|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Om wonderlandse avonturen mee te maken moest Alice afdalen in een rabbit-hole en zelfs Through the Looking Glass gaan. Ik tekende gewoon een contract met Ambo|Anthos uitgevers.
In de loop van 2000 was ik in communicatie geraakt met een redacteur van deze uitgeverij (lang verhaal, andere keer). Ik zond haar een aantal manuscripten ter beoordeling. Op 4 januari 2001 beraadslaagden we er in Amsterdam tijdens een lunch over. Ze vertelde dat Anthos het manuscript Hartslagen (zoals Zoute griotten toen nog heette) wilde uitgeven.
Ik was daar niet meteen ondersteboven van. In het verleden had ik wel vaker tijdelijk wind mee gehad op weg naar publicatie van een boek, maar die was op den duur altijd gedraaid. (Zie de afdeling Schrijverspost elders op deze site.)
Het leek Anthos ernst te zijn. De redacteur (hierna mijn redacteur genoemd) kwam (tot tweemaal toe) naar Den Haag voor overleg en ze vroeg me zelfs een keer of ik er voor voelde om mee te werken aan promotieactiviteiten rond het boek. Dat leek me wel lollig.
Haar deskundigheid leidde ertoe dat het manuscript een aantal verbeteringen onderging. Zo kwam er meer vaart in de dialogen en werd ik ertoe aangezet duidelijker te maken wat nu precies de periode was waarin de gebeurtenissen plaatsvonden. Ik ben dan ook waarschijnlijk de enige schrijver die na voltooiing van een roman een schema ervoor gemaakt heeft.
Bij al deze creatieve en recreatieve (tosti’s op Kijkduin) activiteiten werd de zakelijke component van de samenwerking natuurlijk niet uit het oog verloren: de goede onderlinge verstandhouding diende door middel van een contract een juridisch kader te krijgen. Ik ontving van Anthos een 12 februari 2001 gedagtekend auteurscontract. Omdat ik een rare ben ging ik dat lezen.
In Artikel 9 stond: ‘indien bij een eventuele herdruk de auteur mocht zijn overleden, is de uitgever bevoegd het werk door één of meer deskundige(n) te laten bewerken.’ Als dit de gebruikelijke gang van zaken was zou Van Oorschot in een herdruk van Oblomov de luie held van deze roman bijvoorbeeld kunnen laten meedoen aan de Marathon van Rotterdam.
Artikel 15 begon met ‘De auteur zijn bevoegd’, dus dat sloeg ik maar over, evenals artikel 16: ‘De rechten en plichten van de auteur gaat na hun dood over op hun erfgenamen’. We maken allemaal weleens een tikfout, maar omdat we in een rechtsstaat leven schijnt het voor te komen dat de rechter de zaak al seponeert als er op de dagvaarding een verkeerde postcode staat – kortom: dat contract tekende ik maar niet.
Mijn redacteur liet op 19 maart weten dat ik een nieuw contract zou krijgen. Omdat daarin veel minder de nadruk werd gelegd op mijn overlijden, stuurde ik het op 15 mei ondertekend terug.
Het waren spannende tijden. De eminente striptekenaar Erik Kriek (wie eenmaal een Gutsman van hem gelezen heeft is verkocht) was aangezocht om het omslag te ontwerpen, de niet minder eminente fotograaf Chris van Houts verschoot vier rolletjes om mijn kop passabel op het omslag te krijgen.
De laatste verbeteringen waren in het manuscript aangebracht, ik had met mijn redacteur overlegd over een tekst in de aanbiedingsfolder – en toen kondigde ze aan dat ze de uitgeverij ging verlaten. Ze moest zich bij Anthos te veel met organisatorische zaken bezighouden en kwam daardoor te weinig toe aan het eigenlijke redigeerwerk waar ze zo van hield, vandaar.
Ik werd overgedragen aan de goede zorgen van een bureauredacteur en een promotiemedewerker. Het werd nu menens, want ik had ineens de nog onder toezicht van mijn redacteur totstandgekomen aanbiedingsfolder in handen. Daarin werd over een lengte van maar liefst drie pagina’s aandacht voor Zoute griotten gevraagd.
De uitgever, die ik in de voorafgaande maanden nog niet had gesproken (en nu ook maar heel even sprak) stelde voor om er geen al te dolle presentatie van te maken, maar iets eenvoudigs, met ‘mensen van de boekhandel’ erbij.
Op 10 augustus ontving ik de eerste proef. Ik had voldoende tijd om die te corrigeren, en dat was zoals het hoorde, want een roman is geen auteurscontract waarin je maar raak kunt schrijven en spellen. Binnen een week zond ik de bureauredacteur een e-mail.
‘Ik merkte bij het corrigeren van de eerste proef dat er ten opzichte van de door mij gefiatteerde tekst een paar wijzigingen waren aangebracht. Zo was van “bovenop” (p. 21) “boven op” gemaakt, terwijl op p. 133 “bovenop” is blijven staan, een onnodige inconsequentie. Het is (zeker met deze hitte) al een hele opgaaf om in één moeite door de tekst inhoudelijk kritisch te bekijken, zetfouten in de gaten te hebben en te letten op lelijke/foute afbrekingen. Als ik dan ook nog bedacht moet zijn op buiten mijn weten aangebrachte wijzigingen...’
Een collega (hierna mijn collega genoemd) zet zich tijdens en buiten kantooruren in voor de literatuur. Zo vult hij dagelijks de LiTTerair geheten teletekstpagina’s 420 en 421. Daarmee brengt hij levende en dode schrijvers en hun werk onder de aandacht, en soms zelfs debutanten, als hun werk aan zijn kwaliteitseisen voldoet. Bij Anthos was men razend enthousiast over mijn debuut, ik hoopte maar dat mijn collega het ook zou zijn.
Intussen waren de voorbereidingen voor de publicatie van het boek in volle gang. Tenminste, die indruk had ik aanvankelijk. Ik had in de twee dagen tijd die me daarvoor gegund waren de tweede proef gecorrigeerd (omdat ik overdag werkte waren de twee dagen twee avonden geweest) en op woensdag 29 augustus noteerde ik in mijn dagboek: ‘Maandag gaat de handel naar de drukker.’
Dat was een gunstige gang van zaken, want als het boek in september verscheen zat ik nog voor de grote najaarsgolf van belangwekkende uitgaven, en had je kans dat het debuut de aandacht trok van recensenten. Maar op 6 september liet de uitgever per mail weten dat zo vroeg verschijnen geen zin had, omdat nog niet alle boekhandelaren in de gelegenheid waren geweest om op de beurzen te bestellen. Zouden we het maar op half oktober houden?
Ik zat in de startblokken, vooral sinds het bericht van de bureauredacteur van 13 september dat een van de twee promotiemedewerkers (er was een nieuwe in dienst gekomen) contact zou opnemen over presentatie en publiciteit.
Het boek zou op 15 oktober van de drukker komen. Die dag belde ik Anthos op en vroeg naar de uitgever. Goed getimed, hij kwam net binnen. De man die de telefoon beantwoordde wilde weten waar ik voor belde. Ik zei dat ik de schrijver was van een boek dat op het punt stond bij Anthos te verschijnen. De man verzocht om een ogenblik geduld en voerde onhoorbaar overleg met de uitgever. Deze bleek op het punt te staan in bespreking te gaan, en zou me ’s middags terugbellen. Het kwam er niet van.
Twee dagen later arriveerde ik volgens afspraak rond lunchtijd bij de uitgeverij om de auteursexemplaren in ontvangst te nemen. Boeken werden er gelijkvloers in de postkamer op voorraad gehouden. Zo nu en dan daalde er een medewerker van zijn bovenliggende werkplek af om me te feliciteren met het boek en vervolgens weer aan de slag te gaan. (Zelfs de uitgever liet zich heel even zien, dat komt straks nog ter sprake.)
De promotiemedewerker kwam ook feliciteren. Ik vroeg wanneer het boek in de winkel zou liggen, dan kon, als het kon, mijn collega (de griottenproef bleek naar zijn smaak te zijn) de teletekstpagina’s gelijktijdig op tv brengen. De promotiemedewerker zei dat het een week à tien dagen na desbetreffende opdracht aan het Centraal Boekhuis zover zou zijn – en ze ging nu het Centraal Boekhuis opdracht geven het boek te verspreiden!
De Anthos-medewerkers die gingen lunchen hadden vermoedelijk al een lunchafspraak staan en konden die onmogelijk wijzigen en feestelijk met mij wat gaan eten, dus ik ging maar weer op huis aan met mijn boeken. (Niet met alle boeken, ik er een aantal op kosten van Anthos mogen versturen.) Over tien dagen lag het in de winkel, en al over een week de presentatie met ‘mensen van de boekhandel’!
Behalve de drie dierbaren die ik de 24ste oktober zelf zou meebrengen nodigde ik Irene en Maarten uit (die ervoor gezorgd hadden dat Buisdorp.com in de lucht was gekomen), en ook Chris van Houts (die niet kon) en mijn redacteur (die niet kon) en Erik Kriek.
Ik had er zin in, en de drie dierbaren zagen ook naar het evenement uit. Van de op het feest aanwezige medewerkers van de uitgeverij kende ik alleen de bureauredacteur en een van de promotiemedewerkers. Ik weet niet of de anderen speciaal voor de gelegenheid waren opgetrommeld of gewoon na hun werk nog een glaasje sap kwamen drinken omdat ze anders toch maar in de file zouden staan.
Ik werd voorgesteld aan de nieuwe promotiemedewerker, en ook aan een mannetje dat mijn redacteur was opgevolgd. Hij zei zoiets als: ‘Een belangrijke vraag: hoe zit het met je volgende boek?’ Een bijzonder moment, het was behalve de eerste keer ook de laatste keer dat hij het woord tot me richtte. Nooit meer wat van dat mannetje gehoord.
Het was aangenaam om kennis te maken met Erik Kriek en de gelegenheid te hebben hem te complimenteren met het omslag. Het boek zag hij voor het eerst. Dat was raar, vond de bureauredacteur, er was hem een exemplaar gestuurd. (‘Anthos verstuurt wat’ deel 1.)
De uitgever kon helaas niet bij de presentatie aanwezig zijn. Hij kwam ook niet op het idee vanaf de locatie waar hij zich dringend bevond mij telefonisch geluk te wensen met het verschijnen van mijn boek.
Ik had erg uitgezien naar die ‘mensen van de boekhandel’, maar ze waren er niet. De bureauredacteur sprak publiekelijk een paar hartelijke woorden over het boek, ik maakte met deze en gene een praatje en ging toen met mijn dierbaren uit eten. Dat werd erg gezellig.
De volgende dag werd het opnieuw een hoogtijdag. Ik zette de tv aan – die vertoonde onafgebroken de aan Zoute griotten gewijde teletekstpagina’s. ’s Middags om kwart voor zes werd ik opgebeld door de bureauredacteur, die een recensie uit het Eindhovens Dagblad voordroeg (waarschijnlijk geschreven na lezing van een drukproef), waarin ongelooflijk maar waar stond: U hield al van Ronald Giphart. Hou nu ook van Martin de Jong. Ik kreeg een waas voor mijn ogen als ik bedacht hoevelen er potentieel van mij zouden kunnen gaan houden, want ik heb veel liefde nodig.
Een slimme uitgever had die quote in een kleine dagbladadvertentie geplakt, vooral als dat gelijktijdig kon gebeuren met het verschijnen van het boek. Wat zou het gekost hebben? Toch niet veel meer dan de 3000 gulden die ze me niet hadden hoeven betalen omdat ik besloten had af te zien van een voorschot bij ondertekening van het contract.
In de dagen die volgden ging ik zo nu en dan een boekhandel binnen, maar geen griotten te bekennen. Op 30 oktober belde ik de nieuwe promotiemedewerker op, die navraag ging doen en vervolgens liet weten dat pas op de dag van de presentatie opdracht tot verspreiding was gegeven. Ze hadden me niet eens laten weten dat ze wilden afwijken van de met mij gemaakte afspraak (‘ik ga nu opdracht geven aan het Centraal Boekhuis...’) – en die teletekstpagina’s waren daardoor als mosterd voor de maaltijd in het water gevallen.
Op de laatste dag van oktober las de nieuwe promotiemedewerker door de telefoon een lijstje voor met kranten en magazines die nog een recensie-exemplaar moesten ontvangen. Terwijl het boek dus al twee weken in huis was. Terwijl door de grote najaarsgolf van belangwekkende uitgaven de kans vrijwel nihil geworden was dat het boek nog besproken werd. Terwijl het toen mijn redacteur zich nog met de zaak bemoeide de bedoeling was het boek in september op de markt te brengen. Terwijl het op 1 september al naar de drukker had gekund.
Pas op 1 november zag ik het in de boekhandel liggen.
De nieuwe promotiemedewerker zat intussen te zweten op een aanbiedingsbrief voor bij de recensie-exemplaren. Ik zei dat ze daar die quote uit het Eindhovens Dagblad in moest zetten. Dat vond ze een goed idee. Die aanbiedingsbrief heb ik nooit gezien, laat staan dat de inhoud ervan aan me werd voorgelegd, zoals netjes gebeurd was bij de tekst van de aanbiedingsfolder.
Soms ontdekte ik ergens een korte bespreking of een signalering van het boek. Op 18 december mailde ik aan de promotiemedewerker: ‘In de Elle staat een leuk stukje over ZG.’ Ze mailde terug: ‘Heb ik gezien. Leuk inderdaad!’ (Het was dus niet nodig geweest dat ik haar erop attendeerde, maar ik zag het als mijn plicht de uitgeverij op de hoogte te houden van ontwikkelingen rond het boek.)
Het is aangenaam als mensen geïnteresseerd zijn in wat je doet en hoe het met je gaat, al had ik het op den duur liever niet. Want wat moet je antwoorden op de steeds terugkerende vraag: ‘Hoe gaat het met je boek?’ als je daar geen idee van hebt? En wat kan je zeggen over de oplage, als je daarover van de uitgever niets van vernomen hebt?
Mijn redacteur was intussen aan de slag gegaan bij een andere uitgeverij. Eind januari 2002 ontving ik van haar het nieuwjaarsgeschenk van die uitgeverij, erg attent.
Ik had een uitnodiging voor het bijwonen van de viering van de negentigste verjaardag van Marten Toonder, op 2 mei 2002 in het BibliotheekTheater van de Bibliotheek Rotterdam. Bij die gelegenheid werd tevens de Toonder-Lubberhuizenprijs voor het beste debuut van 2001 uitgereikt.
Het was weer een belevenis om meneer Toonder een hand te geven. Ik had dat al eerder gedaan bij de presentatie van een aan hem gewijde cd-rom, maar toen was ik zo zenuwachtig geweest dat ik niets kon uitbrengen en alleen maar dwaas naar hem knikte. (Later die middag gelukkig nog een paar hopelijk coherente woorden tot hem gericht.)
We zaten met z’n allen in de zaal, op een tafel op het podium lagen de ongeveer dertig voor de prijs ingezonden boeken. Behalve het bekroonde boek werden er negen even in de lucht gehouden en kort getypeerd door juryvoorzitter Frans Meijer. Ik vond het jammer dat mijn boek niet een van die negen was, vooral omdat de grote Toonder het aanhoorde.
Toen ik na afloop van de uitreiking de lege zaal inliep en het tafeltje met ingezonden boeken bekeek, zag ik dat Zoute griotten er niet bij lag. Ook raar. De volgende maandag Frans Meijer opgebeld. Hij pakte de lijst erbij – nee, het boek was niet ingezonden. Volgend jaar beter! wenste hij hartelijk – maar voor een debuutprijs kom je maar eenmaal in aanmerking, tenzij je het nog een keer onder een andere naam probeert.
Op 17 april 2003 kreeg ik op dit punt min of meer genoegdoening: ik zocht meneer Toonder in het Rosa Spierhuis op om hem een essaybundel aan te bieden met daarin een bijdrage die ik over zijn werk geschreven had. Ik vertelde hem over mijn avonturen met Anthos, en hij zei daarover invoelend: Wat een klonten!
Het prijzenfestival was nog niet ten einde. Mijn collega, die ook bemoeienis had met de Libris-prijs, mailde op 21 mei dat Zoute griotten ook daarvoor niet was ingezonden. ‘Ik heb hier de complete lijst voor me met alle 148 boeken die zijn ingezonden voor de Libris Literatuur Prijs 2002 (de editie 2002 is voor boeken die in 2001 zijn verschenen). Daarbij is geen enkele titel van Anthos, dus ook niet jouw debuut.’
Gauw de uitgever gemaild. (Opbellen had ook gekund, maar ik had geen zin om iemand aan de telefoon te krijgen aan wie ik moest uitleggen wie ik was en wat ik wilde – of die blaffend vroeg waar ik het gore lef vandaan haalde naar de uitgever te vragen.) De uitgever mailde op 28 mei terug dat Zoute griotten wél was ingezonden voor verschillende prijzen. (‘Anthos verstuurt wat’ deel 2.)
Ik kreeg het voor elkaar de uitgever te strikken voor een lunch op 27 juni. Daarbij overhandigde ik hem het manuscript van mijn beoogde volgende boek. Half augustus ontving ik het terug, net zoals het ging in de tijd dat ik nog niet aan een uitgeverij verbonden was: met een afwijzingsbriefje van een paar regels.
Bij die lunch was ik nog maar een keer begonnen over het inzenden voor de Libris-prijs. De uitgever zou er om aan alle onduidelijkheid een einde te maken navraag naar doen. Toen ik aan mijn collega verslag uitbracht en suggereerde dat Anthos wellicht wel degelijk had ingezonden, raakte hij op het vertoornde af in een ‘wat zullen we nou beleven’-stemming en haalde de officiële lijst met inzendingen erbij. Die was alfabetisch gerangschikt op uitgever, te beginnen met De Arbeiderspers. Ik zag het zelf.
Het boek werd intussen aardig uitgeleend door de bibliotheek, en daar had ik baat bij, want ik ontving een leenrechtvergoeding van LIRA. Dat ging niet meteen zoals het hoorde. De hoogte van de vergoeding hing onder meer af van de winkelprijs van het boek, en die bedroeg aanvankelijk 25 gulden. Niet lang na verschijning werd de euro ingevoerd, waarbij de prijs 11,43 euro werd, een bedrag dat je kreeg als je 25 deelde door 2,20371. En als je vervolgens 11,43 door 2,20371 deelde kreeg je 5,15 euro – het bedrag dat om de een of andere reden op de specificatie vermeld stond. (Geen idee wie die rare vergissing op zijn geweten had, maar onwillekeurig gaan mijn gedachten een bepaalde kant uit.)
Ik ben uiteraard in beroep gegaan, en niet voor niets, want er volgde een nabetaling van 11,45 euro van LIRA. Het is niet meer te achterhalen wat ik daarmee deed, in mijn dagboek schreef ik op 27 juni 2003: ‘daar gaan we wat leuks voor doen, maar ik kan het ook op rente zetten.’
Eerder dat jaar was ik in een minder grollige stemming geweest. Op 21 januari trof ik op de website van Boekblad een fotoverslag aan van de Anthos-nieuwjaarsreceptie. Ik had geen uitnodiging van ze ontvangen, en ook geen nieuwjaarsgeschenk (ze hielden er ook mee op me catalogi te sturen.) Als je op een website feestfoto’s ziet heb je weliswaar een beetje het gevoel dat je erbij bent, maar dat is toch wat anders dan daadwerkelijk meelopen in de polonaise. Ik werd er een beetje onvrolijk van.
Het werd op die manier wel een lekker jaar. Dat vond ook mijn redacteur, met wie ik op 14 mei een lunchafspraak maakte om gezellig bij te praten; ze werkte nu bij een gerenommeerde uitgever. Ze had overigens nog altijd geen Zoute griotten in huis, Anthos had haar niet eens een exemplaar gezonden. Of misschien hadden ze het wel gedaan, maar naar een verkeerd adres of zo of weet ik veel. Ik kon wel navraag doen, maar wat schoot je daarmee op? (‘Anthos verstuurt wat’ deel 3.)
Het nadeel van het auteurscontract was dat ik er door de royalty-afrekening eenmaal per jaar aan herinnerd werd dat ik aan Anthos verbonden was. En bijna elk jaar riep die afrekening vragen op.
De promotiemedewerker (niet de nieuwe, daar hoorde ik niks meer van) mailde me op 15 mei 2002 dat er in 2001 652 exemplaren verkocht waren, en in 2002 tot dan toe 360, in totaal dus 1012 exemplaren. Ik vroeg per kerende mail of dat wel klopte, want op de royalty-afrekening over 2001 was geen sprake van 652 maar van 570 verkochte exemplaren.
Het jaar erna, op 3 mei 2003, moest ik naar aanleiding van de royalty-afrekening weer mailcontact met de uitgever zoeken: ‘Volgens een opgaaf die ik van haar ontving heeft de Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD|Biblion) in maart vorig jaar 291 exemplaren van Zoute griotten besteld. Desondanks is er bij de “specificatie royaltyberekening” sprake van (in totaal) 253 verkochte exemplaren in 2002. Daarentegen staat er bij de “specificatie voorraad”: 355 verkopen. Graag hoor ik van je hoe dat mogelijk is.’
Ik weet nog steeds niet hoe het mogelijk was.
Terzijde over die bibliotheekboeken een anekdote. Ik had bij het verschijnen van de roman buisdorp.com in de lucht laten brengen, die destijds nog geen e-mailmogelijkheid had maar later wel kreeg. Het boek werd tot en met 2004 zo’n duizend keer per jaar uitgeleend, maar geen van de leners zond me via de website een e-mail. Toen ik een keer zo’n bibliotheekexemplaar bekeek zag ik hoe dat mogelijk was: bij het uitleenklaarmaken was een schijnbaar overbodige pagina verwijderd. Aan de ene kant stond alleen de titel, aan de andere kant de verwijzing naar mijn website.
Met de royalty-afrekening werd het elk jaar gekker. Op 17 april 2004 ontving ik die over 2003, waarin stond dat er ‘–28’ (min achtentwintig) boeken verkocht waren en dat ik nu een voorschot van 27,62 euro had. Bovendien bedroeg de voorraad nul. Niet omdat er een run op het boek was geweest, maar omdat er 1008 exemplaren ‘vernietigd’ waren. Wel alle donders!
Grimmig maakte ik de 27,62 over, in de hoop dat ze ervan in verwarring zouden raken. Inderdaad kwam er op 6 mei een brief van een redactieassistent. Er stond boven ‘beste meneer de Jong’. (Als er zo’n toon aangeslagen wordt zijn de verhoudingen ongeneeslijk verziekt.) Ze was er door de ‘royaltyadministrateurs’ op geattendeerd dat ik 27,62 euro overgemaakt had. Dat had ik niet hoeven doen, het werd teruggestort. Ze gaf toe dat de term ‘te verrekenen’ verwarrend was, er waren meer vragen over gekomen.
Ik had er ineens genoeg van. Het was de hoogste tijd geworden voor... een brief!
‘Hartelijk dank voor uw raadselachtige brief van 4 mei. U schrijft daarin dat het onder het kopje “te verrekenen” genoemde bedrag van 27,62 euro wil zeggen dat “het voorschot dat bij ondertekening van het auteurscontract aan u is betaald, nog niet helemaal is terugverdiend met de verkoop van uw boek”, en dat ik het betreffende bedrag niet had hoeven over te maken, vanwege uw “vertrouwen in de auteur”.
Ik ben u zeer erkentelijk voor dat vertrouwen – een voorschot bij ondertekening van het contract heb ik echter nimmer ontvangen. In het door mij medeondertekende, op 17 april 2001 gedagtekende contract is geen sprake van een voorschot. Indien u nog in het bezit bent van uw kopie van het contract kunt u dit controleren; zo niet, dan ben ik uiteraard graag bereid u een kopie van mijn kopie toe te zenden.
Afgezien van het raadsel van het “te verrekenen” bedrag van 27,62 euro bevat de royalty-afrekening 2003 nog een aantal onduidelijkheden. Vanwege ervaringen in het verleden leek het mij verspilde moeite daarover aan de bel te trekken, maar nu u er zelf over begonnen bent kan ik het net zo goed alsnog doen.
Het lijkt mij beter dat ik mij daarbij tot u in plaats van tot de uitgever richt. Vorig jaar bevatte de afrekening eveneens onduidelijkheden. Ik mailde de uitgever daarover, die op 4 mei 2003, ook per mail, liet weten: “Ik laat het uitzoeken en laat het je berichten”. Vervolgens niets meer vernomen. Het jaar daarvoor, op 27 juni 2002, had ik lunch met de uitgever. Er was toen een andere kwestie aan de orde; bij die gelegenheid zegde de uitgever mondeling toe het te laten uitzoeken, en ook in dat geval nooit meer wat gehoord.
Een verzachtende omstandigheid is uiteraard dat hij als uitgever omkomt in de verplichtingen. Ik las vorig jaar bijvoorbeeld op de website van Boekblad in het Buchmessedagboek van een uwer redacteuren, dat de barkeeper van het Frankfurter Hof zich de uitgever nog goed kon herinneren van diens bezoek het jaar ervoor. Als je er moeite voor doet om bij de barkeeper van het Frankfurter Hof een indruk achter te laten, dan is het logisch dat de zorg om je auteurs erbij inschiet.
Een andere omstandigheid die maakt dat ik me mijns inziens het beste tot u kan richten, is dat ik het sterke vermoeden heb dat de kennis van zaken bij medewerkers van Anthos toeneemt naarmate zij een bescheidener plaats in de hiërarchie innemen.
Zo was ik op 17 oktober 2001 in het pand om de auteursexemplaren van mijn zojuist gedrukte roman Zoute griotten in ontvangst te nemen. Hoewel men het te druk had om mij een kop koffie aan te bieden, was het toch een zeer feestelijke gebeurtenis, want de uitgever kwam persoonlijk voor een minuutje van zijn afdeling naar de postkamer afgedaald. Tegen de postkamermedewerker zei hij dat ik als auteur acht exemplaren van de roman kon meekrijgen. De postkamermedewerker was gelukkig beter op de hoogte van het bepaalde in Artikel 7 van het contract, zodat ik van hem de tien exemplaren ontving waar ik recht op had.
Maar nu die royalty-afrekening 2003.
Afgezien van dat “te verrekenen” bedrag van 27,62: hoe is de boekhandel erin geslaagd –28 (min achtentwintig) exemplaren te verkopen?
Bij “Specificatie verkoopprijzen” staat: 15-03-2002 EUR 12,90. Blijkens de fondslijst op uw website (gecontroleerd 3 mei 2004) is de kostprijs van het boek momenteel EUR 14,95. Heeft die prijsverhoging in 2003 plaatsgevonden? Waarom staat dat dan niet vermeld op de royalty-afrekening (ingevolge Artikel 11, lid 1c van het contract)? Indien de prijsverhoging heeft plaatsgevonden na 31 december 2003, dan wordt het helemaal vreemd, want de royalty-afrekening geeft als “Eindvoorraad 31-12-2003” aan: 0 (nul).
(N.B. Over uw website gesproken. Daarop ontdekte ik bij toeval: “Meer informatie over onze auteurs is te vinden op de volgende (buitenlandse) sites”. Zolang ik nog aan Anthos verbonden ben, stel ik er prijs op dat in dat overzicht ook mijn website buisdorp.com wordt opgenomen. Contractueel is Anthos weliswaar niet gehouden zulks te doen, uit oogpunt van hoffelijkheid is het wellicht te overwegen.)
Gaan we verder met de royalty-afrekening.
Daarop staat vermeld bij het onderdeel “Vernietigingen”: 1008 exemplaren (zijnde de resterende voorraad).
Ik heb geen idee wanneer genoemde “Vernietigingen” hebben plaatsgevonden, zodat het voor mij niet mogelijk is te handelen ingevolge het bepaalde in Artikel 14, lid 1: “Indien het werk gedurende een jaar niet meer leverbaar is bij de uitgever, zal de uitgever binnen drie maanden na een schriftelijk daartoe strekkend verzoek van de auteur schriftelijk verklaren of hij voornemens is een herdruk in enige vorm van het werk uit te geven.”
Met andere woorden: zolang ik niet weet wanneer de “Vernietiging” (die ertoe geleid heeft dat het boek “niet meer leverbaar is bij de uitgever”) heeft plaatsgevonden, weet ik ook niet wanneer ik een verzoek als hierboven bedoeld kan indienen.
(Ik waarschuw maar even dat het nu aanmerkelijk minder vrolijk wordt. U moet het zich maar niet persoonlijk aantrekken. Ook al verkondigt de uitgever nog zo gretig dat hij het “laat uitzoeken” en auteurs dingen “laat berichten” – zijn delegeerdrift leidt er niet toe dat zijn ondergeschikten ook verantwoording dragen voor misstanden: dat blijft de uitgever doen.)
Met het “Vernietigen” heeft Anthos voor de tweede keer gehandeld in strijd met het contract. (Eerder gebeurde dat met betrekking tot het bepaalde in Artikel 3, lid 1: “De uitgever bepaalt de omvang van de oplage en de verkoopprijs. Hij verplicht zich deze omvang en prijs uiterlijk binnen twee maanden na de dag van uitgave schriftelijk aan de auteur mede te delen.” Ik heb nimmer een schriftelijke (of mondelinge) opgave van de omvang van de oplage ontvangen.)
In Artikel 16, lid 2 wordt gesproken van “het restant van de oplage in de vorm van een partij ineens aan een opkoper of in de vorm van oud papier of anderszins van de hand te doen”.
In Artikel 16, lid 3 wordt hieraan toegevoegd: “In beide voormelde gevallen is de uitgever verplicht de auteur van zijn voornemen op de hoogte te brengen en hem gedurende een termijn van vier weken in de gelegenheid te stellen in het geval van lid 1 een door de auteur te bepalen aantal exemplaren van het werk tegen de in lid 1 bedoelde verlaagde prijs te kopen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, of in het geval van lid 2 het restant van de voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen.”
Ik heb van de uitgever geen bericht ontvangen over diens voornemen de voorraad te “Vernietigen” (wat in Artikel 16, lid 2 omschreven wordt als “anderszins van de hand te doen”); evenmin is mij vier weken de tijd gegund de “voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen”.
Indien de uitgever zich wil houden aan de door hemzelf onderschreven bepalingen in het contract, dan dient hij:
1. 1008 exemplaren van de roman Zoute griotten (zijnde het aantal “Vernietigde” exemplaren) te laten bijdrukken. 2. De auteur ervan in kennis te stellen dat (en wanneer) hij voornemens is deze exemplaren te laten “Vernietigen”. 3. De auteur gedurende een periode van vier weken in de gelegenheid te stellen de voorraad over te nemen tegen de prijs die een opkoper bereid is daarvoor te betalen.
Daarbij vestig ik de aandacht op Artikel 13, dat betrekking heeft op het herdrukken van het werk (als er 1008 exemplaren bijgedrukt worden, dan is er sprake van een zogenoemde “herdruk”). In dat geval namelijk, dient de uitgever (Artikel 13, lid 2) “de auteur de gelegenheid te bieden in zijn werk verbeteringen aan te brengen, binnen een nader overeen te komen redelijke termijn”.
Wellicht ten overvloede (maar bij Anthos weet je het nooit) zij erop gewezen dat de auteur bij een herdruk 2 (twee) exemplaren gratis ontvangt.’
Tot zover mijn brief van 7 mei. Ik vond het een aardige brief, de redactieassistent ook. Ze dankte me er hartelijk voor in haar antwoord van 13 mei. Daarin voorts excuses voor haar vorige brief, want ze wist niet dat ik geen voorschot ontvangen had. De prijs van 14,95 euro die ik op de fondslijst had gezien klopte niet, het kon zijn dat die lijst ‘hard aan vernieuwing’ toe was. Ook was volgens haar een excuus op zijn plaats voor de gang van zaken rond de vernietiging. Als goedmakertje werden de laatste (twaalf) in het pand aanwezige Zoute griotten bijgesloten. Opgeruimd staat netjes, moet de uitgever daarbij gedacht hebben.
Omdat de redactieassistent zo in haar sas was geweest met mijn brief, stuurde ik haar er op 21 mei nog een.
‘Hartelijk dank voor uw brief van 13 mei. Kennelijk maakt u er een gewoonte van stellige beweringen te doen zonder vooraf na te gaan of ze wel waar zijn. De prijs van 14,95 euro op de fondslijst, die volgens u niet klopt, is de prijs die de kassa van twee boekhandels aansloeg na het scannen van de barcode, toen ik onlangs op zoek ging naar niet-vernietigde exemplaren. 14,95 euro (exclusief verzendkosten) is de prijs die gevoerd wordt door een aantal internetboekhandels. 14,95 euro is de prijs die vermeld wordt op de website Literatuurplein.nl – men heeft deze prijs opgekregen van het Centraal Boekhuis. 14,95 euro is kortom de prijs die op de royalty-afrekening had moeten voorkomen.
De kwestie van de –28 verkochte boeken blijft raadselachtig. Ik ontvang royalty’s over door de boekhandel verkochte boeken, en niet over aan de boekhandel verkochte boeken. Als de boekhandel exemplaren retourneert, zou dat dus niet tot een negatief royalty-bedrag moeten leiden.
Ik heb nog steeds niet vernomen wanneer de vernietiging van de voorraad Zoute griotten heeft plaatsgevonden.
Uw uiteenzetting over de gang van zaken rond het vernietigen van de boeken is interessant, maar niet relevant. Het enige wat in dezen telt, is het bepaalde in Artikel 16 van het contract. Indien u daarmee in strijd handelt, pleegt u contractbreuk. Daar kunt u zich niet van af maken met een voornemen voortaan zorgvuldiger te zullen handelen – temeer daar Ambo|Anthos niet in aanmerking komt om toekomstig werk van mij uit te geven.
Als u zo lichtvaardig omgaat met contractbepalingen, lijkt het mij verstandig dat wij overeenkomen af te wijken van het bepaalde in Artikel 14 en Artikel 15 (betrekking hebbend op respectievelijk het hedrukvoornemen van de uitgever en de beëindiging van de overeenkomst) en dat onze wegen zich per onmiddellijk scheiden.
Graag ontvang ik daartoe van u een contractwijziging als bedoeld in Artikel 18.’
Op 2 juni 2004 raakte ik in een uitgelaten stemming – bij de post zat een verklaring ter beëindiging van de contractuele afspraken! Ik was weer vrij man, en heb dat nog diezelfde dag gevierd met een hazelnootgebakje.
Overigens: ik weet dat ik gevoel voor cynisme heb, ik wist niet dat de uitgever het ook heeft. In Boekblad Magazine van 10 maart 2005 zegt hij op pagina 13:
‘Wij hebben een succesvolle aanpak van de vormgeving, marketing en publicitaire ondersteuning. Dat wordt herkend.’
(Bovenstaande avonturen met Anthos heb ik mede genoteerd ten behoeve van aspirerende schrijvers die op het punt staan een manuscript in te zenden maar nog niet weten naar welke uitgever. Ik raad ze aan een keuze te maken uit de lijst met uitgevers die hebben ingezonden voor de Libris-prijs 2002.)
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||