te gaan.

            ‘Draait er wat?’ vroeg ik.

            ‘Een Tiroler, in de Kettingstraat.’

            Ik had nog nooit zo’n film gezien. Er werd van gezegd dat het komische seksfilms waren, maar ik vond de humor niet om te lachen, en de seks om te huilen, al zat de uitverkochte zaal onbedaarlijk te schateren toen een kereltje met een speknek en een bierbuik ’s nachts door het verkeerde slaapkamerraam naar binnen klom en in plaats van bij een slanke serveerster met zijn waldhoorn bij de vette waardin tussen de alpen klem kwam te zitten.

            Een paar jaar later reisde ik met een collega-schoolkrantredacteur naar Amsterdam, waar wat te beleven viel. Nederland was in rep en roer: in beschaafde bioscopen werden ordinaire pornofilms vertoond! De minister van Justitie vond dat dit niet zomaar ging, en kwam met een mallotig voorstel, hij wilde de vertoning van dergelijke films alleen toestaan in bioscopen met minder dan vijftig stoelen. (Ik geloof dat zijn partij indertijd met 49 leden in de Tweede Kamer vertegenwoordigd was.)

            Maar zolang de politie geen inval deed kon het publiek zich massaal aan porno vergapen, en zo zagen wij French Blue, van de Zweeds aandoende maar in werkelijkheid Italiaanse regisseur Lasse Braun; niet zozeer een rechttoe rechtaan pornofilm als wel een documentaire over het maken daarvan. De hoofdrolspeelster werd nog in een Nederlands weekblad geïnterviewd, dus die film was een evenement.

            Omdat het geen gewoonte moest worden, heb ik na French Blue en Deep Throat sechts eenmaal een bioscoop bezocht waar dergelijke films vertoond werden. Het was in Londen. Ik liep door Soho en het regende onbedaarlijk. Voor een theater stond een man bezoekers te ronselen. Dit deed zo kermisachtig aan, dat ik de verleiding niet kon weerstaan eens te gaan zien wat er binnen vertoond werd.

            Het bleek maar weer dat alle clichés op waarheid berusten. In de zaal zaten inderdaad mannen met regenjassen aan. (Maar dat kon ook vanwege de regen zijn, realiseer ik mij nu.) De film was de onbenulligheid ten top. De domheid van de man lag er duimendik en rolbevestigend bovenop. Ik kan daar zo kwaad om worden. Is het een wonder dat de uitdrukking schlemiel alleen voor mannen gebruikt wordt?

            Het handeling voltrok zich in het garagewezen. Een man in een overall lag monterend onder een auto. Een dame in korte rok kwam haar gerepareerde voertuig ophalen, maar bleek geen geld te hebben om de rekening te voldoen. Wat deed de domme garagehouder toen? Zijn overall uit!

            Onder de auto een krik en naast de auto een krik.

            De dialoog was beneden peil, en nog slecht nagesynchroniseerd ook. (Naaktsynchronisatie of ondertieteling, ik weet niet wat erger is.) De dame kreunde steeds zo nadrukkelijk: It feels so good! en I’m coming!, dat ik mij moest beheersen om niet in de lach te schieten.

            Binnen tien minuten was de dame met haar gerepareerde auto vertrokken, en de garagehouder trok zijn overall weer aan, maar niet voor lang. Want daar meldde zich dame twee om haar rekening in natura te voldoen. En ja hoor, de hansworst z’n overall weer uitgetrokken. (Ik ben voor het recht op domheid, maar als vrouwen zo’n film zien bestaat het gevaar dat ze bevestigd worden in hun vooroordeel dat alle mannen alleen maar van dattum willen en niet gediend zijn van een goed gesprek.)

            Het was weer hetzelfde liedje: de garagehouder wipte zich met glazige ogen in het zweet en de dame kreunde maar It feels so good! en I’m coming! Wat zou het verfrissend zijn, als in zo’n film iemand uitriep: ‘Ik kom klaar!’ en de ander dan zou zeggen: ‘Aan mij zal het niet liggen,’ of: ‘Als ik het niet dacht!’

            (N.B. Heel toevallig belandde ik ooit in een heuse Amsterdamse sex shop. Raar hoe die dingen kunnen gaan, maar het had u net zo goed kunnen gebeuren – en dan was het nog maar de vraag geweest of u het ook zo ruiterlijk zou hebben toegegeven. Eerlijk gezegd ben ik huiverig om zo’n winkel in te gaan, want het zal je maar overkomen dat je bij de kassa iets liederlijks afrekent en dat de kassier dan pruik en bril afdoet, op de verborgen camera wijst en zegt: ‘Gefeliciteerd, je zit rechtstreeks in Dit is uw leven.’ Maar waar het nou door kwam: naast de sex shop zat een boekhandel met een ansichtkaartenmolen voor de deur, en ik vergiste me na het bestuderen van de ansichtkaartenmolen in de ingang. Daar hoeft niemand dus wat achter te zoeken. Toen ik eenmaal binnen was kon ik natuurlijk niet meer terug en ik besloot van de nood een deugd te maken door te inventariseren wat er allemaal te krijgen was. Dat was niet misselijk. Zo verkocht men een videofilm met als wervend tafereel op de doos afgebeeld een man die op een krukje staand een koe het hof maakt. Afgezien nog van die man op dat krukje: wat te denken van mensen die bij het zien van zo’n film seksueel genot ervaren? Ik herinner me ook een magazine waarin een fotoreportage te zien was over twee vrouwen die bij het liefdesspel gebuikmaakten van hun ontlasting. Althans die van een van hen, degene die voor patiënte speelde. Ik heb een bovengemiddelde opmerkingsgave – het viel me dan ook op dat de andere vrouw, de verpleegster, watjes in haar neus had. Ik trok hieruit de lering: do not try this at home.)

 

 

                                                               generale repetitie

De eerste keer dat oma op sterven lag schrokken we ons rot. Ze had het nog klaargespeeld ons op te bellen. In paniek reden mijn ouders naar haar toe. Amechtig zat oma in een stoel dood te gaan.

            ‘Begrijp je dat nou?’ zei opa.

            Oma stootte jammerklanken uit. Haar laatste uur leek geslagen te hebben. Wat was er gebeurd? Opa en oma hadden weer eens ruzie gehad. Een verstandshuwelijk was het niet; het had vaak meer weg van een vechthuwelijk. Onbegrijpelijk dat men dit veertig jaar lang volhield. Meningsverschillen leidden soms tot dagenlang gemok. Dan zei opa: ‘Waar hadden we nou eigenlijk ruzie over, weet jij dat nog?’ En dan was de tijdelijke vrede weer getekend.

            Het had weinig zin hem op zijn ongelijk te wijzen. Als opa beweerde dat het wit was, dan was het wit, ook al was het zwart. Zo hield hij vol dat je klimatiseren moest zeggen, in plaats van acclimatiseren. Wat wisten wij er nou van? Hij was toch zelf in de tropen geweest!

            Oma zat zich op te vreten als ze zich kwaad maakte, hypernerveus was ze. Ze had zelfs een nerveuze manier van lopen. Als we niet geweten hadden dat ze aan de ziekte van Parkinson leed, zouden we nog gedacht hebben dat haar handen van de zenuwen zo beefden.

            Met een brok in haar keel was mijn moeder de kamer binnengekomen om afscheid te nemen van oma. M’n vader haalde voor de stervende een glas water en belde de dokter.

            Nadat ze een huilbui te boven gekomen was, zei oma dat er een schone pyjama in de kast lag, voor in de kist. Ze had ook wat geld klaarliggen, want ze wilde niemand tot last zijn. Ha lekker, slokkie water. En in het buffet konden we een lijst vinden met namen van familieleden en kennissen die een rouwkaart moesten krijgen. (Oma overleefde opa vijftien jaar en van de mensen op de lijst werd zowat iedereen wegens overlijden geschrapt.)

            Oma dronk het kopje water leeg en zuchtte. Ze kreeg wat heilzame eau de cologne op haar voorhoofd, rookte een sigaretje en knapte zienderogen op. Ze kalmeerde volkomen en begon te kletsen of er niets loos was; na een minuut of twintig zei ze dat mijn ouders wel weer naar huis konden gaan. Ze zou de dokter zelf wel te woord staan.

            Op den duur, als ze zich weer telefonisch meldde met het bericht dat ze dood aan het gaan was, keken mijn ouders eerst het televisieprogramma waar zij naar zaten te kijken af, alvorens zij naar oma reden voor een nummertje stervensbegeleiding dat neerkwam op geestelijke bijstand bij hyperventilatie.

            En nadat opa was overleden, heeft oma tot aan haar dood niet meer op sterven gelegen.

 

 

kansspel

Bij opa en oma logeren was een feest, want ze lieten me met kaarten altijd winnen. Met opa speelde ik Pim Pam Pet, waarvan ik hem de spelregels niet verklaarde, omdat ik bang was dat daardoor mijn kansen op de zege zouden afnemen. Ik trok een kaart met een vraag erop, legde mijn arm beschermend om de draaischijf totdat deze tot stilstand was gekomen, verzon een woord dat begon met de te voorschijn gekomen letter, en liet opa dan pas meekijken. Maar ik won ook wanneer ik mij niet aan deze milde vorm van vals spelen bezondigde, want dan versloeg ik opa op punten met nonsensantwoorden.

            Een motorvoertuig met meer dan twee wielen.

            De draaischijf kwam tot stilstand bij de letter V.

            ‘Varkenspoot!’ riep ik triomfantelijk, en had ook deze ronde gewonnen.

            Niet voor niets vroeg opa voor we begonnen: ‘Spelen we vandaag eerlijk of gewoon?’

 

 

                                                              opa laat zich kisten

Opa was altijd ziek, al merkte je niets aan hem. Elke maand ging hij naar het ziekenhuis voor een injectie. Hij wist niet waar die injectie voor diende, en het kwam niet bij hem of bij ons op ernaar te vragen. (Pas na zijn dood kwamen we te weten dat hij aan een rode- of wittebloedlichaampjesafwijking had geleden.) Opa kreeg ook staalpillen – ik hoopte dat hij daardoor zou veranderen in Archie, de man van staal. Hij wreef vaak met een somber gezicht over zijn buikstreek, maar dat beschouwden wij als een subtiel signaal dat hij trek had in een borreltje, en wij gaven hem een borreltje.

            Toen hij tegen de 85 liep begon het mis te lopen. Oma kwam op een ochtend terug van boodschappen doen, en trof hem in de slaapkamer op de grond zittend aan. Hij was gevallen en kon zelf niet meer overeind komen. Zijn krachten namen af; de vorige keer dat we op bezoek waren geweest had m’n vader hem moeten scheren.

            Dokter Cottaar vond dat opa ter observatie opgenomen moest worden. Een paar dagen voordat dat gebeurde, ging ik op een avond op de fiets langs. Oma had het zwaar te verduren, ze moest haast elke ochtend de lakens verschonen. Opa zat op een stoel en staarde voor zich uit. Hij zei dat hij moest plassen en vroeg of ik hem wilde helpen. Ik ondersteunde hem toen we naar de wc liepen, en terwijl hij plaste hield ik hem onder zijn oksels vast. Het was zo triest.

            De eerste keer dat ik hem in het ziekenhuis opzocht zag ik dat er een zakje met urine aan het bed hing. Opa ging ook geestelijk achteruit. Hij frunnikte mompelend aan de knopen van mijn vaders colbertje, er viel geen gesprek meer met hem te voeren. Hij zou nooit meer zo lachen als morgen.

            Ik zat in de klas en probeerde wat handelskennis op te doen, toen de leraar Nederlands binnenkwam en zei dat ik mee moest komen. ‘Neem je tas ook maar mee.’ Op de gang vertelde hij dat ik naar huis moest gaan, waar mijn vader op mij wachtte.

            Opa was dood.

            Toen hij in het ziekenhuis was opgenomen, moest zijn geloofsovertuiging op een formulier worden ingevuld: R.K. Dus toen hij op sterven lag werd niet de naaste familie gewaarschuwd, maar de dichtstbijzijnde prelaat opgetrommeld, die meteen met het laatste oliestel of de heilige zak met krenten begon te hocuspocussen om opa de dood in te loodsen, zodat hij in eenzaamheid gestorven was.

            Op school vroeg de volgende dag iemand hoe het er met mijn opa voorstond.

            ‘Hij is gisteren gekist,’ zei ik.

 

 

                                                  intermezzo: de onzin van het leven

Het zou leuk zijn als het leven leuk was. Maar men kan lullen wat men wil, het leven is geen lolletje. Over de geboorte wil ik het niet eens hebben (ik was een stuitligging, dus dan weet u het wel). De eerste twee, drie levensjaren is de mens een volkomen onnut schepsel, waar van boven voedsel ingaat en van onderen poep uitkomt. Vervolgens wordt men geconfronteerd met de leerplichtwet, die louter lijkt te bestaan om de opvoeders te ontlasten – want zeg eens eerlijk, heeft ooit iemand werkelijk iets aan zijn schoolopleiding gehad? Ik dacht het niet. Mijn opa heeft nauwelijks onderwijs genoten en hij werd 85, en mijn oma genoot nog minder onderwijs en werd 90 – de feiten spreken voor zichzelf. Of wilt u soms beweren dat het u nog regelmatig van pas komt, de bij economie uit het hoofd geleerde dubbelcumulatieve accumulatietheorie van Fröddelweiss en Hoogsappel, of de u bij natuurkunde voorgehouden wetenschap dat volt maal ampère watt is? En dan dat achterlijke hoofdrekenen! De eerste de beste hedendaagse vijfjarige computerfreak wijst triomfantelijk naar zijn voorhoofdje, als u met hoofdrekenen komt aanzetten. Op de televisie, in onbenullige praatjesprogramma’s, wordt vaak beweerd dat het toch maar de mooiste tijd van je leven is, je jeugd. Het is mij telkens weer een raadsel dat er op zo’n moment niet iemand met een goena-goena kris de tribune afstormt om de verkondiger van dergelijke waanzin aan repen te rijten. Gelukkige tijd, de jeugd? Lamenielache! Weleens van de schoolarts gehoord? De tandarts? Kinderziektes? Inentingen? Gymnastiek? Kinderliedjes zingen? En heeft men zich eindelijk ontworsteld aan de terreur van het onderwijs, breekt dan de paradijstijd aan? Integendeel. Dan beland je met huid en haar in de ‘maatschappij’. Dan ga je van top tot teen ‘werken’. Neem me niet kwalijk, van alle zinledige bezigheden spant werken toch wel de kroon. Je doet het nota bene tijdens de beste jaren van je leven, op de mooiste uren van de dag! Heeft u daar ooit bij stilgestaan? Werken doet men dag in dag uit, tot de pensionering of vervroegde uittreding aan toe. Heeft men veertig jaar boek gehouden of banket gebakken, dan kan men thuis op de dood gaan zitten wachten – en reken maar dat die op een dag aanklopt, want in elk leven ademt de dood. (Vrouwen die hun leven aan de huishouding hebben opgeofferd zijn nog slechter af, want zij kunnen niet eens met pensioen, terwijl de huishouding toch wel het aller aller alleronbenulligste soort werk is dat men kan bedenken, het is corvee.) Zit u na uw pensionering thuis op de dood te wachten, dan moet u niet denken dat u uw dagen nuttig kunt vullen met uw eventuele hobby’s, want geen zinnig mens gaat van z’n zestigste tot zijn tachtigste onafgebroken postzegels filateleren. Reizen? Denkt u werkelijk dat u daarvoor nog fut bezit? Ik wil het u niet tegenmaken, maar als ik u was zou ik er maar niet op rekenen dat uw leven nog veel om ’t lijf heeft, na uw zestigste. Het lichaam gaat verleppen. Mannen krijgen door ruggenmergverschrompeling een kromme rug, en bovendien nutteloze borsten. Hun haar kan je op de vingers van één hand transplanteren, de plukken die overvloedig uit oren en neus groeien buiten beschouwing gelaten. (En het enige wat er nog omhoog gaat is de huur.) Het menselijk lichaam wordt een lachertje, een aanfluiting! Als u mazzel heeft gaat u op een niet al te pijnlijke wijze de pijp uit, maar ik zou daar niet te vast op rekenen. ‘Zeg, wat zijn dat voor rare dingen op mijn röntgenfoto, dokter?’ ‘Gewoon, tumoren. Niet iets om u zorgen over te maken.’ ‘Maar m’n been begint zwart te worden!’ ‘Werkelijk? Dan zullen we dat van de week amputeren.’ ‘Maar van de week ga ik bij m’n moeder op visite!’ ‘Hoort u dat, zuster? Meneer gaat dementeren!’ Zachtzinnig of hardhandig, de pijp uit gaat u. En de enige die daar wat mee opschiet is uw erfgenaam, want de kans is klein dat u zelf van doodgaan beter wordt. Tenzij u zich met alles laat inmetselen in een mausoleum of een kringloopcontainer, zult u voorgoed afscheid moeten nemen van die fraaie collectie postzegels, van uw dierbare boeken: alles wordt met de vuilnisman meegegeven en de zeldzame Chinese vaas uit de Pingpong Dynastie wordt door een vervelend kleinkind aan scherven gegooid. Probeer uit het voorgaande maar eens de zin van het leven te distilleren! Op geluk kunt u lang wachten: geluk is de afwezigheid van verdriet, en verdriet is er altijd en overal. Bovendien is het dom om gelukkig te zijn, want je bent het alleen als je je van de werkelijkheid afsluit: de omstandigheden die maken dat je gelukkig bent zijn tijdgebonden. De geliefde die je zo gelukkig maakt gaat op den duur dood, die gezondheid waar je zo gelukkig mee bent kan op elk moment in de verschrikkelijkste ziekte verkeren. Maar het heeft geen zin dat ik u dit allemaal inpeper, want er is toch niets aan te doen; het gaat zo al eeuwen en het zal zo nog wel eeuwen blijven gaan, terwijl het geen mens wat kan schelen dat het heelal al die tijd maar uitdijt.

 

 

                                                                       crematie

’s Avonds gingen we naar het rouwcentrum, mijn vader, oma en ik. Mijn zusje, vijf jaar, wilde ook mee. Vooruit maar. In de kist lag een slechte wassenbeeldimitatie van opa. De dood is onvoorstelbaar. Oma huilde haar ogen rood, maar mijn zusje vond het machtig interessant.

            Op de dag van de crematie was onze voorkamer, net als op verjaardagen, vol familieleden. Nicht 1b had haar hondje meegenomen. Ze ging niet mee naar de crematie, ze zou broodjes smeren en koffiezetten.

            Ik had nog nooit in zo’n enorme Amerikaanse slee gezeten. Als je op een knopje drukte ging het raam open!

            In de aula zaten aangetrouwde tantes 4 en 6 achter ons aanstellerig te huilen. Als ze per abuis op een verkeerde crematie waren beland, zouden ze om zich een houding te geven net zo hard gehuild hebben.

            Op het podium stond de kist, die begeleid door Autumn leaves naar beneden zakte. Autumn leaves? (Ik geloof niet dat ik au fond dom ben, maar vaak begrijp ik dingen aanvankelijk soms verkeerd. Tijdens de crematie meende ik namelijk dat Autumn leaves wilde zeggen dat de herfst vertrok, terwijl opa toch het zonnetje in huis was geweest als hij op bezoek kwam. Zo kon ik jarenlang de uitdrukking Cheque aan Toonder niet plaatsen, snapte althans niet waarom deze al die cheques kreeg. In de VARA-gids las ik over een serie die ik te jong was om te zien, The Untouchables, wat vertaald werd met De Onaantastbaren, waaruit ik opmaakte dat men ze niet kon aanraken. Ook vatte ik een in een stripverhaal voorkomende doorwaadbare plaats op als rivierwater waar je niet nat van werd. Het was met mij zelfs zo erg, dat ik toen wij telefoon kregen, het nummer 007 niet dorst te draaien, ook niet stiekem, omdat ik meende dan James Bond aan de lijn te zullen krijgen. Een keer was ik met mijn moeder naar het gebouw van de Haagsche Courant gegaan, waarschijnlijk om er een advertentie op te geven, en toen zag ik op de balie een paar stapels kranten liggen. Ik vroeg of dit de kranten van de volgende dagen waren. Wanneer ik onder een straatnaambord twee jaartallen zag staan, dan besefte ik niet dat deze het geboorte- en sterfjaar waren van degene naar wie de straat vernoemd was, maar meende ik dat het aanleggen van die straat zo lang geduurd had. Pas kort geleden realiseerde ik mij dat het woord beat in het begrip beat generation niets met muziek te maken heeft – en zo gaat het maar door.)

            Autumn leaves, was dat opa’s muziek? Het had Aan de muur van het oude kerkhof moeten zijn, door hemzelf gezongen. Of Ketelbinkie. Alexander’s ragtime band. Happy days are here again. We’ll meet again. Dat was zijn muziek. Ze hadden toch een bandopname kunnen afspelen?

            (Thuis hadden we een Philips monobandrecorder waarop we een tijdens de warme maaltijd gevoerd gesprek hadden opgenomen: een bizarre geluidsbrij van over de borden raspend bestek, de klanken van de Fabeltjeskrant die gelijktijdig op de televisie werd uitgezonden en een overdreven ongedwongen conversatie waarbij we zo zuiver mogelijk articuleerden en mijn zusje mijn naam nog als Tartin en vlees als tees uitsprak. Mijn moeder had met opa een duet gezongen, You are my sunshine. De allereerste opname bestond uit mijn vader die uitlegde hoe het apparaat werkte en mijn moeder en ik die door zijn aanwijzingen heen schaterden, omdat we hem nog nooit zo deftig hadden horen praten: hij besloot zijn instructie met een gedragen ‘Je weet wat je te doen staat’, waarna hij de pauzeknop indrukte, zodat ons aansluitende gegier er niet meer op kwam. Het was net zo’n vermakelijke toestand als die keer dat mijn vader met de zelfontspanner het hele gezin op de foto trachtte te krijgen en de camera telkens tot enorme hilariteit van iedereen behalve hem niet afging, zodat hij uiteindelijk zeer woest kijkend op de foto kwam.)

            Oma was niet tot bedaren te brengen; ze had het zo druk met huilen, dat ze niet gezien had dat de kist door de vloer gezakt was. Dit overleeft ze niet, dachten we. Maar toen mijn moeder een halfjaar of zo later vroeg of ze opa niet miste, haalde oma haar schouders op en zei: ‘Je kan toch niet blijven treuren?’ De overgang van haar woning naar De Knekelburcht, die ze zogenaamd ook niet zou overleven, deed haar niets. Het kon haar zelfs niet schelen dat het huis waar ze vele decennia gewoond had gesloopt werd.

            Na de plechtigheid dronken we thuis koffie en aten broodjes. Oma was nog overstuur, en ging een uurtje liggen. Toen de familieleden afscheid namen, zei mijn moeder: ‘Nou, tot de volgende crematie maar weer.’

            ‘Hè, meid, doe niet zo eng,’ zei een tante.

            Mijn zusje en ik hadden op de Laakkade het hondje van nicht 1b uitgelaten en gaven het dier met tegenzin terug. Zo’n crematie was eigenlijk best gezellig, vond ik. Jammer alleen dat er eerst iemand dood moest gaan.

 

 

                                                                 een leuke buurt

Toen opa al zo’n vijftien jaar dood was, had mijn moeder een onzinnig verschil van mening met tante 2. Tante beweerde dat opa aan leukemie was overleden.

            ‘Hoe kom je daar nou bij!’ riep mijn moeder verontwaardigd. ‘Hij had blaaskanker!’

            Achter ons woonde een vrouw met wie mijn moeder soms een praatje maakte als zij op balkon bezig was en de vrouw in haar tuin. Op een keer vertelde ze ontdaan dat haar man aan leukemie leed. Mijn moeder betuigde haar medeleven en haalde snel de was binnen.

            Na een paar maanden vroeg ze de buurvrouw hoe het met haar man ging.

            ‘Goed hoor. Hoe dat?’

            ‘Hij had toch leukemie?’

            ‘Dat had hij maar gezegd. Het was een geintje.’

            De leukemiesimulant was een zeer oorspronkelijk amateurdakbedekker. Het lekkende schuurdak voorzag hij eerst van een paar lagen plastic zakken, waar overheen hij een soort teer aanbracht, over welke ondergrond zeil plus oude kranten vastgespijkerd werden, en ten slotte werden tegen het wegwaaien wat bakstenen gestationeerd.

            Een paar tuinen verderop werd in de zomermaanden een soloherenenkeltoernooi gespeeld door een jongeman die na het zien van een Wimbledonuitzending een tennistenue aantrok, met een racket op het schuurtje klom en uren achtereen schijntenniste, maar verder ongevaarlijk scheen te zijn.

            In een vlakbije straat dreef een middenstander een soort Winkel van Sinkel. Om de vrede te bewaren gingen zijn vrouw en hij gescheiden op vakantie. Zij ging richting Rusland, zijn reisdoel was doorgaans Parijs, waar hij musea noch openluchtbezienswaardigheden bezocht – hij bracht zijn tijd door in gezellige, door de onderwereld beklante kroegjes, waar je geweldig kon lachen. Een keer bracht hij vanachter de toonbank verslag uit van zijn belevenissen in olalaland en vertelde slissend dat hij tijdens een nachtelijke kroegvechtpartij afstand had moeten doen van een paar voortanden.

            Onze bovenbuurman hield duiven die het bij ontstentenis van een sanitaire voorziening op onze ramen en waslijnen voorzagen en die zelfs niet geschroomd hadden het gepermanente haar van een tante te bombarderen met hun uitwerpselen. (Maar als beschikt is dat men duiven op zijn pad zal vinden, dan zal men duiven op zijn pad vinden: later verhuisden we naar een bovenetage, dus geen duifje aan de lucht. Beneden ons huisde een bejaard echtpaar. De man begon op zekere dag lawaai te maken: hij was bezig op zijn balkon een duiventil te timmeren. Algauw tortelden de duiven ons om de oren. Eenmaal bestond de buurman het mijn moeder te vragen of zij de was van de lijn wilde verwijderen: zijn duifies werden er schichtig van. Toch wel een apart tiep, deze melker. Hij beheerste het plathaags tot in de finesses, en werd eens in beschonken toestand voor de deur zittend aangetroffen, mompelend herinneringen aan zijn moeder ophalend en hevig wenend.)

            Om de hoek woonde in een benedenhuis een klein oud vrouwtje, wier man zeevarend was of in de gevangenis zat. Wanneer hij aan wal of op vrije voeten was en (soms wel een weekend lang) bij haar logeerde, werd het steevast hommeles. Beiden dronken met bezieling en de ruzie hield dan ook meestal verband met drankkwesties, waarbij de een de ander (of de ander de een) betichtte van het heimelijk leegdrinken van een de een (of een de ander) toebehorende nog halfvolle (of al halflege) fles sterkedrank.

            Het kleine oude vrouwtje was verbaal wel, maar fysiek niet opgewassen tegen haar mindere helft, en wanneer zij overdag uit het raam hing om, al naar gelang haar humeur, voorbijgangers vriendelijk toe te knikken of vijandelijk uit te schelden, dan vertoonde haar gezicht dikwijls schrammen, en dan wisten wij dat meneer weer eens op bezoek was geweest en met het bestek niet alleen zijn eten bewerkt had.

            Uiteindelijk is het kleine oude vrouwtje door de geneeskundige inspectiedienst of zo’n soort instantie uit huis gezet. De buren konden de ruzies nog wel waarderen, maar waren niet bestand tegen de stank die het vrouwtje verspreidde; haar wc was verstopt geraakt en de urine stroomde als lava door de gang.

            Schuin tegenover ons woonde een oude heks die duiven voerde. Ze had op een ochtend haar stoepje geschrobd en daarna driemaal met een voet op de grond gestampt, zodat de melkboer ’s middags op die plek een fles melk kapot liet vallen. Toen haar man nog leefde (ik durf niet te speculeren over de omstandigheden waaronder hij kwam te overlijden) belde die op een avond bij ons aan. Hij vroeg of mijn vader hem aan een groot stuk hardboard kon helpen; een jongen op een fiets was tijdens noodweer uit de koers geraakt en door het voorkamerraam gelazerd, en het regende nu in.

            Een nog veel vreemdere dame woonde beneden ons. Ze vertoonde zich alleen op straat als het niet anders kon, als ze boodschappen moest doen. Ze was een geboren klaagster, die dan weer een pak vla retourneerde omdat dit haar in halflege toestand was verkocht, dan weer een rol wc-papier terugbracht omdat die ‘al gebruikt’ zou zijn.

            Toch gebeurde er haast nooit wat in onze straat. Het enige spektakel van betekenis was die brand. Op een avond, ik was nog klein, ging iedereen de straat op. Brand! De kerk in de Isingstraat stond in de hens! Het gebouw brandde volledig af. Het was brandstichting geweest; een jongeman wiens verkering was uitgeraakt had een daad willen stellen. Jammer genoeg vloog het meisje hem na deze vlammende liefdesverklaring niet ogenblikkelijk om de nek om het weer goed te maken.

            Naast ons zat een filiaal van de gemeentereiniging. Dagelijks voetbalden we er voor de deur, waarbij de goeddeels blinde muur als doel fungeerde, tot grote woede van de schaftende vuilnismannen, die van het balbombardement buiten zinnen plachten te raken. Hun baas was een giftige brillantinekop die ons een keer de les trachtte te lezen, waarna wij uit gerechtvaardigde wraak de uitlaat van zijn Volkswagen met sneeuw dichtplamuurden.

            (De gevel van het gemeentereinigingsgebouw werd in verkiezingstijd volgeplakt met affiches. Toen ik op een middag uit school kwam, stond een meute straatgenootjes zich te vergapen aan een affiche van de PSP, waarop een functioneel naakte vrouw en een soort koe stonden afgebeeld.)

            Tijdens het voetballen wilde de bal nogal eens op het dak belanden. Via ons balkon kon hij eraf gehaald worden, zodat er regelmatig bij ons werd aangebeld door kinderen die even het balkon op wilden. Sommigen konden langs de regenpijp op dak klimmen, maar dorsten niet langs dezelfde weg omlaag te klauteren. Het kwam voor dat wij tijdens het eten ineens iemand op ons balkon zagen opduiken, die onze keukendeur opendeed, door onze gang wandelde, en na een korte groet onze buitendeur achter zich dichttrok.

 

 

                                                             het spook van de opa

Tante 4 mocht graag over haar kinderen opscheppen, al bestond daar geen aanleiding toe. Op school waren het geen hoogvliegers. Toch vertelde ze trots wat de leraar over haar oudste zoon had gezegd: deze was in de ogen van de leerkracht niet eerzuchtig, maar heerszuchtig.

            Tante en oom 4 waren van mening dat geld het beste niet kon worden uitgegeven. Ze waren een paar maanden na elkaar jarig en als er op de verjaardag van de eerstjarige nog wat chips overbleef, dan ging die in de trommel en kwam daar pas op de volgende verjaardag weer uit. (Als het op een doordeweekse verjaardag elf uur geworden was, dan zei oom 4: ‘Kom, we gaan opbreken,’ en dan hadden de gasten maar te vertrekken.)

            Mijn zusje was precies drie weken na mij jarig. Op mijn verjaardag was tante 4 niet geweest, op die van mijn zusje kwam ze wel. Gul schonk ze haar een rijksdaalder. Tegen mij zei ze: ‘Jou zal ik maar niks geven, jij verdient nu zelf geld!’ (Ik had inderdaad een krantenwijk.)

            Nee, dan oom 1. Twee weken daarvoor had ik hem bij mijn grootouders ontmoet. Hij zei: ‘Wat hoorde ik nou, was jij vorige week jarig? Hier, steek maar in je zak.’ En alsof het niets was gaf hij me een briefje van 25.

            Ik besloot van het geld een boek te kopen. Kinderboeken was ik zo’n beetje ontgroeid, hoe mooi literatuur kon zijn wist ik nog niet. Het werd een dikke biografie van Al Capone, geschreven door John Kobler. (Mogelijk was ik voornemens het van krantenjongen via gangster tot miljonair te schoppen.) Het boek bevatte ruim voldoende materiaal voor een spreekbeurt, en ik baseerde er zelfs een eindexamenwerkstuk op: Het Amerikaanse Misdaadwezen.

            Wat las ik als puber nog meer? Erich von Däniken, boeken over E.S.P., de Bruna Fantasy en Horror reeks. Mijn ouders hadden weinig boeken: De klop op de deur (dat geloof ik niet over een poltergeist ging), Mannen van Sliedrecht, een omnibus van A.M. de Jong (Ah! M. de Jong!), een Johan Fabricius omnibus en twee boeken die ik wel gelezen heb: Wat zien ik? en De commissaris vertelt over donker Amsterdam. En dan hadden we ook nog een paar Maigretpockets totdat tante 4 ze leende.

            Ik hoopte dat ik ook eens uit zou treden of een echte UFO zou zien vliegen (alleen liever niet als ik ’s morgens kranten bezorgde, want ik kreeg al een rolberoerte als ik op een portiek een kat tegenkwam), maar het is er nog niet van gekomen.

            Oma had meer geluk: een paar maanden na opa’s crematie zag ze hem op een avond in zijn stoel zitten.

            ‘Wat gebeurde er?’ vroeg ik.

            ‘Niks. Hij zat daar maar.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Toen ben ik maar naar bed gegaan.’

 

 

                                                                   nieuwe buren

Mijn grootouders woonden in een oud huis, een twee-over-een-trapsituatie. Zij hadden de eerste etage, de binnentrapdelers huisden tweehoog. De bovenburen woonden er al tientallen jaren en konden het goed met opa en oma vinden. Maar stel dat zij het in hun hoofd haalden te verhuizen? Je moest er niet aan...

            Er niet aan denken hielp niet: een jaar of wat na opa’s dood verhuisden ze. De etage bleef een tijd leegstaan en dit bezorgde ons al rillingen, want stel dat oma viel en in de gang kwam te liggen, niet bij machte op te staan, en ongehoord om hulp roepend? En wat zou er in hemelsnaam voor gespuis boven haar komen te wonen?

            Oma woonde in een oude wijk, en de kans was dus groot dat er een bende racistoïde plathaagsen introk. Maar tot onze opluchting kwam er een Turks gezin boven oma wonen. Het gezinshoofd heette Yusuf – of Jozef, zoals oma hem herdoopte. Het kroost kon het uitstekend met haar vinden. Als wij op bezoek kwamen liep er vaak een kluitje kleintjes om de tafel te rennen, terwijl een of twee hummeltjes bij oma op schoot gekropen waren.

            Oma gaf de kleinsten geduldig een stoomcursus Nederlands. Ze zei bijvoorbeeld: ‘Een, twee, drie...’ en de cursistjes dienden dan te rijmen: ‘Bochel op je knie!’

 

 

                                                                        reüniet

Foto’s zijn magisch. Toen er nog geen foto’s bestonden werden mensen niet zichtbaar ouder. Foto’s zijn ontluisterend. Zoals die van het veertigjarig huwelijksfeest van mijn grootouders. De meeste gefotografeerden zijn overleden. Als van iedereen die overlijdt de foto’s zouden vervagen, zou mijn collectie foto’s in een enkele schoenendoos (maat 40) passen.

            Het verouderingsproces wordt onbarmhartig gedocumenteerd. Waar bleef de opa die ergens aan boord van een schip gefotografeerd is, in de kracht van zijn leven; of op een terras ergens in Indië, waar hij zich ergerde aan de manier waarop de Nederlanders de inlanders behandelden. (De Javaan wordt mishandeld.) Al die mensen die op foto’s uit de tijd van Laurel en Hardy staan. Als ik niet over ze schrijf zouden ze net zo goed niet bestaan kunnen hebben.

            Een schok moet het zijn om mensen van wie je foto’s hebt na jaren terug te zien, ouder, oud geworden. Wat te denken van die foto die op de kleuterschool gemaakt werd, de hele klas op en om het klimrek, de juf er lachend naast. Je zal toch op een reünie met een lagereschoolklas van toen geconfronteerd worden. De tragiek van het mooiste meisje van de klas dat niet meer om aan te zien is. Een destijds onooglijke griet die raadselachtig oogverblindend geworden is. (Dat is eigenlijk nog veel erger.) Op hun pensioen afstevenende mannetjes en vrouwtjes, terwijl je zelf voor je gevoel geen seconde ouder geworden bent.

 

 

alleen thuis

In de zomer van 1973, bijna een jaar na opa’s dood, gingen mijn ouders en zusje met de auto op vakantie naar het buitenland. Ik bleef alleen thuis, want ik had de leeftijd dat alleen thuis zijn een groter avontuur is dan in gezinsverband op vakantie gaan.

            Twee dagen was ik in de weer met zinledig huishoudelijk werk als het met een stofdoek wegjagen van stof en het bereiden van diverse snelgerechten: blikje gehakballetjes in jus opwarmen, blikje goulash opwarmen, de dagelijkse Iglomaaltijd ontdooien en zo nu en dan een ei braden. (Ik heb er geen herinnering aan, maar het zou me niets verbazen als ik zelfs nog een keer heb afgewassen.)

            Door al deze beslommeringen vergat ik oma. Ze kwam elke zondag op visite, en op de andere dagen van de week ging mijn moeder ’s middags bij haar langs, terwijl er bovendien druk getelefoneerd werd. Op een avond, ik had net een goulashmaal en een portie ingeblikte knakworst verorberd, belde oom 1 op. Hij was even bij oma langs geweest en had gezien dat ze niet in orde was. Wilde ik de volgende dag even gaan kijken hoe ze het maakte?

            O jee. Oma. Helemaal niet aan gedacht. Zou ze weer op sterven liggen? In bed lag ik me voor m’n kop te slaan. Morgenochtend vroeg, als de kranten bezorgd waren, zou ik meteen naar haar toe fietsen. Het afwassen moest nog maar een dagje wachten.

            Om kwart over elf belde oom 1 weer. Nee, er was niets aan de hand; hij was oma even een kommetje soep gaan brengen, en het ging nu wel weer met haar.

            Zo snel mogelijk racefietste ik de volgende ochtend naar oma. Toen ik aanbelde werd er door de bovenbuurvrouw opengedaan. Het was hittegolfweer. Om het zonlicht buiten te sluiten had oma de gordijnen dichtgedaan, maar de ramen waren ook dicht, zodat het in de voorkamer bloedheet was.

            Ze zat in een stoel te mummelen en te huilen. Ik vroeg wat haar scheelde. Ze herkende me en begon nog harder te huilen. Godallemachtig. Het was hier ook om over te koken zo heet. Waar had ze de eau de cologne, de eerste hulp bij ongelukken? Ik vond het flesje en druppelde wat van het goedje op een zakdoek en bette haar voorhoofd. Zo beter oma? Bweh, bweh, bweh. Dat jengelige gejammer. Veel verstaanbaars kwam er nog niet uit. Hoe lang zat ze al zo in die stoel?

            In de keuken stond de melk te verzuren. Ik gooide het stinkende pak in de gootsteen leeg, controleerde waar het verder nog aan schortte, en ging boodschappen doen. Toen ik terugkwam was oma wat gekalmeerd, maar nog niet in staat een gesprek te voeren.

            Ik had met mijn ouders te doen. Nu ik tijdens de vakantie alleen gelaten kon worden, kon oma dat niet meer.

            ’s Avonds belde mijn vader op. Ginds was alles kits, was bij mij ook alles kits? En viel de ravage een beetje mee? Nadat ik hem op dit punt gerust had gesteld, lichtte ik hem in over oma’s toestand. Misschien konden ze maar beter naar huis komen.

            ‘Daar voel ik niet veel voor,’ zei mijn moeder, die zich meester had gemaakt van de hoorn.

            Maar de volgende avond stonden ze voor de deur; mijn moeder kon bij nader inzien niet onbekommerd vakantie vieren terwijl oma wegkwijnde. Hun thuiskomst overviel mij, maar gelukkig had ik juist het ergste overkooksel van het fornuis geschuurmiddeld.

 

 

                                                                rijmen en dichten

Wanneer mijn moeder haar huiswerk gemaakt had, liet zij zich wel door opa overhoren. Correct verduitste zij de uitdrukking ‘Het is te laat’ tot Es ist zu spät, waarop opa rijmde: ‘Met je neus in m’n reet!’

            In die tijd werd er meer dan tegenwoordig aan light verse gedaan. Op de vraag ‘Wat is er?’ werd geantwoord: ‘Een drol van een minister!’ En op ‘Wat mot je?’ rijmde ‘Een drol in een potje!’

            Niet rijmend, maar in zekere zin riekend naar poëzie, waren gezegden als: ‘Heb je het over mij? Dan heb je het ook over mijn blote kont!’ En: ‘Wat zie je poep, moet je witten?’ En: ‘Weet je wat jij bent? Je bent een gezellige broek met stront!’ (Of als opa een érg lollige bui had: ‘Een gezellige broek met cement!’)

            In tegenstelling tot opa leek oma zich verre van de dichtkunst te houden. Maar op het einde van haar leven, ze was zowat negentig, boorde ze een onvermoede dichtader aan. Dit was waarschijnlijk te wijten aan een nieuwe bewoonster van De Knekelburcht, mevrouw Mitella, die tegenover oma een kamer had gekregen.

            De vrouw leek gevuld te zijn met dubbelzinnige opmerkingen, die ze bij de minste aanleiding liet ontsnappen. Als wij op visite kwamen en mevrouw Mitella bij oma thee zat te drinken, dan vlogen de schuine opmerkingen je om de oren, en zaten de beide oudjes elkaar met tranende pretogen op te jutten.

            Toen oma eens bij ons televisie keek, werd het programma Spitting Image uitgezonden, waarin de van karikaturale lippen voorziene kop van Margaret Thatcher te zien was. Oma zei: ‘Dat noemen ze trutlippen. Ik weet niet waarom.’

            Voordat oma begon te dichten zat ze al vol humor. Op een zondagavond reed ik haar naar huis. Toen we bij het bejaardenhuis aankwamen begonnen de klokken van de naburige kerk te luiden. ‘Ik ga vannacht zeker dood,’ zei oma lachend. We stapten in de lift, samen met een oud besje dat er een etage eerder uit moest. Ze knikte vriendelijk naar oma, die overdreven hartelijk groette. Maar de ander was nog niet goed en wel uitgestapt, of oma zei hoofdschuddend: ‘Wat een lekkere tuthola, hè?’

            En maar rijmen, onder invloed van de erotomane bejaarde buurvrouw. Je hoefde je maar het woord ‘keuken’ te laten ontvallen, of oma riep: ‘Daar kan ik op rijmen!’

 

 

                                                                     begrafenis

Oma werd niet gecremeerd, ze werd begraven. In haar kamer verzamelden zich de nabestaanden die in de volgwagens zouden meerijden. Het waren er veel minder dan toen opa gestorven was; op het laatst had je geen volgwagens meer nodig.

            Het was juli, maar bar slecht weer. Onafgebroken plensregende het. In de aula herkende ik een paar familieleden die ik sinds opa’s crematie niet meer gezien had.

            ‘Dat is Ase’s Tod,’ hoorde ik oom 2 tegen tante 2 zeggen. (Hij zou de volgende zijn.)

            Oma had geen bloemen gewild. ‘Alleen een klein boeketje in m’n handen,’ had ze ooit gezegd. Er was voor gezorgd. Ze had haar mooie donkerblauwe mantelpakje aan en een broche op. Ze zou eigenlijk nog een zakdoekje in haar hand moeten hebben; ze zeulde er altijd een met zich mee alsof het vastgelijmd zat.

            Tot aan de dag van de begrafenis waren we elke avond naar het rouwcentrum gegaan. Ze lag er mooi bij. Ammehoela. Oma was oma niet meer. Ze had een expressief gezicht gehad. Als ze lachte, dan lachte heel haar gezicht, en als ze boos keek, dan keek ze ook boos. Maar dit was niets.

            Oom 2 bracht op een avond negen witte rozen. ‘Voor elke tien jaar dat ze geleef heb een roos.’

            Ik had nog nooit een begrafenis meegemaakt. Na het spelen van de muziek ging het gordijn dicht en klonk erachter gestommel. Het gordijn schoof weer open en vier heren in jacquet stonden naast de kist. Je reinste Herenleed; ik had moeite mijn lachen in te houden. (‘Ik dacht, die gaan straks een dansje om de kist maken,’ zei mijn zusje na afloop.)

            De achterdeur ging open; het was droog geworden en de zon begon door te breken. De kist rustte op een baar met wieltjes. Voor de heren in jacquet mazzel, want het graf lag zo ver weg, dat sjouwen geen doen was geweest. We gingen een pad op, we gingen aan het eind ervan rechts, we gingen een ander pad op, we gingen halverwege weer rechts. Was dit Monty Python of niet?

            We reden terug naar De Knekelburcht. We dronken koffie. We aten broodjes.

            ‘Tot de volgende begrafenis maar weer,’ zei mijn moeder.

            De tante die indertijd ‘Hè, meid, doe niet zo eng’ had gezegd was niet meer in leven.

            Twee dagen later huurde ik een busje en haalde met mijn zusje oma’s kamer leeg en leverde de boedel bij mijn moeder af en dat was dat.

 

 

                                                           een andere wereldorde

Stel dat Evert, het voorechtelijke kind, was blijven leven? Misschien zou hij journalist geworden zijn: dat dominante schrijfgen was tenslotte maar een ‘basisvoorziening’ – waar het om ging, was wat je ermee deed. Hoe zou zijn leven verlopen zijn? Zou hij net als opa een aristocratische neus gehad hebben? Zou hij net zo’n bijzonderling geworden zijn als zijn vader?

            Hij zou als hoogbegaafd voetballer het Nederlands elftal naar internationale overwinningen hebben geleid; als superjudoka Anton Geesink zijn voorgegaan in olympische triomfen.

            We zouden thans hoe dan ook te maken hebben gehad met een geheel andere wereldorde. Niet alleen omdat Evert zich als onverschrokken verzetsheld gemanifesteerd zou hebben, waardoor Hitler, Mussolini, Hirohitho en dezulken al veel eerder het onderspit zouden hebben gedolven, maar omdat dan alles anders zou zijn gelopen.

            Opa en oma zouden omwille van Evert getrouwd zijn en het bij een enkele nakomeling gelaten hebben, zodat mijn moeder er nimmer geweest was, mijn zusje er nimmer geweest was, en... sodemieters, zelfs ik niet!

            Nee, afgezien van de wedstrijdsport en de Tweede Wereldoorlog, mogen we dankbaar zijn dat hij indertijd razendsnel in de grond verdween.

 

 

                                                                          tring

‘Moet je horen,’ zei mijn moeder, dus ik hield de hoorn alvast wat verder van mijn oor. Ze was die middag op visite geweest bij hoogbejaarde tante 8, een schoonzus van oma. Het hoofdstuk Evert was nu vaststond dat hij maar kort geleefd had afgesloten, maar mijn moeder was toch benieuwd geweest of tante 8 haar nog wat details kon verschaffen. Tante wist niets van een door oma ter wereld gebrachte zoon, maar ze kwam wel met een aardig nieuwtje.

            Opa werkte vroeger bij Royal, aan het Voorhout. Op een dag arriveerde er een sjieke blonde dame met een volwassen zoon. Opa nam met meer dan normale beleefdheid beider jassen aan. De zoon zei tegen zijn moeder zoiets als: ‘Wat een aardige beleefde kelner is dat.’ De vrouw gaf opa een knipoog; opa was namelijk de vader van de jongeman, die zich dit niet bewust was. Opa had voor zijn huwelijk met de vrouw een verhouding gehad, ze was in verwachting geraakt, maar wilde niet met de verwekker trouwen. Ze sloeg later een ‘rijke man’ aan de haak, die het vaderschap op zich nam. Volgens tante 8 kwam opa de eerste huwelijksjaren regelmatig bij het gezin over de vloer.

            Alweer een broer van mijn moeder. Een die wellicht nog in leven was. En dan te bedenken wat er allemaal nog in Zuid-Amerika aan nageslacht kon rondlopen. Misschien wel een compleet kartel...

            Opa, vertel nog eens van vroeger!

 

 

 

© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden.