Home                 Zoute
 griotten

Dodelijk
verliefd

Berichten uit
Buisdorp

Soep

Afgrijselijke
jeugd

Livia Werk in
wording
Mail eventueel
Weblog
Soms gestelde vragen
Publicaties
Schrijverspost
Literatuurpleinplek
Gastenboek
   
 

 

 

   
 

thematiek en motieven
 

Zoute griotten is een liefdeskomedie die in het studentenmilieu speelt. De roman begint met een kruising tussen een Natureingang en een Toonder-eingang (Toonder zou ‘deze ware geschiedenis’ geschreven hebben) vermengd met een vleugje ‘Er was eens...’, waarmee de toon is gezet voor een luchtige vertelling.

 

Het gaat in Zoute griotten om veranderingen in het gedrag van mensen die verliefd zijn geworden. Nadat hij Jardina heeft ontmoet, verandert Everts leven op slag; hetzelfde overkomt meneer Mortifa nadat hij in Kokya de vrouw heeft herkend van wie hij als zeventienjarige droomde. Ook Aster en Toker gaan zich anders gedragen als ze op elkaar verliefd zijn geworden.

 

Meneer Mortifa is als ‘amateur-filosoof’ iemand die precies weet hoe de wereld in elkaar zit – totdat hij verliefd wordt en alle zekerheden hem ontvallen. Toker is in deel een uiterst cynisch; van zijn cynisme is weinig over als hij aan Aster verslingerd is geraakt. Op p. 41 maakt hij denigrerende opmerkingen over een Mariaverschijning, op p. 146 blijkt hij met Aster naar de kerk te zijn geweest.

 

De verliefde personages nemen elkaars gedrag over. (En in het geval van Aster en Toker ook elkaars uitdrukkingen: ‘ga maar op het dak staan’, ‘gruttemutte’.) Dat is niet uit platte imitatie, het is een vrij algemeen bekend psychologisch fenomeen. (Muzikanten die lange tijd met elkaar gespeeld hebben zijn daardoor ook in tune geraakt.)

Aster is aanvankelijk met haar studie bezig, terwijl Toker op dat gebied weinig uitvoert. In deel twee zijn de rollen omgedraaid.

 

In deel een slaat Evert het aanbod van een biertje stelselmatig af (behalve in de scène waarin hij zeer dronken wordt), in deel twee neemt hij als hij van zijn werk thuiskomt werktuiglijk een biertje uit de koelkast, terwijl Toker is overgestapt op thee.

 

Everts buurman verkondigt veelvuldig filosofische wijsheden. Uit Mortifa’s denkbeelden kan worden afgeleid dat hij van zijn lot houdt – niet voor Nietzsche is A. Mortifa een anagram van amor fati. Zelf lijkt hij dat niet in de gaten te hebben: het is nu eenmaal niet eenvoudig jezelf te kennen.

 

Mortifa is niet het enige naamanagram: Atillo is er ook een. In Nabokovs roman Lolita huurt Humbert Humbert een kamer bij Lolita’s moeder (en trouwt zelfs met haar) om in de buurt van Dolores Haze te zijn. Evert overweegt in zijn masturbatiefantasie (p. 69) het omgekeerde: met Atillo iets beginnen, en als dat niets wordt het met moeder Kokya aanleggen.

 

[Terzijde: bespreker Ed Dewildere had er in wat van te zeggen dat ik dit soort zaken uitlegde. ‘Alsof de schrijver wanhopig zijn best doet de lezer ervan te overtuigen dat hij echt heel hard aan zijn debuut heeft gewerkt en dat elke mus expres van het dak valt.’ Dat A. Mortifa een anagram was van amor fati en Atillo van Lolita was had Dewildere zelf ook wel gezien. Het zou terechte kritiek geweest zijn als Dewildere ook de dingen die ik niet uitlegde in de gaten had gehad. In het eerste hoofdstuk van deel twee (p. 100) is bijvoorbeeld een door hem niet opgemerkt eerbetoontje aan Carmiggelt en Sonneveld verwerkt. Jardina’s vader somt daar voormalige vriendjes van Jardina op: Harry, Kees, Pim en Nicky. Die zijn ontleend aan het verhaal ‘Twintig’ uit de Carmiggelt-bundel Kraaltjes rijgen (1958), waar Sonneveld later een prachtige conference van maakte. Die conference moet Arie Wietzen ook gekend hebben, getuige het dronken verslag van diens optreden dat meneer Mortifa tijdens zijn nachtelijke bezoek aan Evert uitbrengt: ‘Z’n dochter had steeds een ander vriendje, en die moesten allemaal mee-eten.’ (p. 133)]

 

Geruime tijd ziet het ernaar uit dat Everts toestand hopeloos is. Er komt weinig terecht van een toenadering tot Jardina. Daar begint verandering in te komen als hij op de redactie aan de rubriek ‘Dokter Martin weet raad’ werkt (p. 81). Dokter Martin geeft jongeren advies. Omdat de dokter dezelfde voornaam heeft als de schrijver, heeft het er veel van weg dat deze tussenbeide is gekomen om de zaak in goede banen te leiden.

 

Belangrijke motieven zijn de ‘meertrapsgrappen’ die over het hele boek zijn uitgesmeerd: Asters verzameling ‘oude spulletjes van vroeger’, de literaire porno, de prijsvraag (kaviaar, champagne en zoute griotten), het geschreeuw van meneer Dibbes, de tante van Kokya die het moeilijk heeft, en Barrelmeijers vermoeden dat Evert wat heeft met de zesjarige Madeleine.

 

Op een aantal plaatsen is sprake van ‘interne ironie’: Jardina’s vader moet niets hebben van boeken ‘over het studentenwereldje’ met ‘filosofische flauwekul’ (p. 99). Evert beeldt zich op p. 37 in dat ‘baron Bion’ verzot is op pijproken; op p. 162 steekt Jardina’s vader een pijp op. Evert windt zich op over de critici die buiten zinnen raken als ze in een boek een stijlbreuk tegenkomen (p. 61), deel twee begint met een stijlbreuk (het perspectief ligt er niet bij Evert).

 

 

structuur

De roman bestaat uit twee delen van elk drie hoofdstukken. De chronologie van beide delen is B – A – C. De titels van de hoofdstukken van deel een en twee zijn verwant: ‘Even nalezen’ – ‘Even langskomen’; ‘Prehistorie’ – ‘Prethistorie’; ‘In de war’ – ‘In de wolken’. De derde hoofdstukken van beide delen hebben een vrijwel identiek begin hebben.

 

Het eerste hoofdstuk van deel twee, ‘Even langskomen’, heeft de vorm van een toneeldialoog. Daarvoor is gekozen omdat het perspectief hier niet (zoals elders) bij Evert kan liggen. De passage heeft door louter uit dialogen te bestaan vaart; zou er ook beschrijving in voorkomen, dan zou de omvang ten opzichte van het eerste hoofdstuk van deel een onevenredig groot zijn geworden. (Dan moeten de gelaatsuitdrukkingen van de personages, de handelingen die zij verrichten en de manier waarop zij iets zeggen beschreven worden.)

In de slotscène ligt het perspectief evenmin bij Evert.

 

 

tijd

De gebeurtenissen in Zoute griotten vinden plaats in de periode donderdag 14 maart –  zaterdag 25 mei. Deel een: 14 maart – 19 april, deel twee: 20 april – 25 mei.

In het eerste hoofdstuk is het 21 maart (‘deze geschiedenis begint op de eerste voorjaarsdag’, p. 9). Omdat het tweede hoofdstuk (waarin de periode 14 – 21 maart beschreven wordt) voorafgaat aan Everts ontmoeting met Jardina, heet het ‘Prehistorie’.

 

 

achtergrondinformatie

‘Je moet er toch niet aan denken dat we nog in de jaren vijftig leefden!’ zegt meneer Mortifa op p. 56. ‘Ze maakten jongens wijs dat masturbatie kwaad kon (...).’

Ten tijde van het kabinet Drees II (1952 – 1956) voerde de overheid een zelfbevredigingsontmoedigingsbeleid. Het waren de jaren van wederopbouw, en men was van mening dat er in herrijzend Nederland geen energie verspild mocht worden aan wat voor vermaak dan ook. Op scholen en zelfs bij de padvinderij werd de jeugd voorgehouden dat je van masturbatie rugaandoeningen kreeg en dat je er doof van werd – terwijl allang wetenschappelijk was aangetoond dat het tegendeel het geval was.

 

Half waanzinnig geworden van het jarenlang niet masturberen en van de bijna dagelijkse natte dromen die daar het gevolg van waren, vluchtten velen al voor hun twintigste in het huwelijk. Het zal geen verbazing wekken dat er werd voortgeplant bij het leven – precies wat herrijzend Nederland nodig had.

 

Dat de jeugd niet masturbeerde moest zich natuurlijk wreken. Veel pubers en adolescenten gingen in gebogen houding over straat. Volgens de opvoedingsdeskundigen omdat ze stoer wilden overkomen, maar in werkelijkheid omdat de rug door gebrek aan masturbatie krom ging groeien.

In de vroege jaren zestig werd er zo weinig gemasturbeerd, dat jeugddoofheid epidemische vormen begon aan te nemen. (Dit was de voornaamste reden dat de popmuziek in die jaren steeds luider werd.)

 

Aan deze zorgwekkende situatie kwam door de overbevolking een eind. Nederland was herrezen, en dus werd er tijdens het kabinet De Jong (1967 – 1971) uit een ander vaatje getapt. Door middel van voorlichting op televisie (beide netten) en via postercampagnes werd de jeugd aangezet tot masturbatie, en dit was niet aan dovemansoren – al had het weinig gescheeld. Het gewijzigde beleid wierp vruchten af: algauw werd er net als voor de oorlog naar behoefte gemasturbeerd.

 

Niet alleen haalden weinigen het vanaf het eind van de jaren zestig nog in hun hoofd voor hun twintigste te trouwen – binnen de kortste keren kwam je in een discotheek haast geen gehoorapparaat meer tegen.

Het gezonde verstand had gezegevierd.

 

© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden.