|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Kamasoetra Vermoedelijk eind jaren negentig zond de zender SBS een reeks programma’s uit over de Kamasoetra, die ik op video vastlegde om er later ‘wat mee te doen’. Terwijl de parenden hun gang gingen, legde een donkerbruine voice-over monotoon uit wat zich voltrok, waarbij hij macabere termen als vulva gebruikte. De eeuwenoude standjes uit het boek over de liefdeskunst bleken benamingen te hebben als Uptphallaka, wat ‘de zich openende bloem’ betekende. (Dat had dan weer met die vulva te maken.) De voice-over deed er zeer gewichtig over, maar ik kon er niet meer in zien dan ‘ingewikkeld krikken’. Het is aannemelijk dat Evert de serie ook gezien heeft (als Toker hem vraagt: ‘Kijk jij vaak naar pornofilms?’, antwoordt hij: ‘Als het zo uitkomt’ – p. 48-49). Het door Evert als ‘supplement op de Kamasoetra’ (p. 105) gepresenteerde standje noemt hij: Ya bada badu. Dat klinkt als een authentiek Indiase uitdrukking, maar het is gewoon de juichkreet van Fred Flintstone – vandaar dat het vertaald wordt als ‘de holbewoner’.
James BrownOp een aantal plaatsen is James Brown in de roman geslopen. Dat begon (tijdens het schrijven) met Everts letterlijke vertaling van de song Papa’s Got A Brand New Bag (p. 93) en met Kokya’s voorstel Evert dansles te geven (ze heeft thuis een bandje met funknummers van James Brown). Toen Zoute griotten nog Zenuwen & Chocoladevla heette, werkten Aster en Jardina aan een essay over een sonnet van Shakespeare (‘The expense of spirit in a waste of shame...’ – sonnet 129). Dat essay sneuvelde, wat overbleef was de Shakespeareparodie op p. 73. Toen ik de deze scène schreef luisterde ik naar cd’s van James Brown. De titels van sommige songs leken mij een afdoende antwoord op Shakespeare.
Arie WietzenDe ‘ras-amuseur’ Arie Wietzen is een bruiloften-en-partijen-komiek die de mosterd bij meer getalenteerde kleinkunstenaren vandaan haalt. Bewijzen kan ik het niet, maar ik vermoed dat Wietzen net als ik begin jaren zeventig op zondagmiddag luisterde naar het radioprogramma N.A.R. (Nederlandse Artiesten Revue), gepresenteerd door Coen Serré. Als er na een liedje applaus klonk zette ik gauw de primitieve Philips bandrecorder aan, want dan volgde er een conference.
JazzIn Everts verbeelding houdt Jardina van jazz: ‘Waar luister je naar? Miles? Duke? Trane? Monk? Birds? Bags?’ (p. 36). Dit zijn achtereenvolgens: tompettist Miles Davis (1926 – 1991), componist, orkestleider en ‘piano player’ Duke Ellington (1899 – 1974), pianist Thelonious Monk (1917 – 1982), saxofonist Charlie Parker (1920 – 1955) en vibrafonist Milt Jackson (1923 – 1999).
© Copyright content, design & graphics Martin de Jong, Den Haag. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||