|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
vakantie
Een maand voordat we die zomer met vakantie zouden gaan, verruilde mijn vader van werkgever. Zijn nieuwe baas hield geen rekening met gemaakte vakantieafspraken, maar het huisje in V. was al besproken. Aangezien er in de annuleringsverzekeringspolis geen clausule was opgenomen over restitutie van bespreekgeld bij het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst in de metaalsector, was de enige optie dat mijn vader ons (zusje, opa, oma, ma, moi) zaterdagochtend vroeg naar V. reed, en er het leed tot zondagavond laat deelde. Wij hadden iets dergelijks nog nooit ondernomen, het was allemaal zo nieuw voor ons. Gingen we op vakantie, dan belandden we altijd in een hotel of pension, en dan was er een gezinshoofd om ons continu in de ellende van dien bij te staan – en nu waren opa en oma ook nog mee!
Een vakantiehuisje, in de vrije natuur – wie verzint er zoiets? Tegenwoordig word je gek gemaakt met kapitale twaalfpersoonsbungalows, die je alleen hoeft te verlaten om groepsbingo te gaan spelen in het Entertainment Palace, want al het benodigde vertier bevindt zich intern: zonnebank, bubbelbad, pingpongtafel, biljart, barbecue en een surroundsoundinstallatie. Maar anno 1969 had niemand daar nog van gehoord. De consumentenorganisaties hadden wel wat anders aan hun hoofd dan kampeeroorden te onderzoeken op overleefbaarheid, en wie daar met alle geweld twee weken wenste door te brengen, die moest dat zelf maar weten.
Ons huisje: had geen televisie; had geen koelkast; had geen douche; had geen toilet – nou ja, ergens wel: buiten. Een schuurtje. Feitelijk bevonden álle gemakken zich extern, zoals een filiaal van kruidenier S. de W., waar ijs te koop was (hierover straks meer). Douchen wás mogelijk – ergens verscholen tussen het geboomte bevond zich een keet met douchehokjes. Je zomaar eens gezellig gaan wassen was er niet bij; de douche deed het alleen als je een muntje in de automaat stopte. Er kwam dan een stroom water over je heen die eerst ijskoud was, dan kokendheet werd, en wanneer je de kranen eindelijk op een aanvaardbare melange had afgesteld, was je eerste muntje al verbruikt. Begon je na inworp van het tweede muntje net lekker te schuimen, dan leerde je tot je schande dat het raadzaam was in het vervolg met drie muntjes de cabine te betreden.
Het terrein (dat niet door schrikdraad omgeven was, maar in een reeks verraderlijke gierputten een natuurlijke begrenzing kende) strekte zich uit tot waar het oog reikte, en de recreanten konden er zich naar hartelust overgeven aan balspel, rondrennen en ander collectief en solitair openluchtvertier waaraan zich vanwege de nagenoeg onafgebroken regenval slechts een handjevol hardnekkige bosfanaten bezondigde. Een hel in natura!
Mijn vader vertrok op zondagavond (‘Nou, dan ga ik maar... sterkte!’), en wij bleven ontheemd achter, alsof wij opdracht gekregen hadden een Dickensiaans weeshuistafereel uit te beelden. De maandag brak aan met een wolkbreuk. Nog maar twaalf dagen te gaan, kop op, we redden het wel – straks gaan we leuk gekke gezichten op het beslagen raam tekenen!
Mijn zusje (twee jaar) nam toen wij even niet op haar letten de beentjes, en werd pas uren later (mijn moeder was er al van overtuigd geraakt dat zij door een plaatselijke Manson te grazen was genomen) in de verlaten speeltuin aangetroffen, waar zij kirrend op een schommel zat. Zodra het een beetje opklaarde, verdween ik (elf jaar) in het struikgewas om stiekem een sigaret van mijn moeder te roken, en als de zon even door de bomen leek te gaan schijnen, ging mijn opa (tachtigplus) op het bankje voor het huisje zitten, en rookte onverstoorbaar een pijpje, zonder zich wat aan te trekken van de hem omringende natuurpracht: ‘Je hebt hier helemaal geen uitzicht,’ zei hij hoofdschuddend, ‘je ziet alleen maar bomen.’
Vier, vijf dagen brachten wij in zuchtende berusting door, maar op de zesde of achtste dag (ik durf in deze context de met toenmalige schoonheidscrème vergroeide uitdrukking ‘en op de zevende dag...’ niet te gebruiken) gebeurde het: opa kreeg diarree. Eerst liet hij zomaar, alsof hij gewoon pijprook uitblies, een golf zuur braaksel over zijn kin lopen. De stank ervan was enorm – zelfs buiten, in de openlucht, rook je opa’s lucht. Na deze orale maaguitbarsting verdween hij in het gemakhuisje; bij terugkomst keek hij alsof hij bij zwaar weer de Golf van Biskaje bevaren had.
’s Avonds en ’s nachts werd de buitenplee niet gebruikt, want er was geen verlichting; de hartvormige opening in de wand liet in de tweede plaats een beetje maanlicht, en in de eerste plaats een boel muggen en nog venijniger stekers binnen. In arren moede werd er dus maar een emmer geïnstalleerd in de hoek van de kamer die als keuken fungeerde. Maar opa had diarree. Het zal een uur of drie geweest zijn, ik werd er wakker van. Mijn moeder verzenuwd vloekend, mijn opa terugschreeuwend dat al die bloody hoorah nergens voor nodig was, mijn moeder die kokhalzend de emmer buitenzette, omdat de dampen die ervan afsloegen de uitwerking hadden van een vlak onder de neus geopende fles ammoniak. Ik lag met mijn gezicht in het kussen gedrukt te huilen van het lachen.
De volgende dag kreeg mijn zusje diarree. Hee, zij ook diarree? Dat waren er al twee! Een epidemie? Daar was niets van bekend – hoewel, we waren totaal verstoken van radio en televisie, en hadden in geen dagen een krant gezien. Voedselvergiftiging? Maar waardoor dan? Het ijs uit de kampwinkel! De dokter van een naburig gehucht werd gebeld en van de onwelriekende symptomen op de hoogte gesteld. Hij verzocht ons meteen langs te komen – met het zieke kind en met wat poep. Terwijl haar maag opspeelde, schepte mijn moeder een paar paplepels van mijn zusjes dunne derrie in een beslaande pindakaaspot, en gedrieën (oma was ondergoed aan het uitkoken en opa zat op het bankje voor het huisje en rookte onverstoorbaar een pijpje) stapten we in de taxi. De bospaadjes zaten vol kuilen, en hoewel de taxi stapvoets reed, had mijn moeder de grootste moeite de pindakaaspot waterpas te houden. De dokter onderzocht mijn zusje aan alle kanten, en hield de peutersaus keurend tegen het licht. Hij dacht dat er waarschijnlijk sprake was van een onschuldige buikgriep, maar voor alle zekerheid ging de poep naar het laboratorium.
Door de ontlastingsperikelen was de toestand onhoudbaar geworden. Van de vijf campingbreukelingen waren er weliswaar slechts twee uitgeschakeld, maar hun besmettelijke darmflora vergalde de weinige vakantiepret van de anderen, en mijn moeder besliste dat het mooi geweest was. Ze belde mijn vader, en gelastte hem ons de volgende ochtend te komen ontzetten. Toen hij voorreed stonden wij al uren met de koffers klaar. We laadden zwijgend de bagage in, en toen pas viel ons op hoe bleek de kostwinner zag. En ja hoor: hij had die nacht nauwelijks geslapen, vanwege diarree. Onderweg naar ons had hij kaneelbeschuitjes gegeten, zijn aandacht verdelend tussen snelweg en kringspier, in het verschrikkelijke besef dat verslapte concentratie onomkeerbare rampen tot gevolg kon hebben.
Van de terugreis in de oude Wartburg herinner ik me voornamelijk dat ik bang was dat opa ineens ‘Trek eens aan m’n vinger’ zou zeggen.
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||